De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 28

Chapter 28 3,660 words Public domain Markdown

Generaal Mac-Enery laat ons door een adjudant uitnoodigen een bezoek aan het conservatieve hoofdkwartier in de Kanaalstraat; en vergezeld van mijn ouden vriend, den consul De Fonblanque, verlaten wij ons hotel, nu bekend als het "hoofdkwartier van de Golf."

Generaal Mac-Enery bewoont een appartement, in de Kanaalstraat, het uitzicht hebbende op het standbeeld van Henry Clay; in welk appartement hij een soort van nederige hofhouding heeft ingericht. "Gij zijt niet bang om binnen te gaan, vraagt een senator die ons op de trap tegenkomt, hoewel wij bandieten zijn?"

In den salon vinden wij den gouverneur Mac-Enery, den luitenant-gouverneur Penn en verscheidene leden van den Senaat, die weigeren zitting te nemen met de aanhangers van Kellogg, onder het presidentschap van Cesar C. Antoine. Beschaafder en deftiger lieden dan deze conservatieve senatoren, zoudt ge zelfs te Oxford of te Westminster niet kunnen vinden. Gij behoeft deze heeren, echte gentlemen, slechts aan te zien, om aanstonds te begrijpen dat, al mogen zij in sommige opzichten gelijk of ongelijk hebben, het niet gemakkelijk zal vallen hen te verdringen uit de stelling, die zij eens hebben ingenomen.

"Wij beweeren, zegt generaal Mac-Enery, dat wij vijf-en-negentig percent vertegenwoordigen van den rijkdom dezer stad, acht-en-negentig percent van het kapitaal in den geheelen staat."--Naar hetgeen wij van elders vernomen hebben, bestaat er alle reden om dit als de zuivere waarheid aan te nemen.--"En toch, voegt Penn er lachende bij, zijn wij, in wier handen bijna de gansche rijkdom van den staat berust, bandieten!

"In den regel zijn bandieten geen mannen van fortuin: noch in Spanje, noch in Griekenland, noch in Klein-Azië, noch in Californië, worden zij tot de bezittende klasse gerekend. Zoo een collega van Vasquez de dagbladen kon lezen, zou het hem zeker genoegen doen te vernemen, dat, naar de verzekering van generaal Sheridan, onder de leden van de magistratuur en van de balie een aantal zijner confraters zijn te vinden."

"Niemand, antwoordde ik, ontkent dat gij den rijkdom van Nieuw-Orleans vertegenwoordigt; het komt hier echter aan op personen, en niet op fortuin; en zoo ik mij niet vergis, beweert gij ook dat de conservatieve kandidaten inderdaad de meerderheid van stemmen op zich hebben vereenigd?

--Dat is ook zoo, hernam de gouverneur; onze meerderheid is niet groot, maar toch groot genoeg, om, als men ons rustig laat begaan, het bewind te voeren en de wet te herstellen.

--Hebben de kleurlingen niet de meerderheid van stemmen in den geheelen staat--negentig-duizend tegen zes-en-zeventigduizend?

--Volgens de tegenwoordige kiezerslijsten, ja; maar die lijsten zijn blijkbaar valsch. Hoe zou het mogelijk zijn, dat de kleurlingen meer stemmen hebben dan wij? In aantal staan wij bijna gelijk--driehonderd-twee-en-zestig-duizend blanken tegenover driehouderd-vier-en-zestig-duizend zwarten. Die getallen zijn niet van ons afkomstig: de volkstelling had plaats onder het bestuur van Warmoth. Wij weten stellig dat ook hier sommige opgaven onjuist zijn--en onjuist in het belang der kleurlingen. Maar laten wij de cijfers aannemen, zooals zij daar staan. Hoe kan een verschil van tweeduizend in de bevolkingsstaten samengaan met een verschil van veertienduizend in de kiezerslijsten?

--Inderdaad, dat is niet makkelijk te verklaren.

--Behalve door bedrog, door openbaar en schaamteloos bedrog. Het is een feit, dat de negers, onder verschillende namen en in verschillende kerspelen, zijn ingeschreven. Doode negers blijven op de lijsten staan; minderjarige negers zijn als kiezers ingeschreven. Vrouwen zijn als mannen opgegeven. Overal waar ge zwarte beambten hebt, ondersteund door eene zwarte policie, kunt ge zeker zijn van valschheid en bedrog.

--Is het waar, generaal, dat de conservatieven in beginsel gekant zijn tegen het toekennen van staatkundige rechten aan negers?

--Daaromtrent loopen de gevoelens uiteen. Velen onzer zijn van meening dat het een grove fout was, aan de kleurlingen het stemrecht te geven; maar de regeering der Vereenigde-Staten, die hun de vrijheid gaf, oordeelde het ook nuttig, hun het stemrecht te verleenen. Wij onderwerpen ons aan de feiten. Er zijn menschen, die den neger zoowel zijne persoonlijke vrijheid als zijn staatkundigen invloed zouden willen ontnemen; maar de meerderheid der burgers heeft elk denkbeeld van een terugkeer tot den vorigen staat van zaken laten varen. De conservatieven zouden wenschen dat het stemrecht bij de wet bepaald en geregeld werd. In alle vrije landen zijn sommige kathegoriën van personen, zooals armen, idioten, gevangenen, van het stemrecht uitgesloten. In sommige landen worden zij die lezen noch schrijven kunnen, niet als kiezers erkend. Behoudens dergelijke beperkingen, zouden de conservatieven van Louisiana niet ongezind zijn, aan de negers staatkundige rechten toe te kennen.

--Gij zoudt dus niet bang zijn voor goed onderwezen kiezers?

--In het geheel niet: wel opgevoede en onderwezen lieden zullen zich nooit laten leiden door scalawags. Zelfs nu doet de invloed der opvoeding zich gelden. Als al de negers eendrachtig samenstemden--negentigduizend tegenover zes-en-zeventigduizend--dan zouden zij Pinch tot gouverneur kunnen verkiezen, en van eene sterke meerderheid in de Kamers verzekerd zijn. Maar wij hebben wel opgevoede negers in Louisiana, zooals Tom Chester: en geletterde Afrikanen zijn het in de politiek al even weinig met elkander eens als geletterde Angelsaksers. Zoodra een neger een weinig lezen kan, werpt hij zich op als leider; hij volgt niemand, en allerminst iemand van zijn eigen kleur. Zoodra hij een stuk grond en een hut bezit, wordt de neger ook conservatief en stemt tegen de scalawags. In elke parochie van Louisiana bestaat een conservatieve negerclub; en in spijt van Kelloggs belofte, dat iedere neger, die voor Grant zou stemmen, veertig bunders land en een goed muildier zou ontvangen, hebben, bij de jongste verkiezingen, duizenden negers met ons gestemd. Zoodra de bondstroepen zich terugtrekken, zullen tienduizenden hetzelfde doen."

Wij nemen nu afscheid van generaal Mac-Enery, en begeven ons naar de conservatieve Kamer, in de straat Saint-Louis, waar wij door den voorzitter Wiltz zeer vriendelijk ontvangen worden. Als wij de vergadering binnentreden, is kapitein Kidd aan het woord, een man als soldaat en als rechtsgeleerde evenzeer bekend en bekwaam. Hij stelt voor, dat al de conservatieve leden zich gezamenlijk naar het Kapitool zullen begeven, en vorderen dat hun gelegenheid worde gegeven, zitting te nemen. Zes-en-zestig leden zijn tegenwoordig: drie-en-vijftig wier geloofsbrieven in orde zijn bevonden, en dertien anderen, wier verkiezing ten onrechte door het bureau van Kellogg is vernietigd.

"Gij beweert, niet waar, de wettige Kamer te zijn? vroeg ik den voorzitter.

--Neen, antwoordt Wiltz, op stelligen toon. Wij beweeren alleen dat wij de bij de wet vereischte meerderheid bezitten. Maar wij geven onszelven den naam van bijeenkomst, en niet van vergadering, want zelfs in woorden willen wij strikt binnen de palen der wettigheid blijven."

Terwijl Kidd de conservatieven aanspoort om eene meer besliste houding aan te nemen, wordt er een telegram naar Washington gezonden, om het advies in te winnen van den senator Thurman. Thurman is een van de hoofden der demokratische partij, die in het Congres zitting heeft voor Ohio, en die bij de conservatieven van het Zuiden in hoog aanzien staat. "Hebt geduld!" is het wijze antwoord.

"Onze politiek is geduld, zegt de voorzitter; wij moeten ons bepalen tot afwachten. De tijd zal ons recht doen wedervaren. Het kunstje met de veertig bunders en den muilezel kan niet voor de tweede maal vertoond worden. Dergelijke middelen duren maar voor een tijd. Wij kunnen wachten. Gewisselijk lijden wij door dit uitstel; maar door geweld zouden wij nog meer lijden. De heeren op deze banken zijn of zelven eigenaars, of vertegenwoordigen de eigenaars, van bijna alle magazijnen, schepen, pakhuizen, banken en hotels van Nieuw-Orleans. Meent gij dat zij eenig belang hebben bij wanorde en straatrumoer? Als er een glasruit wordt stuk geslagen, moeten wij de kosten betalen. De scalawags hebben niets te verliezen dan hunne huid, en zij dragen wel zorg, die niet bloot te stellen. Wat geven Kellogg en Packard, Antoine en Pinchback er om, of de nationale rijkdom toe- dan wel afneemt? Voor ons hangt alles af van de handhaving van vrede en orde. Onze broeders in de steden van het Noorden begrijpen dit nog niet, maar de loop der gebeurtenissen zal hun wel spoedig de oogen openen."

Generaal Warmoth, die nog altijd beweert de eenige wettige gouverneur van Nieuw-Orleans te zijn, en aan wien wij vervolgens een bezoek gaan brengen, is een type van die talrijke klasse van burgers, die zich noch om blanken, noch om zwarten bekommeren, zoolang zij hun handel kunnen drijven en hun winkel niet stil staat. Deze lieden wenschen in vrede te leven, hun dagelijksch brood te verdienen, en hunne woning ongestoord te bezitten. Zij bemoeien zich niet met theoriën over rassen: in hun oog zijn allen, die iets bij hen wenschen te koopen, broeders. De dollar van een neger heeft voor hen juist dezelfde waarde als de dollar van een blanke, in ruil voor een paar schoenen of whisky. Wat heeft een koopman te maken met dat gehaspel over gelijkheid van rechten? Als zij hun huur en belasting kunnen betalen, zijn zij tevreden, en laten al die lastige twistvragen over voor rechtsgeleerden en afgevaardigden.

Zelfs onder de negers telt Warmoth een zeker aantal aanhangers. Hij heeft hen nooit bedrogen, en verkreeg hunne stemmen zouder eene toezegging van veertig bunders en een goeden muilezel. Aan hem danken de negers de inrichting der stedelijke policie, waarin velen hunner de eenige waarborg zien voor hunne persoonlijke vrijheid. Naar gelang de ster van Kellogg verbleekt, keeren de negers hunne blikken naar Warmoth, als naar een verstandig, gematigd man, die eene gevaarlijke botsing met de blanken zal weten te voorkomen.

Een man van veel aanleg en beschaving, een krijgsman ook, met een bleek gelaat en diepliggende doordringende oogen, maakt Warmoth, in zijn voorkomen en manieren, eenigermate den indruk van een romanheld; men zegt, dat de dames van het Zuiden zijne schoonheid zeer bewonderen. Hij is uitermate beleefd en heeft zelfs iets gedistingeerds. Terwijl de carpet-baggers over het algemeen in geen fatsoenlijk gezelschap ontvangen worden, stelt Warmoth hoogen prijs op sociale onderscheiding, en wordt hij ook somwijlen bij de voornaamste familiën van Nieuw-Orleans genoodigd. Deze onderscheiding is voor hem een voorrecht en eene beproeving tevens. Hij is daardoor in vriendschappelijke aanraking gekomen met zulke onverdachte en onverzettelijke conservatieven als Mac-Enery en Penn. Wiltz heeft hem bij zich ontvangen; Ogden heeft hem in den kerker een bezoek gebracht. Door zijne innemende manieren en zijne gematigde denkwijze heeft de Yankee Warmoth de aristokratie van Nieuw-Orleans bijkans weten te verzoenen met zijne tegenwoordigheid in haar stad.

Maar door het verwerven van deze voorrechten, waarin zij niet deelen kunnen, heeft hij natuurlijk den naijver en de woede van zijne vroegere makkers, de scalawags, opgewekt. Toen Warmoth te Nieuw-Orleans kwam, met eene reputatie van dapper soldaat en geslepen politikus, werd hij door de trouw gebleven burgers gekozen tot president van het "Groote leger der republiek" in Louisiana. Dit Groote leger der republiek is eene vereeniging van liberale patriotten, die tijdens den burgeroorlog de wapens hebben gedragen: het leger is thans wel ontbonden, maar de voormalige wapenbroeders gevoelen zich nog onderling vereenigd door de herinnering aan de te zamen doorleefde gevaren en gewonnen lauweren. In elken staat der Unie vindt men zulk eene vereeniging, die, vooral in het Zuiden, de bijzondere bescherming der regeering geniet. De president van zulk een genootschap bekleedt een belangrijken post en kan zeer grooten invloed uitoefenen: en generaal Warmoth wist daarvan zoo goed gebruik te maken, dat hij, na de uitvaardiging der Reconstruction Act, tot gouverneur van Louisiana werd verkozen.

Het oordeel over zijn bestuur verschilt naarmate van de politieke partij, waartoe de beoordeelaar behoort. Zijne vrienden beweeren dat hij de orde handhaafde en den handel aanmoedigde; terwijl zijne tegenstanders, naar amerikaansche wijze, hem een schurk, een dief, een lafaard en een moordenaar noemen. Conservatieven, die geen reden hebben om genegenheid voor hem te gevoelen, geven toe dat hij, in eene moeilijke betrekking, waarin eene zware verantwoordelijkheid op hem drukte en hij aan groote verzoekingen blootstond, getoond heeft, een man van niet alledaagsche bekwaamheid en betrekkelijk lofwaardige eerlijkheid te zijn.

Billijke vijanden laten hem dit recht wedervaren; maar niet zoo zijne vroegere vrienden, dweepzieke republikeinen of afvallige conservatieven. De fanatieke republikeinen geven hem de schuld van den val hunner partij in Nieuw-Orleans, die door zijn overgang in twee kampen werd verdeeld en machteloos gemaakt. Nog scherper is het oordeel der afvallige conservatieven, die hem in hunne dagbladen op de grofste wijze aanvallen, niet wegens verschil van beginselen, maar naar aanleiding van allerlei ellendige kwesties, samenhangende met den grooten strijd der rassen.

Zal het, bij voorbeeld, den negers vergund zijn, in de openbare rijtuigen plaats te nemen? De dames antwoorden, neen. De eigenaars der rijtuigen, die met hun klanten gaarne op een goeden voet blijven, antwoorden ook, neen. De carpet-baggers, die afhankelijk zijn van de stemmen der negers, antwoorden, ja; zij beweeren dat de maatschappelijke gelijkstelling van blanken en zwarten een noodzakelijk gevolg is van de politieke gelijkheid van rechten. De kwestie maakt de hoofden warm en wint de gemoederen op, niet minder dan de telegrammen van Sheridan of de handelingen van Grant. Ieder doet een middel ter oplossing aan de hand, en spreekt zijn meening uit over een schikking. Generaal Warmoth stelt voor, dat van de Kanaalstraat bijzondere omnibussen zullen rijden, met een ster geteekend, waarin negers zullen plaats nemen, en diegenen onder de blanken, die geen bedenking hebben tegen hun gezelschap. Hij deelt dit denkbeeld mede aan zijn ouden vriend, den senator Jewell, met verzoek een artikel in dien geest op te nemen in het door hem uitgegeven dagblad: The Commercial Bulletin. Jewell weigert de opneming. "Dan zal ik het elders beproeven," zegt Warmoth. "Zoo ge dat artikel laat drukken, roept Jewell, dan zijt ge een verloren man."

Warmoth laat toch het artikel drukken; en zijn verzoenend voorstel wordt, als eene billijke oplossing van het lastige geschil, aangenomen door de twee conservatieve leiders: Mac-Enery en Wiltz. Den volgenden morgen verschijnt er in Jewell's krant een hoofdartikel, waarin Warmoth wordt uitgemaakt voor "Lazarus, door Satan uit de dooden opgewekt;" voor "een vermetel, slecht mensch, uitvinder en voorstander van alle misbruiken;" voor een "stamgenoot van de ratelslang;" voor een man "van infame reputatie."--Warmoth verdedigt zich hierop, door Jewell te beschuldigen van "leugen, schaamtelooze leugen." Hij voegt daarbij dat Jewell's kwaadaardigheid voortspruit uit zijne weigering om den senator te begunstigen met het openbaar maken der officieele berichten van het gouvernement!

Daarop zendt Jewell iemand naar het huis van Warmoth, in de straat Saint-Louis, om te vernemen of hij duelleeren wil. Warmoth antwoordt dat hij niet kan duelleeren met iemand als Jewell. Zoodra de senator dit bescheid verneemt, zendt hij aan Warmoth eene uitdaging, die tot zijne groote verbazing wordt aangenomen.

Wat nu volgt werpt een eigenaardig licht op de amerikaansche toestanden. Daniel C. Byerley, gewezen luitenant in het leger der geconfedereerden en mededeelgenoot van Jewell's drukkerij, trekt zich persoonlijk de zaak met Warmoth aan. Hoewel hij zijn linkerarm heeft verloren, is hij een man van groote lichaamskracht en vaardigheid. Hij loert op Warmoth en volgt hem in de Kanaalstraat, waar hij hem onverwachts aanvalt en met een stok twee hevige slagen op het hoofd toebrengt. Half bedwelmd, wankelt Warmoth eenige schreden terug; Byerley werpt zich op hem: zij grijpen elkander aan en vallen op den grond. Vechtende en worstelende rollen de beide mannen over het voetpad: Byerley houdt niet op met Warmoth op het hoofd te slaan; maar Warmoth, die zijn mes heeft kunnen trekken, steekt dat zijn vijand in de zijde. Eindelijk worden de vechtenden door de toeschietende menigte gescheiden. Byerley, zijn rotting zwaaiende, gaat heen, leunende op den arm van twee vrienden, die hem naar een naburig hospitaal brengen. Warmoth geeft zijn mes over aan een hoofdman der stedelijke policie, en laat zich als gevangene medevoeren.

Eenige uren later was Byerley overleden. Daar hij gevallen was in den strijd tegen een indringer, werd Byerley als de held van Nieuw-Orleans gevierd: een lange sleep van rijtuigen volgde zijn lijk naar het graf. De gouverneur Mac-Enery was een der slippedragers, en meer dan tweeduizend burgers gingen in optocht achter den lijkwagen. Echter lijdt Warmoth's reputatie er in het minste niet onder, dat hij een manslag heeft begaan. Zijn gevangenis is een salon; de aanzienlijkste personen laten zich inschrijven op het daarvoor bestemde register. Mac-Enery bezoekt hem in den kerker. Ogden en Penn zijn niet minder beleefd, en de president Wiltz brengt hem een officieel bezoek. Op een enkelen dag ontvangt hij niet minder dan vijfhonderd burgers. Nooit is Warmoth zoo populair geweest. Niemand rekent hem de schuld van het vergoten bloed toe; en toen de zaak voor den rechter werd gebracht, volgde onmiddellijk vrijspraak.

"Ik dacht dat Byerley ten volle gewapend was, zegt Warmoth, om het gebruik van zijn mes te rechtvaardigen; en ik trof hem niet dan in zelfverdediging. Hij overviel mij bij verrassing, en sloeg mij tweemaal eer ik hem zag. Zijn rotting was een degenstok: een wapen, zoo gevaarlijk als een degen en vrij wat erger dan een mes."

Deze moord op de openbare straat heeft den toestand nog meer gespannen en verward gemaakt; want, hoe men ook moge denken over straatgevechten, toch zal geen verstandig man de hoogste waardigheid in den staat gaarne willen toevertrouwen aan iemand, wiens handen met bloed bevlekt zijn. In schier elk ander land zou een man, die zulk eene daad had bedreven, nimmer meer in het openbare leven kunnen optreden; en voor het oogenblik is Warmoth, zelfs in Louisiana, dan ook onmogelijk geworden. Maar hoe lang zal dit interdict duren?

XXI.

Carpet-baggers.--De rotonde.

De partikuliere secretaris van William P. Kellogg brengt in ons hotel de boodschap, dat indien ik wenschen mocht een bezoek te brengen aan de wetgevende en aan de uitvoerende macht, de voorzitter Hahn en de gouverneur Kellogg mij met zeer veel genoegen op het Kapitool zullen ontvangen. In gezelschap van onzen consul, begeef ik mij dus op weg langs de Koningsstraat, daar de ingang in de straat Saint-Louis nog steeds gesloten is.

Na eenige woordenwisseling met zwarte soldaten en policie-agenten, wordt ons de deur geopend. Onwillekeurig treden wij terug, half verstikt door een afschuwelijken stank, een verpesten atmosfeer van slechte sigaren en gemeene spiritualiën. De ruime zaal is bijna donker; in een der hoeken brandt een gasvlam. De deuren en vensters zijn met planken betimmerd; de vloer is bezaaid met kurken, gebroken glazen, broodkorsten en afgeknaagde beenderen. De zaal is opgevuld met leegloopers en ambtenaren, voor verreweg het meerendeel negers, allen rookende, babbelende, joelende, doelloos heen en weer loopende en dringende. Hier schreeuwt een katoenplukker, dat hij naar boven wil, om de Kamer aan het werk te zien. Daar tracht een carpet-bagger een zwarten kiezer aan het verstand te brengen, waarom de negers nog niet de door Kellogg toegezegde veertig bunders en een goeden muilezel ontvangen hebben. De trap opgaande, loop ik bijna een kerel tegen het lijf, die al stotterende uitroept: "Dat's hetzelfde! de kleurlingen hebben nu ook hun rechten!"

Na vrij lange onderhandelingen met de zwarte policie, die ons als blanken natuurlijk voor spionnen of verraders aanziet, komen wij aan de zaal der Tweede Kamer: een langwerpig, smerig vertrek met een houten vloer. Overal staan spuwbakken, en sommige neger-afgevaardigden zitten op hun gemak te rooken en heen en weer te wiegelen op hun zetels. Er heerscht een bedompte, bedorven lucht. Elk lid heeft een fauteuil, waarop zijn naam met groote letters geschilderd is; maar het schijnt hun niet mogelijk stil te zitten. Zij drentelen rond, staan telkens op, babbelen onder elkander. Vijf of zes leden voeren te gelijker tijd het woord, en betichten elkander luide van leugen en bedrog. "Stilte daar!"--"Mijnheer de Voorzitter!"--"Ga zitten, leelijke neger, en zwijg!" Het is een leven, als op een boerenkermis.

Michael Hahn, die deze vergadering presideert, doet ons nevens zijn zetel plaats nemen, on tracht ons eenige opheldering te geven omtrent hetgeen wij zien.

"Het verwondert u, dat het geoorloofd is, in de vergadering te rooken? Ja, gij moet weten dat het eigenlijk niet geoorloofd, dat het zelfs verboden is; maar hoe zal ik dat verbod handhaven? Pruimen is niet verboden; en toch is pruimen een nog walgelijker gebruik dan rooken. Reglementen baten niets. Negers willen en zullen pruimen en rooken.

--Waarom laat gij hen dan niet rooken in andere kamers?

--Dat is gemakkelijk gezegd. Maar laat ik u mogen zeggen, mijnheer, dat het niet gemakkelijk te doen, dat het volstrekt onmogelijk is.

--Waarom?

--Omdat ik geen enkel lid kan missen. Zooals gij ziet, hebben wij juist het vereischte getal. Zoodra een enkel lid zijne plaats verlaat, kunnen wij niet voortgaan."

Een neger, Demas genaamd, lid voor Sint-Jansparochie, staat op en interpelleert de Kamer met een daverende stentorstem. Daar is eene zekere welsprekendheid in hetgeen hij zegt. "Ja, zegt de president Hahn, daar steekt iets in deze kerels. Bijna allen zijn zij geboren slaven. Een dozijn jaren geleden, zou het nauwelijks een hunner hebben durven wagen, in tegenwoordigheid van een blanke zijn mond te openen."

De president beweert niet te weten, hoe veel leden van zijn parlement zwart, en hoevelen blank zijn. "Wij letten niet op de kleur," zegt hij. Maar terwijl Massa Demas met heftige gebaren staat te oreeren, tellen wij de hoofden, en bevinden dat er vier-en-twintig blanken zijn tegen acht-en-twintig zwarten. Vier-en-twintig en acht-en-twintig maakt te zamen twee-en-vijftig: dat is dus vier leden minder dan het vereischte getal! Toch heeft de voorzitter ons zoo even verzekerd dat de Kamer voltallig is. Wij tellen nog eens over, en komen tot dezelfde uitkomst.

"Houdt gij deze vergadering voor eene wettige Kamer, mijnheer de Voorzitter?

--Ja, gewis is zij eene wettige Kamer, de Tweede Kamer van Louisiana.

--Maar er zijn niet meer dan twee-en-vijftig leden tegenwoordig.

--Zes-en-vijftig hebben bij het appel nominaal geantwoord."

O, Michael Hahn!

Wij gaan naar de Eerste Kamer, waar wij den voorzittersstoel zien ingenomen door een rijzigen, bleeken neger met een klein hoofd en verflenste trekken. Er zijn dertien blanke en vijftien zwarte senatoren tegenwoordig, die bezig zijn te overleggen of het niet wenschelijk zou zijn, den heeren senatoren te Washington eens een lesje te geven, door op nieuw Pinchback af te vaardigen als senator voor Louisiana. Deze vuilgrauwe, verloopen neger is niemand anders dan Cesar C. Antoine, luitenant-gouverneur van den staat, en als zoodanig president van den Senaat. Er zijn geen conservatieve leden tegenwoordig.