# De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

## Part 19

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-aarde-en-haar-volken-jaargang-1877-11317/index.md

Wat van Anaa geldt, geldt van bijna alle eilanden van den archipel. Het zijn schier allen lange koraalriffen, ter breedte van vier- of vijfhonderd el, die een binnenmeer omgeven, dat op Rairoa een omtrek heeft van honderd mijlen, en op het eiland Fakarava een omtrek van negen mijlen. Die lange koraalrotsen, deels met de oppervlakte van het water gelijk liggende, deels slechts eenige ellen boven de zee verheven, bieden aan de buitenzijde geen ankerplaats aan, terwijl zij aan de binnenzijde met zachte glooiing tot dikwijls zeer aanzienlijke diepte afdalen. Enkelen dezer lagunen of meren, door die geweldige koraaldammen gevormd, zijn met de zee verbonden door smalle straten of kanalen, die voor schepen van alle grootte toegankelijk zijn; anderen zijn alleen voor kleine vaartuigen bereikbaar. Vele eilanden hebben in het geheel geen doorgang voor de vaartuigen, die dan over het rif heen naar het binnenmeer moeten gedragen worden: een gevaarlijk werk, zelfs voor de inlanders. Maar dezen, die allen zonder uitzondering voortreffelijke zwemmers zijn, loopen toch altijd minder gevaar dan de vreemdelingen, voor wie het in- of ontschepen dikwijls met zeer ernstige bezwaren gepaard gaat, ten gevolge van de doorgaans zeer hevige branding, die met donderend geraas op de koraalriffen breekt.

De prachtige lagune van Anaa, waarvan de smaragdgroene wateren heerlijk afsteken bij de hemelsblauwe kleur der zee, staat met deze laatste in gemeenschap door middel van een gegraven kanaal, dat in 1860 door de koraalbank is aangelegd. De geweldige stroom, die hier bijna altijd gaat, maakt echter de vaart door dit kanaal zeer gevaarlijk. Het water van het meer, dat niet op gelijk peil ligt als de zee, stroomt met groote kracht door deze nauwe opening. Een rots, die het kanaal in twee armen splitst, veroorzaakt geweldige opstuwing en maakt de vaart nog moeilijker; het voornemen bestaat echter om die rots te doen springen.

Dit gemis van eene behoorlijke gemeenschap tusschen het binnenmeer en de zee, is eene wezenlijke belemmering voor den handel van het eiland. De regeering zou daarom zeer gaarne zien, dat de inlanders hun kokosolie voornamelijk ter markt brachten op het eiland Fakarava, dat in zijne volle lengte doorsneden wordt door een kanaal, hetwelk aan de beide uiteinden, ten noorden en ten zuiden, met een breeden mond in zee uitloopt. De resident van de Toeamotoe-eilanden, die van een inlandschen visscher vernomen had dat het rif zich ten noordoosten van de uitmonding van het kanaal van Anaa nog een weinig onder water voortzet, heeft op dit vrij steil afloopende gedeelte een soort van aanlegplaats doen maken. Voldoet deze aan de verwachting, dan zou een groot schip daar kunnen ankeren, en niet, zoo als wij nu, genoodzaakt zijn, voortdurend te manoeuvreeren, ten einde op zekeren afstand van de kust te kunnen blijven.

De bewoners dezer eilanden zijn niet ontbloot van zeker gevoel van nationale eigenwaarde, zoo als uit het volgende blijkt. Omstreeks vijf-en-twintig jaar geleden, tijdens het bestuur van den heer Bonard, werd te Papeete eene algemeene vergadering gehouden van afgevaardigden van alle eilanden, die onder het fransche protektoraat staan. De afgevaardigden van den archipel kwamen daarin met nadruk op tegen de benaming van Paumotoe (onderworpen eilanden), weleer aan deze eilanden gegeven door de bewoners van Tahiti, die ze door de wapenen hadden veroverd. Op hun aandrang sprak de vergadering den wensch uit, dat de oostelijke archipel voortaan niet anders zou worden genoemd dan Toeamotoe (verre eilanden). De fransche overheid, aan dien wensch gehoor gevende, heeft dan ook, sedert 1852, aan dezen archipel, in officiëele stukken, geen anderen naam gegeven dan dien van Toeamotoe.

De resident verschijnt bij ons aan boord, om het ontbijt te gebruiken en onzen kommandant te bezoeken. Na afloop van het ontbijt laten wij ons in eene sloep aan land roeien.

Het dorp Toeahora is op de smalle zandige landtong gebouwd, die het binnenmeer van de zee scheidt, ter wederzijde van een witten weg, waarvan de felle weerschijn, bij het blakerende zonnelicht, ons haast de oogen verblindt. Met het toenemen der welvaart heeft de ontwikkeling der behoefte aan meerder levensgemak en die der nijverheid onder de inlanders gelijken tred gehouden: gaandeweg hebben zij hunne armzalige hutten vervangen door aardige woningen, met palmbladeren bedekt; deze woningen staan meestal op blokken koraal. De stijlen, de lijsten, de deuren en vensters zijn vervaardigd van het hout van den boom, wiens bladeren tot bedekking dienen; de ruimte tusschen de stijlen wordt aangevuld door een vlechtwerk van kokosbladeren. In sommigen dezer woningen vindt men bedden, behoorlijk van matten en muskietenschermen voorzien.

Nabij deze woningen wordt onze aandacht getrokken door groote kloven of uithollingen in het koraal. Deze kuilen of kloven hebben eene diepte van vier tot vijf el, zijn zes tot zeven el breed, en omstreeks vijftien el lang. De inlanders verzamelen daar een weinig aarde, en maken dan van die droge grachten een soort van tuinen, waarin zij uitmuntende taro (arum esculentum), suikerriet, bananen, ananassen en tabak kweeken.

Na eene vrij langdurige wandeling door het dorp Toeahora, waar wij overal met groote vriendelijkheid bejegend worden, begeven wij ons naar het residentshuis, om daar, uitgeput van de hitte en vermoeienis, een weinig te rusten. De resident, de heer Mariot, luitenant ter zee, ontvangt ons met de meeste hartelijkheid en doet ons eenige ververschingen toedienen, waaraan wij grootelijks behoefte hebben.

De kleine kazerne van het garnizoen maakt deel uit van het residentshuis. Ik ga haar zien. Een sergeant der mariniers, die voor eenige jaren naar Tahiti gegaan is met de Sibylle, waarop ik destijds diende, toont mij de beknopte, maar doelmatige inrichting. Hij biedt mij een fraaien rotting van pandanushout ten geschenke aan, benevens eenige sierlijke schelpen, tot verrijking onzer collectie aan boord. Het opperhoofd van Toeahora, een prachtig gebouwd man met een zeer schrander gelaat, bevindt zich bij den resident; wij ontmoeten daar ook den vorst van het eiland Kauehi, die ons op onzen tocht als loods moet dienen, benevens den officiëelen tolk, een gewezen sergeant der mariniers, die hem moet vergezellen. Ook onze kommandant verschijnt, en weldra wordt een gesprek aangeknoopt, straks afgebroken door het geroffel van trommels en het luid gezang eener menigte van inboorlingen, zoo mannen als vrouwen, die voor het residentshuis zijn saamgekomen. Deze brave lieden willen ons, op hunne eigen manier, eene uitspanning bezorgen. Als altijd, is de dans daarbij hoofdzaak. Wij nemen plaats onder de breede veranda voor de woning van den resident, terwijl de inlanders in de brandende zon blijven.

De Toeamotoes staan bekend als de onvermoeidste dansers van alle eilanders onder fransch protektoraat. Zij hebben twee verschillende soorten van dansen. Bij de eene, blijven zij op hunne hielen neergehurkt zitten, en maken in die houding met hunne armen de meest afwisselende en dikwijls zeer bevallige bewegingen, waarbij zij, op de maat, een eentonig gezang aanheffen. De andere dans is een ware pantomime, waarbij de dansers door allerlei gebaren de hartstochten uitdrukken, waaraan zij ten prooi zijn. Een der toeschouwers geeft de maat aan, door met de palm der hand op een trommel te slaan, een uitgehold stuk van een kokosstam, waarover het vel van een haai gespannen is. Ditmaal wordt dit eenvoudig inlandsch instrument vervangen door twee gewone trommels, die met groote handigheid bespeeld worden. De andere toeschouwers moedigen de dansers aan, door met groote kracht, op de maat, in de handen te klappen.

De inboorlingen van Anaa, die in veelvuldige aanraking zijn met de bewoners van Tahiti, stellen zich voor hun voedsel niet meer tevreden met de vruchten van den pandanus (een soort van palmboom) en de visschen van hun meer. Zij hebben daarom op hun eiland de proef genomen met de aankweeking van kokosboomen, en die proef is uitnemend geslaagd: de boom groeit op het eiland bijna in het wild. De kokospalm heeft zich vervolgens van het eene eiland naar het andere voortgeplant, tot ver in het oosten van den archipel. Deze zoo bij uitnemendheid nuttige boom heeft echter een geduchten vijand in een soort van groote landkrab, met zeer sterke scharen gewapend, voor wie de vrucht van den kokospalm eene zeer geliefde lekkernij is.

De kokosnoot is tegenwoordig een der hoofdbestanddeelen van het voedsel der eilanders; zij gebruiken die ook om varkens, gevogelte en honden te mesten. Deze laatsten zijn als spijs zeer gezocht.

De wijze van bereiding der kokosolie is nog zeer eenvoudig en onbeholpen. De eilanders verzamelen de rijpe vruchten, die van den boom vallen, en raspen die met eeu uitgetand stuk ijzer, aan een hout bevestigd. Het aldus verkregen meel of deeg bewaren zij in bakken, die in kokosstammen worden uitgehold, en waarin het, gedurende twee of drie weken, aan de werking der zonnestralen blijft blootgesteld. Na verloop van dien tijd is dit deeg in zoo ver tot vloeibaren staat overgegaan, dat men, door het met de hand te kneden, althans een gedeelte der olie kan uitpersen. Het overschietende deeg wordt dan onder eene ruw bewerkte houten pers geplaatst, en levert nog eene vrij groote hoeveelheid olie; maar toch gaat er een deel verloren. Vele handelshuizen zenden dan ook de noten in haar natuurlijken toestand, onder den naam van copperas, naar Europa, waar zij op veel doelmatiger wijze worden uitgeperst. Hetgeen na de persing overblijft, dient tot voedsel voor het vee, of wordt als mest gebruikt.

De dag loopt ten einde; men waarschuwt den kommandant dat de levensmiddelen en de andere voor den resident bestemde zaken aan wal zijn bezorgd. Hij geeft het teeken tot vertrekken, en wij verlaten Anaa, om naar boord terug te keeren, zeer tevreden over ons uitstapje en over de vriendelijke ontvangst van den resident.

In den loop van den 24sten varen wij voorbij het eiland Anoeanoeroenga, eigenlijk uit vier eilandjes bestaande, nevens elkander op een rif geplaatst, waarvan het middengedeelte wordt ingenomen door een lagune of binnenmeer, dat voor vaartuigen uit zee ontoegankelijk is. Het naburige eiland Anoeanoeraro, dat volgens officiëele opgaven onbewoond is, werd in het begin van 1874, door den resident der Toeamotoe-eilanden bezocht. Aan het verslag van dien officier ontleen ik het volgende:

"Den 9den Januari, des avonds, zijn wij aan het eiland Anoeanoeraro gekomen, waar ik wist dat zich schipbreukelingen in gevaarlijken toestand bevonden. De ellende dezer ongelukkigen ging alle beschrijving te boven. Op het gansche eiland was geen stuk goed katoen of doek te vinden, dan de vlag van het protektoraat. Mannen en vrouwen hadden niets om zich mede te bedekken dan eenige schorten, van de bladeren van den pandanus gevlochten. Het eiland was vroeger bezocht geworden door de kustvaarders van den heer Brander, die er kwamen om parelmoer te zoeken, maar die niet zijn teruggekeerd, omdat deze visscherij geen voldoende opbrengst gaf. De schipbreukelingen waren ten getale van zes-en-veertig, allen inboorlingen van Vahitahi; zij waren met hunne prauwen van dat eiland naar Anaa gegaan, om de vlag van het protektoraat en wetten te vragen, die hun ook gegeven werden door den heer Dubouzet, destijds te Anaa, waarheen hij zich begeven had om bij de inwijding der kerk van Tematahoa tegenwoordig te zijn. Zij keerden naar hun vaderland terug, toen zij door een storm overvallen werden, die hen op de klippen van Anoeanoeraro wierp, waarop hunne prauwen werden verbrijzeld, en waarbij twee personen het leven verloren. Hun eenige voedsel bestond uit het sap en de vrucht van den pandanus, en uit een soort van schelpdier. Gelukkig ontbrak het hun niet aan goed drinkwater. Ondanks deze ellende, hadden zij altijd in goede verstandhouding onder elkander geleefd. Toen ik het rif aandeed, kwamen deze arme lieden, bevreesd dat hun voorkomen ons tot terugkeer zou nopen, haastig naar ons toe, roepende: "Weest niet bevreesd, wij zijn geen wilden, wij zijn ongelukkige menschen!"

Zij werden aan boord van de goëlet la Mésange opgenomen, en naar Vahitahi, hun vaderland, teruggebracht, dat zij voor omstreeks twintig jaar verlaten hadden.

(Wordt vervolgd).

De uitvinder der alpakawol.

In vroeger tijd heerschte vrij algemeen de nog niet geheel overwonnen meening, dat de som der goederen van deze wereld voor geene vermeerdering vatbaar is, dat zij slechts van de eene hand in de andere overgaan, en dat de rijkdom van den een niet te verkrijgen is dan ten koste van de armoede van den ander. Het mag der nieuwere wetenschap tot haar eer worden nagegeven, dat zij deze bekrompen dwaling heeft bestreden, en het tegendeel met daden bewezen. Juist daarom komt aan de uitvinders eene plaats toe onder de weldoeners der menschheid, omdat zij, in zekeren zin, nieuwe goederen, nieuwe waarden, scheppen, of althans tot dusver ongebruikte middelen ter bevrediging van behoeften binnen het bereik van het algemeen brengen; dat zij verborgen natuurkrachten dienstbaar maken, en den arbeid des menschen verlichten of hem in staat stellen, met minder inspanning, meer te volbrengen. Onder die weldoeners der menschheid rekenen wij de onbekende ontdekkers van het ijzer, van den ploeg, van den wagen, van het schip, van het glas, en evenzeer de uitvinders der stoomwerktuigen, van de spin- en weefmachines, van spoorwegen en telegrafen, en van zooveel meer, dat tot verhooging der menschelijke arbeidskracht of tot vermeerdering van den welstand des levens bijdraagt.

Tot deze mannen behoorde ook Titus Salt, die voor weinige weken, in den ouderdom van 74 jaar, op zijn landgoed bij Halifax is overleden. Met hem is weder een dier heroën der industrie ten grave gedaald, aan wie Engeland zijne tegenwoordige grootheid op ekonomisch gebied te danken heeft. Maar bij weinigen slechts valt het verband tusschen de werkzaamheid van een enkelen man en de welvaart eener gansche landstreek, zoo duidelijk in het oog, als bij hem. Toen Titus Salt, de zoon van een eenvoudigen wolhandelaar uit Wakefield, die zijne geheele opvoeding op de gewone volksschool ontvangen had, met zijn vader Daniël naar Bradford verhuisde, was deze plaats niets meer dan een gewoon fabrieksdorp. De handel in wollen stoffen voor vrouwelijke kleeding verkeerde nog in zijne kindschheid. De onvermoeide arbeid en inspanning van vele tientallen jaren was noodig, om het vlek tot eene zelfstandige stapelplaats zijner wollen stoffen te maken, en nog telde Bradford niet meer dan 30.000 inwoners. Tegenwoordig heeft het zich tot eene stad van 150.000 zielen en tot een der grootste middelpunten van den wereldhandel verheven. Het is het brandpunt der alpaka-industrie, van waar deze zoo zeer gezochte stof naar alle deelen der wereld verzonden wordt.

Nog voor omstreeks dertig jaar wist men ter nauwernood, dat op de hoogvlakten der Cordilleras van Peru en Chili een soort van lama of bergschaap leeft, dat in groote kudden over de uitgestrekte grasvelden ter hoogte van 2500 el boven de zee zwerft. Als lastdier is de alpaka, uit hoofde zijner koppigheid en onhandelbaarheid, niet te gebruiken. Intusschen wist men reeds ten tijde der oude Inkas uit zijne wol eene stof te bereiden en die ook te verwen. Deze kunst was echter met het rijk der Inkas te gronde gegaan; slechts de Indianen gebruikten de alpakawol nog voor de vervaardiging van grove dekens en mantels. De vervaardiging van fijnere stoffen en weefsels scheen langen tijd, door den aard der wol zelve, onmogelijk, want deze was noch met de hand, noch met de tot dusver bekende spinmachines voldoende te bewerken.

Ook nadat Titus Salt zijne nieuwe methode van bewerking had toegepast, zagen andere fabriekanten, zoo lang hij zijn geheim niet had geopenbaard, zich gedwongen, de alpakawol met andere, meer handelbare stoffen, zooals katoen, zijde, kamgaren, te vermengen. Nadat Salt echter zijne uitvinding, die het hem mogelijk maakte uitsluitend alpakawol voor zijne weefsels en stoffen te gebruiken, algemeen had bekend gemaakt, en den handel met een nieuw artikel verrijkt, dat alle soortgelijke artikelen in schoonheid, duurzaamheid en goedkoopheid overtreft, heeft de alpakateelt een zeer groote vlucht genomen, en treft men in Peru en Chili talrijke kudden van deze dieren aan, die echter vrij rondzwerven en door de eigenaars alleen voor het scheeren bijeen worden gedreven.

Reeds in den eersten tijd van zijn verblijf te Bradford, werd de aandacht van Titus Salt op de aanwending van nieuwe, tot dusver in de wolindustrie onbruikbaar geachte grondstoffen gevestigd. Aanvankelijk bepaalde hij zijne keus op eene uit zuidelijk Rusland, van de oevers van den Don, afkomstige grondstof, de zoogenaamde Donskoiwol. Hij stichtte eene nieuwe fabriek, uitsluitend met het doel om deze zeer gewone stof te bewerken, en deze proefneming werd het uitgangspunt voor zijne latere, meer belangrijke uitvinding. In het jaar 1836 toonde hem een koopman van Liverpool, van wien hij wol placht te koopen, eenige balen met glansrijk hair, die men hem gezonden had, doch die hij aan niemand kwijt kon worden. Dit hair was afkomstig van de alpaka's. De jonge Salt nam een baal mede naar huis, en kwam later terug om niet alleen de gansche bezending, maar ook den geheelen voorraad, die daarvan in Liverpool te vinden was, op te koopen. Na volhardende inspanning en herhaalde proefnemingen, en na raadpleging met ervaren werktuigkundigen, was het hem ten slotte gelukt een middel te vinden, niet alleen om het alpakahair in de wolindustrie te gebruiken, maar ook om eene geheel nieuwe kleedingstof te vervaardigen, die het midden houdt tusschen zijde en wol. Hij liet een nieuw stel van werktuigen maken, die enkel voor de bewerking van de weerbarstige alpakawol waren ingericht, en verzekerde zich het uitsluitend eigendom dezer machinerie door een patent voor zijn persoonlijk gebruik te nemen, en die toestellen voorloopig niet voor het algemeen verkrijgbaar te stellen. Daardoor verkreeg hij voor een tijdvak van vijftien jaar het monopolie van zijn artikel.

De bijval, dien de nieuwe stof al aanstonds bij het damespubliek vond, en de groote belangstelling, op de eerste wereldtentoonstelling te Londen daardoor opgewekt, bewogen Titus Salt tot de oprichting van eene nieuwe groote alpakafabriek, in de nabijheid van Bradford, niet ver van de ijzergieterij van Low-Moore, na de fabriek van Krupp de grootste der wereld. Do kolossale inrichting, waarin tegenwoordig 4800 werklieden arbeiden, was in 1855 voltooid, en den schrijver van deze regelen viel in 1864 het bijzondere voorrecht ten deel, het anders ontoegankelijke binnenste heiligdom dezer fabriek te mogen bezichtigen. Onder de talrijke fabrieken, die ik zoowel in Engeland als op het vaste land had bezocht, zijn er maar weinigen, waar mijne belangstelling in zoo hooge mate gewekt werd als hier door de vernuftige machinerie, waarmede de stroeve alpakawol tot fijne draden geweven werd. Daar de bekende toestellen, die voor het spinnen van wol, katoen en vlas worden gebruikt, voor dit minder handelbare materiaal niet dienen konden, bedacht Salt geheel nieuwe, vernuftige werktuigen, waardoor alle mogelijke wendingen en buigingen, die met de hand gemaakt kunnen worden, door de als met leven bezielde machine worden uitgevoerd. Terwijl de toestel zich keert en draait, beweegt hij de grondstof, ter behoorlijke hoogte, boven gasvlammen, die de wol door verhitting zacht en buigzaam maken en haar alzoo, door telkens draaien en wenden, in een draad van de verlangde fijnheid herscheppen. Toen ik de fabriek bezocht, werd zij door twee stoomwerktuigen van te zamen 1200 paardekrachten gedreven; deze werktuigen werden door twaalf naast elkander staande stoomketels gevoed, die reeds toen met een zeer eenvoudigen rookverteringstoestel waren voorzien. Wie ooit de fabriekdistrikten, en vooral de ijzer- en kolendistrikten van Engeland bezocht heeft, zal mij toegeven, dat er weinig dingen zijn, die op het verstand en de verbeelding beiden sterker indruk maken, dan de aanblik van eene groote fabriek, waar de machine en de menschelijke hand als in elkander grijpen en harmonisch samenwerken tot één doel, en waar de geest van den lang overleden uitvinder nog voort schijnt te leven in dat samenstel van machines, zich bewegende in vasten takt, met nimmer falende regelmatigheid. Maar niemand zal ontkennen, dat dit genot zeer wordt vergald door den onverdrijfbaren kolendamp, die over deze streken en over bijna alle engelsche steden hangt, en dezen als tot een voorportaal der hel maakt;--al willen wij gaarne toegeven dat het leven op de engelsche landgoederen en kasteelen bijna een voorsmaak des hemels mag genoemd worden. Hoe groot was dus mijne verbazing, toen ik, nog met de versche herinnering aan de zwart berookte baksteenmuren en den grauw-zwarten dampkring der engelsche fabrieksteden vervuld, het reusachtige etablissement van Salt in volle werking vond, zonder dat een spoor van rook, hetzij aan de gebouwen, hetzij in den dampkring, te bemerken was. Sedert negen jaar stond daar de fabriek, en in haar omtrek honderden arbeiderswoningen: en nog hadden de grijze zandsteenmuren niets van hunne oorspronkelijke kleur verloren. Slechts aan de beweging der lucht boven den geweldigen slanken schoorsteen, was het te bemerken dat de stoomketel gestookt werd. En hoe eenvoudig was deze inrichting! Boven elken vuurhaard der twaalf ketels was een rij pijpen aangebracht, die eene massa stoom boven het vuur lieten spelen, waardoor de kooldeeltjes, welke den rook vormen, werden nedergeslagen en door het vuur verteerd. Het is bijna twintig jaar geleden, dat het Parlement eene wet heeft uitgevaardigd, waarbij aan de fabrieken de verplichting is opgelegd tot het aanbrengen van rookverterende werktuigen. Nog steeds wordt die wet geregeld ontdoken, en de dampkring van vele engelsche steden verpest, hoewel het middel ter voorziening zoo eenvoudig is, en de rookverslinder bij de lokomotieven op de onderaardsche spoorwegen in Londen zoo uitnemend werkt, dat men onder den grond soms betere lucht inademt dan boven.

Aan de voortreffelijke mechanische inrichting der grootste alpaka-fabriek, die naar haren stichter den naam van Saltaire draagt, beantwoordt de niet minder uitnemende ligging voor den handel. In dit opzicht mochten wel alle toekomstige fabrieken aan deze een voorbeeld nemen. Hierin ligt ook een der redenen van de meerderheid der engelsche fabrieken. Er loopt namelijk niet alleen door de fabriek een spoorweg, die aan twee kanten met de groote lijnen voor het verkeer in Engeland in verbinding staat, maar een der vleugels van het hoofdgebouw grenst onmiddellijk aan het kanaal, dat Engeland in de breedte doorsnijdt, en Liverpool met Hull verbindt. De produkten der fabriek kunnen alzoo, rechtstreeks, door vrachtschepen, aan de eene zijde naar den Atlantischen-oceaan, en aan de andere naar de Noordzee en het Kanaal worden vervoerd. Door middel van de boven het gebouw oprijzende kraan worden de schepen, die de grondstof aanbrengen, gelost, en weder met de produkten der fabriek geladen om die naar de havens te brengen, van waar stoombooten ze naar alle oorden der wereld vervoeren. Geen wonder, dat de fabriek onmetelijke winsten oplevert, die reeds in 1864 op niet minder dan 30.000 pond sterling per jaar werden geschat. En dit cijfer is inderdaad niet overdreven, daar Titus Salt reeds in het negende jaar na de stichting zijner fabriek, met zijn spaarpenningen een landgoed ter waarde van 250.000 pond aankocht!

