# De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-aarde-en-haar-volken-jaargang-1877-11317/index.md

"Onderweg hadden wij allerlei oponthoud. De boeren, die wij tegenkwamen, vroegen ons, hoe het met onzen tocht was afgeloopen, en de beleefdheid vorderde dat wij stilhielden om te antwoorden. Intusschen vreesde ik, dat Macdonald mij ontsnappen zou, want, naar men ons mededeelde, zou hij niet langer dan tot tien uur op ons wachten, en die termijn was welhaast verstreken. Wij liepen dus zoo hard wij konden. Eindelijk stond ik op de brug te Ville, juist vijf kwartier nadat wij Ailefroide verlaten hadden; hier hield een wegwerker mij tegen, met het bericht dat de engelsche heer naar La Bessée was vertrokken. Ik spoedde mij voort, en liep een poos haastig over den weg, zonder hem te zien; maar eindelijk, bij het omslaan van een nieuwen hoek, bespeurde ik Macdonald, met snellen tred voor mij uitgaande. Ik riep hem aan; gelukkig hoorde hij mij, en wij keerden te zamen naar Ville terug. Daar voorzagen wij ons van nieuwen voorraad; en nog dien eigen middag stegen wij bergopwaarts tot voorbij de rots, waar ik den vorigen keer had overnacht. Zooals ik gezegd heb, hadden wij ons voorgenomen ditmaal geen gids te nemen; maar toen wij te La Pisse kwamen, bood de oude Sémiond ons zijne diensten aan. Ondanks zijne jaren, kon hij nog zeer goed loopen, en Macdonald was van oordeel dat wij beter deden hem mede te nemen. Ik bood hem een vijfde van zijne vroegere belooning, en hij nam zonder bedenken mijn aanbod aan; maar ditmaal vervulde hij eene meer ondergeschikte betrekking: wij zouden den weg wijzen, hij had slechts te volgen. Onze tweede metgezel was een jonkman van zeven-en-twintig jaar, die ons weinig reden tot tevredenheid gaf. Hij dronk den wijn van Reynaud, rookte onze sigaren, en hield zeer kalm onze provisiën achter, toen wij half dood waren van honger.

"Toen het avond geworden was, sloegen wij ons bivouak op, hoog boven de grenslijn der boomen, zoodat wij het noodige hout op vrij grooten afstand moesten gaan halen. De rots, die ons ditmaal tot schuilplaats strekte, was daartoe veel minder geschikt dan die, waaronder ik den eersten nacht had doorgebracht. Om eene geschikte plaats te kunnen vinden, moesten wij eerst een zwaren steenklomp uit den weg ruimen; aanvankelijk gelukte dit niet, maar eindelijk kwam er toch beweging in den klomp, en begon hij te rollen, eerst langzaam, en toen al sneller en sneller; eindelijk nam de steen zijn vaart, en stortte, van rots tot rots springende, in de diepte neder. Telkens als hij tegen een rotspunt sloeg, spatte er een regen van vonken omhoog, die den somberen afgrond zonderling verlichtten. Lang nadat wij den steenklomp uit het oog verloren hadden, hoorden wij hem nog van de eene rots op de andere springen, tot hij eindelijk met een doffen slag nederkwam op den gletscher. Toen wij naar ons bivouak terugkeerden, vroeg Reynaud of wij nooit eene brandende beek hadden gezien. Volgens zijn zeggen, voert de Durance, in de lente, als zij door het smelten der sneeuw gezwollen is, zoo veel rotsblokken en steenen mede, dat men te La Bessée, waar de bedding zeer smal is, geen water meer ziet, maar alleen steenklompen, die over elkander voortrollen en met zooveel geweld tegen elkaar botsen, dat geheele zwermen van vonken omhoog spatten, alsof de beek zelve vlam had gevat.

"Wij brachten een vroolijken avond door; het was prachtig weder; rustig op onzen rug liggende, genoten wij ten volle van de stilte om ons heen, en verkwikten ons hart door den aanblik van den onmetelijken, met fonkelende sterren bezaaiden hemel. Macdonald deelde mij zijne reisavonturen mede. Dagen achtereen, had hij bijna dag en nacht doorgewandeld om mij in te halen; maar hij had ons eerste bivouak niet kunnen vinden, en had eenige honderden ellen van ons af, hooger op den berg, onder eene andere rots overnacht. Den volgenden morgen werd hij ons gewaar, terwijl wij, hoog boven hem, bezig waren tegen eene steilte op te klauteren; maar daar hij ons toen onmogelijk kon bereiken, onderwierp hij zich aan zijn lot, en bleef ons, met kloppend hart, nastaren, tot eene kromming van de rots ons aan zijn oog onttrok.

De zware ademhaling onzer makkers, die in diepen slaap lagen gedompeld, verbrak alleen de onuitsprekelijk plechtige, hartaangrijpende stilte. Maar wat is dat? Luister! Wat beteekent dat onheilspellend gerucht hoog boven ons? Ik hoor het weder, en duidelijker dan straks;--het komt al nader en nader ... het is een rotsblok, dat van de bergwanden boven ons is losgeraakt. Wat schrikwekkend gerucht! In een oogwenk zijn wij allen op te been. Het rotsblok nadert met vreeselijk geweld: wie kan het in zijn vernielende vaart tegenhouden? Het rolt en springt en vliegt en stoot en botst tegen andere rotsen, dat de stukken en splinters er afstuiven; brullende en loeiende ijlt het den gapenden afgrond tegen. Goddank! het is ons voorbij gerold!... Neen, daar is het weer.... Wij houden onzen adem in, als de steenklomp, door eene onweerstaanbare kracht voortgeslingerd, met donderend geraas, alsof eene gansche batterij nevens ons werd afgevuurd, pijlsnel, even beneden ons bivouak, nederstort, gevolgd door een wolk van ratelende steenen en kletterend gruis. Het is voorbij; en wij ademen vrijer, als wij het gevaarte eindelijk op den gletscher, diep beneden ons, hooren nederploffen.

"Wij keerden naar ons bivouak terug, maar ik was te opgewonden om te kunnen slapen. Kwart over vieren nam ieder onzer zijn reiszak weder ter hand, en hervatten wij onzen tocht. Ditmaal waren wij overeengekomen, zooveel mogelijk rechts te houden, om zoodoende het plateau te bereiken, zonder onzen tijd te verspillen met het oversteken van den gletscher. Ik heb niet noodig nogmaals onzen marsch te beschrijven: het zou slechts herhaling zijn van het vroeger gezegde. Gedurende anderhalf uur klommen wij snel naar boven, soms loopende, maar doorgaans met handen en voeten klauterende, om eindelijk tot de overtuiging te komen, dat wij toch den gletscher moesten oversteken. Ter plaatse waar wij nu den gletscher betraden, was hij zeer steil en vol spleten en groote diepe gaten en kloven. De grootste moeilijkheid was, den top te bereiken; maar met behulp van ons touw, kwamen wij toch zonder ongeval aan de overzijde. Daar begon op nieuw de oneindige reeks van contreforten en bolwerken. Uren lang moesten wij onophoudelijk klimmen, waarbij wij ons dikwijls vergisten en dan genoodzaakt waren weer af te dalen.

"Al klimmende, was de bergketen achter ons langzamerhand gedaald: over de toppen heen, konden wij in de verte den majestueusen Monte-Viso onderkennen. Inmiddels verliep de tijd: de uren volgden elkander snel op, en nog altijd was er geene verandering te bespeuren. Om twaalf uur hielden wij stil om te ontbijten, terwijl wij onze blikken lieten dwalen over het indrukwekkende panorama, dat zich hier voor ons uitbreidde: met uitzondering alleen van den Viso, waren alle bergtoppen die wij konden zien lager dan de plek, waar wij ons bevonden; wij overzagen eene onmetelijke ruimte, een oceaan van bergspitsen, rotsen en sneeuw. Toch verhieven zich de bolwerken en contreforten van den geweldigen berg nog altijd boven ons, en algemeen hielden wij ons overtuigd, dat wij dien dag den top van den Pelvoux niet zouden zien. De oude Sémiond was ons een voortdurende ergernis: zoodra een van ons een oogenblik stilstond om zich te oriënteeren, begon hij te lachen en zeide met domme zelfvoldoening: "Wees niet bang, volg mij maar."

"Eindelijk kwamen wij aan eene steile glooiing, geheel met losse steenen en blokken bedekt, die nergens een vast steunpunt voor den voet aanboden, Reynaud en Macdonald klaagden over vermoeienis en stelden voor, hier te blijven overnachten. Echter ontdekten wij een punt, waar wij verder konden komen; en een onzer, ik weet niet meer wie, riep eensklaps: "Kijkt eens naar den Viso!" En inderdaad scheen het, of de berg beneden om lag. Wij begonnen dus weer met frisschen moed te klauteren, en eindelijk zagen wij den kop van den gletscher, ter plaatse waar hij van het hoogste plateau afdaalt. Dit gezicht vervulde ons met nieuwe hoop, die ditmaal niet bedrogen werd; met een luiden vreugdekreet begroetten wij de verschijning der zoo vurig begeerde sneeuwvelden. Eene breede kloof gaapte nog tusschenbeiden, maar wij ontdekten eene brug, en ons aan elkander vastbindende, trokken wij in eene rij achter elkander veilig daarover heen. Terwijl wij ons op die natuurlijke brug bevonden, verhief zich een fraaie, geheel met sneeuw bedekte bergtop voor ons. De oude Sémiond riep eensklaps:

"De pyramide! Ik zie de pyramide!

--Waar dan, Sémiond, waar?

--Daar, op den top van dien berg."

"En waarlijk, daar stond de pyramide, die hij ruim dertig jaar geleden mede had helpen oprichten. Maar waar is dan toch de piek des Arcines, die wij moesten zien? Die was nergens te bespeuren. Wij zagen niets dan eene uitgestrekte sneeuwvlakte, begrensd door drie lagere toppen. Een weinig teleurgesteld en ontmoedigd, trokken wij voort naar de pyramide, zeer spijtig dat wij geen anderen top konden beklimmen; maar nauwelijks hadden wij tweehonderd schreden in die richting afgelegd, of daar zagen wij aan onze linkerhand een prachtigen witten kegel, die tot dusver door een sneeuwheuvel aan ons oog was onttrokken. "De piek des Arcines!" riepen wij verrast uit, en vroegen tegelijk aan Sémiond of die top ook, voor zoo ver hij wist, reeds vroeger was bestegen geworden. Hij wist niets anders, dan dat die top daar voor ons de Pyramide heette, en dat hij dertig jaar geleden, enz. enz.; ook wist hij dat sedert dien tijd niemand dien top had beklommen.--"Dan is alles in orde. Rechts-om-keert!" riep ik, en dadelijk wendden wij ons rechts, en begaven ons naar den kegel, terwijl de arme Sémiond nog eenige zwakke pogingen aanwendde om ons naar zijne geliefde pyramide mede te troonen. Nauwelijks hadden wij een eind wegs afgelegd, of wij stuitten tegen den rand van een smallen dam, die de beide toppen verbond, en die een fraaien hollen boog vormde. Wij waren onzes ondanks gedwongen, op onze schreden terug te keeren. Sémiond, die de rij sloot, maakte zich los van het touw en weigerde verder mede te gaan; het was te gevaarlijk, zeide hij en sprak van spleten en kloven. Wij bonden hem weder vast, en hervatten onzen tocht. De sneeuw was zeer zacht, wij zakten er altijd tot aan de knieën en somwijlen tot den gordel in; maar eene fiksche beweging van voren naar achteren maakte ons telkens weer vrij. Zoo kwamen wij aan den voet van de hoogste piek. Daar de dam ter linkerhand ons beter en veiliger toescheen, dan die waarop wij ons nu bevonden, beschreven wij een halven cirkel om dien dam te bereiken. Ter hoogte van vijftig el onder den top, staken eenige rotsen boven de sneeuw uit. Wij klauterden, al kruipende, daar tegen op, en lieten onzen drager achter, die gansch niet op zijn gemak was. Toen ik hem verliet, kon ik niet aan de verzoeking weerstaan, om hem te wenken ons te volgen, en hem toe te roepen: "Wees niet bang, volg mij;" maar hij luisterde daar niet naar en liet zich niet overhalen om den top te beklimmen. De rotsen liepen uit op een korten ijsdam, dien wij over moesten gaan, waarbij wij aan de eene zijde het plateau, aan de andere een bijna loodrechten afgrond hadden. Macdonald hakte gaten in het ijs; en ten kwart voor twee uur, drukten wij elkander de hand op den hoogston top van den grooten Pelvoux, nu eindelijk gewonnen.

"Het weder was ons voortdurend zoo gunstig mogelijk geweest. Van verre en nabij verhieven zich tallooze spitsen en toppen in de heldere lucht, terwijl geen enkel wolkje het alom stralende licht verduisterde. In de eerste plaats werden onze blikken geboeid door den koning der Alpen, door den Mont-Blanc, ruim zeventig mijlen van ons verwijderd; verder op vertoonde zich de groep van den Mont-Rose. Oostwaarts verhieven zich lange reeksen van onbekende bergtoppen, stralende in weergaloozen glans; hun toon werd al flauwer en flauwer, toch behielden zij al de zuiverheid en scherpte hunner lijnen en omtrekken; maar het schemerende oog kon eindelijk de bergen niet meer van den eindeloozen hemel onderscheiden, en aan den verren, verren horizon smolten zij weg in zachte, blauwe tinten. De Monte-Viso stond daar voor ons in al zijne grootheid; maar, daar hij nauwelijks veertig mijlen verwijderd was, konden wij, over zijne rotsmuren heen, eene nevelachtige massa onderscheiden: dat moest de vlakte van Piemont zijn. Die blauwe nevel ten zuiden mocht wel de verre Middellandsche-zee zijn; ten westen zagen wij tot aan gene zijde der bergen van Auvergne. In bijna alle richtingen overschouwden wij dus hier een panorama van meer dan honderd mijlen afstands. Niet zonder moeite wendden wij onze blikken van deze verwijderde punten af, om acht te geven op hetgeen meer in onze nabijheid was. Mont-Dauphin was zeer duidelijk zichtbaar; maar wij hadden eenige moeite om La Bessée te ontdekken; geene andere menschelijke woning was van hier te bespeuren; alles was rots, sneeuw of ijs. Wij wisten dat de sneeuwvelden van Dauphiné zeer uitgestrekt waren, maar zoo groot en wijd uitgestrekt als ze nu bleken te zijn, hadden wij ze ons toch nooit voorgesteld.

"Onmiddellijk ten zuiden van Château-Queyras, bijna tusschen ons en den Viso, verhief zich een prachtige berggroep van zeer aanzienlijke hoogte. Een weinig meer zuidwaarts verrees een andere, onbekende top, schijnbaar nog hooger; en niet zonder verwondering ontdekten wij in onze nabijheid nog een anderen berg, die den top waarop wij stonden in hoogte overtrof. Althans dit kwam mij zoo voor; Macdonald hield echter dien berg voor lager dan de Pelvoux, en Reynaud dacht dat hij omstreeks even hoog was.

"Deze berg was niet meer dan twee mijlen van ons verwijderd; tusschen hem en ons gaapte een vreeselijke afgrond, waarvan wij den bodem niet konden zien. Aan de overzijde van dezen afgrond verrees een kolossale piek, met loodrechte wanden, zoo steil, dat de sneeuw er niet op kon blijven liggen, zwart als de nacht, vol uitstekende scherpe punten, en uitloopende in een smallen, spitsen top. Wij wisten niet, welke berg dat was, daar wij die streek niet hadden bezocht. Naar onze meening, moest La Bérarde beneden in den afgrond liggen, die zich voor onze voeten opende; maar inderdaad lag dit dorp aan gene zijde van dien anderen berg, die ons naderhand bleek de hoogste top van de geheele groep te zijn, op de fransche kaarten aangeduid als de Pointe des Ecrins. Van La Bessée of Vallouise is deze top echter geheel onzichtbaar en verborgen achter den Pelvoux.

"Eindelijk maakten wij ons gereed om af te dalen en terug te keeren naar Sémiond, dien wij bij de rotsen hadden achtergelaten. Ik liet sneeuw smelten, en maakte het water aan de kook om thee te zetten. Na een sigaar gerookt te hebben, zagen wij dat het tien minuten over drieën was, en mitsdien hoog tijd om de reis te hervatten. De tocht door de sneeuw duurde vijf-en-twintig minuten; wij moesten ons eenige inspanning getroosten en gleden telkens uit; toen begonnen wij, omstreeks vier uur, langs de rotsen af te klimmen. Om acht uur zou het volslagen duister zijn; wij hadden dus geen oogenblik te verliezen en gunden ons geen rust. Dit gedeelte van den tocht onderscheidde zich door niets bijzonders. Wij hielden ons dicht bij den gletscher, dien wij op dezelfde plaats als des morgens overstaken. Het verlaten van den gletscher was ruim zoo moeilijk en zoo gevaarlijk als de overtocht. De oude Sémiond had zonder ongeval de bezwaarlijke operatie volbracht; ook Reynaud; maar Macdonald, die hen volgde, gleed uit terwijl hij een groot ijsblok trachtte te beklimmen; ware hij niet stevig aan het touw vastgebonden geweest, dan zou hij onmiddellijk in een diepe kloof verdwenen zijn.

"Toen wij eindelijk allen weer op vasten bodem stonden, was het bijna geheel duister geworden; maar toch voedde ik nog de hoop, dat wij vóór den nacht onze rots zouden bereiken, om daar te kunnen overnachten. Macdonald was daaromtrent minder gerust; en hij had gelijk, want in het eind waren wij geheel aan het dwalen, en zwierven een uur lang doelloos rond, terwijl Reynaud en Sémiond voortdurend met elkander twistten. Daar wij niet verder konden dalen, moesten wij, tot onze groote ergernis, blijven waar wij waren.

"Wij bevonden ons op eene hoogte van ruim drieduizend-vijfhonderd el; en wanneer het ging sneeuwen of regenen, zoo als de wolken, die zich om den Pelvoux samenpakten, en de opstekende wind schenen te voorspellen, dan kon onze toestand vrij onpleizierig worden. Daar wij sedert drie uren in den morgen bijna niets gegeten hadden, begon de honger ons te kwellen; en het ruischen eener naburige beek, die wij echter niet konden zien, verdubbelde onzen dorst, Sémiond wilde water uit die beek gaan scheppen; het gelukte hem inderdaad haar te bereiken, maar nu kon hij niet meer naar ons terugkeeren; om hem in zijne gedwongene afzondering te troosten, riepen wij hem van tijd tot tijd in den donker toe.

"Men zou moeilijk een minder geschikte plaats kunnen bedenken om den nacht onder den blooten hemel door te brengen: de plek was geheel open en onbeschut. Ons bivouak lag geheel bloot voor den ijskouden wind, die van oogenblik tot oogenblik aanwakkerde; daarbij ontbrak het geheel aan ruimte om ons door heen en weder te loopen eenigermate te verwarmen. De grond was bedekt met steenen en gruis, die wij moesten wegruimen, alvorens wij konden gaan zitten om te rusten. Deze gedwongen arbeid, die ons aanvankelijk zuur genoeg viel, had althans dit voordeel, dat ons bloed in beweging bleef en wij dus minder last van de koude hadden. Na met dit wegruimen van steenen zoo wat een uur bezig te zijn geweest, had ik althans een vrij terrein van ongeveer drie el lengte verkregen, waar ik op en neder loopen kon. Reynaud maakte zich eerst boos, en schold op den drager, naar wiens raadgevingen meer dan naar de zijne geluisterd was; toen stelde hij zich aan als een wanhopige, maakte allerlei heftige gebaren, wrong zich de handen en jammerde luide: "O ramp, o ramp! Die ellendelingen!"

"Het duurde niet lang of het begon te donderen; zonder ophouden rolde de donder en flikkerden de bliksemstralen tusschen de bergtoppen rondom ons; de wind, die de temperatuur tot bijna op nul had doen dalen, drong verstijvend door tot op ons gebeente. Huiverend zaten wij daar bijeen, en onderzochten onzen voorraad. Wij hadden nog zes en een halve sigaar, twee doosjes lucifers, een derde pint brandewijn met water, en een halve pint wijngeest: een schrale voorraad voor drie toeristen, die half dood waren van honger en koude, en die nog zeven uren moesten wachten eer de dag aanbrak. De lamp met wijngeest werd aangestoken, en wij warmden daarop het overschot van den wijngeest, den brandewijn en een weinig sneeuw, alles te zamen. De drank was wel wat al te sterk; maar toch zouden wij er gaarne meer van hebben gehad. Toen de voorraad opgedronken was, poogde Macdonald zijn schoenen te drogen bij de vlam van de lamp; daarop gingen wij alle drie onder mijn plaid liggen, om zoo mogelijk wat te rusten. Ongelukkig werd Reynaud geplaagd door eene vreeselijke kiespijn, die er juist niet toe bijdroeg om hem in zijn humeur te brengen en ons een rustigen nacht te verzekeren.

"Maar zelfs aan de langste nachten komt toch een einde, en ook deze ging voorbij als alle andere. In vijf kwartier volbrachten wij des morgens den tocht bergafwaarts naar onze rots, waar wij onzen drager vonden, schijnbaar zeer verbaasd over onze afwezigheid. Volgens zijn zeggen had hij een groot vuur aangelegd om ons bij het afdalen van dienst te zijn, en had hij den geheelen nacht door van tijd tot tijd geroepen om ons te waarschuwen. Wij hadden niets van zijn vuur bemerkt, noch zijn roepen gehoord. Hij beweerde dat wij er uitzagen als spoken. Wat wonder! dit was de vierde nacht, dien wij in de open lucht doorbrachten.

"Wij verfrischten ons zoo goed wij konden, en reinigden ons, wat hoog noodig was. De bewoners dezer valleien hebben altijd eene menigte van die kleine insecten bij zich, wier vlugheid wedijvert met hun aantal en hunne gulzigheid. Het is gevaarlijk, die lieden te dicht te naderen: men moet daarbij steeds letten op den wind en zorgen dien in zijn voordeel te houden. Ondanks al deze voorzorgen, liepen wij toch soms gevaar, binnen weinige oogenblikken levend verslonden te worden. Trouwens, wij allen konden hoogstens rekenen op een kortstondigen wapenstilstand in dezen noodlottigen krijg, want de herbergen wemelen van dit gedierte, niet minder dan de huid der inlanders. De plaatselijke traditie weet zelfs te verhalen van een al te zorgeloos reiziger, die door een leger dezer gulzige folteraars uit zijn bed werd gelicht! Maar dit feit eischt nadere bevestiging. Nog een enkel woord, en ik stap van dit misselijk onderwerp af. Toen wij, na ons gewasschen te hebben, bij ons gezelschap terugkeerden, waren de Franschen onderling in gesprek. "O, zeide de oude Sémiond, wat de vlooien betreft, maak ik er geen aanspraak op, anders te zijn dan de anderen: ik heb er althans geen gebrek aan!" Ditmaal voor 't minst sprak hij stellig de waarheid.

"Wij daalden op ons gemak naar Ville af, waar wij eenige dagen vertoefden en ons zoo goed mogelijk vermaakten, onder anderen ook door het balspel, waarbij de dorpelingen ons altijd de baas waren. Eindelijk, na een pleizierigen tijd hier in het schilderachtige vlek te hebben doorgebracht, moesten wij van elkander afscheid nemen: ik ging zuidwaarts naar den Monte-Viso, terwijl Macdonald naar Briançon vertrok.

"De beklimming van den Pelvoux biedt weinig afwisseling aan: uit mijn verhaal zelf is dit zeker duidelijk genoeg gebleken; toch durf ik die beklimming aan de toeristen aanbevelen, ter wille van het heerlijk uitzicht op den top. Met uitzondering alleen van den Viso, die in dat opzicht geen wedergade heeft, zou ik geen anderen berg van aanmerkelijke hoogte kunnen noemen, die een zoo volledig panorama van de westelijke Alpen te aanschouwen geeft als de Pelvoux. Trouwens, een blik op de kaart maakt dit van zelf begrijpelijk.

"Zeker was het, in zekeren zin, voor ons eene voldoening geweest, te hebben ontdekt dat de piek, onder den naam van de Pointe des Écrins bekend, een op zich zelven staande berg is, afgescheiden van den Mont-Pelvoux, en niet diens hoogste top;--maar toch had die ontdekking ons ook zekere teleurstelling gebaard.

"Naar La Bessée afdalende, verwarden wij ten onrechte deze piek met den bergtop, dien men, van dit punt, tor linkerzijde van den Pelvoux aanschouwt. De beide bergen gelijken zeer veel op elkander, zoodat eene vergissing licht mogelijk is. Hoewel deze berg aanmerkelijk hooger is dan de Wetterhorn of de Monte-Viso, voert hij toch geen bijzonderen naam: wij noemden hem Piek-zonder-Naam.

"Het is bijna niet te onderstellen dat de ingenieurs eenige dagen op den top der Pyramide zullen hebben vertoefd, zonder een bezoek te brengen aan den anderen hoogeren top. Indien zij daar werkelijk geweest zijn, dan is het echter minstens zonderling dat zij geen enkel spoor van hunne tegenwoordigheid hebben achtergelaten. De landlieden, die hen op hun tocht vergezeld hadden, verzekerden ons dat zij niet van den eenen top naar den anderen waren gegaan; wij maakten daarom in den beginne aanspraak op de eer der eerste beklimming van den hoogsten top. Maar sedert is het mij gebleken, dat de heer Puiseux vóór ons dien top bestegen had. De kwestie van prioriteit is van zeer weinig belang; onze tocht had voor ons al het aantrekkelijke eener eerste beklimming; en ik herinner mij deze eerste ernstige expeditie in het gebergte met meer voldoening en niet minder genot dan eenige andere, waarvan dit boek het verhaal bevat."

