De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 24
Tot de eigenaardigheden der Castellanen behoort ook deze, dat zij eene sterke ontwikkeling der borst tot de voornaamste schoonheden der vrouw rekenen; ik behoef nu wel niet te zeggen, dat de vrouwen, om genade te vinden in de oogen der mannen, tot de zonderlingste kunstgrepen haar toevlucht nemen. Dit valt nog te meer in het oog door den bijzonderen vorm van het kleine vest, zeer kort en nauwsluitend en van voren zeer laag uitgesneden, dat hier door alle vrouwen gedragen wordt. Ook de jurk is zeer nauw aan het lijf sluitend; een kleine lage hoed, met bloemen versierd, gele kousen, groote gespen op haar zwarte schoenen, breede en lange zilveren kettingen, waaraan een mes hangt, dat aan den gordel bevestigd is, en een geheel garnituur van knoopen van filigraan aan haar jakje, voltooien het kostuum.
Natuurlijk begeven alle inwoners van Spalato zich naar de jaarmarkt, en ook zij dragen tot het schilderachtig effect bij, want de stad heeft hare eigene kleederdrachten. De gezeten burger vooral maakt aanspraak op bijzonderen smaak en elegantie in kostuum; de vrouwen onderscheiden zich door niets bijzonders, evenmin als die van de andere steden langs deze kust. Men kan zich gemakkelijk verbeelden, in Livorno, in Spezzia, in Apulië, of in eenige andere streek aan de overzijde der Adriatische-zee te zijn. De hier vergaderde menigte is zeer talrijk, zeer levendig en zeer woelig; daar niets dan slavisch gesproken wordt, kan ik niet zeggen of er goede zaken worden gemaakt. Men ziet hier een groot aantal ossen, schapen en varkens bijeen; de nijverheid is voornamelijk vertegenwoordigd door hout- en aardewerk, bekers, huisraad, knoopen, gedrukte stoften uit Oostenrijk, juweelen en sieraden van dalmatischen oorsprong. Ik wil niet zeggen, dat de jaarmarkt maar een voorwendsel is om pret te maken, doch dit laatste wordt stellig niet veronachtzaamd, en draagt niet weinig bij tot het schoone on schilderachtige van het bonte tafreel. Hier ziet ge aardige groepen, die op het kleine plein voor de kerk van Salona, aan de oevers van den Giadro, zijn gekampeerd; andere bezoekers nemen hun intrek in de nederige woningen hunner vrienden in het dorp; sommigen installeeren zich aan den oever zelven der rivier, zoo dicht mogelijk bij het water; zij graven een gat in den grond, maken vuur aan en bereiden hun maaltijd in de open lucht. Het geheel maakt bijna den indruk van eene groote karavaan in rust. Gansche kudden worden aan het spit gestoken; even als in geheel het Oosten, wordt het schaap in zijn geheel, aan een langen stok geregen, gebraden. Er wordt veel gegeten on gedronken en zeer druk gepraat: tegen den avond heerscht er dan ook eene algemeene opgewondenheid, maar er wordt veel minder getwist en ruzie gemaakt dan men oppervlakkig zou meenen, vooral als men bedenkt dat de deelnemers aan dit feest voor het meerendeel onbeschaafde en onwetende lieden zijn. Alles bepaalt zich tot luidruchtig en niet zeer welluidend gezang, met begeleiding van de guela, het nationale instrument, en tot zeer karakteristieke dansen. Vooral des avonds stroomen de stedelingen naar de kermis, om deelnemende getuigen te zijn van de pret der landlieden, die zij te zamen met den naam van Morlaken aanduiden.
Dank zij de krachtige maatregelen der oostenrijksche regeering, draagt de jaarmarkt van Salona thans een ander, vreedzamer karakter dan vroeger: zij was weleer de uitgezochte gelegenheid voor de uitoefening der nationale vendetta, waarbij in den regel bloed stroomde en verbitterd gevochten werd; men heeft, ten voorbeelde, eenige schuldigen zeer streng gestraft, en tegenwoordig wordt de orde stipt gehandhaafd door de sirdars en hunne onderhebbende pandoeren.
Op de jaarmarkt te Salona vond ik ook gelegenheid om den nationalen slavischen dans, den kollo, te bestudeeren, die ook in Servië en onder de slavische bevolkingen van Turkije inheemsch is. Het woord kollo beteekent kring; men danst dan ook in een kring, mannen en vrouwen paarsgewijze, met deze eigenaardigheid, dat de man niet de hand geeft aan zijne buurvrouw, maar zijn arm onder den arm doorsteekt der danseres, naast wie het lot hem geplaatst heeft, om dan de hand te vatten van de danseres, die op haar volgt. De gansche keten slingert zich alzoo dooreen en danst, onder het zingen van een eentonig lied, dat eenigszins droevig klinkt, maar toch niet onbevallig is. Bij dat woord dansen, moet men zich evenwel iets anders denken, dan hetgeen wij daaronder verstaan. Deze dans is, als alle oorspronkelijke volksdansen, veeleer een soort van mimiek, waarbij het niet zoo zeer op kunstmatige bewegingen, veelmin op onnatuurlijke tours de force aankomt, maar op de plastische voorstelling van een hartstocht of gemoedsaandoening, die mede uitdrukking vindt in het den dans begeleidende lied. Zoo is de kollo meer een soort van omgang met rythmische beweging, dan wel wat wij een dans noemen: desniettemin, of liever juist daarom, maakt hij een levendigen indruk. Te Gradisca zag ik eens, op een zondag, den oever der Save, wel een mijl ver, geheel bezet met groepen van zonderling uitgedoste vrouwen, met groote kransen van kunstbloemen op het hoofd, met allerlei juweelen en sieraden getooid en stralende in de meest schitterende kleuren. Er werd een feest gevierd--ik weet niet meer voor welke gelegenheid;--de vrouwen dansten alleen, bij groepen, langzaam, en schier zonder van plaats te veranderen; zij maakten met haar lichaam eene eigenaardige beweging, die mij aan de jota, den bolero en fandango van Castilië en Andalusië denken deed; ik heb zelden iets zonderlinger en meer karakteristiek gezien.
Mevrouw de prinses Dora d'Istria, die van de zeden en gewoonten der slavische volksstammen eene bijzondere studie gemaakt heeft, heeft in de Revue des deux Mondes, in een artikel over de servische poëzie, een lied aangehaald, waaruit blijkt welken machtigen invloed de kollo op het gemoed dezer volken kan uitoefenen.
"De haïdouk Radoïtza, in den kerker te Zara opgesloten, veinst gestorven te zijn, en speelt zijn rol zoo goed, dat Bekis bevel geeft hem te begraven. De vrouw van den aga, twijfelende aan de waarheid van een zoo plotselingen dood, geeft den raad, dat men vuur zal ontsteken op de borst van den haidouk, om te zien of de "roover" nog teeken van leven geeft. Radoïtza, in wiens hart de echte heldenmoed woont, maakt geene enkele beweging. De turksche vrouw eischt dat men de proefneming voortzette; men legt op de borst van Radoïtza een door de zon verwarmde slang; de haidouk blijft onbewegelijk en kent geen vrees. De vrouw van den aga geeft nu den raad, hem twintig spijkers onder de nagels te drijven: hij houdt zich goed en laat geen zucht ontsnappen. Eindelijk beveelt de boosaardige, dat men een kollo om den gevangene zal vormen, in de hoop dat Haïkouna den haidouk een glimlach zal afpersen. Haïkouna, de schoonste en slankste der dochteren van Zara, leidt den rondedans; haar halssnoer rammelt bij iedere beweging, men hoort het ruischen van haar zijden onderkleed. Radoïtza, wien de marteling niet deeren kon, kan aan deze betoovering geen weerstand bieden; hij ziet haar aan en glimlacht; maar het jonge servische meisje, verrukt en tevens bedroefd over haar zegepraal, laat haar zijden zakdoek op het gelaat van Radoïtza vallen, opdat de andere meisjes den glimlach van den haidouk niet zullen zien. Nadat de proef voleindigd is, wordt Radoïtza in de diepe zee geworpen; maar, weergaloos zwemmer als hij is, keert hij des nachts in het huis van Bekis-aga terug, houwt hem het hoofd af, doodt de turksche "draak", door haar de spijkers, die hij uit zijn lichaam gehaald heeft, onder de nagels te drijven, voert Haïkouna, "het hart zijner borst", mede, brengt haar naar het land van Servië en huwt haar in eene witte kerk."
In waarheid, waar aan een dans zulk een vermogen wordt toegeschreven, moet hij wel inderdaad nationaal zijn, in het volksleven wortelen, evenzeer als de erfelijke, traditioneele Turkenhaat, waarvan ook dit lied met zoo ruwe welsprekendheid getuigt.
(Wordt vervolgd.)
Reis naar de mijndistrikten van westelijk Zevenbergen.
De lezers van de Aarde zijn bezig, aan de hand van den heer Charles Yriarte, met wien zij reeds vroeger het schiereiland Istrië bezochten, eene wandeling te maken door Dalmatië. Wij noodigen hen thans uit tot een tocht naar een ander grensland der wijd uitgestrekte oostenrijksch-hongaarsche monarchie, een land weinig meer bekend dan Dalmatië, en waar toch ook zooveel te vinden is, waardig om de aandacht en belangstelling te boeien van ieder, die een open oog heeft voor de rijke verscheidenheid van het natuur- en menschenleven. En te meer durven wij op aandacht en belangstelling rekenen, nu onze gids op dezen tocht niemand minder zal zijn dan de beroemde fransche geograaf Elisée Reclus, wiens naam zeker weinigen onzer lezers onbekend zal zijn, en die in 1873 deze streken bezocht. Het verhaal zijner reis laten wij hier volgen.
I.
De spoortrein, die ons medevoerde, had zoo juist Nagy-Varad [9] achter zich gelaten. De verstrooide huizen slonken al meer en meer, en schenen niets meer dan witte stippen te midden van het groen der tuinen. Er kwam meer beweging en verheffing in het landschap. Reeds strekten enkele kleine heuvelen hunne half begroeide hellingen ter wederzijde van den weg uit; een helder, dartel riviertje schoot lustig murmelend voort over haar bedding van glimmende steentjes; tegenover ons, naar de zijde van Zevenbergen, verhieven zich de blauwe toppen der bergen van Bihar, terwijl zich achter ons de onafzienbare hongaarsche vlakte uitstrekte, door den purperen avondgloed beschenen en bijna aan een reusachtig vaal lijkkleed gelijk.
O zeker, de magyaarsche vlakte, de wijde Puszta, heeft hare eigenaardige schoonheid, die ik niet miskennen zal, maar toch deed het mij genoegen, dat ik weder de bergen naderde. Als men een ganschen dag lang, van de ochtendschemering tot den avond, onophoudelijk hetzelfde landschap heeft aanschouwd, dat niet achter ons wegzinkt in het verschiet dan om voor ons weer op te doemen; als onze oogen moede zijn van het staren op altijd dezelfde boschjes van acacia's, dezelfde korenvelden, dezelfde diep doorgroefde kleiwegen, dezelfde dorpen met hunne vierkante witte hutten, dezelfde poelen waarin ganzen spartelen, dezelfde putten met hunne schuine balken; als wij te vergeefs hebben uitgezien naar golvende heuvellijnen aan den schemerenden horizon:--zie, dan is het een waar genot, weder eene meer afwisselende, rijker geschakeerde natuur te mogen aanschouwen, bergen, wouden, ruischende wateren.
De bergketen, die door den spoorweg wordt doorsneden, vormt de natuurlijke grensscheiding tusschen Hongarije en Zevenbergen. De bergen van Bihar, die zich ter rechterhand in zuidelijke richting uitstrekken, hangen samen met de minder hooge Besy-bergen, die ten noorden den horizon begrenzen. De bergwanden naderen van beide zijden al meer en meer; weldra laten zij niet meer dan eene smalle kloof over, waarin de Sebes-Körös stroomt, die haar naam (Snelle Körös) met volle recht draagt, want pijlsnel stuwt zij hare wateren voort. Straks schijnt de vallei geheel gesloten; kalm vervolgt de lokomotief haar weg naar een loodrechte witachtige kalkrots, die als een muur oprijst; wisten wij niet welke schijnbare wonderen de ingenieurs weten te verrichten, wij zouden huiveren bij de nadering van die dreigende, overhangende rotsmassa, die telkens ontzagwekkender gedaante aanneemt.
Voor den aanleg van den spoorweg, vermeden de inwoners dezer streek de kloof van den Sebes-Körös, en bestegen, ten noorden van den pas, een der hellingen van het Besy-gebergte. De weg, die, zoo ver de heugenis reikt, de beide landen verbond en steeds door reizigers en legerbenden gevolgd werd, draagt den naam van Kiralyhago of Koningsopgang, ongetwijfeld omdat menigmaal de monarchen hier aan het hoofd hunner troepen langs trokken, en van deze hoogte een blik wierpen op de beide landen, aan hun schepter onderworpen. In de volkstaal worden nog heden zeer dikwijls Hongarije en Zevenbergen aangeduid door de benaming van het land aan deze en aan gene zijde van den Koningsopgang. Aan deze plek hechten zich belangrijke historische herinneringen. Naar men wil, volgden de Hunnen dezen weg, toen zij naar Hongarije trokken, na in de nabijheid den grond te hebben gelegd voor de sterke vesting Hunyad, sedert en nog Banffi-Hunyad genoemd. Walachen en Hongaren, Oostenrijkers en Russen hebben sedert de voetstappen der Hunnen gedrukt, dikwijls genoeg om, even als zij, verderf en dood te verspreiden. Volgens sommige geschiedschrijvers, zou een der zeven burchten of kasteelen, waaraan het land zijn duitschen naam [10] dankt, tot verdediging van den pas van Kiralyhago hebben gestrekt.
De pas aangelegde spoorbaan heeft nog niet de eer gehad, voor strategische doeleinden gebruikt te worden, maar zij vergunt den reiziger een blik te werpen in eene liefelijke en uitnemend schilderachtige vallei. In plaats van den berg te beklimmen, zoo als de oude heirbaan, volgt de spoorweg den loop der rivier, en baant zich, met behulp van tunnels, een pad door de rotsen en bergen, die hem den doortocht zouden beletten. Bij een plotselinge wending, strijkt hij rakelings langs den voet eener rots, die nog de overblijfselen draagt van een vierkant gebouw, nauwelijks van de rots zelve te onderscheiden: dit is het Feeënkasteel. Daarnevens opent zich een grot: het Drakenhol; het monster zwerft door de sombere gangen en spleten van den hoogen kalkberg, en werpt, door de gaten en scheuren in de rots, een blik in de stille vallei. Gelukkig kunnen noch de fee, noch de draak langer kwaad stichten, want een der rotsen, die ge daar ginds boven de boschrijke hellingen ziet oprijzen, draagt den naam van de Bisschopsrots: en ge begrijpt dat de kerkvoogd niet heeft verzuimd, van zijn hoogen zetel de machten der duisternis onschadelijk te maken. Aan de andere zijde der vallei lokt u een liefelijker tafreel: de hellingen zijn minder steil; de rotsen hebben een minder dreigend voorkomen; de plantengroei is weelderiger; een zilveren beek treedt eensklaps uit het groen te voorschijn, en stort zich, met een bevalligen sprong, in den Körös.
Wat mij bovenal trof, was dat het land hier inderdaad zijn hongaarschen naam Erdely, Land der Wouden, ten volle verdiende. Aan alle kanten, niet slechts op de zacht glooiende heuvelen, maar ook op de steile rotswanden, overal waar maar een spleet of scheur voor de wortels gelegenheid bood om zich vast te hechten, zag ik bosschen en kreupelhout. Alom teekende zich het donkergroene gebladerte scherp af, hier tegen de witachtig grijze wanden der kalkrotsen, elders tegen den roodachtigen zandsteen of de metaalkleurige tinten van het glimmer-schiefer. Bij het verlaten van iederen tunnel, bij elke kromming van den weg, omringde ons op nieuw het woud: de heerlijke, verkwikkende geuren van het groote bosch woeien ons tegen op den adem des winds. Weinig vermoedde ik, dat ik reeds morgen in dit Land der Wouden, door naakte, boomlooze vlakten zou trekken, waar zelfs de acacia-boschjes van Hongarije ontbreken. Te oordeelen naar de onzinnige drift, waarmede de industrieelen de boomen omhakken, staat het te vreezen dat ook de vallei van den Sebes-Körös haar tooi van groenende wouden niet lang meer zal bezitten. Dennen balken drijven in lange rijen op de rivier, en stapelen zich op tot kleine eilandjes; bij elk station ziet men houtzagerijen, waar bergen van planken gereed liggen tot verzending; zwaar beladen wagens wachten op alle zijwegen. Het hout wordt hier voor allerlei doeleinden gebruikt; zelfs de bermen der spoorwegen zijn met een beslagwerk van takken belegd, waarvoor men toch zeer gemakkelijk steen had kunnen gebruiken.
Het begon donker te worden. Ik stapte uit aan het dorp Csucsa (spreek uit Tshoetsha), en liet den trein doorstoomen naar Kolosvar (Klausenburg). Hier zette ik voor het eerst, niet zonder aandoening den voet in een land, door Rumeniërs bewoond. De innige sympathie, die ik voor dit geheimzinnige volk gevoel, deed mijn hart sneller kloppen. Ik vroeg mij-zelven af, van waar die aandoening? Is het omdat de rumeensche natie ongelukkig is geweest, en vele eeuwen lang heeft gezucht onder het juk der dienstbaarheid en het brood der verdrukking gegeten? Is het omdat hare taal denzelfden oorsprong heeft als de latijnsche talen der westersche volken, en is het de stem des bloeds, het instinkt der familie, dat onbewust in mij spreekt? Ongetwijfeld werkten deze beide oorzaken samen; bovendien overviel mij ook die geheimzinnige aandoening, welke ieder aangrijpt, die voor het eerst eene vreemde wereld betreedt.
Een jonkman gaat ons voorbij. Zijn kleine stroohoed met omgeslagen randen staat coquet op zijne bruine golvende lokken; hij draagt een overjas van witte wollen stof en een breeden gordel van geborduurd leder. Hij ziet mij even aan.
"Roumoun? vroeg ik.
--Roumoun," antwoordde hij.
En wij groetten elkander. De ontmoeting was zeer vluchtig, en toch was er meer tusschen ons voorgevallen, dan in die twee gewisselde woorden lag opgesloten. Ongetwijfeld zal hij zich zelven hebben afgevraagd, waarom ik, een vreemdeling, hem zoo vriendelijk toesprak: en ik dacht weder aan zijn arm, overwonnen en veracht ras, aan al de rampen en beproevingen, die het wellicht nog in de toekomst wachten. Zonderling toch is het lot der Rumeniërs in Zevenbergen. Zij vormen de groote meerderheid der bevolking, en toch zijn zij verstoken van alle staatkundige rechten; zij hebben zelfs geen officieel bestaan, en hun land is verdeeld tusschen de drie officieel erkende natiën: Hongaren, Szeklers en Saksers.
Nauwelijks was ik het dorp ingetreden, of een joodsche herbergier kwam, al buigende en glimlachende, op mij af. Hoe kon ik ontkomen aan een man, die mij met zoo uitgezochte beleefdheid behandelde? Hij vroeg met zooveel belangstelling naar mijne gezondheid, bleef zoo getrouw mij ter zijde, putte zich zoo zeer uit in allerlei vriendelijkheid en toonde zich zoo vaardig om aan al mijne wenschen te gemoet te komen en mij aangenaam te zijn! Mijne zeer korte antwoorden schrikten hem in 't minst niet af. Terwijl ik het middagmaal gebruikte, dat hij in aller ijl had laten gereed maken, trachtte hij mij met een vloed van woorden aan het verstand te brengen, dat ik niet beter kon doen dan een paar weken in zijne gastvrije woning doorbrengen. Daar hij al spoedig bemerkte, dat ik niet reisde om zaken te doen, maar om de natuur en de menschen te bestudeeren, prees hij mij het dorp Csucsa aan als het door de natuur zelve aangewezen uitgangspunt voor alle belangrijke tochtjes, die men in westelijk Zevenbergen kan doen. Was het mij om historische herinneringen te doen, had ik dan niet in mijne onmiddellijke nabijheid de oude magyaarsche stad Banffi-Hunyad, en nog dichter bij het oude kasteel van Sebes? Trokken fraaie landschappen mij meer aan, dan boden de vallei van Kalota en de boschrijke heuvelen, van waar de bovenste nevenstroomen van den Körös afdalen, mij alles aan, wat ik redelijker wijze wenschen kon. Was de hooge bergtop van Vlegyasza niet minder dan eene dagreis verwijderd? Wilde ik de onderscheidene volksstammen met hunne eigenaardige kleederdrachten leeren kennen, dan vond ik in den omtrek van Csucsa daartoe ruime stof: Rumeniërs, Magyaren, Joden en zelfs eene servische kolonie. Eindelijk--en dit was de dooddoener--moest ik mij wel wachten om het zoo bij uitnemendheid gezonde Csucsa te verlaten en mijn verblijf te gaan vestigen te Kolosvar, want daar heerschte de cholera, en--het was verschrikkelijk om te zeggen--nooit keerde een vreemdeling van daar terug.
Ik beken dat deze laatste mededeeling eenigen indruk op mij maakte; maar ik sloeg maar half geloof aan de woorden van den kruiperigen, gluiperigen Jood, wien het louter om mijn geld te doen was; de pogingen die hij aanwendde om, tegen zijn natuurlijken aard in, oprecht te schijnen, vervulden mij met dubbel wantrouwen.
Den volgenden morgen vertrok ik dus met den eersten trein, ondanks de vermaningen en vertoogen van mijn kastelein. Ik moet echter bekennen, dat hij, toen hij de schoonheid der omstreken van Csucsa roemde, eens niet gelogen had. Nog half in den doorzichtigen morgennevel gehuld, was het landschap allerbekoorlijkst: vrouwen, met rooskleurig voorschoot, met smaakvol geborduurde jakjes, stonden om de fontein gegroept, en keerden zich om, ten einde ons na te zien; groote witte ossen met lange hoornen leschten hun dorst aan de murmelende beek; ruischende wateren stroomden te midden van het malsche gras; de weilanden en bosschen verdwenen dommelend in den nevel, terwijl de bergtoppen, reeds door de zon verlicht, zich stralend in de heldere lucht verhieven.
Maar nauwelijks had ik den tijd een blik te werpen op dit bevallig tafreel, en reeds was het verdwenen. Tot mijn spijt: want naarmate wij Kolosvar naderden, werd het land vlakker, dorder en alledaagscher.
II.
Kolosvar, de tweede stad van Zevenbergen, wat het aantal harer bevolking aangaat, is uit een staatkundig oogpunt de eerste: ook beroemt zij er zich op, al de andere steden te overtreffen door de schoonheid harer gebouwen, den beschaafden toon van haar gezellig verkeer, de verfijning harer zeden. En toch, als ik het niet vooruit geweten had, zou ik nimmer op de gedachte zijn gekomen, dat ik mij in eene hoofdstad bevond. Twee rijtuigen stonden zeer bescheiden aan het station te wachten, en ik was de eenige reiziger, die hier afstapte. De straten waren bijna ledig; op het groote plein waren geen wandelaars te zien; en toen ik langs het voornaamste koffiehuis ging, draaiden de weinige bezoekers zich nieuwsgierig om, alsof de verschijning van een vreemdeling eene zeldzame gebeurtenis was. Ook de overdreven ijver van de bedienden in het hotel maakte een zonderlingen indruk. Kolosvar had inderdaad geheel het voorkomen van eene kleine provincie-stad; maar toch was er in de manieren der inwoners iets dat mij verbaasde.
Het duurde niet lang, of dit raadsel helderde zich op. Te midden der algemeene stilte, die in de stad heerschte, werd mijn oor pijnlijk getroffen door het gelui van de klokken aller kerken, en van tijd tot tijd hoorde ik uit mijne kamer een dof geluid, als van regelmatig voortgaande voetstappen. Ik zag naar buiten: het waren lijkstaatsies, die elkander opvolgden; somwijlen vertoonde zich de eene sombere stoet nog voor dat de andere verdwenen was: het was een onafgebroken, akelige processie. Het bleek mij nu, dat de herbergier van Csucsa niet al te zeer gelogen had: de cholera richtte in Kolosvar geduchte verwoestingen aan, en het was niet raadzaam hier lang te vertoeven. Ik was inderdaad blijde, dat ik nog dien eigen avond door een vriend zou worden afgehaald om naar buiten te gaan.
De kerken waren opgevuld met menschen in rouwgewaad; ook lokte het alles behalve fraaie voorkomen dier gebouwen mij niet uit tot een bezoek aan het inwendige. Ik liet dus de kerken voor wat zij waren, en besteedde mijn tijd met eene wandeling door de stad en hare onmiddellijke omstreken. Al dadelijk merkte ik op, met hoeveel zorg het gemeentebestuur de riolen had laten reinigen, om in de straat, van afstand tot afstand, kleine hoopen van allerlei onreine stoffen op te stapelen, die nu in de brandende Augustus-zon lagen te rotten! Dit deed mij denken aan eene anekdote, die ik onlangs in een dagblad gelezen had. "Neemt u in acht; de cholera nadert! Verzuimt niet de noodige voorzorgsmaatregelen te nemen";--zoo had men uit Pesth aan de magistraten van eene of andere servische of magyaarsche stad van het Banaat getelegrafeerd. Den volgenden dag reeds kwam het antwoord van de heeren: "Wij zijn gereed. De cholera kan komen!" Men ging aan het onderzoeken, en nu bleek het dat de gezondheidsmaatregelen in niets anders hadden bestaan dan in het delven van eenige honderden grafkuilen op het kerkhof!