De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 21
Sebenico ligt eigenlijk niet aan de kust: de Adriatische-zee dringt hier vrij diep het land in, door een smal kanaal, het kanaal van San-Antonio genoemd; haar water vermengt zich met dat van de Kerka, en vormt eene smalle en zeer diepe baai. Bij tegenwind is de stad van de zeezijde zeer moeilijk te naderen. Ik heb tweemaal de reis van Zara naar Sebenico gemaakt: eens over land, met den wijden omweg over Knin en Dernis; en eens over zee. Voor de vaart van de eene haven naar de andere heeft men zes uren noodig. De haven van Sebenico wordt als zeer veilig geroemd; het water is zeer diep; de geringe breedte van het kanaal San-Antonio en de ligging der eilanden, die den toegang tot het kanaal afsluiten en den wind onderscheppen, bevorderen de veiligheid der schepen. Uit zee gezien, vertoont de stad zich ingesloten op een eng begrensd terrein tusschen den berg en de kust, en beheerscht door de hooge forten. Wie van de landzijde komt, heeft een meer volledig overzicht: men ziet de stad van achteren in haar geheel, en verder de golf, de eilanden, en zelfs aan den verren horizon, de Adriatische-zee.
Bij dit mijn tweede bezoek, nu ik de stad door de poort van Dernis binnenkom, is de zon reeds ondergegaan. Terwijl ik een nachtverblijf opzocht, en een beambte bij de posterijen, voor wien ik een brief bij mij had, opspoorde, was het inmiddels volslagen duister geworden. Ik gebruik mijn middagmaal in eene op italiaanschen trant ingerichte trattoria, waarna mijn nieuwe makker mij eene avondwandeling door Sebenico voorstelt. Alvorens ons op weg te begeven, gaan wij in een naburig koffiehuis eenigen zijner vrienden afhalen.
Welk eene zonderlinge stad! Wij klauteren naar boven langs smalle, kronkelende trappen, ter wederzijde omzoomd door huizen van fantastische bouworde; nauwe donkere gangen, niet ongelijk aan bedekte wegen in eene vesting, loopen eensklaps uit op campi, waar het zilveren schijnsel der maan eene fraaie italiaansche loggia uit den tijd der renaissance verlicht, en op den grond de lange smalle schaduw teekent van eene antieke zuil, eenzaam te midden van het plein oprijzende. Wij maken allerlei wendingen en omwegen; nu eens plotseling nederdalende tusschen twee muren, met vochtigen uitslag bedekt en flauwelijk verlicht door een schemerende lantaarn; en dan weder uit de diepte naar boven klauterende langs hooge, uitgesleten en glibberige trappen,--en komen eindelijk op een platform, dat de gansche stad beheerscht, en vanwaar men de golf, de eilanden en de zee overziet.
Voor onze voeten verrijzen boven elkander de daken der huizen en de koepels der kerken, tot eene donkere massa saamgevloeid, waarin hier en daar lichtpunten schitteren; uit de stad stijgt een dof gedruisch, een gemurmel als van ruischende wateren, tot ons op; aan de landzijde teekenen zich de hooge forten, scherp en donker, met hunne zware omtrekken tegen den met sterren dicht bezaaiden hemel af; aan de zeezijde wiegelen en schommelen, in zachten rythmus, de roode vuren aan de masten der schepen. In de baai kabbelen de golven, elk door het trillende maanlicht met een zilveren diadeem gekroond, die tegen de donkere kust in een regen van parelen uit elkander spat.... Sprakeloos staan wij daar, in bewondering en genot verzonken. Onze gids, een jonkman van levendige verbeelding, spraakzaam, dichterlijk gestemd, die telkens met zachte stem verzen van Dante heeft gereciteerd, begint eensklaps, te midden dezer diepe, nachtelijke stilte, koepletten uit de Gerusalemme Liberata te zingen. Hoe helder, hoe warm en welluidend klinkt dat lied, de reine, kalme lucht vervullende met harmonie, en ginds de echoos opwekkende van rots en strand, en langzaam wegzwevende over de verre, verre zee....
Er wordt te Sebenico eenige handel gedreven; de exploitatie der mijnen van het binnenland levert daarvoor enkele der voornaamste artikelen, terwijl de bergen en de eilanden zeer goeden wijn voortbrengen. De geheele stad is vol leven en beweging; ondanks de eigenaardigheden der ligging, die de straten tot trappen doet worden, zijn hier de huizen beter gebouwd dan in de meeste andere steden van gelijken rang. Ge kunt hier keurig gebeeldhouwde venetiaansche balkons vinden, die een der paleizen van het Groote-Kanaal geen oneer zouden aandoen; en het plein der Signoria is eene herhaling op kleine schaal van een dier fraaie pleinen in noordelijk Italië, waar de groenten- en vruchtenmarkt gehouden wordt. De stad telt niet meer dan tusschen de vier- en vijfduizend inwoners, waarvan de groote meerderheid tot de katholieke Kerk behoort.
Toen wij weder naar de stad afdaalden, vonden wij het plein der Signoria, met zijn fraaie italiaansche loggia en de kathedraal, vol wandelaars, schitterend van licht, en levendig en druk als een Sint-Marcusplein in miniatuur. Aardige groepen jonge meisjes wandelen alleen, elkaar den arm gevende, rustig op en neder; de jongelieden komen haar groeten en aanspreken, zonder dat daarbij eenige gedwongenheid heerscht. Het spelen met den waaier en de taal herinneren geheel aan Venetië; zelfs de atmosfeer en de gesternde hemel doen mij denken aan zoo menigen liefelijken avond, in piazza gesleten.
De eene zijde van het plein wordt ingenomen door een koffiehuis, in de benedenverdieping van de Loggia gevestigd, het oude paleis der proveditoron, tegenwoordig een sociëteit. Het is Zondag, en de stad heeft een feestelijk aanzien; de straat voor het koffiehuis is geheel bezet met tafeltjes. De kathedraal van Sebenico, die eene andere zijde van het plein inneemt, is door geheel Dalmatië beroemd; zij werd in 1415 begonnen en in 1555 voltooid. Ongelukkig hapert het der kerk aan eenheid; ook is het onmogelijk, een goed overzicht te krijgen van den voornaamsten gevel, die op een klein pleintje uitkomt. De kathedraal bestaat uit een middenschip en zijschepen, van den hoofdingang gescheiden door vijf pilaren, onderling door bogen verbonden. Enkele bijzonderheden van den stijl uitgezonderd, is deze dom toch minder opmerkelijk, dan ik mij, volgens de verhalen der Dalmatiërs, had voorgesteld. Vergeleken met andere christelijke monumenten der provincie, is de kathedraal betrekkelijk van jongen datum, en de stijl is ook niet zuiver genoeg om het gebouw tot type te stempelen.
Wie Sebenico bezoekt, mag niet verzuimen naar de watervallen van de Kerka te gaan, die zich een weinig ten noordwesten van de stad in de golf stort. Men heeft twee-en-een-half uur noodig om, tegen den stroom opvarende, met een der booten, welke in de haven gereed liggen, den waterval te bereiken. Het is een vaart, die haar eigenaardige schoonheid heeft. De rivier vloeit aanvankelijk tusschen twee rotsen, en hare oevers zijn woest; na drie mijlen te hebben afgelegd, komt men aan het meer, aan welks rand zich de kleine stad Scardona verheft, die tweehonderd jaar geleden nog turksch was, en nog sporen heeft overgehouden van de tegenwoordigheid der Muzelmannen. De reiziger houdt echter te Scardona niet op, maar volgt den loop der rivier tot aan den waterval, ongeveer een mijl van de stad verwijderd.
Het is niet gemakkelijk een boot te vinden, die mij naar den waterval brengen kan; er moest een boodschap naar Vissovaz gezonden worden, om ten behoeve van een vreemdeling, daar te trachten een boot te huren. Om geen geheelen dag te verspillen, besloot ik den tocht te vervolgen met de visschersboot, die ik te Sebenico gehuurd had, hoewel de schippers een buitensporig hoogen prijs eischten.
De waterval is zeer fraai, en de omringende natuur is bevalliger dan op eenig ander punt van Dalmatië. De Kerka vloeit hier over eene bedding van zeer zachten, broozen kalksteen; in plaats van plotseling uit eene hoogere in eene lagere bedding neder te storten, wordt het afstroomende water overal door rotsen tegengehouden; daartusschen en daarover heen heeft het zich, midden door de zachte kalkrots, een weg gebaand, overal openingen en kleine tunnels borende. Men ziet hier dus niet eene groote watermassa, die van eene aanmerkelijke hoogte nedervalt: het zijn veeleer eene menigte kleine cascaden, waardoor het water in alle richtingen wegstroomt.
Er zijn daar eenige molens en een vrij groot aantal booten; de oevers zijn met fraai geboomte beplant, en de geheele omgeving is bij uitnemendheid schilderachtig; maar men beweert dat de Kerka tusschen den waterval en Scardona moerassen vormt en dat de streek ongezond is door de heerschende koortsen. Ik heb slechts een vluchtig kijkje genomen, en zelfs mijn boot niet verlaten, omdat ik tijdig te Sebenico terug moest zijn, ten einde mij aan boord te kunnen begeven van het schip, dat mij naar Spalato zou brengen.
Een vrij goede weg loopt van Sebenico naar Trau, en van daar naar Spalato; maar men ried mij de reis over land af, omdat ik het eigenaardig karakter der natuur van Dalmatië toch reeds kende. Des avonds bevond ik mij weder te Sebenico, en daar het vaartuig bereids in de haven lag, begaf ik mij aanstonds aan boord, ten einde het uur van vertrek, dat den volgenden morgen vroeg zou plaats hebben, rustig af te wachten.
VIII.
De vaart van Sebenico naar Spalato duurt vijf uren. Men volgt van nabij de kust, die hier zeer hoog en moeilijk te naderen is; voorbij kaap la Planca vormt de Adriatische-zee eene groote menigte inhammen en kanalen, die vrij diep in het land dringen. De steden liggen allen langs de kust, en hebben elk haar haven, even als in Istrië en in het noordelijk gedeelte van Dalmatië; maar zij verschuilen zich hier meer achter in de baaien en inhammen, en zijn verborgen door eilanden, vrij wat grooter dan die in de nabijheid van Zara en Sebenico. De belangrijkste dezer eilanden zijn: Bua, Solta, Brazza, Lissa, Lesina, Cursola, Sabbioncello, Melida en de groep der Elaphiten. Deze talrijke engten en kanalen, deze fjords, zijn een eigenaardig kenmerk van de Adriatische-zee, althans langs deze kust: tusschen la Planca en Ragusa, zou men zich schier kunnen verbeelden op een der groote italiaansche meeren te varen, want men verliest nimmer de beide oevers uit het oog: aan de eene zijde het vaste land van Dalmatië, en aan de andere zijde de eilanden en klippen, die elkander in lange reeks opvolgen.
In het jaar 303 na Christus, toen het romeinsche rijk, dien onmetelijken omvang verkregen hebbende waaraan het voor een goed deel zijn ondergang te danken had, na honderdvijftig jaren van bijna aanhoudenden krijg wederom een tijdperk van vrede intrad en nog eenmaal de wereld verblindde door den glans zijner heerlijkheid, verzamelde Keizer Diocletianus, de hersteller van de militaire tucht en de overwinnaar der Perzen en Meden, het volk en het leger in de vlakte van Nicomedië. Daar besteeg hij, het hoofd omkranst met den lauwer der overwinning, de trappen van een prachtigen troon, en op de volle middaghoogte zijner macht en zijns roems, verkondigde hij aan de verbaasde wereld zijn besluit om van de regeering afstand te doen. Hij keerde zelfs niet meer naar zijne hoofdstad terug, maar gebruik makende van de algemeene verwondering, door deze mededeeling verwekt, verborg hij zich voor aller oog in een overdekten wagen en begaf zich naar Dalmatië, om daar, ver van het gewoel der wereld, het prachtige paleis te gaan bewonen, waaraan hij sedert twaalf jaren had laten bouwen.
Dit paleis van Diocletianus, waarin hij negen jaar, tot aan zijn dood, woonde, bestaat nog altijd te Spalato, en is een der merkwaardigste monumenten, die ons van de oudheid zijn overgebleven. Nabij het paleis lagen de tuinen van Salona, waar de Keizer zich met het kweeken van groenten onledig hield. Dit paleis van Diocletianus is voor een deel de stad zelve, waar wij voet aan wal zullen zetten, want zij is op het terrein van dat paleis gesticht en binnen zijne muren omsloten.
Uit zee gezien, maakt Spalato bijkans den indruk eener groote stad: zij is dan ook inderdaad de volkrijkste en belangrijkste stad van geheel Dalmatië. Zij ligt aan den oever der zee en in eene vlakte; de lange levendige kaai wordt aan de eene zijde begrensd door het lazareth, een groot, vooruitspringend gebouw, en aan de andere zijde door de nieuwe wijk en de voorstad. Een trotsche campanile verheft zijne spits ten hemel, en teekent zich af tegen den ernstigen, donkeren achtergrond der bergen, boven wier golvende lijnen de berg Mossor hoog uitsteekt. De groote merkwaardigheid van Spalato echter, datgene wat bovenal de belangstelling der reizigers wekt en hunne schreden naar deze stad richt, dat is de monumentale ruïne, waarvan de wedergade ter wereld misschien niet te vinden is, bekend onder den naam van het paleis van Diocletianus.
De Keizer was aan de oevers van de Adriatische-zee, aan den voet der Zwarte-bergen, te Dioclea, geboren. Hij was aanvankelijk gemeen soldaat bij een dier romeinsche legioenen, die het rijk moesten verdedigen tegen de invallen der barbaren. Langzamerhand tot de hoogste rangen in het leger opgeklommen, dong hij, hoewel de zoon van een vrijgelatene, als zoo vele anderen naar het keizerlijk purper; en in dien tijd, toen de kohorten naar welgevallen hunne gunstelingen op den troon verhieven, werd ook hij, in het jaar 284, tot Keizer uitgeroepen. Hij gaf zich den bijnaam van Jovius, en voegde zich een mederegent toe in den persoon van Maximianus, bijgenaamd Herculius, een soldaat van fortuin even als hij zelf, maar die noch zijn geestkracht, noch zijn buigzaam karakter, noch zijne menschenkennis bezat. Diocletianus had het rijk den vrede weergegeven. Na vele jaren gelukkig den krijg te hebben gevoerd, liet hij aan zijn ambtgenoot de zorg over om de laatste vijanden van Rome uit te roeien, en won hij voor zich zelven den roem van een voortreffelijk regent en een geniaal wetgever.
Rome had haar alouden glans reeds voor een groot deel verloren; vier vorsten regeerden tegelijk en verdeelden het rijk onder zich: eerst Diocletianus en Maximianus, en vervolgens ook de beide Cesars, Constantius en Galerius, aan wie Diocletianus mede een deel van het gezag gegeven had. Voortdurend in oorlog met de barbaren gewikkeld, gaf bij de voorkeur aan het verblijf te Nicomedië, waar hij eene oostersche pracht ten toon spreidde, boven dat in de heilige stad Rome; Maximianus had zijne residentie gevestigd te Milaan, Constantius in Gallië, en Galerius aan de oevers van den Donau.
Diocletianus hield van bouwen, en had overal gedenkteekenen opgericht: Rome dankte hem de beroemde baden, die nog zijn naam dragen; Palmyra, die heerlijke tempels, waarvan de ruïnen nog heden de bewondering der reizigers opwekken; Carthago, Milaan, Nicomedië, hadden onder zijne regeering prachtige monumenten zien verrijzen, waaraan hij met milde hand de schatten van het Oosten had ten koste gelegd, voor een groot deel door zijne wapenen onderworpen. Omstreeks het jaar 296, reeds naar rust verlangende, had hij den blik geworpen op de stad Salona, een der belangrijkste van Dalmatië, aan den oever eener stille baai, aan den voet der bergen, gelegen; hij had die stad geheel doen herbouwen en tuinen doen aanleggen, waar hij zich gaarne onthield te midden van de dalmatische natuur, waaraan zich voor hem zoo vele herinneringen hechtten, en die hij lief had, zoo als de visschers der klippen den naakten grond liefhebben, die hen heeft zien geboren worden. Omstreeks denzelfden tijd had Diocletianus, op een mijl afstands van Salona, aan den oever der zee, de grondslagen doen leggen van het reusachtig paleis, waar hij zijne laatste levensjaren in stille rust wenschte te slijten. Na een schitterenden veldtocht in Perzië, vertoonde hij zich voor het laatst aan de inwoners van Rome, werd daar als overwinnaar gekroond, en keerde toen naar Nicomedië terug, waar hij plechtig van de regeering afstand deed.
Het huis, waarin hij zich nu terugtrok, geleek in geen enkel opzicht de nederige woning van den wijze, wars van het gewoel der wereld en afkeerig van weelde en pracht: het was een uitgestrekt paleis, nog ten volle een Keizer waardig, en ruim genoeg om tempels en baden, zalen voor de lijfwachten en woningen te bevatten voor die gansche schaar van afhangelingen en cliënten, die zich om den gewezen souverein bleef bewegen.
Het paleis vormt een groot vierkant, aan de vier hoeken van sterke torens voorzien; de hoofdgevel is naar de Adriatische-zee gekeerd. De oppervlakte van het geheele gebouw, zonder de aangrenzende tuinen, beslaat dertigduizend-vijfhonderd el; de open galerij, die op zee uitzag, had eene lengte van tweehonderd el. Behalve de poort aan de zeezijde, had het paleis drie hoofdingangen: ten noorden, de Gouden-poort, die op den weg naar Salona uitkwam: de Bronzen-poort, die naar Epetium (tegenwoordig Hobrech) voerde; en de IJzeren-poort, die, volgens den italiaanschen archeoloog Lanza, toegang gaf tot een park, bepaaldelijk voor de jacht van den Keizer bestemd. Elke dezer poorten was gevat tusschen twee achthoekige torens. De vierde poort kwam aan zee uit, en diende voor het in- en ontschepen; zij stond in verband met uitgestrekte onderaardsche gangen en souterrains, die naar de verschillende deelen van het paleis voerden en nog heden bestaan.
Van het punt, van waar wij een blik op de stad Spalato in haar geheel geworpen hebben, is er een geoefend en scherpziend oog noodig, om het oude gedeelte te herkennen, te midden der groote veranderingen, die het in den loop der tijden en in verband met de verschillende behoeften der opvolgende bewoners ondergaan heeft. De stad is in den letterlijken zin in en tegen het voormalige paleis gebouwd, waarvan sommige gedeelten nog bijna ongeschonden in wezen zijn, schoon dan ook geheel van bestemming veranderd.
Diocletianus liet omstreeks 295 met den bouw van het paleis beginnen: hij deed afstand in 304; en als wij de kroniek van Eusebius mogen gelooven, leefde hij te Spalato tot in 313, het jaar van zijn dood. Welke lotgevallen onderging zijne vorstelijke woning sedert dien tijd?
De vierde eeuw is de eeuw van de invallen der barbaren. Het ten ondergang neigende romeinsche rijk wordt, na den dood van Theodosius, voor goed in tweeën gesplitst: Honorius ontvangt voor zijn deel Dalmatië met de andere westelijke provinciën. Gansch Illyrië wordt echter weldra de prooi der Hunnen, der Gothen, der Visigothen, en tweemaal binnen den loop van eenige jaren levert Alarik het gansche land aan de verwoesting over. Op de Hunnen volgen de Vandalen; op Alarik en Attila volgt Genserik. Marcellinus, de vertegenwoordiger van het Westersche rijk, waartoe Dalmatië heet te behooren, slaagt er echter in, de geheele provincie te heroveren, terwijl Rome zelf in de handen valt der barbaren.
Het paleis werd natuurlijk door deze vreemde horden niet gespaard: de tempels en schatkamers werden geplunderd, alles wat eenige waarde had of door fraaie bewerking uitmuntte, werd de buit der barbaren. De beelden der goden lagen, verminkt en geschonden, hier en daar verspreid; de sarkophagen werden opengebroken; Salona, de naburige stad, door Diocletianus geheel herbouwd, verfraaid en versterkt, werd der plundering prijs gegeven. Niettemin bood zij haar aanvallers heldhaftig weerstand, en weldra herleefde zij uit haar asch.
In het begin der vijfde eeuw heeft men de keizerlijke residentie van Spalato herschapen in een soort van gesticht of college voor vrouwen, waar de jonge meisjes wol komen spinnen en weven om de kleederen der krijgslieden te vervaardigen, onder de leiding van den Procurator gynecii Jovensis Dalmatiae Aspalato. Langzamerhand keert de vrede terug; het paleis wordt gerestaureerd en weer tot keizerlijke woning ingericht ten behoeve van Marcellinus, en na hem van Glycerius en Julius Nepos (475). Maar Odoaker, die zich bereids van Italië heeft meester gemaakt, doet een inval in Dalmatië, dat nu het slagveld wordt, waarop de Herulen en de Oost-gothen, onder aanvoering van Odoaker en Theodorik, elkander de heerschappij betwisten.
Theodorik roept de Gothen en de Slaven te hulp, en de steden, die bij de eerste invallen waren gespaard gebleven, worden thans verwoest: het nauwelijks herstelde paleis valt op nieuw in handen der barbaren, en Salona, de rijke stad, wordt ten tweeden maal geplunderd en aan de vlammen prijs gegeven. Wederom gelukt het Keizer Constantius de provincie te bevrijden en de Gothen te verdrijven: maar de rust is slechts tijdelijk. Lombarden en Avaren overstroomen op hunne beurt het geteisterde land, dringen in Salona door en verwoesten de groote stad zoo volkomen, dat er zelfs geen spoor van overblijft. Van Salona trekken zij naar Spalato, en bestormen nog eenmaal die oude, beroemde muren, die zoo veel aanvallen hebben weerstaan.
De zevende eeuw is getuige van de geboorte der stad Spalato, en daarmede valt tevens samen de groote verandering en herschepping van het paleis van Diocletianus. De barbaren hebben op hun weg alles verwoest: er is geen tempel meer te vernielen, geen stad meer te verdelgen, geen dorp meer te verbranden: het land is bijna eene wildernis geworden. Aan de eene zijde zijn zij zuidwaarts afgetogen naar het tegenwoordige Albanië; aan de andere zijn zij langs de kust voortgetrokken, door Kroatië, Istrië en Frioul; zij hebben Aquilea en Altino verwoest, Padua geplundert, en de bewoners der kuststreken uitgedreven naar de lagunen, om daar den grond te leggen voor die machtige republiek Venetië, die hare heerschappij vestigde op de golven der Adriatische-zee.
Het schijnt dat de volkerenstroom eindelijk is uitgeput; de inwoners van Salona, die driemaal de wijk hebben genomen in de bergen en op de eilanden der Adriatische-zee, komen uit hunne schuilhoeken te voorschijn, en zoeken de plek op, waar eenmaal hunne geliefde geboortestad stond. Aan dien dierbaren grond gehecht, willen zij van de oude bekende plek niet scheiden; doch hunne vaderstad is niets meer dan een ruïne, een vormelooze aschhoop: zij willen dan voor 't minst onder denzelfden hemel leven, in de schaduw derzelfde bergen, aan den oever derzelfde zee, waarvan de frissche adem hun tegenwaait. Zij zoeken eene schuilplaats in de bouwvallen van het paleis van Diocletianus. De muren zijn zwaar en dik; zij hebben herhaaldelijk weerstand geboden aan de aanvallen der barbaren: hier is eene sterke vesting, die gemakkelijk kan verdedigd worden. De uitgewekenen vestigen hunne woningen in de portieken, in de galerijen en voorhoven, in de tempels, waaruit de goden verdwenen zijn; als schuchtere vogels, door den storm voortgedreven, hechten zij hunne nesten aan de kroonlijsten en verbergen hun kroost in de spleten en scheuren van het groote monument, onder de architraven, in de baden, in de prachtige zalen, waar de groote Keizer weleer de gezanten van Rome ontving. Het is hun slechts om eene veilige wijkplaats te doen: zij sloopen het grootsche gewrocht om zich woningen te maken, en het paleis wordt een gehucht, een dorp, eindelijk eene stad: Ad Palatium--Aspalathum--Spalatum--Spalato.
Spalato is destijds geheel besloten binnen de omwalling van het paleis; de torens, die tot verdediging moeten dienen, worden hersteld; de poorten deels toegemetseld, deels versterkt en zorgvuldig bewaakt; de keizerlijke residentie is eene vesting geworden. De groote tempel, volgens sommigen aan Diana, volgens anderen aan Jupiter gewijd, is in eene christelijke basiliek herschapen. De meeste inwoners van Salona hadden reeds voorlang den heiligen doop ontvangen en zich tot het Christendom bekeerd: Paus Martinus (640-655) zond hun als apostolisch legaat Johannes van Ravenna, die eene beslissing moest nemen in het geschil, dat tusschen Ragusa en Spalato ontstaan was over den aartsbisschoppelijken zetel, aanvankelijk te Salona gevestigd.