De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 27
Bij het aanbreken van den dag, terwijl de neger-afgevaardigden zich nog geeuwend op hunne met koortsmos gevulde matrassen rondwentelen en voortdurend om meer whisky schreeuwen, vult zich de Koningsstraat met soldaten, die de voetpaden bezetten en hunne geweren op den rijweg in rust zetten. Wat heeft dit te beduiden? De gansche stad schijnt reeds ontwaakt en op de been. De voetpaden wemelen van burgers zoowel als van soldaten, en bijtende spotternijen, krenkende woorden worden van beide zijden gewisseld. De mariniers naderen van de zijde der kaaien; nabij het Tolkantoor is de kavalerie opgesteld. Twee kanonnen staan bij het havenhoofd, een derde beschermt den toegang tot het Statenhuis. Emory, met het opperbevel belast, blijft in het Arsenaal, gereed daar heen te gaan, waar zijne tegenwoordigheid vereischt wordt. Zijn luitenant, De Trobriand, na zijne troepen in de straat Saint-Louis te hebben opgesteld, met hun rechtervleugel geleund tegen de gesloten poorten van het Kapitool, en de linker zich uitstrekkende naar de rivier, bezet met een deel zijner brigade de Koningsstraat. Tweeduizend federale soldaten zijn onder de wapenen.
Met uitzondering van de ordonnans-officieren, die nu en dan naar het hotel rijden waar Sheridan nog altijd vertoeft, wordt de toegang tot de straat Saint-Louis aan niemand vergund; evenmin wordt iemand in de Koningsstraat toegelaten, behalve de berichtgevers der dagbladen, de dienstdoende officieren, en de van een toegangskaart voorziene leden der Kamer. Potter, lid van de door het Congres benoemde commissie, toont zijn kaart: vergeefs: de toegang tot het Kapitool wordt hem geweigerd. Mac-Enery en Wiltz, die er prijs op stellen officieele getuigen te hebben, noodigen ook de beide andere leden der commissie, Forster en Phelps, uit, om met Potter bij de opening der zitting tegenwoordig te zijn. De drie leden verschijnen gezamenlijk: de schildwachten drijven hen terug. Als voorzitter der commissie, laat Forster een hoofdofficier roepen, die, na eenige woordenwisseling, hun vergunt door te gaan, maar volstrekt weigert, de heeren die hen volgen mede door te laten.
Even voor twaalf uur, verschijnen de conservatieve leden en corps in de Koningsstraat, en begeven zich naar den ingang van het Kapitool; de dienstdoende officier houdt hen staande, en verlangt hunne papieren te zien. Vier hunner, die geen toegangskaarten hebben, worden afgewezen, tot dat nader omtrent hunne toelating zal zijn beslist. De anderen vervolgen hun weg door gangen, met soldaten bezet, door kamers, vervuld met den stank van slechte sigaren en whisky. Afdeelingen policie-agenten, met knuppels en revolvers gewapend, bewaken de deuren, en weigeren de toegangen tot de vergaderzaal te ontruimen. Zij beweeren, dat generaal Campbell hun hunne posten heeft aangewezen, en zoo lang hij hen niet afroept, mogen zij zich niet verwijderen. Foster en Phelps houden van dit een en ander zorgvuldig aanteekening.
Voor Wiltz is het nu niet langer twijfelachtig, of, wanneer bedrog niet mocht slagen, de scalawags tot geweld hun toevlucht zullen nemen; en Mac-Enery is evenzeer overtuigd dat zij daarbij op de hulp der federale officieren kunnen rekenen. Een enkel driftig woord, een enkele ondoordachte stap, kan eene noodlottige botsing uitlokken. "Laat ons vastberaden en spoedig handelen", fluisteren de burgers elkander toe; "bovenal, laat ons strikt binnen de palen der wet blijven."
Met klokslag van twaalven begint Vigers de presentielijst af te lezen; twee-en-vijftig republikeinen en vijftig conservatieven zijn tegenwoordig.
"Honderd-twee leden zijn present; de vergadering is wettig geconstitueerd!" roept Vigers, wiens stem bijna door het geschreeuw en gejoel der negers wordt verdoofd.
"Ik stel voor, zegt Billieu, het conservatieve lid voor La-Farouche, dat de heer Louis A. Wiltz, gewezen mayor van Nieuw-Orleans, het presidium op zich neme."
Vigers, die verwacht dat iemand Michael Hahn zal voorstellen, heeft de onbeschaamdheid te zeggen, dat hij het voorstel van Billieu niet in omvraag wil brengen. Vigers is griffier--griffier van de vorige Kamer--en hij heeft niets anders te doen dan de presentielijst te lezen. Beleefdheidshalve wordt zulk een ambtenaar vergund, om het eerste voorstel te doen tot benoeming van een president; maar als hij dit nalaat, heeft, naar amerikaansch gebruik, elk lid der Kamer het recht, dit voorstel te doen en stemming te vragen door het opsteken der handen. Ziende dat Vigers aarzelde, staat een der leden op; herhaalt het voorstel van Billieu; laat stemmen door het opsteken der handen, en verklaart dat het voorstel is aangenomen. Aanstonds plaatst Wiltz zich in den voorzittersstoel, en terwijl de negers verbluft zitten te kijken en beginnen te schreeuwen, roept hij de Kamer tot de orde en verklaart de zitting geopend.
Een der leden stelt nu voor, dat de nog aanhangig gebleven verkiezingen zullen worden onderzocht, en dat de vijf leden, die buiten op straat wachten, inmiddels hunne zetels zullen innemen. Wiltz brengt het voorstel in omvraag; met groote meerderheid van stemmen wordt het aangenomen, daar een aantal negers zich verwijderd hebben, om raad in te winnen bij de leiders der partij, in Kellogg's kabinet vergaderd. Nadat de vijf heeren hunne plaatsen hebben ingenomen, kunnen de blanken rekenen op vier-en-vijftig stemmen.
Intusschen heeft geene der beide partijen op zichzelve de wettige meerderheid, en de republikeinen, ziende dat zij hunne geringe meerderheid verloren hebben, beginnen de zaal te verlaten. Maar de conservatieven, aan dergelijke kunstjes gewoon, beletten hen zich te verwijderen, vóór eene nieuwe telling kan plaats grijpen. Een lid stelt de benoeming van Louis A. Wiltz tot president voor; een ander lid doet gelijk voorstel ten behoeve van Michael Hahn. Acht-en-vijftig leden zijn tegenwoordig; vijf-en-vijftig stemmen voor Wiltz, die, onder oorverdoovend gejuich, als president wordt geproklameerd.
De rechter Houston, nabij den voorzittersstoel staande, neemt hem nu den gebruikelijken eed van trouw aan de wet en de constitutie van Louisiana af. Wiltz houdt op nieuw appel nominaal, en neemt den tegenwoordigen leden den eed af. Hoewel zich enkelen verwijderd hebben, is toch het wettig getal nog bijeen. Hahn, onzeker wat te doen, is gebleven, en legt den eed in handen van Wiltz af. Kapitein Floyd wordt nu tot serjeant benoemd, en de heer Trevezant tot griffier. De Kamer is nu geconstitueerd. In zijne hoedanigheid als voorzitter, noodigt Wiltz den generaal De Trobriand uit, de policie-agenten te verwijderen die de deuren en toegangen bezet houden, en de generaal voldoet aan die uitnoodiging. Naar het schijnt, wordt de conservatieve Kamer, onder presidium van Wiltz, geconstitueerd, dus door de bondstroepen als de wettige macht erkend. Zijn de scalawags dan inderdaad geslagen, en de blanke burgers weer meester van de stad? Nog niet.
In zijn kamer gezeten, omringd door officieren en beambten, verneemt Kellogg, met klimmende woede en verlegenheid, wat er daar in de Vergadering plaats grijpt. Ondanks zijn whisky en zijn sigaren, ondanks zijn cantine en zijn matrassen, hebben de conservatieven hem in zijn eigen huis en met zijn eigen wapenen geslagen. Hoe zal hij zich in zijne positie handhaven? Met een conservatieven president, griffier en serjeant, is de Kamer geheel in de macht zijner vijanden. Alleen de federale bajonetten kunnen het werk van dezen morgen weer ongedaan maken.
Maar zijn die bajonetten nog tot zijne beschikking? Wiltz roept ze ter hulpe, en zij gehoorzamen hem. Zullen zij ook aan zijn bevel gehoor geven? Hij neemt de proef, en zendt een schriftelijken last aan generaal De Trobriand om de vergaderzaal te bezetten, en de vier conservatieve leden te verwijderen, aan wie de Kamer vergund heeft zitting te nemen.
De Trobriand onderwerpt dit bevelschrift aan generaal Emory. Het is niet uitgemaakt, of Emory ook den raad van Sheridan heeft ingewonnen; maar na een geruim tijdsverloop, terwijl de beraadslaging in vollen gang is, treedt De Trobriand, die nu zijn orders ontvangen heeft, eensklaps de vergaderzaal binnen, en eischt dat hem de "indringers" zullen worden aangewezen. Wiltz antwoordt dat hem geen "indringers" bekend zijn; dat al de hier tegenwoordige heeren leden zijn der Kamer, en dat de persoon van elk lid eener amerikaansche wetgevende vergadering onschendbaar is.
"Ik ben soldaat en geen opperbevelhebber, ik moet de mij gegeven orders uitvoeren, antwoordt De Trobriand. Generaal Emory heeft mij gelast, overeenkomstig de bevelen van den gouverneur Kellogg te handelen.
--Ik moet u uitdrukkelijk doen opmerken, herneemt de president, dat deze wettig verkozen Kamer zich heeft geconstitueerd door mij te benoemen tot voorzitter, kapitein Floyd tot serjeant en den heer Trevezant tot griffier. Daarna hebben wij vijf leden zitting doen nemen, wier geloofsbrieven door het kiesbureau aan ons zijn onderworpen. Wilt gij deze heeren uitdrijven?
--Mijn plicht als officier laat mij geen andere keus."
Wiltz noodigt al de leden uit om met hem, ten teeken van protest, van hunne zitplaatsen op te staan. Al de conservatieven rijzen op, heffen hunne handen omhoog en roepen den hemel tot getuige aan van hun protest. De negers, vreezende dat het op een kloppartij zal uitloopen, springen over de banken, verschuilen zich achter de lessenaars, verdringen zich in de gangen, en sluiten zich op in de geheime kabinetten.
"Wijs ze aan! roept De Trobriand tot Vigers.
--Vigers heeft in deze Kamer niets te zeggen, herneemt de president. Zijne tusschenkomst in de beraadslagingen en handelingen dezer vergadering is onwettig. Vigers was griffier van de vorige Kamer; Trevezant is nu griffier.
--Lees de presentielijst!" schreeuwt De Trobriand, waarop Vigers opstaat en begint te lezen.
"De conservatieve leden zullen niet antwoorden," zegt de voorzitter: en geen enkel conservatief lid antwoordt op het lezen van zijn naam.
Nu treedt generaal Campbell binnen, om Vigers bij zijn onderzoek behulpzaam te zijn. Er worden soldaten ontboden. John O'Quin, lid voor Aroyelles, wordt aangewezen als een der vier conservatieven. "Verwijdert hem!" gelast De Trobriand. O'Quin roept de bescherming in van den voorzitter. "Wij zwichten alleen voor geweld," zegt deze, zich tot den officier wendende. De Trobriand laat soldaten met geladen geweren en bajonetten aanrukken, en twee dezer soldaten voeren O'Quin van zijn plaats. Nu komt de beurt aan Vaughan, lid voor Rapides. De Trobriand en zijn gewapende satellieten fier in het aangezicht ziende, rijst Vaughan op, en zegt: "In naam mijner kiezers, het volk van Louisiana, en als een vrij geboren burger van de Vereenigde-Staten, protesteer ik tegen deze aanranding."--Toen zich tot zijne collegas wendende, roept hij hen allen tot getuigen van deze verregaande geweldenarij tegenover eene vrije vergadering. "Gij ziet, zij werpen mij uit met bajonetten!"
"Laat het geschieden," zucht Wiltz, en de schanddaad wordt volvoerd.
Elf andere leden worden achtervolgens weggevoerd. Als Floyd, op last van den president, een der leden poogt te beschermen, wordt hij zelf gegrepen en door de soldaten vastgehouden. Nadat het laatste conservatieve lid aldus door geweld was verwijderd, rijst Wiltz op, geeft met plechtig gebaar een teeken dat stilte gebiedt, en spreekt op ernstig droeven toon:
"Als wettig voorzitter der Kamer van vertegenwoordigers van Louisiana, heb ik geprotesteerd tegen deze overrompeling onzer vergadering door soldaten van de Vereenigde-Staten, met gevelde bajonetten en geladen geweren. Onze broeders zijn voor onze oogen met geweld aangegrepen en weggevoerd, in spijt van hun plechtig protest. Een troep soldaten heeft deze zaal der volksvertegenwoordigers bezet, en wij hebben tegen die daad geprotesteerd. In den naam van een weleer vrij volk, in den naam van den weleer vrijen staat Louisiana, in den naam onzer amerikaansche Unie, protesteer ik op nieuw plechtig tegen dit misbruik der militaire macht. Mijn voorzittersstoel is door soldaten omringd. Onze ambtenaren worden door hen gevangen gehouden. Leden der wetgevende macht, ik verklaar plechtiglijk dat Louisiana heeft opgehouden een souvereine staat te zijn, en niet langer eene republikeinsche regeering bezit. Ik noodig alle vertegenwoordigers van ons land uit, met mij voor deze gewapende tusschenkomst te wijken."
Dit gezegd hebbende, heft Wiltz de zitting op en verlaat de zaal, gevolgd door al de conservatieven; hij gaat naar de straat Saint-Louis, vergezeld door eene overtalrijke menigte, die hem met luide toejuichingen begroet. In het huis N^o. 71 van de straat Saint-Louis vinden de afgevaardigden een geschikt lokaal, en na daarvan formeel bezit te hebben genomen, wordt de Kamer op reces gescheiden.
Kellogg heeft niet veel voldoening van zijn zegepraal. Zijne heftigheid heeft de zaken niet beter, maar veeleer erger gemaakt. De vier conservatieve leden, hoezeer door geweld verdreven, zijn niet bij stemming van hun recht vervallen verklaard; en dit kan nu niet meer geschieden, zelfs niet met een schijn van wettigheid, want de overblijvende neger-vergadering blijft beneden het voor een besluit vereischte getal van zes-en-vijftig stemmen. Wiltz is als president beëedigd, en als president heeft hij de vergadering belegd in de straat Saint-Louis. Alles wel beschouwd, ziet Kellogg dat hij op ieder punt geslagen is, en zwakker dan ooit te voren. Noch hij, noch zijn mededinger kan eene wettige vergadering beleggen, en zonder dat is geene regeering mogelijk.
De toestand schijnt een dictator te eischen, en ten negen uur des avonds aanvaardt generaal Sheridan de opperste leiding.
De soldaten zijn onder de wapenen, het zwaard is koning!
Indien slechts President Grant aan Sheridan in Louisiana volle vrijheid van handelen wil laten, zoo als hij hem die gelaten heeft in de valleien van de Blue-Ridge en op de jachtgronden der Peigans, dan zal mijn onstuimige buurman wel spoedig klaar weten te komen met zulke tegenstanders als Wiltz en Ogden, Mac-Enery en Penn. "Ik ken deze luidjes, zoo zegt hij; ik heb vroeger met hen omgegaan, toen zij onhandelbaarder waren dan tegenwoordig. Ik weet wat mij te doen staat. De Blanke Bond moet vernietigd worden. Dat is slecht volk: echte bandieten, belust op kwaaddoen. In Nieuw-Orleans ziet ge hen van hun gunstigste zijde: hier gedragen zelfs de leden van den Blanken Bond zich als fatsoenlijke lieden; maar in de plattelands-distrikten--Bossier en Saint-Bernard, Natchitoches en Red-River--zijn zij ware duivels."
Ten tien uur des avonds zendt Sheridan dit telegram aan Belknap, den secretaris van staat voor oorlog:
Nieuw-Orleans, 4 Januari 1875.
"Tot mijn leedwezen moet ik U mededeelen, dat in dezen staat een geest van verzet heerscht tegen alle wettig gezag, en eene onveiligheid van leven en bezit, waarvan de centrale Regeering of het land over het algemeen zich nauwelijks rekenschap geven kan. Het leven der burgers is zoo zeer bedreigd, dat, tenzij iets gedaan worde om het volk te beschermen, alle veiligheid, die de wet toekent, verloren zal gaan. Verzet tegen de wet en moord schijnen hier beschouwd te worden van een standpunt, dat straffeloosheid verzekert aan allen, die zich aan deze vergrijpen schuldig maken, en het burgerlijk gezag schijnt machteloos om de boosdoeners te straffen of zelfs te vatten. Heden avond heb ik het bevel over het departement der Golf op mij genomen.
P.H. Sheridan.
Dit departement der Golf, omvattende drie groote staten, Louisiana, Mississippi en Arkansas, met al de forten en militaire stations langs de golf van Mexiko, behalve de forten aan de Mobile-baai, wordt alzoo, met een enkelen pennestreek geschrapt van de divisie van het Zuiden, onder het opperbevel van Mac-Dowell geplaatst.
Den volgenden morgen ontvangt Sheridan, van den adjudant-generaal Townsend, de verzekering dat zijn gedrag wordt "goedgekeurd." Daarop antwoordt hij aanstonds, door naar Washington een schets te zenden van het stelsel, dat hij in de zuidelijke staten wenscht toe te passen: een dokument, dat wel verdient beroemd te blijven in de geschiedenis der amerikaansche vrijheid. Nog nimmer had een spaansch onderkoning op Sicilië, of een russisch gouverneur in Polen, van zijn koninklijken meester zoodanige volmacht gevraagd, als thans Sheridan aan President Grant vroeg. Zijn regeeringsprogram voor het Zuiden rust hoofdzakelijk op het denkbeeld, dat de voornaamste burgers van deze rijke on welvarende staten, door de regeering zelve als bandieten beschouwd en buiten de wet gesteld zullen worden, en aan haar ambtenaren overgeleverd om hen naar goedvinden te straffen.
Dit merkwaardig, aan Belknap gericht telegram luidt aldus:
Nieuw-Orleans, 5 Januari 1875.
"Naar mijne meening, kan het thans in Louisiana, Mississippi en Arkansas heerschende schrikbewind worden vernietigd, en het vertrouwen en de openbare orde hersteld, indien slechts de hoofdleiders van den gewapenden Blanken Bond worden gevat en terecht gesteld. Wanneer zij, door een besluit van het Congres, tot bandieten worden verklaard, dan kunnen zij door een krijgsraad worden gevonnisd. De aanvoerders dezer bandieten, die hier op den 14den September l.l. moorden hebben gepleegd, en later ook nog te Vicksburg in Mississippi, moeten, volgens den eisch der wet en openbare veiligheid, en ook in het belang van den vrede en de welvaart van de zuidelijke streken des lands, gestraft worden. Indien de President eene proklamatie wilde uitvaardigen, waarbij zij tot bandieten werden verklaard, dan behoefden misschien geen verdere stappen gedaan te worden, en ik kon voor het overige zorgen.
P.H. Sheridan."
Als de President maar wil verklaren dat al die burgers, dat is de massa der blanke bevolking, bandieten zijn! Dat is genoeg; dan kunt gij u verder stil houden, en het overige gerust aan mij overlaten!
Men mag vragen, of dit inderdaad de taal is van een amerikaansch officier, in het midden der negentiende eeuw levende, en sprekende van zijne medeburgers? De toon gelijkt meer op dien van een turkschen pâsja te Belgrado. Doch hoe dit zij: de omgeving van den President, de secretarissen en adjudanten, zijn opgetogen over zulke doortastende energie, en bij de mededeeling dezer berichten aan de officieele autoriteiten beginnen zij een eigenaardigen toon aan te slaan. Een afschrift, van Townsend's eersten brief aan Sheridan, nu reeds twaalf dagen oud, wordt aan generaal Mac-Dowell gezonden; en uit dit stuk verneemt deze hoog geplaatste officier dat zijn kommando in het departement van de Golf hem ontnomen is! Bij de kennisgeving aan generaal Sherman, dat Sheridan het opperbevel in Nieuw-Orleans heeft aanvaard, zegt Townsend, dat die officier de Golf heeft "geannexeerd", en voegt er, bij wijze van dooddoener, bij: "deze maatregel werd noodig geoordeeld en is goedgekeurd."
Generaal Sherman antwoordt droogjes:
St. Louis, 6 Januari 1875.
"Uw telegram van den 6den der loopende maand, houdende bericht, dat de generaal Sheridan het departement der Golf bij zijn kommando heeft geannexeerd, is door mij ontvangen."
Inmiddels heeft de voorzitter der Kamer, Louis A. Wiltz, zich tot den President gewend, hem van het gebeurde verslag gevende, en hem eerbiedig gevraagd te mogen vernemen: "op wiens gezag en krachtens welke wet het leger der Vereenigde-Staten de vergadering der Kamer van volksvertegenwoordigers van den staat Louisiana heeft overvallen en uiteen gedreven?" Mocht het blijken, dat deze handeling op geen wet en geen erkend gezag steunde, dan verzoekt Wiltz zeer dringend, dat de federale troepen gelast zullen worden, de Kamer weder te herstellen; en met niet minder aandrang vraagt hij, dat het departement van oorlog aan de federale officieren onder het oog zal brengen, dat bemoeiing met de werkzaamheden eener wetgevende vergadering geheel en al buiten hunne bevoegdheid ligt.
Wat zal President Grant hierop antwoorden? Hij is niet zoo zeker als Belknap en zijn adjudanten, dat in Nieuw-Orleans alles naar wensch gaat. Daar dringen stemmen door in zijn kabinet, die zijn gemoed met twijfel en bange voorgevoelens vervullen.
Verhalen van hetgeen des zondagsavonds en des maandagsmorgens in de Koningsstraat heeft plaats gegrepen, vullen de kolommen der dagbladen van elke stad, van Galveston tot Portland, van Savannah tot San-Francisco. Doorgaans zijn deze verhalen gekruid met bijtende en scherpe aanmerkingen; sommige schrijvers behandelen de zaak als een aardigheid. Is men niet midden in het carnaval, den uitgelezen tijd voor grappen en zotternijen? Dat feest der negers in het Kapitool is eene aardigheid: die cantine, die soupers, die middernachtelijke vergadering, die drinkgelagen in den vroegen morgen:--wel, dat zijn niet anders dan gekkernijen van vroolijke korrespondenten, die eens een loopje met het publiek willen nemen. Maar over het algemeen vat de pers de zaak zeer ernstig op; en tot hun eer moet het gezegd worden, dat juist de voornaamste republikeinsche dagbladen de scherpste veroordeeling uitspreken over de handelingen van De Trobriand. Zijn wij in Frankrijk? zoo vragen zij. Is Grant een andere Bonaparte? Zijn Emory en De Trobriand de gehuurde soldaten van een bastaard keizerrijk? Worden wij reeds door een Caesar geregeerd, en is het Witte-Huis een amerikaansch paleis der Tuileriën? Elk woord, in den laatsten tijd door den President gesproken, wordt zorgvuldig gewogen; en in de thans heerschende stemming is men zeer geneigd, eene geheime bedoeling, een verborgen caesaristischen zin te vinden in uitdrukkingen, die anders hoogstens als minder gelukkig gekozen zouden zijn beschouwd. Daarbij komt dat Grant zelden gelukkig is in zijn woorden. Hij weet dit, en zwijgt daarom liefst in tegenwoordigheid van vreemden; maar de eerste magistraatspersoon van een groot land moet toch nu en dan in het openbaar spreken en schrijven, en met al zijne onbetwistbare bekwaamheden, is hij dikwijls zeer onhandig, als hij zijn tong of zijne pen moet gebruiken.
Een flauw gerucht van de aarzeling en de vrees van den President dringt door tot het hoofdkwartier, in het hotel Saint-Charles. De adjudanten wenschen nog meer "energie", en Sheridan, nooit gewoon zijn woorden vooraf te wegen, telegrafeert aan zijn vriend, den minister van oorlog, aldus:
Nieuw-Orleans, 6 Januari 1875.
"Wil den President zeggen, dat hij zich niet ongerust behoeft te maken over den staat van zaken hier. Ik zal de rust handhaven, en dat is niet moeilijk, met de troepen en de zeemacht in en bij de stad. Indien het Congres de leden van den Blanken Bond en van andere soortgelijke vereenigingen, blanken of zwarten, tot bandieten wil verklaren, dan zal elke verdere bijzondere wetgeving voor het behoud der rust en der gelijkheid van rechten in de staten Louisiana, Mississippi en Arkansas onnoodig zijn; en ik zal de uitvoerende macht voor goed bevrijden van al de moeielijkheden, die zij tot dusver in deze streken ondervonden heeft.
P.H. Sheridan."
Ave Caesar! Dank zij het leger en de vloot, zal geen enkele blanke burger van Nieuw-Orleans zich durven roeren!
De leden van den Blanken Bond, die door Caesar tot bandieten moeten worden verklaard, vormen te zamen de geheele blanke bevolking--planters, advokaten, geneesheeren, bankiers, geestelijken, grondbezitters, kooplieden, geleerden, industrieelen. Voor het meerendeel zijn al deze mannen van engelsche afkomst. Wat Sheridan verlangt, is niets minder, dan dat het anglo-saksische ras in Louisiana, Mississippi on Arkansas buiten de wet zal worden gesteld en overgeleverd aan het militair gezag. Hij vraagt eenvoudig, dat het Congres een wet zal uitvaardigen, waarbij hem onbeperkte volmacht gegeven wordt om ieder, dien hij wil, en daaronder mannen als generaal Ogden en kapitein Angel, gouverneur Mac-Enery en luitenant-gouverneur Penn, zonder vorm van proces op te hangen.
XX.
De conservatieven.