De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 26
Dien dag dansten de Magyaren ook. Hoewel de nabuurschap het verschil van zeden en gewoonten voor een groot deel heeft uitgewischt, en hoewel de mannen der beide rassen de hongaarsche csarda dansen, meende ik toch een zeker onderscheid op te merken. Het kwam mij voor, dat de Walachen meer natuurlijke bevalligheid bezitten, terwijl de dans der Magyaren minder levendig, doch misschien waardiger en ernstiger is. De hongaarsche danser is zeer beleefd, zeer galant; maar men zou zeggen, dat zijne beleefdheid niets meer dan een vorm is: eigenlijk schijnt hij zich weinig om zijne danseres te bekommeren. Boven alles schijnt hij ingenomen met zijn eigen persoon. Niemand danst beter dan hij als cavalier seul. Dan draait en wervelt hij op één voet, heft zijn armen zegevierend in de hoogte, maakt allerlei buigingen, en neemt de meest verschillende standen aan. Zijne linten en kleurige franjes wapperen als vluchtige vlammen om hem heen: zijne belletjes en zijn sporen rinkelen en klingelen; maar dit geluid is hem niet voldoende: al dansende en springende, buigt hij zich om tegen zijne laarzen te kloppen, en als hij van vermoeidheid niet meer kan, als het zweet hem van het gelaat gudst, dan windt bij zich nog op door een zonderling woest geschreeuw.
Tusschen de dansers der beide natiën scheen de beste verstandhouding te bestaan. De Magyaren hadden zelfs de beleefdheid, de Tsiganen met hun violen naar hunne vrienden de Rumeniërs, wien het juist aan muziek haperde, te zenden. De eenigen, die bij het feest ontbraken, waren de Szeklers, de maaiers: groote, forsch gebouwde boeren, met een onbeteekenend gelaat en een zwaarmoedigen, plompen gang, die mij door hun voorkomen en hunne kleeding aan de landlieden uit Périgord deden denken. Misschien ook hadden zij van dezen rustdag gebruik gemaakt, om te Kolosvar een hunner kameraden te gaan bezoeken, die, ik weet niet voor welk vergrijp, in de gevangenis zat. Gedreven door een inderdaad treffend gevoel van medelijden en aanhankelijkheid, hadden al de bloedverwanten en vrienden van den gevangene, mannen en vrouwen, de lange reis afgelegd van de grenzen van Moldavië naar de vallei van den Szamos, om den beproefde een woord van troost en liefde toe te spreken; om de kosten van den tocht te kunnen betalen, hadden zij zich onderweg als maaiers verhuurd. De Hunnen hebben in Europa vreeselijke herinneringen achtergelaten; maar als hunne rechtstreeksche afstammelingen, de Szeklers, op hen gelijken, dan waren zij toch niet zulke monsters, als zij ons in de legende geschilderd worden.
IV.
Ik mocht de vallei van den Szamos niet verlaten, zonder een bezoek te brengen aan de armenische stad Szamos-Ujvar. Men had mij gezegd, dat die stad het in netheid en regelmatigheid van bouworde van alle zevenbergsche steden won; en ik hoopte daar nog enkele gebouwen te zullen vinden, die in hun stijl en hunne versiering iets eigenaardigs hadden, en op wier muren als het ware nog een weerglans speelde van de zon van Perzië. Deze verwachting werd echter teleurgesteld. De armenische huizen onderscheiden zich in hunne bouworde door niets van de hongaarsche huizen, en doen volstrekt niet denken aan de woningen van Erivan en Ordubad; maar zij hebben boven die van Kolosvar althans dit vooruit, dat zij niet omzoomd zijn door stinkende riolen: men vindt in de straten geen stilstaande poelen, en de stad bezit, op een eiland in den Szamos, een openbaren tuin met fraai geboomte en heestergewas, met een theater en een muziektent. Dat mag inderdaad iets zeldzaams heeten in een land, waar niemand aan dergelijke zaken van algemeen belang schijnt te denken. De afstammelingen der aziatische Haïkanen zijn dan ook niet weinig trotsch op het in het oog vallend contrast tusschen hunne kleine sierlijke woonplaats en de vervallen slordige steden der omwonende Magyaren en Rumeniërs.
De Armeniërs van Szamos-Ujvar zijn geünieerde Katholieken. Hunne kerk, die hoog boven de lage huizen uitsteekt, heeft niets bijzonders, hoewel de koster, met een vloed van woorden, niet nalaat de aandacht te vestigen op een schilderij, die naar hij beweert van Rubens zou zijn. In eene kast worden oude priesterlijke gewaden, met goud en zilver borduursel overladen, bewaard, die vroeger bij de godsdienstoefeningen werden gebruikt; op het altaar liggen armenische boeken, die de geestelijken nog wel kunnen lezen, maar die niemand verstaat. Wat, bij ons kortstondig bezoek, ons het meeste belang inboezemde, was ons gesprek met den Armeniër en zijn zoon, die ons tot gidsen verstrekten. Beiden waren geheel vervuld van dat eigenaardig patriotisme, dat zich niet aan den grond hecht, want de Armeniërs wonen hier in een vreemd land; dat evenmin in het ras wortelt, want de stamgenooten van verschillende godsdienstige belijdenis houden met elkander weinig of geen gemeenschap; maar dat enkel zijn grond vindt juist in de godsdienstige overtuiging, in de eenheid des geloofs, en dat juist daarom misschien de sterkste band van allen is. Toen zij met ons spraken over hunne kleine gemeente, schitterden de oogen der beide mannen van vreugde en innige liefde. Zij weidden uit over de geleerdheid van hun pastoor, over de goede inrichting hunner scholen, over den voorspoed en de welvaart hunner kooplieden. Ik vroeg eenige inlichtingen omtrent de Joden, maar bemerkte aanstonds dat ik daarmede een gevoelige snaar had aangeraakt. "O, riep de zoon op levendigen toon, die kunnen hier geen zaken doen, en bovendien heeft de cholera ze voor de helft uitgeroeid." De oude Armeniër, hoewel blijkbaar met dit antwoord ingenomen, meende het echter aan zijne waardigheid verplicht te zijn, zijn erfgenaam eene zachte berisping toe te dienen over het min betamelijke van zijne uitdrukking.
De kerk verlatende, brachten wij eenige uren door met het bezoeken der winkels en magazijnen, en met eene wandeling door de straten, in den openbaren tuin en langs de oevers der rivier: maar nergens bespeurden wij eene armenische vrouw; slechts eens meenden wij, achter een dubbel raam, een vrouwelijk gelaat te zien, dat een haastigen, vluchtigen blik op de vreemdelingen wierp; en in den tuin ontdekten wij twee in lange kleederen gehulde schimmen, die bij onze verschijning haastig wegvloden. De Armeniërs van Szamos-Ujvar zijn niet zoo onhandelbaar jaloersch als hunne stamgenooten in de vallei van den Araxes; zij sluiten hunne vrouwen niet als in een kerker op; zij verbieden de jonge vrouw niet, zelfs met haar broeder en haar vader te spreken, en zorgen niet voor de stipte naleving van dit verbod, door haar een doek voor den mond te binden, die elk gesprek onmogelijk maakt; maar zonder nu juist zoo barbaarsch te zijn, als zij naar aloude zeden mochten wezen, zijn zij toch zeer streng, en hunne vrouwen brengen verreweg het grootste gedeelte van haar leven afgezonderd in het vrouwenvertrek door. Eenige jaren geleden, toen de hongaarsche gouverneur den grooten weg deed aanleggen, die de vallei van den Szamos doorsnijdt, hadden de ingenieurs natuurlijk voorgesteld, om dien weg door de nijvere en handeldrijvende stad Szamos-Ujvar te laten loopen; maar de armenische kooplieden, die toch zeer goed begrijpen van hoeveel belang eene goede en gemakkelijke communicatie is, verzetten zich met hand en tand tegen het hun aangeboden geschenk. Zij meenden dat de weg de vreemdelingen zou uitlokken en naar de stad voeren, en dat hunne vrouwen daardoor tot nieuwsgierigheid zouden worden geprikkeld, van haar huis afkeerig zouden worden, lust zouden gevoelen om te gaan reizen, om de wereld te zien, en, als de westersche dames, ijdel en coquet zouden worden. Eindelijk gaf men aan hun verlangen, waarvoor zij zich zelfs geldelijke opofferingen getroostten, toe, en hunne stad is thans alleen door een lange populierenlaan en een houten brug over den Szamos, indirect met den grooten weg verbonden. Zal het hun ook gelukken, het gevaar af te wenden van den spoorweg, die hun boven het hoofd hangt; of wel zal het gezicht der lokomotieven en wagons zoo sterk op hun gemoed als kooplieden werken, dat zij ter wille van het handelsbelang, ditmaal alle andere bezwaren ter zij zullen zetten?
Wat hiervan zij, waarschijnlijk zullen de Armeniërs eerlang ophouden eene afzonderlijke groep te vormen te midden der verschillende volksstammen van Zevenbergen. Het aantal hunner gezinnen is gering, vooral in vergelijking met de Rumeniërs; bovendien slinken hunne koloniën door eene aanhoudende verhuizing naar Pesth, Weenen en andere groote steden van het Westen; en zij die blijven, hoewel nog dikwijls kenbaar aan hun zwaren, zwarten hairdos, aan hunne langwerpige oogen, hun bruine tint en hunne dikke lippen, nemen toch langzamerhand den magyaarschen type aan; zij hebben hunne eigene taal vergeten, zij wijzigen hunne oude zeden en gebruiken, en hunne geschiedenis lost zich op in die der Hongaren, die deze ballingen gastvrij in hun midden hebben ontvangen. Op onze wandeling ontmoetten wij een merkwaardig exemplaar van zulk een gemagyariseerden Armeniër. Een heer van een hoogst gedistingeerd voorkomen kwam met een beleefden glimlach naar ons toe, en richtte eenige vriendelijke woorden tot ons. Deze man was niet wel bij het hoofd en verbeeldde zich een zeer gewichtig personage te zijn; maar in plaats van zich nu uit te geven voor den mythischen Haïk, den goddelijken Sint-Gregorius of een ander groot man uit de armenische geschiedenis, had hij zich in het hoofd gezet dat hij Koning Matthias was, een der helden van Hongarije.
Zoo wij de eer haddon, een minzamen groet te ontvangen van "Koning Matthias", kwam het daarentegen niet in ons op, ons te laten voorstellen aan de meest bekende grootheid van de geheele provincie, aan den beroemden Rosza Sandor, wiens naam heeft gezweefd op alle hongaarsche lippen. Hij was de stoutmoedigste, de vermetelste betyar, roover, die ooit de harten der bewoners van de Puszta met angst en schrik heeft vervuld. Niemand kon zonder siddering zijn naam hooren uitspreken, maar tegelijk voelde men zich gestreeld dat een man van zoo onversaagden moed in Hongarije het levenslicht had aanschouwd. Toen de onafhankelijkheidsoorlog uitbrak, liet hij zijn rooversbedrijf varen, om als krijgsoverste op te treden; weldra won hij zich een schitterenden naam: Petöfi dichtte liederen te zijner eere, en in alle legerkampen werd luid de lof van den betyar gezongen. Indien hij het geluk had gehad, op het veld van eer te sneuvelen, dan zou de legende hem tot den rang van een der nationale helden hebben verheven: hij zou in de herinnering des volks zijn blijven voortleven als een wreker der verdrukte onschuld, als een strijder voor recht en vrijheid, die het land doortrok om de geweldenaars te straffen en de onschuldigen te verdedigen. Ongelukkig sneuvelde hij niet, en wist zelfs te ontsnappen uit de vesting, waarin de Regeering hem opgesloten had. Nu weer eenvoudig boosdoener geworden, stelde hij zich aan het hoofd van eene bende dieven en moordenaars; en toen bet eindelijk gelukte hem te vatten, bleek hij het bagatel van eenige duizenden misdaden op zijn geweten te hebben: een last trouwens, dien hij zonder de minste moeite droeg. Men moest er wel toe komen, om den grooten man op te sluiten, en der gevangenis van Szamos-Ujvar viel de eervolle onderscheiding te beurt, dezen vorst der bandieten binnen hare muren te ontvangen. Misschien waren het wel vrienden en bewonderaars van Rosza Sandor, die, toen de cholera op het hevigst woedde, wisten te bewerken dat in drie steden van Hongarije de gevangenen op vrije voeten werden gesteld, onder voorgeven dat de epidemie in de kerkers een brandpunt zou kunnen vinden, van waar zij zich verder door het land zou verspreiden! Is dit zoo, dan hebben de Armeniërs van Szamos-Ujvar zich verstandiger getoond en het oor gesloten voor dergelijke inblazingen: althans Rosza-Sandor zit nog achter slot.
V.
De kleine wandelingen in den omtrek van Kolosvar zouden weldra gevolgd worden door eene langdurige reis in de bergen van westelijk Zevenbergen. Wij zouden met ons drieën die reis ondernemen, drie vrienden, allen evenzeer begeerig naar het genot der vrije schoone natuur. Ons klein gezelschap was, wat de verscheidenheid der talen aangaat, eenigermate een beeld in miniatuur van wat Zevenbergen in het groot is. De een, een echte Magyaar, hoewel hij een kroatischen naam draagt, sprak met den een zijner reismakkers in zijne moedertaal, met den ander in het duitsch; de tweede, ook een Magyaar, maar het duitsch slecht meester, sprak rechts in het hongaarsch, links in het fransch; de derde, Franschman van afkomst en taal, bediende zich beurtelings van het fransch en het duitsch; wanneer wij een boer tegenkwamen, bijna altijd een Rumeniër, moesten wij onze toevlucht nemen tot de walachijsche taal, die maar door één onzer gesproken werd. Wij waren maar met ons drieën, en toch hadden wij vier talen noodig, anders moesten wij ons met gebarenspraak behelpen.
Ondanks de cholera, was Kolosvar voor ons het aangewezen punt van uitgang; daar moesten wij de noodige toebereidselen voor onze reis maken en ons het een en ander aanschaffen. Van de weinige uren, die wij beschikbaar hadden, maakten wij gebruik om het geologisch museum van Kolosvar te bezoeken, onder geleide van den heer Brassay, een geleerde, die misschien beter dan eenig ander met zijn vaderland bekend is, en die door de zeldzame welwillendheid, waarmede hij de vreemdelingen ontvangt, aan allen eene aangename herinnering van dat land medegeeft. Onder zijne aanwijzing, hadden wij het genoegen, in de zalen van het museum, als het ware een kort begrip te zien van alle mijndistrikten, die wij gingen bezoeken; onder al de minerale schatten, waaraan dit Land der Wouden zoo overrijk is, toonde men ons ook blokken van dien prachtigen, witten en violetachtigen rotssteen, het ditroïet, dat misschien binnen kort de fraaiste zuilen zal opleveren, welke tot hiertoe door menschenhanden zijn opgericht.
Het was reeds volslagen duister, toen wij te Thorda, ons eerste station, aankwamen. Deze echt magyaarsche stad, ondanks haar duitschen naam van Thorenburg, ligt aan de oevers van den Aranyos of Goudrivier, tegen de laatste hellingen van een voorgebergte, dat het stroomgebied van den Maros van dat van den Szamos scheidt. Thorda is een der beroemdste punten van geheel Zevenbergen: aan de overzijde van den Aranyos strekt zich de wijde vlakte uit, waaraan de Walachen den naam geven van het Veld van Trajanus, omdat de romeinsche Keizer hier eene beslissende overwinning behaalde op hunne destijds nog barbaarsche voorouders. Nog andere bloedige gevechten zijn hier geleverd tusschen de verschillende volksstammen, die elkander het bezit van Zevenbergen betwistten: want Thorda is het door de natuur aangewezen punt van overgang tusschen de twee belangrijkste stroombekkens van het geheele land, en iedere veroveraar moest in de eerste plaats trachten, dezen strategischen sleutel in handen te krijgen. De nationale milicie kampeerde vroeger telken jare in deze van bloed doorweekte velden, bij de Hongaren bekend onder den naam van Keresztes-mesö (het Kruisvaardersveld); daar ook vertoonde de legeraanvoerder zich aan zijne soldaten, alvorens men ten oorloge trok.
Maar aan den naam van Thorda hechten zich nog andere herinneringen van meer vredelievenden aard. In deze stad werd, ten jare 1545, tusschen de Magyaren, de Szeklers en de Saksers het verbond van vriendschap gesloten, dat de grondslag werd der "zevenbergsche drieëenheid," waarvan echter het verdrukte en verachte ras der Walachen was uitgesloten. Vijf-en-twintig jaar later proklameerde hier de Landdag volledige gewetensvrijheid voor alle inwoners des lands: een zeer loffelijk besluit, maar dat zonder eenig gevolg bleef: de godsdienstige vervolgingen toch begonnen ook weldra in Zevenbergen, en waren hier niet minder hevig dan in de andere landen der oostenrijksche monarchie.
Het geologisch onderzoek van Zevenbergen heeft doen zien, dat al de latere formatiën, waaruit de groote golvende vlakte van Meröseg, in het hart des lands, thans bestaat, in haar geheel beschouwd kunnen worden als een soort van deksel boven een uitgestrekte, onzuivere zoutlaag liggende, die op hare beurt niet anders is dan het overblijfsel van een vroeger meer, waarvan het water sinds lang verdampt is. Deze zoutbank, die zonder moeite zou kunnen geëxploiteerd worden, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van de zeshonderd zoutbronnen, die er uit ontspringen, heeft eene oppervlakte van niet minder dan vijf-en-twintigduizend vierkante kilometers; maar behalve deze in waarheid onuitputtelijke minerale schatten, in het hart der aarde verborgen, bezit Zevenbergen nog ontzaggelijke hoeveelheden zout, dat zich aan de oppervlakte zelve vertoont, en dat door den regen wordt afgespoeld en tot zonderlinge gestalten gevormd. Te Paradj, in het hooge dal van een der nevenstroomen van den oostelijken Maros, ziet men zelfs een berg van zuiver zout, waarvan de overhangende kruin niet minder dan zeven kilometers in omtrek heeft en, naar men zegt, tweemaal zooveel mineraal bevat als de beroemde zoutberg van Cordona in Catalonië. Elders ziet men een zestigtal blanke zoutpyramiden, op den kleiachtigen bodem verrijzende als de tenten van een leger.
De zoutbank van Thorda kan niet, als de berg van Paradj, zonder veel moeite bij wijze van een steengroeve bewerkt worden; maar zij heeft daarentegen het voordeel eener veel gunstiger ligging voor het vervoer harer voortbrengselen naar de hongaarsche vlakte, waar het zout overvloedigen aftrek vindt. Langs den voet der zoutlagen van Thorda vloeit de rivier de Aranyos, waarlangs de blokken klipzout zonder bezwaar naar de steden langs den Maros en de Tisza (Theiss) knnnen vervoerd worden. Aan dit voorrecht heeft Thorda, het Salinae der Romeinen, het waarschijnlijk te danken, dat sedert de allervroegste tijden der dacische geschiedenis, hier het mijnwezen in vollen bloei was. Tegenwoordig leveren de bergwerken van Thorda jaarlijks gemiddeld vijf-en-twintigduizend ton steenzout op; zoo noodig zoude deze opbrengst waarschijnlijk verhonderdvoudigd kunnen worden.
De groote mijn van Thorda ligt ten noorden van de stad. De wagon had ons weldra overgebracht naar het hart van den zoutheuvel; nu stonden wij op een vooruitstekende rotskam, van waar men in een der groote galerijen nederziet. Uit de diepte stijgt een verward gedruis van stemmen en geluiden tot ons op. Een lichte nevel vervult de niet te peilen ruimte, waarin de blik vergeefs poogt door te dringen. Kleine lichtende stippen, of liever gesluierde glansen, dwalen door den reuzigen kuil; maar wij kunnen de mijnwerkers niet onderscheiden, zelfs niets bespeuren wat aan eene menschelijke gedaante denken doet. Wij zoeken vergeefs naar eenig vast punt, naar een voorwerp, waaraan wij een maatstaf ontleenen kunnen om de diepte van dezen afgrond te peilen; hij schijnt inderdaad bodemloos, en duizeling bevangt u, als ge daarin nederblikt: maar in werkelijkheid bedraagt de hoogte van den vloer tot het gewelf honderd-vier-en-veertig el: eene hoogte, ongeveer gelijk staande met die van den toren van Straatsburg of van de groote pyramide van Ghizeh.
Een eindelooze wenteltrap, in het kristalzout uitgehouwen, voerde ons naar beneden, naar het voorportaal der groote zaal, te midden der bezige mijnwerkers. Dezen, voor het meerendeel Hongaren, zijn alleen met een broek gekleed, want zij hebben een zwaren arbeid te verrichten en het zweet gudst van hun naakt bovenlijf. Twee aan twee op een in de rots uitgehouwen trede staande, trachten zij de blokken van de massa te scheiden. Al hunne bewegingen zijn regelmatig: zij buigen zich te gelijk en richten zich te gelijk weder op: hunne houweelen dalen op hetzelfde oogenblik neder op de juiste plek, aangewezen door de lijn, die twee blokken scheidt. Eerst trachten zij den steen ter zijde los te maken, dan houwen zij het blok van onderen los door horizontale slagen. Een helder geluid geeft hun eindelijk te kennen, dat het zoutblok los en vrij is. Zij nemen daarvan de proef met een hefboom: dan wisschen zij zich het gelaat af, en wachten een oogenblik, alvorens aan een ander blok te beginnen. Dit werk is alles behalve gemakkelijk, maar het wordt goed betaald, althans in vergelijking met het gemiddeld bedrag der loonen in Zevenbergen. Elk zoutblok wordt verdeeld in stukken van vijftig pond, waarvoor de mijnwerker zeventien tot achttien centimes ontvangt; nu kan hij, naar gelang van zijne kracht en de hardheid van de rots, tusschen de twintig en zes-en-twintig van zulke stukken afhakken. Hij verdient dus ongeveer vijf francs per dag, de dag gerekend op tien uren. Doorgaans begint de mijnwerker zijn arbeid des morgens ten vier uur: hij werkt door tot twee uur in den namiddag, keert dan naar de vrije lucht terug en houdt zich verder bezig met zijn tuin of zijn wijngaard, want hij is bijna altijd grondeigenaar. Juist aan die betrekkelijke welvaart heeft hij het te danken, dat hij beter betaald wordt dan andere werklieden: hij wordt niet door gebrek gedwongen tot den arbeid, als het loon te laag is.
De wijze van exploitatie heeft in den loop der eeuwen wijziging ondergaan. De uitgravingen hebben tegenwoordig de gedaante van koepels of groote klokken; naar mate de arbeid vordert, wordt de mijn dieper en tevens breeder, maar zoo, dat de omringende wanden steeds de as naderen, ten einde het gewicht der bovenste lagen te kunnen torschen. Eindelijk is men onlangs op het denkbeeld gekomen, om in de rots lange galerijen uit te houwen, waarvan de zijwanden zich tot een gewelf vereenigen als in de kazematten. Zoo worden de mijnen van Maros-Ujvar bewerkt, en in een deel der mijnen van Thorda begint men hetzelfde stelsel in praktijk te brengen; maar de oude wijze van bewerking wordt daarom niet opgegeven. De plaats waar het grootste getal mijnwerkers bijeen is, is de Josefsput, waarheen onze gids ons het eerst heeft heengevoerd; men heeft uit dezen geweldigen put bereids vierhonderd-duizend kubiek el klipzout gehaald, en voortdurend is men bezig de mijn nog meer uit te graven.
De grootste van alle zalen, de Theresiaput, had eene diepte van niet minder dan honderd-zes-en-vijftig el, met een daaraan geëvenredigde doorsnede. De koepel dezer mijn, in het hart der rots uitgehouwen, was misschien de grootste, die ooit door menschenhanden werd gewrocht: althans zou men vergeefs zijn wedergade hebben gezocht onder al de koepels, die zich boven kerken of paleizen welven. Eindelijk zag men er van af, om dit reusachtig gewelf nog verder uit te houwen: inderdaad zou het ook meer dan zonderling zijn, voort te gaan met de nasporing van het zout in het hart der aarde, wanneer men het in de naburige vlakte in grooten overvloed op de oppervlakte zelve vinden kan. De Theresiamijn is dus tegenwoordig verlaten.
Uit de Theresiamijn komende, liet de opzichter ons langs een kleinen trap opklimmen, even als de anderen in het zout uitgehouwen. Weldra deed een zonnestraal het schitterend kristal der wanden als diamanten flonkeren; de gids lichtte een luik op, opende toen de deur van een schuur: wij stonden in de open lucht. Het landschap om ons heen geleek sprekend op dat der woestijnen van Afrika. Dijken van grijsachtige klei beletten ons het uitzicht op de vlakte en de bergen; klippen van onzuiver zout verhieven naast ons haar roodachtige, blauwe en groene naalden en spitsen, aldus gekleurd door de vreemde bestanddeelen in het zout opgenomen; enkele schrale planten, zooals men ook langs de stranden der zee vindt, toonden in de spleten hare bleek blauwe stengels en bladeren; een schitterend spoor van helder zout wees de bedding aan van eene nu waterlooze beek; in de holten en kloven stonden plassen van zout water, omzoomd door sneeuwwitte randen. Dit waren voormalige, nu ingestorte putten. De naakte, blanke, metaalachtige bodem kaatste het licht en de hitte der blakerende en brandende zon terug: het was hier niet om uit te houden.
(Wordt vervolgd.)
Blanken en kleurlingen.
(Vervolg van bladz. 72).
XIX.
De staatsgreep.