De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 25

Chapter 25 3,683 words Public domain Markdown

Deze vuilnishoopen uitgezonderd, is de stad echter over het algemeen zeer zindelijk. De huizen, bijna allen van eene enkele verdieping, velen zelfs zonder bovenverdieping, zijn zorgvuldig wit gepleisterd, terwijl de vensters met fraai traliewerk, naar spaansche manier, prijken; de straten zijn breed en van voetpaden voorzien. In afwijking van de gewone bouworde in de hongaarsche steden, staan hier de woningen niet elk op zich zelve, te midden van een tuin; even als in de westersche steden zijn zij naast elkander gebouwd, en vormen meer of minder regelmatige blokken. Trouwens de stad is ook van duitschen oorsprong, althans door Duitschers herbouwd. De oude romeinsche kolonie toch was niet meer dan een ellendig walachijsch gehucht, toen de Duitschers zich in het begin van de vijftiende eeuw hier vestigden. Zij herbouwden de stad, en lieten haar haar alouden naam van Clusia, overgezet in Klausenburg; daarop omgaven zij haar, naar hunne gewoonte--eene gewoonte, waarvan de heldhaftige Magyaren niets wilden weten;--met sterke muren. Die muren bestaan gedeeltelijk nog, maar dienen nu deels als tuinmuren en zijn deels met kleine huisjes bebouwd; ook zijn er nog enkele poorten, die aan overigens zeer burgerlijke wijken een zeker antiek feodaal voorkomen geven.

De duitsche bevolking zelve heeft zich minder goed in stand gehouden, dan de door haar gebouwde muren. Men is vrij algemeen van gevoelen, dat de Duitschers, als zij eenmaal in een land gevestigd zijn, zich daar als eene afzonderlijke nationaliteit blijven handhaven, en dat zij langzamerhand hunne buren met hun geest doordringen en verduitschen. Dit is echter niet zoo: veeleer zou men kunnen zeggen, dat het tegenovergestelde overal valt op te merken. Wel hebben de Duitschers, in dichte massaas toestroomende, de slavische en lithauische bevolkingen van oostelijk Pruissen, even als de Wenden in Oostenrijk, verzwolgen; maar daar staat tegenover, dat in Polen, in Hongarije, in de zuid-slavische landen, in Italië, de meeste hunner koloniën als sneeuw voor de zon versmolten zijn. In de Vereenigde-Staten vertoont zich hetzelfde verschijnsel: na verloop van hoogstens een paar geslachten zijn de duitsche landverhuizers Amerikanen geworden. In Zevenbergen hebben de uit de Rijnlanden afkomstige Duitschers, ten onrechte Saksers genoemd, zich, dank zij hunne privilegiën, hunne hoogere beschaving, en de uitgebreidheid van het door hen ingenomen grondgebied, tot op onzen tijd als eene afzonderlijke natie weten te handhaven, maar een aantal van hunne verspreide volkplantingen zijn toch mettertijd gemagyariseerd of gerumaniseerd geworden. De duitsche kolonie van Klausenburg is, even als de stad zelve, hongaarsch geworden. De meeste duitsche familiën hebben haar geslachtsnaam vertaald, of de spelling zoo veranderd, dat hij er bijna magyaarsch uitziet; zij hebben de taal, de zeden en zelfs den nationalen trots der Hongaren overgenomen: ook deze afstammelingen van Germanje beroemen zich op hunne gewaande afkomst van Arpad en Attila. Echter heeft zich ook to Kolosvar, even als elders, de invloed der vermenging van verschillende rassen zeer duidelijk doen gevoelen: de eigenaardigheden en tegenstellingen worden gaandeweg uitgewischt en alle oorspronkelijkheid verdwijnt. Met uitzondering van de Tsiganen, gewapend met hun violen, en van de walachijsche en magyaarsche boeren, die nog hun traditioneel kostuum hebben behouden, is het tegenwoordig zeer moeilijk, de verschillende ethnologische groepen, waaruit de bevolking van Kolosvar en haar omtrek is saamgesteld, van elkander te onderkennen. Zoo zijn de voornaamste kooplieden der stad van afkomst Armeniërs, maar niemand zou dat ooit vermoeden: zij hebben tot zelfs hunne taal vergeten.

De buitenwijken on voorsteden van Kolosvar hebben geheel en al haar duitsch karakter verloren. De huizen, die den breeden weg omzoomen, maken niet de allerminste aanspraak op architectonische schoonheid; zij laten den voorbijgangers niets zien dan een zijgevel, half verdwijnende in de schaduw van een ver overhangend dak; de voorgevel ziet op den tuin uit, maar die is doorgaans niet te bespeuren: dit gedeelte van het huis is bijna geheel verborgen achter eene heining of omwalling van planken of gebladerte, vermengd met vruchtboomen, seringen, klimop en andere planten. Ik had mij kunnen voorstellen in Amerika te zijn, zoo zeer geleken deze verstrooide woningen der zevenbergsche stad op de huizen van menige stad in het zuiden der Vereenigde-Staten. Soortgelijke oorzaken hebben soortgelijke gevolgen gehad; en onder die oorzaken, aan beide landen gemeen, bekleedt de geringe waarde van den grond en van het timmerhout eene eerste plaats: van daar de schijnbaar zoo zonderlinge overeenkomst in de bouworde van twee zoo ver verwijderde landen, door geheel andere rassen bewoond.

De weg liep opwaarts: ik had dien voorbedachtelijk gekozen, in de hoop dat hij mij naar een heuvel of eene hoogte voeren zou, van waar ik op mijn gemak de in de vlakte gebouwde stad zou kunnen overzien; maar de voorsteden zijn zoo uitgestrekt, dat ik een geruimen tijd loopen moest, eer ik een punt bereikte, van waar de blik vrijelijk het geheele dal van Kolosvar kon omvatten. Echter beklaagde ik mij de moeite der wandeling niet. De stad met haar torens; de valleien van den Nadas en den Szamos, die tusschen slanke populieren hunne wateren vermengen; de lommerrijke heuvelen en dalen, waaruit heldere beeken te voorschijn treden; de bergen van Bihar met de overblijfselen hunner statige wouden:--dit alles vormt, aan de zijde van het westen, een zeer bekoorlijk geheel; maar als men zich naar het noorden en het oosten keert, welk eene akelige tegenstelling! Daar strekt zich de Mesöseg, de Middenvlakte, uit: een treurig, somber, golvend plateau, niet ongelijk aan eene grauwe zee. Geen enkele boom is hier staande gebleven; het hart van het Land der Wouden is herschapen in eene naakte, grijze, eentonige vlakte, waar de toenemende verdroging van den grond en het ongebreidelde geweld der van de bergen stroomende wateren al meer en meer de bebouwing moeilijk, den oogst onzeker maken. Aan den verren, verren gezichteinder schemeren flauwelijk de toppen der bergen van Bistritz: ge wendt het oog naar deze blauwende omtrekken, nog even zichtbaar, als om u te troosten over de akelige dorheid dezer streek, door de natuur zoo mildelijk met schoonheid begaafd, maar door den mensch zoo ruw geschonden.

De heuvel, waarop ik stond, is een voorsprong van den Felek, die de scheiding vormt tusschen de bekkens van den Szamos en den Maros. Deze berg is bij de geologen wel bekend, uithoofde van de langwerpige of wel geheel ronde zandsteenen, die men hier in groote menigte aantreft. Aan de hoeken van alle straten van Kolosvar, bij den ingang der koetspoorten, en langs de wegen die van de stad uitgaan, merkt de reiziger die steenen op, die daar zoowel dienen tot grenspalen als tot sieraad. Het zijn groote kogels, door concentrische lagen zandsteen gevormd; sommige dezer blokken, vooral die men beneden aan den berg vindt, zijn zoo regelmatig en zuiver van vormen, dat men moeite heeft om niet aan den arbeid eener menschenhand te denken. Anderen munten uit door hunne kolossale afmetingen; nog anderen zijn aan elkander verbonden, even als de kralen van een ketting, in vroegere tijden door een reuzenhand daar neergeworpen.

III.

Te Kolosvar teruggekeerd, vond ik den vriend, die mij daar bescheiden had, en zonder langer oponthoud begaven wij ons op weg naar een dorp, omstreeks twintig kilometers meer noordelijk, in de vallei van den Szamos gelegen. De avond begon te vallen; een koude noordoosten wind, volgende op de warme temperatuur van den dag, noopte ons, ons zoo dicht mogelijk in onze jassen en mantels te wikkelen, waarin wij schier wegdoken als een schildpad onder haar schild. Het was mij dus niet mogelijk, veel aandacht te wijden aan het omringende landschap, dat trouwens niet veel bijzonders opleverde; alleen de voorwerpen, die aan de noordzijde den weg begrensden, trokken nu en dan mijne blikken tot zich.

Het eerste groote gebouw, dat buiten de voorsteden van Kolosvar verrijst, vertoont in zijn zwarte en afgebrokkelde muren de duidelijke sporen van brand; ook is het dak verdwenen. Ik meende eerst, dat ik de overblijfselen voor mij zag van eene of andere fabriek, die bij ongeluk een prooi der vlammen geworden was; maar vernam tot mijne verbazing, dat dit de bouwval was eener adellijke hongaarsche woning, in 1849 door de rumeensche boeren geplunderd en verbrand. Zoo had men dus welhaast een menschenleeftijd laten voorbijgaan, zonder die sporen van den noodlottigen burgeroorlog te doen verdwijnen, en dat in de onmiddellijke nabijheid eener hoofdstad! Later, bij het bezoeken van andere streken van Zevenbergen, had ik gelegenheid, vrij wat belangrijker ruïnen te zien; en ook daar schenen noch de eigenaars, noch de gemeentebesturen er aan te denken, de vernielde huizen weder op te bouwen. Er zijn, in die streken, enkele dorpen, waar men zou kunnen meenen, dat de verbitterde oorlog der rassen nog niet of zoo pas geëindigd is.

Bij het zien dier puinen, de getuigen en bewijzen eener plotselinge uitbarsting van wilde woede bij de bevolking, zou men lichtelijk in den waan komen, dat de Magyaren en de Rumeniërs elkander instinktmatig een onverzoenlijken haat toedragen: en toch is dit zoo niet. Ongetwijfeld is de herinnering aan het van weerszijde vergoten bloed niet uitgewischt, en zullen beide partijen u hare eigene lezing geven van de oorzaken van den fellen strijd en van de geschiedenis dezer vreeselijke dagen: lezingen, die, in menig opzicht van elkander afwijken;--maar toch schijnt het mij niet toe, dat hier inderdaad nationale haat in het spel is.

De vriendelijke woning, waarin ik eenige dagen zou doorbrengen, door de meest kiesche en voorkomende gastvrijheid voor mij tot feestdagen gemaakt, stond midden in een dorp, waar Hongaren, Rumeniërs en Tsiganen in vrede en eendracht naast elkander leven. Om de bonte verscheidenheid nog te vermeerderen, was een troep Szeklers van de moldavische grenzen gekomen, om den oogst te helpen binnenhalen; terwijl eene kleine kolonie van zwervende Tsiganen haar kamp op den naburigen heuvel had opgeslagen. De Duitscher, dien men anders in geen hongaarsch dorp mist, was hier niet te vinden; maar hij was toch niet verre: hij had eene herberg gebouwd op eene verhevenheid, waar twee wegen samenloopen, zoodat hij de reizigers van verre kon zien aankomen. De Joden hadden mede eene kolonie in den omtrek; eindelijk zag men in de verte eenige boomen en enkele witte stippen: daar lag de armenische stad Szamos-Ujvar. Iemand, die zich aan de studie van vergelijkende ethnologie wilde wijden, zou in geheel Zevenbergen weinig streken vinden, die hem rijker stof konden aanbieden.

Onze naaste buren waren Tsiganen. [11] Hunne schuren en hunne woningen met de pyramidale strooien daken staan schilderachtig gegroept op den berm van een beek, waarin een aantal kinderen spelen en ploeteren, te midden van buffels, die, ter halverlijve in den modder verzonken, rustig liggen te herkauwen. De leemen wanden zijn zorgvuldig met witkalk bestreken, en de vensters zijn versierd met grove roode freskoos. De woning bevat twee of drie vertrekken, waarvan de harde kleibodem altijd netjes geveegd wordt; de aarden kachel of vuurhaard, het voornaamste meubel van het huis, is, even als de vensters, versierd met schilderwerk in schel roode kleur; de kasten en planken staan vol met allerlei soort van voorwerpen, wel zonderling geplaatst, maar toch zonder wanorde. De verschillende gereedschappen voor den arbeid en voor de huishouding hangen aan den wand, even als de violen, waaruit de Tsigane zoo wondervolle tonen te voorschijn brengen kan. Hij heeft ook een klein schilderijenkabinet: godsdienstige prenten, karikaturen, zorgvuldig uitgeknipt uit een langs den weg gevonden dag- of weekblad, afbeeldingen van fantastische lokomotieven en velocipeden. Het is waar dat de zoldering van het vertrek zeer laag is, en dat iemand van meer dan middelbare lengte groot gevaar loopt zijn hoofd tegen de balken te stooten; maar in haar geheel genomen, ontbreekt het dezer woning toch niet aan comfort en maakt zij door haar zindelijkheid een aangenamen indruk.

De Tsigane zou niet zoo veel zorg voor zijne woning dragen, haar niet zoo versieren, indien hij zijn tehuis niet liefhad. Sedert hij zich eene vaste woonplaats gekozen heeft, dat wil zeggen sedert ongeveer honderd jaar, heeft hij geheel en al dien lust tot zwerven verloren, dien men tot dusver algemeen voor een ingeboren hartstocht van zijn ras gehouden had. Hij kent zich den stamverwant van den zwervenden Tsigane, die als een wolf langs de zoomen van het woud sluipt, maar hij gevoelt niet de minste begeerte om hem na te volgen. Hij is tegenwoordig een beschaafd man, een gezeten burger, even als zijn buurman de Walacher en de Magyaar, en zijn huis is niet het minst aangename.

De Tsiganen zijn zeer op vormen en étiquette gesteld, en zouden het als eene beleediging beschouwen, indien men tegenover hen aan die étiquette te kort deed. Onze eerste bezoeken golden dus de overheidspersonen en magnaten van het dorp, want elke kleine volkplanting heeft haar miniatuur hofhouding, bestaande uit een woïwode of vorst en uit een "zederechter." De eerste zorgt voor de tijdelijke, de andere voor de geestelijke belangen. De eerste voert den stok, of beter gezegd den schepter, sinds onheugelijke tijden het teeken des gezags. Hij bestuurt en regelt den veldarbeid, hij bekleedt de eerste plaats bij de feesten, hij opent den dans, hij antwoordt met een genadigen glimlach op de huldebetooningen zijner onderdanen. De zederechter bezoekt de gezinnen, doet onderzoek naar het gedrag der jongelingen en der jonge meisjes, tracht de echtgenooten, die door hun twisten den slaap hunner buren verstoren, weer te verzoenen, legt de onderlinge geschillen bij, bepaalt en int de boeten. Wij hadden niet het voorrecht, de beide potentaten te huis te treffen; maar eenige uren later ontmoetten wij den woïwode zelven te midden van een groep maaiers. Zoodra hij ons gewaar werd, nam hij eene deftige houding aan, en hief majestueus zijn stok in de hoogte, om de arbeiders tot ijver aan te sporen. Men zegt echter van hem, dat hij zeer lui is, en dat hij van elke afwezigheid van den landheer en den rentmeester gebruik maakt, om zijn onderdanen het voorbeeld van volslagen werkeloosheid te geven: maar dit kleine gebrek daargelaten, verdient hij niets dan lof. De noodlottige bedwelming van het gezag is hem niet naar het hoofd gestegen. Zijn paleis onderscheidt zich ter nauwernood van de andere huisjes, en zijn vermoedelijke opvolger brengt, even als de andere jongelieden van het dorp, Tsiganen of Walachen, den nacht door in de open lucht nabij een loods; alleen als het des winters sneeuwt of stormt zoekt hij eene schuilplaats in de ouderlijke woning.

Het is niet gemakkelijk, de eigenlijke meening van den Tsigane te doorgronden, want hij is het altijd eens met dengeen, die hem ondervraagt. Buigzaam en onderdanig, wacht hij met zijn oordeel te zeggen tot dat de aanzienlijke en machtige gesproken heeft; maar wie weet, welk ondoorgrondelijk geheim hij in zijn hart bewaart? Misschien heeft hij ook eene eigen godsdienstige overtuiging; maar hij heeft zoo dikwijls van geloofsbelijdenis moeten wisselen, naar gelang zijn meesters dat wilden, dat hij in 't eind de eenvoudigste partij gekozen heeft: die van de heerschende godsdienst des lands te belijden, waar hij zich bevindt. Als hij van woonplaats verandert, verandert hij ook van geloofsbelijdenis; nu eens behoort hij tot den griekschen, dan tot den latijnschen ritus. In ons dorp waren de Tsiganen Calvinisten, en lieten er zich vrij wat op voorstaan dat zij tot dezelfde kerk behoorden als de magyaarsche adel des lands. Zij beschouwden zich ook als verheven boven hunne buren de Walachen.

Dezen, de afstammelingen der oude Daciërs, vormen de meerderheid der bevolking in de vallei van den Szamos, zoo als in het grootste gedeelte van Zevenbergen. Bovendien hebben zij zich vermenigvuldigd ten koste der Magyaren; men vindt onder hen een aantal boeren, wier namen zuiver hongaarsch zijn gebleven, maar die de taal hunner voorouders geheel vergeten hebben, en zoowel door hun spraak als door hun zeden echte Rumeniërs zijn geworden; zelfs de magyaarsche dorpelingen, die zich hunner afkomst nog bewust zijn, en die onder elkander hunne moedertaal nog in al hare zuiverheid spreken, hebben toch de levenswijze der Rumeniërs aangenomen. In Zevenbergen doet zich een verschijnsel voor, waarvan de geschiedenis talrijke voorbeelden heeft aan te wijzen, dat, namelijk, de kaste, meer nog dan het ras, van overwegenden invloed is geweest op de splitsing der bevolking in verschillende nationaliteiten. De van grondbezit beroofde Hongaar werd een Walacher; daarentegen liet de tot den adelstand verheven Rumeniër nooit na, zich voor een Magyaar te doen doorgaan. In het zuidelijk gedeelte van Zevenbergen, vooral in het comitaat van Hunyad, zijn de rumeensche edelen zeer talrijk, en sinds onheugelijke tijden hebben zij nevens de hongaarsche edelen zitting gehad in de raadzalen en vergaderingen. Men heeft hun eindelijk den naam van Magyaren gegeven, en zij beschouwen zich zelven ook als zoodanig.

Sedert de groote gebeurtenissen, die omstreeks de helft dezer eeuw in Zevenbergen plaats grepen, hebben ook de Walachen hun aandeel aan het grondbezit ontvangen. Langs de hellingen der heuvelen ziet men alom lange smalle streepen, die juist geen gelukkig effect maken in het landschap: dat zijn de grondstukken, die hun zijn toebedeeld geworden. Het moet trouwens erkend worden, dat de wijze waarop zij den grond bebouwen, hun niet tot eer strekt. De velden en akkers, die zij als eigenaars bewerken, verkeeren in geen beteren toestand dan de velden, waarop zij als daglooners arbeiden. Ik stond verbaasd toen ik vernam, dat zij in meer dan één dorp zelfs onbekend zijn met het gebruik van mest. De grond raakt dan ook vrij spoedig uitgeput; als de temperatuur en de vochtigheid niet bijzonder medewerken, houdt de voortbrenging eensklaps op; al wordt de akker geploegd en bezaaid, dan is de oogst toch geheel onbeteekenend. Dit is de oorzaak van de telkens herhaalde schaarschte en zelfs van werkelijken hongersnood, waardoor de bevolking van Zevenbergen zoo menigmaal geteisterd wordt: zelfs de cholera is waarschijnlijk niets anders dan het gebrek en de honger, onder eene andere gedaante. Tijdens mijne reis, maakte het land over het algemeen een allertreurigsten indruk. De maïs, hier koukouroutz genoemd, was al door de zon verbrand, nog eer zij zich tot airen gezet had; op sommige plaatsen zelfs was het zaad in het geheel niet opgekomen; in plaats van graan, zag men uitgestrekte bosschen van allerlei soorten van distels en onkruid. De meest gewone is de zoogenoemde russische distel, waarvan de russische paarden, in 1849, het zaad in hun hair medebrachten: dit was het geschenk der blijde inkomste, dat de Russen aan Zevenbergen aanboden!

Dat de Rumeniër uit de vallei van den Szamos zoo weinig zorg aan zijn akker besteedt, mag ook hierin zijne verklaring vinden, dat hij vooruit weet dat hij zijn eigendom spoedig kwijt zal zijn. De Jood is zijn natuurlijke erfgenaam. De herberg en de kruidenierswinkel zijn beiden in joodsche handen. De Jood verkoopt op krediet; hij leent ook geld, natuurlijk tegen schandelijke rente, die zeer dikwijls meer bedraagt dan het kapitaal; zoolang echter zijn ongelukkig slachtoffer nog een duimbreed gronds bezit, is hij voor hem zoo inschikkelijk en voorkomend mogelijk, louter kruipende beleefdheid; maar niet zoodra heeft de stelselmatig bestolen Rumeniër, in een tijd van schaarschte en gebrek, zijn laatste stuk grond moeten verkoopen of verpanden om zich het noodige meel te kunnen aanschaffen, of de Jood, nu volkomen eigenaar geworden, sluit voor goed zijn kas; en het spreekt wel van zelf, dat geen gebeden of smeekingen van den rampzalig geplunderde den vuigen woekeraar vermurwen kunnen. De Walacher schijnt niet die onverzettelijke wilskracht, dat onuitputtelijk geduld en die onuitroeibare gehechtheid aan den grond te bezitten, die de karaktertrekken zijn van den franschen boer; hij weet zich niet te ontdoen van zijne schulden en door onverpoosden arbeid, ten koste van de uiterste inspanning, zich in zijn bezit te handhaven. In minder dan een menschenleeftijd hebben de Walachen, in onderscheidene distrikten, de hun toegewezen grondstukken reeds weder geheel verloren; op nieuw zijn zij hoorigen geworden, nu wel niet krachtens de wet, maar door de macht der feiten. Slechts zijn zij van meesters veranderd, en deze verandering is in elk opzicht ten kwade: in plaats van de onvrije boeren te zijn van den hongaarschen magnaat, toch altijd een Christen en een edelman, aan wiens geslacht zij vaak door traditioneele banden en erfelijke herinneringen verbonden waren, moeten zij thans de onwaardigste en verachtelijkste van alle meesters, de joodsche geldschieters, de gewetenlooze bewerkers van hun eigen ongeluk, dienen. Van daar die verbittering en die haat, die somwijlen tot een uitbarsting komt, en waarbij men niet, zoo als sommigen het wel gaarne doen voorkomen, aan godsdienstige onverdraagzaamheid of aan verschil van ras te denken heeft, maar uitsluitend aan de tot wanhoop gedreven vertwijfeling van het arme, met duivelsche list en sluw bedrog uitgezogen, uitgeplunderde en vertrapte volk, dat eindelijk opstaat in zijn toorn om deze gierige bloedzuigers van zich af te schudden. Mochten deze landen, vroeg of laat, op nieuw een crisis hebben te doorleven, als in de jaren 1848 en 1849, dan zou, buiten eenigen twijfel, de woede van de boeren zich niet tegen de Magyaren, maar tegen de Joden keeren. En wanneer dan, door eene onder eigenaardige invloeden staande pers, het medelijden en de sympathie van westelijk Europa zal worden ingeroepen, dan zal het, als ook nu in dergelijke gevallen, niet zijn voor de ware slachtoffers, maar voor de koele, gewetenlooze beulen, wie eindelijk de gerechte wraak heeft achterhaald en die toch aan het goed geloovig publiek als onschuldige martelaars worden voorgesteld, ten wier behoeve zelfs de diplomatie haar invloed moet laten gelden!

Doch als het op pret maken aankomt, dan vergeet de Rumeniër gaarne voor een dag zijn ellende en zijn wrok. Eens, op een zondag, had ik het genoegen, de walachijsche dansen bij te wonen, en ik geloof niet, ooit zoo veel geestdrift, zoo veel opgewektheid te hebben gezien, als misschien bij de negers op de Antillen. De balzaal was alles behalve ruim: het was er zoo heet en zoo benauwd, dat men dreigde te stikken; zelfs den rustigen toeschouwers droop het zweet van het gelaat; maar de groepen van sierlijk uitgedoste dansers sprongen on draaiden en huppelden onvermoeid. De ruimte was zoo beperkt voor de talrijke menigte, dat de paren bijna niet van hun plaats kwamen, en dat men door koene sprongen in de hoogte vergoeding moest zoeken voor wat in de breedte ontbrak. Maar dat hinderde niet: de rythmus van den dans leed er niet onder: boven de bont gekleurde, schier verbijsterende werveling van rokken en buizen, wiegelden in snelle beweging rustelooze armen en hoofden. De hartstochtelijke pret was zoo aanstekelijk, dat ik zelf bijna in dezen onweerstaanbaren dans werd medegesleept.