De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 20
Titus Salt heeft zich evenwel niet met deze persoonlijke voordeelen tevreden gesteld: hij heeft al zijne gaven en vermogens, zoo geestelijke als stoffelijke, ook gebruikt om het geluk en de welvaart zijner arbeiders te verzekeren, en om den bloei te bevorderen der stad Bradford, wier voorspoed zoo nauw met zijne industrie verbonden was. Zijne edele pogingen vonden bij zijne landgenooten billijke erkenning en waardeering. Hoewel hij zijn loopbaan als eenvoudig industriëel begonnen had, werd hij tot lid van het Lagerhuis verkozen. In 1869 schonk de Koningin hem den titel van baronet; voor weinige jaren, alzoo nog bij zijn leven, viel hem de eer te beurt, dat een marmeren standbeeld in de stad Bradford tot zijne gedachtenis werd opgericht.--Sir Titus heeft elf kinderen nagelaten, waarvan verscheidene zonen de leiding der fabriek op zich hebben genomen, en de oudste zoon, als chef der firma Titus Salt's Zonen en C^o, tevens de baronie erfde.
Bijzondere vermelding verdient hetgeen Salt heeft gedaan voor de arbeiders zijner fabriek, voor wie hij, om zoo te zeggen, een eigen, gezonde stad vol fraaie woningen gebouwd heeft. Volgens de laatste volkstelling bevatte Saltaire 820 huizen met 4389 inwoners. Sir Titus heeft op zijne fabriek niet slechts sedert lang eene kerk en eene school gesticht, maar nog in het vorige jaar heeft hij 10.000 pond uitgegeven voor de oprichting en het onderhoud eener nieuwe zondagsschool. De fabriek heeft niet alleen eigen wasch- en badinrichtingen, maar er is ook een hospitaal, een invalidenhuis en bovendien vijf-en-veertig kleine afzonderlijke woningen ten behoeve van oude gehuwde lieden en weduwen, die niet meer werken kunnen; de eersten ontvangen bovendien eene wekelijksche tegemoetkoming van tien shillings, en de laatsten van zeven en een halve shilling. Daarbij heeft hij in zijn testament aan de arbeiders en de armen van Saltaire een legaat gemaakt van 30.000 pond sterling, waarvan de renten moeten dienen voor de oprichting van een bibliotheek en een club met leeskamer, billard en schaakspelen, en tevens ter bestrijding van de toenemende behoeften der armen. Ook de stad Bradford dankt aan zijne weldadigheid nog andere inrichtingen van openbaar nut: Sir Titus schonk haar een klein park van veertien acres aan de oevers der Aire, en droeg voor eene zeer aanzienlijke som bij voor den aankoop van het Peelepark.
Eere der nagedachtenis van den man, die niet alleen het geluk zijner familie, maar ook de welvaart van zijn land door zijn rusteloozen en verstandigen arbeid bevorderd heeft.
Max Wirth. (Ueber Land und Meer.)
Dalmatië.
(Vervolg van bladz. 40).
VI.
Onze kleine karavaan bestaat uit drie karren op lage wielen, zoo als die in Hongarije en Wallachije gebruikelijk zijn, en waaraan hoegenaamd geen ijzer gevonden wordt. De mannen liggen bijna allen op het hooi in de wagens, die door kleine, magere paarden getrokken worden; ettelijke vrouwen zitten schrijlings te paard. Daar ook ik liever te paard rijd dan in den wagen te hossen, plaats ik mij in den zadel, een turkschen zadel, waarin men even gemakkelijk zit als in een leuningstoel. De pandoeren geleiden ons, en wij trekken het binnenland in.
Het landschap vertoont een eigenaardig karakter, dat zich in een enkel woord laat samenvatten: het is een onmetelijke steenwoestijn, slechts hier en daar door vruchtbare velden afgewisseld. De enkele groenende plekjes uitgezonderd, bespeurt ge, mijlen ver, niets dan steenen, en geen anderen plantengroei dan een armelijk, laag, grauwachtig struikgewas, bijna niet van den valen bodem te onderkennen. Maar ondanks deze somberheid en deze groote armoede, heeft de natuur van Dalmatië hare schoonheid en bevalligheid. Alles straalt en schittert; van den blauwen hemel daalt de zonnegloed, als een stroom van vuur, op den rotsachtigen grond. Wij zijn in de maand October: eene verkwikkelijke warmte doordringt en koestert ons; een fijn zilverachtig stof beweegt zich trillend boven den grond en hult alle voorwerpen in een doorzichtigen sluier.
Even voorbij Lissone, een der armoedige, verstrooide dorpen, die wij doortrekken, wordt onze aandacht getrokken door een eigenaardig gezang, zacht en sleepend van toon, dat ons herinnert aan de liederen der bergbewoners van Andalusië, of aan het droevig, eentonig gezang der kabylische herders. Aan de spits harer kudde, bestaande uit mouflons, bokken, grijze en zwarte schapen, wandelt eene jonge herderin, in schitterende kleeding. Al voortgaande, borduurt zij met vlijtige hand, en geleidt tevens hare kudde, die schijnt te volgen op de maat van haar zonderling gezang. De jonge herderin volgt de uitgedroogde, met steenen bezaaide bedding van een diepen stroom, en kan ons, die langs den grooten weg door de hooge vlakte voorttrekken, niet zien. Onbemerkt volgen wij haar. Op een grooten witten doek, met een rooden zoom naar griekschen smaak geborduurd, teekent zij met de naald fraaie eikenbladeren, en dat niet naar een patroon, maar geheel naar eigen ingeving en smaak. Eene uiterst bevallige verschijning. Haar blonde hairen, kroezig en kort geknipt als die van een knaap, ontsnappen van onder haar nauwsluitend rood mutsje, met zilveren pailletten versierd; vergulde sechinen en medailles hangen aan haar ooren en tot op haar schouders; om haar hals slingeren zich glaskoralen snoeren. Hare borst is bedekt met een fraai geborduurd hemd, in kleur en teekening aan de russische hemden niet ongelijk; een breede gordel van gedreven zilver omsluit den veelkleurigen wollen rok met lange franje omzoomd, die tot op de beenkleederen van dezelfde stof afdaalt. De wijde mouwen, ter hoogte van den elleboog met sterren geborduurd, steken helder af bij den donkerblauwen overrok, die tot beneden de knieën reikt. Een groote geborduurde zak hangt op haar rug; haar sierlijke herderstaf steekt in haar gordel.
Zij is geheel alleen, te midden dezer groote eenzaamheid: men zou geneigd zijn zich af te vragen, waartoe dit goud, die pailletten, die muntstukken, die koralen, en al die levendige, schitterende kleuren, te midden dezer naakte, sombere rotsen? en door welk zonderling toeval, waar de natuur zoo doodsch, het landschap zoo eentonig en dor is, kleur en leven, glans en harmonie herboren worden en triomfeeren in de kleeding eener eenvoudige herderin?
Wij komen te Ostrovitsa en overnachten aldaar. De vlakte nabij het dorp, aan alle zijden door bergen omgeven, gelijkt een reusachtigen circus: naar men zegt, werd hier eenmaal een bloedige slag tusschen de Turken en de Kroaten geleverd; het slagveld is tegenwoordig een groot moeras, waarin het wemelt van bloedzuigers. De duisternis valt plotseling in: wij hebben den voet van een hoogen heuvel bereikt, die op een lagen voorsprong de nederige kerk van Ostrovitsa draagt, waarboven zich de eigenaardig gevormde granietmassa verheft. Hier wordt de karavaan ontbonden: ieder gaat zijns weegs en zoekt een geschikt verblijf voor den nacht op. Inmiddels leggen onze pandoeren vuur aan in eene vrij groote ruïne, die tot karavanserai dient. Een geheel schaap wordt aan het spit--een eenvoudigen stok--gestoken en boven het vuur gebraden; de mannen legeren zich deels op den grond in de nabijheid van het vuur, en staan deels, half in de schaduw, half door den rossen gloed verlicht, wachtende dat het smakelijk maal gereed zij. De ruïne, waarin wij ons bevinden, is meer dan waarschijnlijk een dier groote kavaleriekazernen, die de maarschalk Marmont, tijdens het fransche bestuur, op verschillende punten in Dalmatië liet bouwen.
Wij hebben den nacht doorgebracht op een matras van maïs, in een kamer met witgepleisterde muren en zonder meubelen: de zon dringt door de reten van het luik, dat het venster afsluit: het is bereids klaar dag. Wij keeren naar de kazerne terug en laten de paarden zadelen. Kort daarna gaan wij op weg, aangestaard door de saamgestroomde nieuwsgierigen van het dorp.
Wij komen achtervolgens door Otrés, Kernievo, Varivode, Zetchévo en Kistagne. Het landschap is hier veel minder eentonig en zelfs schoon, hoewel de streek toch over het algemeen een treurigen indruk maakt. Nu eens zijn het uitgestrekte vlakten van eene fraaie grijze kleur, met sombere olijven, die zich donker afteekenen tegen den bleek gouden achtergrond van het gebladerte der wijngaarden in den herfst; dan weder, rotsige heuvelen, straks andermaal afgewisseld door grijze valleien, waarin talrijke kudden grazen, als witte en zwarte stippen alom verspreid. Overal is gebrek aan aarde: over eene uitgestrektheid van vele mijlen is de grond letterlijk als met steenen geplaveid, waartusschen gaten, spleten en scheuren, even als in die oude, vervallen romeinsche wegen, waarvan het plaveisel door den tijd is losgeraakt.
De weg is eenzaam: het is duidelijk dat de streek weinig bevolkt is; wij ontmoeten een griekschen pope met zijne echtgenoote en eene vrouwelijke bediende, allen op het hooi liggende in een kleine kar, door twee magere paarden getrokken. Nu en dan komen wij eene kleine armelijke karavaan tegen, waarvan al de vrouwen schrijlings te paard zitten, de voeten rustende in een van touw gevlochten stijgbeugel.
Een met moerbeziënboomen beplante weg brengt ons te Kistagne. Sommige eigenaardigheden van het kostuum verraden hier de nabijheid van Turkije: de oude vrouwen bedekken reeds het benedenste gedeelte van haar gelaat, terwijl de jonge meisjes haar aangezicht onbedekt houden; alle mannen dragen een tulband, en de meesten hebben in hun gordel een lange houten pijp met een kop van gebakken aarde. De bevolking behoort tot de grieksche Kerk; in de tien dorpen, die tot het kanton van Kistagne behooren, vindt men slechts enkele katholieke familiën. De vlakte is uitgestrekt en tamelijk vruchtbaar: sedert ons vertrek van Zara, hebben wij nog zoo veel boomen als hier niet bijeen gezien. Voor het eerst bespeuren wij op den rotsgrond eene laag vruchtbare aarde van eenige dikte. Vroeger was er te Kistagne een sirdar gevestigd, een hoofdman der pandoeren, onder de bevelen staande van den kolonel van het distrikt. De oostenrijksche regeering heeft, op de meeste plaatsen, deze soort van plaatselijke milicie afgeschaft en door haar bureaukratie en gendarmerie vervangen. De oorspronkelijke organisatie dagteekende uit den tijd der Venetianen. Dalmatië was destijds verdeeld in zee- en landdistrikten; de sirdars waren toen in de eerste plaats burgerlijke overheidspersonen, die tevens recht spraken in alle civiele geschillen, waarbij geen hooger bedrag dan van tien gulden betrokken was. Zij hadden onder hunne bevelen de plaatselijke milicie der pandoeren, die, zoo als ik reeds gezegd heb, niets anders waren dan gewapende boeren, bij beurte een of twee dagen in de week dienst doende, naar gelang van omstandigheden, en die, in geval van nood, eene niet onaanzienlijke macht konden op de been brengen.
Even voor wij aan Kistagne komen, juist waar de Kerka den weg snijdt, slaan wij ter zijde af om een blik te werpen op de diepe kloof, waarin deze rivier stroomt, en op enkele romeinsche bogen, aan den zoom dezer diepte verrijzende. De plek heet Archi-Romani of Soupiaia: eene verbastering van Supplia zarkva (doorboorde kerk). Daar stond de oude stad Burnum, waarvan nu niets meer overig is dan deze bogen. De Kerka vormt, op korten afstand van deze plek, in haar smalle vallei, een fraaien waterval van eenige ellen hoogte. Behalve dezen val heeft de Kerka nog twee andere cascaden: die van Roncislap en die van Scardona.
Wij keeren spoedig naar den grooten weg terug, ten einde Knin, waarvan wij nog drie uren verwijderd zijn, vóór den nacht te kunnen bereiken. Hoe verder wij komen, des te vruchtbaarder wordt het land; welhaast kunnen wij ons hart ophalen aan het gezicht van groote boomen, noteboomen, en akkers met gerst en sorgho beplant; eindelijk zien wij het stadje Knin, amphitheatersgewijze gelegen aan den voet van een hooge rots, waarop eene indrukwekkende citadel is gebouwd, en waarboven zich de toppen van den berg Dinara verheffen.
Knin is wel een der schilderachtigste punten in geheel Dalmatië. Het stedeke ligt aan den oever van de Kerka, maar zijne laatste huizen bestijgen de helling van den rotsigen heuvel, die op zijn top de trotsche vesting draagt. De plaats telt betrekkelijk weinig huizen; enkelen daarvan zijn van hout, waardoor de buurt langs de rivier een eigenaardig turksch karakter verkrijgt. Vóór de uitvinding van het geschut, was deze stelling bijna onneembaar. In de oorlogen tusschen de Turken en de Venetianen, werd de stad twintigmaal genomen en hernomen. De Koningen van Kroatië en Hongarije hebben haar beurtelings bezeten; de Turken veroverden haar in 1522, en hielden haar honderd-vijf-en-twintig jaar in bezit. De venetiaansche krijgsoversten Foscolo en Cornaro ontnamen haar in 1647 aan de Turken, waarna de stad, tot aan den ondergang der republiek, in de macht van Venetië bleef. Allen, die hier achtervolgens de heerschappij in handen hadden, ten volle het belang beseffende dezer stelling, die de vallei van de Kerka beheerscht, hebben voortdurend gearbeid aan de versterking der plaats, in verband met de vorderingen der militaire wetenschap; ook nog tijdens het fransche bestuur zijn hier zeer belangrijke werken aangelegd. De bezetting van deze citadel, als een arendsnest op den top der rotsen gebouwd, en niet dan langs moeilijke, eindeloos slingerende paden bereikbaar, bestaat thans uit eene kompagnie artillerie en eene kompagnie infanterie.
Het ontbreekt der kleine stad, waar drie wegen samenloopen, niet aan levendigheid; de Kerka deelt aan de omringende streek vruchtbaarheid mede, en er wordt een vrij drukke handel met Bosnië gedreven. De Turken voeren daar het hout hunner bosschen aan; zij laden dit hout op kleine, sterk gespierde, tegen alle vermoeienissen geharde paarden, die in lange karavanen de uiterst bezwaarlijke bergpaden met hunne zware vracht beklimmen.
De maarschalk Marmont, gouverneur van de zoogenoemde Illyrische provinciën, vestigde zich in 1806 te Knin, om in persoon de toegangswegen naar Bosnië te bestudeeren. Turkije en Rusland waren destijds in oorlog gewikkeld, en Sebastiani had voorgesteld, Sultan Selim te hulp te komen met eene afdeeling van vijf-en-twintigduizend man, die uit het bezettingsleger van Dalmatië zouden genomen worden. Daar Marmont zelf het bevel over die troepen zou voeren, was er hem veel aan gelegen, zich nauwkeurig bekend te maken met den weg, dien hij volgen moest, en met de geschiktste gelegenheden om naar Livno te komen. Dit gaf aanleiding tot de schepping van een stelsel van groote wegen en binnenlandsche communicatiën, waardoor Marmont zich voor immer aanspraak heeft verworven op de dankbaarheid van het land, voor welks ontwikkeling hij zoo veel gedaan heeft. Men kan zich tegenwoordig bijna niet voorstellen, hoe moeilijk en gebrekkig de gemeenschap vroeger was. Voor militaire operatiën was het land volstrekt ongeschikt: de marschen waren niet alleen uiterst moeilijk, maar er was geene enkele gelegenheid om levensmiddelen of ammunitie to vervoeren; aan het vervoer van artillerie viel in de verte niet te denken. Men zal mij vragen, hoe hebben dan de Venetianen, eeuwen lang, de worsteling tegen de Turken kunnen volhouden? Zij beheerschten de zee en konden met hunne vloot overal in de hun onderworpen havens aanleggen. Elke stad langs de kust, van Zara tot Ragusa, was door muren omgeven on beschermd door forten, waarop de vlag der republiek wapperde. De poorten aan de landzijde waren even zoo vele bruggehoofden, die zeer gemakkelijk konden verdedigd worden. De Turken verkeerden daarenboven in zeer ongunstigen toestand: om Dalmatië te bereiken, moesten zij eerst de steile en rotsige bergen overtrekken, die van Kroatië tot Cattaro, de natuurlijke grensscheiding der provincie vormen; zij konden daarbij hun geschut niet medevoeren; en wanneer zij, eindelijk in de vlakte doorgedrongen, het beleg voor eene stad sloegen, kon de insluiting toch nooit volkomen zijn, omdat de gemeenschap ter zee altijd voor de Venetianen open bleef. Maar tijdens het fransche bestuur was de Adriatische-zee in de macht van de vloten der gealliëerden. Marmont moest zich dus de gelegenheid verschaffen, om in het land zelf met een leger, van geschut en materieel voorzien, te kunnen opereeren: van daar de noodzakelijkheid van den aanleg van wegen, die, hoewel met een strategisch doel gemaakt, toch zooveel hebben bijgedragen tot de ontwikkeling en de welvaart des lands.
VII.
De tijd van mijn verblijf te Knin was gewijd aan uitstapjes langs de oevers van de Kerka, en aan dikwijls bezwaarlijke tochten over de steile bergen, die de rivier beheerschen. Ik had mijn intrek genomen in eene herberg, die zich door niets bijzonders onderscheidde, en waar ik mij allerlei ontberingen moest getroosten. Den avond van mijn komst had iets zeer treurigs plaats: het begon te regenen; men vreesde dat die regen schade aan het te veld staande gewas zou veroorzaken, en de eenige straat was geheel opgevuld met wagens en karren der Morlaken, terwijl de voerlieden in den donker tegen elkander schreeuwden en raasden. Na een zeer onsmakelijk avondmaal in eene groote, lage, slecht verlichte kamer, wees een aardig meisje in nationaal kostuum mij een bouwvalligen trap, die naar drie kleine kamertjes, op eene houten galerij uitkomende, voerde; die galerij ontving al haar licht door een vierkant venster, zoo laag geplaatst, dat, over dag, de planken vloer alleen door de zon werd beschenen. Omstreeks twee uren des nachts meende ik dat het huis met steenen bestormd werd. Ik greep onwillekeurig naar mijn revolver, en sloop op mijne bloote voeten naar het venster, dat met een blind gesloten was. Door een reet in het luik loerende, zag ik, in de donkere schemering, drie personen, die half luid sprekende iets schenen te beramen, met steenen naar mijn venster wierpen, daarbij telkens driemaal achtereen uitroepende: "Zacari! Zacari! Zacari!" Dit duurde langer dan een half uur; daar het inmiddels was gaan stortregenen, trokken de drie mannen eindelijk af. Ik heb nooit kunnen ontdekken, wat dit te beduiden had, want de Dalmatiër, die mij tot tolk diende, had zich weder bij de karavaan gevoegd, en ik bevond mij te Knin in de onaangename positie van iemand, die alleen door teekenen en gebaren zijne gedachten kan kenbaar maken.
Knin ligt ingesloten tusschen de Kerka en den berg. De stad begint aan den zoom der rivier en reikt tot aan de hellingen van de rots, die zich eensklaps loodrecht verheft. De rivier is hier niet bevaarbaar; het water is helder en doorschijnend, zoodat men overal den bodem zien kan; de bedding is breed, en ter wederzijde verheffen zich machtige rotsen, die den loop der Kerka volgende, allengs de bedding vernauwen, en waarvan de wanden hier en daar door holen en grotten worden afgebroken, welke echter niet toegankelijk zijn, uithoofde van het water, dat in grooten overvloed van het gewelf stroomt.
De reis van Zara naar Knin heb ik met eene karavaan gemaakt; om van Knin naar Sebenico te gaan, maak ik gebruik van de post, die de dienst tusschen de twee steden waarneemt, daarbij den weg nemende over Dernis.
Bij het verlaten van Knin, loopt de weg door een liefelijke streek; de naakte steenachtige vlakte heeft hier plaats gemaakt voor vruchtbaren grond, die echter slecht bebouwd is. Daar er niets wordt gedaan om de rivier binnen haar bedding te houden en haar overstroomingen te keeren, gebeurt het menigmaal dat de omliggende vlakte onder water wordt gezet, zoodat Knin voor vrij ongezond wordt gehouden. Er heerschen dan ook veel koortsen, vooral in den herfst, en bepaaldelijk in de maanden Augustus en September. De Slaven, die zich anders zeer weinig ontzien, zullen in dien tijd des jaars nimmer in de open lucht gaan slapen of des nachts de vensters open laten.
De dorpen langs onzen weg vertoonen hetzelfde karakter als die tusschen Zara en Knin; de huizen zijn niet schilderachtiger. Tusschen den berg Cavallo en den berg Kozak strekt zich eene fraaie, vruchtbare vallei uit, door een nevenstroom van de Kerka, de Cossovizza, besproeid. Omstreeks Klanatz versmalt zich deze vallei zoodanig, dat er tusschen de twee bergen niet meer dan een enge doorgang overblijft, waar, naar men zegt, de veiligheid der reizigers gevaar zou loopen. Eenigen tijd geleden, werd de postwagen altijd door gendarmes begeleid; onlangs was bepaald dat dit geleide alleen dan zou worden verstrekt, wanneer de wagen eene geldswaarde van meer dan drieduizend florijnen zou bevatten; men verzekert mij zelfs, dat sedert dien tijd ook deze voorzorg niet meer noodig wordt geacht; wij ontmoeten echter nu en dan pandoeren, die de wacht waarnemen. De bewoners dezer streek staan als zeer onrustig en twistziek te boek: als huns buurmans geit zonder vergunning in hun tuin komt grazen, vallen er dikwijls geweerschoten. De overheid tracht deze vaardigheid in het grijpen naar de wapenen zooveel mogelijk te beperken, maar moet overigens wel het een en ander door de vingers zien; loopt het al te erg, zoodat er menschenlevens bij gemoeid zijn, dan komt zij tusschenbeiden.
Naarmate wij Dernis naderen, worden de kudden talrijker en neemt het land in vruchtbaarheid toe: leven en beweging doen zich alom gevoelen. Dernis maakt een zeer gunstigen indruk: de stad ligt op eene hoogte; de platte, lage huizen worden beheerscht door eene kolossale ruïne. De minaret van eene voormalige turksche moskee, tot heden gespaard, verheft zich hoog boven de huizen, en teekent zich scherp af tegen den donkeren achtergrond der fraaie bergen. Het is Zondag, en er heerscht overal groote drukte. In geen andere plaats van Dalmatië verdient het kostuum, hoezeer eenvoudig en sober, in die mate de aandacht. Alle vrouwen van zekeren leeftijd bedekken zich het onderste gedeelte van het gelaat; even als de Jodinnen van Marokko, dragen zij dubbele valsche tressen, die zij met roode of groene linten boven op het hoofd vaststrikken en doorvlechten. De groote halsdoeken zijn helder wit als sneeuw, versierd met eenvoudige, maar zeer smaakvolle borduursels; haar beenen steken in geborduurde slopkousen; en over het donkerblauwe overkleed, met levendige kleuren gestikt, dragen zij den fraai gestikten zak, waarin zij alles bergen wat zij koopen of bij zich hebben.
Des morgens ten acht uur waren wij van Knin vertrokken, en kwamen ten twaalf uur te Dernis, dat tweeduizend zielen telt. Een uur later vertrokken wij weder. Aanvankelijk ging de weg bergopwaarts, om vervolgens weder naar de vlakte af te dalen. Daar begint de woestijn op nieuw, naakt en dor en vol steenen: een landschap als in Arabië of in sommige streken van Bretagne, waar de grauwe dolmens alleen de troostelooze doodsche eenzaamheid breken. De mensch kan den strijd met zulk eene natuur niet aanvaarden, en men behoeft deze streken slechts aan te zien, om te begrijpen waarom zij zoo schaarsch bevolkt zijn.
De aankomst te Sebenico zal niemand licht vergeten. De bergketenen, die van de hoofdketen uitgaan, nemen, naarmate zij de kust naderen, in hoogte toe, en eindigen meestal in een hooge kaap of steilen kegel. Zoo ook hier. Om de stad te bereiken, stijgt men aanhoudend, en men treedt haar binnen door een kloof of opening tusschen twee grauwe rotsen, van waar men, over Sebenico heen, de Adriatische-zee ziet, bezaaid met eilanden en klippen. Van dit punt daalt de weg steil naar beneden, langs twee hoog gelegen forten San-Giovanni en Santa-Anna.