De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 18

Chapter 18 3,610 words Public domain Markdown

De bewoners der Markiezen-eilanden, even als bijna alle inboorlingen van centraal Polynesië, hebben lang, zacht hair, dat zij met een lint of band opbinden, zoodat zij aan iedere zijde van het hoofd een soort van vlecht of chignon dragen. De ongunstige indruk dien hun laag, wijkend voorhoofd maakt, wordt opgewogen door de levendige uitdrukking van hunne fraaie zwarte oogen. Over het algemeen zijn de gelaatstrekken der mannen regelmatiger dan die van de vrouwen; en is men eenmaal gewend aan hun leelijk tatouëersel, dan wordt men dikwijls getroffen door de onloochenbare schoonheid van verscheidene jonge mannen. Bijna allen scheeren zich het gelaat en een deel van het hoofd; waar scheermessen nog onbekend zijn, gebruikt men tot dat einde een tand van een haai, in een stuk staal of glas gevat. De grijsaards laten hun baard groeien; doorgaans geschiedt dit uit winzucht, want de witte hairen worden zeer duur verkocht, om er sieraden van te maken.

Sommige inlanders dragen hun hair aan de eene zijde van het hoofd saamgevlochten en versierd met tanden van bruinvisschen of glaskoralen. Dit is het teeken, dat zij een veete hebben, en een vijand moeten dooden; dergelijke veeten zijn in de familiën erfelijk. In den regel gaan de eilanders blootshoofds; somwijlen dekken zij zich het hoofd met eene soort van muts, uit een palmblad vervaardigd.

Wij volgen een pad, dat ons bergopwaarts voert, naar het graf van den kapitein Halley, den eersten kommandant van den post te Vaitahoe, die, met den luitenant ter zee Lafont-Ladébat, sneuvelde, terwijl hij de fransche nederzetting moedig verdedigde tegen een aanval der inboorlingen.

Van de plek waar wij ons nu bevinden, kunnen wij de geheele baai in alle bijzonderheden overzien. De anders vrij stille haven wordt nu verlevendigd door onze sloepen, die water gaan halen, en door de prauwen der eilanders, die naar het schip roeien.

Wij keeren op onze schreden terug, en houden stil voor de inrichting der katholieke missie, waaruit ons in de landtaal liederen tegenklinken, die mij aan onze eigene gewijde kerkliederen denken doen. Een blik naar binnen werpende, zie ik onzen kommandant, die eene uitnoodiging had ontvangen om tegenwoordig te zijn bij de prijsuitdeeling op de school, welke door een fransch geestelijke bestuurd wordt. Wij bleven luisteren tot het op deze plek inderdaad aandoenlijke gezang zweeg, en vervolgden onzen weg langs de ruïnen der oude kazerne, waarvan de muren nog de sporen vertoonen van de kogels der inlanders.

Ik bezoek daarop eenige vrij nette hutten. Niemand duidt het u hier ten kwade, als ge, ook zonder genoodigd te zijn, eene woning binnentreedt. Het meubilair in die hutten is uiterst sober: aan het dak hangen de groote zakken, waarin de staatsiekleederen en sieraden geborgen zijn; voorts manden, waarin de hoofdtooisels van hanevederen worden bewaard; eene soort van kaarsen, van de noten van de aleurites triloba vervaardigd. Vischtuig, wapenen, houten kannen en potten van verschillende grootte, messen, flesschen en andere europeesche gereedschappen voltooien het ameublement.

Wij keeren naar Hiwa-Oa terug, waar wij het anker uitwerpen in de baai van Taáhoekoe, waar zich de katholieke missie bevindt. De bewoners van dit gedeelte des eilands zijn zeer onrustig van aard. Als zij door den drank opgewonden zijn, geven zij zich aan allerlei uitspattingen over en bedrijven de grootste wanordelijkheden.

Den volgenden dag waren wij weder te Taio-Hae. Alvorens het eiland Noekoe-Hiwa te verlaten, wenschte ik mijne opwachting te maken bij de koningin, die eene fraaie, ruime hut bewoont aan de westzijde van de baai. Deze koninklijke residentie ligt te midden van groote boomen, waarboven eenige kokospalmen hunne sierlijke waaiers verheffen. De heer M...., die de koningin kende, is bereid mij aan haar voor te stellen. Zij ontvangt ons zeer vriendelijk, en laat versche kokosnoten openen, om met de zoogenoemde melk onzen dorst te lesschen. Haar rechterhand is een wonder van tatoueerkunst. Met groote bereidwilligheid gaf zij mij vergunning die zoo rijk geïllustreerde hand op mijn gemak te bekijken. De koningin heet Vaekeoe; zij is de weduwe van Te-Moana, die in 1853 tot het Christendom is overgegaan. Vaekeoe is zeker, onder de inlandsche bekeerlingen tot de katholieke Kerk, een der ijverigsten en vroomsten. Jammer dat zij bijna geheel doof is. Zij trekt nog altijd een deel van het jaargeld, dat de fransche regeering aan haar echtgenoot had toegekend. Deze, die een zeer stormachtige jeugd had gehad, was, ten gevolge van een soort van oproer, verplicht geweest eene wijkplaats te zoeken aan boord van een engelsch schip, dat hem naar Londen bracht. Te-Moana sprak niet dan hoogst ongaarne over die reis, waarop hij zich eene behandeling had moeten laten welgevallen, die zeer kwalijk met zijne vorstelijke waardigheid strookte. Te Londen had men hem zelfs voor geld laten zien!

IV.

Het klimaat der Markiezen-eilanden, hoewel warm en vochtig, wordt toch voor zeer gezond gehouden. De overgangen tusschen het droge en het natte jaargetijde zijn niet altijd scherp begrensd. Gedurende de maanden Mei, Juni en Juli stortregent het bijna onophoudelijk. In November en December staat de plantengroei geheel stil ten gevolge van de aanhoudende sterke droogte. Sommige jaren worden gekenmerkt door buitengewone, geweldige droogte: dan hebben de rivieren geen water meer, en kunnen de vruchten van den broodboom niet tot rijpheid komen. Dan staat gebrek en hongersnood te wachten, tenzij de inboorlingen een grooten voorraad van popoi hebben opgedaan.

De eilanders zijn niet zeer spraakzaam. Als zij spreken, geschiedt dit op zeer luiden, bijna schreeuwenden toon, en met zeer grooten nadruk op de onderscheidene klanken hunner ruwe, onaangename taal; ook de vrouwen en kinderen spreken zeer luid. De taal der Markiezen-eilanden is een der hardste, onwelluidendste polynesische dialekten, met eene menigte keel- en neusklanken. Op de eilanden der zuidwestelijke groep klinkt de taal echter minder hard.

Gedurende ons kort verblijf in den archipel, heeft het ons aan de gelegenheid ontbroken, bij een dier groote feesten tegenwoordig te zijn, die de eilanders nu en dan vieren. Ik weet daarom niet beter te doen, dan een zeer nauwkeurig verslag van zulk een feest te ontleenen aan een opstel van den heer Jouan, die gedurende eenige jaren den post van resident op deze eilanden heeft bekleed en met de levenswijze en denkbeelden, de zeden en gewoonten der inlanders volkomen bekend is. De heer Jouan schrijft het volgende:

"In een zoo warm klimaat zijn de inboorlingen uit den aard tot traagheid geneigd. Dit is te minder vreemd, als men bedenkt dat de natuur zelve in hunne behoeften voorziet, zonder dat zij daarvoor behoeven te arbeiden. Stilzwijgend en teruggetrokken van aard, is alleen de zucht naar genot, en bijwijlen ook de geprikkelde eigenliefde, in staat, hen voor een tijd uit hunne droomerige ongevoeligheid op te wekken. Somwijlen arbeidt een stam een geruimen tijd lang, om een groot feest te kunnen vieren: hetzij ter gelegenheid van den dood van een opperhoofd, of bij het eerste tatouëeren van een jonkman van hoogen rang, hetzij eindelijk bij de voltooiing van een of ander werk van openbaar nut, zooals eene prauw, een huis of dergelijken.

"Het overoude gebruik der huiswijding wordt op de Markiezen-eilanden nog steeds in eere gehouden. Bij zulke gelegenheid wordt een feest, eene koika, gegeven, waarop de bevriende stammen worden uitgenoodigd. Gebraden varkens, bananen, visschen, popoi, worden vooraf in gereedheid gebracht, en met groote staatsie en onder luid geschreeuw naar het dorpsplein gedragen, des avonds vóór den dag, die door de zieners van den stam voor de feestviering is aangewezen, doorgaans de eerste dag na eerste kwartier. Er wordt dien nacht weinig geslapen; de mannen zingen en drinken kava in de hutten rondom het plein; terwijl in de andere hutten de vrouwen en kinderen bezig zijn met het in orde brengen der kostumen voor het feest. De kinderen spelen een zeer belangrijke rol in de koika. Tegen de nadering van het feest, worden zij vele dagen, soms weken lang, ingewreven met het sap van zekere planten, om hunne huid een blanke kleur te geven, en nadat zij voor 't laatst goed gewasschen en gebaad zijn, worden zij aangekleed. Sommigen hebben meer dan honderd el tapa om hun lijf gewikkeld, bij wijze van reusachtige japon. Hun kapsel bestaat uit een diadeem van duiven- of papegaaienvederen, waarboven zich eene hooge muts van witte hairen verheft. Het achterhoofd is bedekt met eon stuk tapa, dat een soort van strik of kokarde ter lengte van een el vormt; hunne enkels verdwijnen onder zware hairbossen.

"Bij het aanbreken van den dag laten de trommels zich op het plein hooren, begeleid door oorverdoovend geschreeuw. Van alle kanten stroomen de genoodigden toe; de vrouwen plaatsen zich ter zijde op de paepae, eene soort van steenen terrassen; terwijl de mannen zich in een kring scharen om de heldendaden en krijgstochten van den stam te bezingen, onder begeleiding van de trommels. Bij dat gezang klappen zij in hunne handen, of slaan met de rechterhand op den linker elleboog, somwijlen met zooveel kracht, dat er bloed te voorschijn komt: dit mimisch gezang heet de oelaoela. Het is een eentonig recitatief, nu en dan afgebroken door een woest gehuil, dat u onwillekeurig denken doet aan de verhalen der eerste zeevaarders, die deze eilanden, toen nog door menscheneters bewoond, hebben bezocht. Voeg daarbij het woeste voorkomen der zangers, waarvan sommigen aan hun gordel menschenschedels hebben hangen, die met kleine steentjes zijn gevuld, en dus bij iedere beweging eene afschuwelijke muziek doen hooren;--en ge zult lichtelijk begrijpen dat de indruk van het geheel juist niet opwekkend is.

"Inmiddels verschijnen de kinderen, gedragen op de schouders van krachtige mannen en gevolgd door jonge meisjes, die de afhangende einden der lange lappen tapa, waarin zij gewikkeld zijn, in de hand houden. Er worden nieuwe matten op den grond uitgespreid, waarop deze arme kleinen, zweetende en zwoegende onder hun prachtgewaden, een zekeren dans uitvoeren, waarbij zij met de armen ongeveer dezelfde bewegingen maken als iemand, die met castagnetten speelt.

"Verder, op een afzonderlijke paepae, zitten de muziekanten, doorgaans grijsaards, die, zonder eenig begrip van maat, op hoornen blazen, van groote schelpen vervaardigd. Nevens hen ziet men jongelieden, de eigenlijke helden van het feest, die de omstaande vrouwen voortdurend aan het lachen moeten maken. Dit zijn de nave nave, zoo wat hetzelfde als de graciosos bij de Spanjaarden; zij zijn ongeveer op dezelfde wijze toegetakeld als de kinderen, en worden, even als dezen, telkens met kokosolie overgoten.

"Het publiek van zulk een koika maakt een zonderlingen indruk. De verschijning der verschillende stammen op het doorgaans vrij ruime, door zware boomen overschaduwde plein; de bonte, krijgshaftige tooi der mannen; de somwijlen smaakvolle kleeding der vrouwen:--dit alles levert een eigenaardigen, schilderachtigen aanblik op. Maar weldra worden uwe ooren verscheurd door het woest geschreeuw en gebrul der feestvierenden. Intusschen worden de toeschouwers niet moede. Nu en dan wekt eene of andere aardigheid de vroolijkheid op, nu en dan weerklinkt een luid gelach; maar over het algemeen heerscht er eene ernstige, plechtige stemming. Ge zoudt oppervlakkig niet zeggen, dat die menschen zich vermaken, en dat zij zich een zoo langdurigen arbeid getroost hebben om zich een zoo pover genot te verschaffen.

"Aan de eene zijde van het plein verrijst een soort van altaar, versierd met bladeren en ruw bewerkte beelden, waarvan het eene een zittenden man en het andere een reusachtige hagedis voorstelt. Dikwijls worden ook de schedels der verslagen vijanden op dat altaar nedergelegd.

"Na afloop van eenige godsdienstige plechtigheden, waarvan ik niets zeggen kan, omdat ik ze nooit goed heb kunnen zien, treedt een soort van heraut op, om het publiek te verkondigen, door welken stam en door welk opperhoofd deze koika gegeven wordt, en dat er varkens, popoi, enz. in gereedheid zijn; daarop worden de levensmiddelen aan de genoodigden rondgedeeld. Zij, die het feest geven, eten zelven niet, en nemen er zelfs schijnbaar geen deel aan. Wat de genoodigden niet dadelijk gebruiken, mogen zij medenemen. Na deze spijsuitdeeling, begint het dansen en schreeuwen op nieuw, tot omstreeks één uur van den middag, wanneer ieder zich een poos ter ruste legt; daarna wordt het feest hervat, dat dikwijls drie dagen en drie nachten achtereen duurt. Al dien tijd wordt de kava en vooral de sterke drank (namoe), als men dien machtig heeft kunnen worden, niet gespaard; eindelijk ontaardt de feestviering in de walgelijkste losbandigheid.

"Een voorname reden, waarom de toebereidselen voor zulk eene koika zoo lang, soms wel drie of vier jaar, duren, moet ongetwijfeld hierin gezocht worden, dat gedurende al dien tijd de stam aan de tapoe of taboe onderworpen, dat wil zeggen in zekeren zin gewijd, onschendbaar is. Hij mag zelf geen oorlog voeren, maar ook niet door anderen worden aangevallen. Zoolang de koika duurt, mag niemand, op straffe van hoogverraad, eenige vijandelijke daad plegen tegen hen, die daarbij tegenwoordig zijn; de koika zou in dat geval alle waarde verliezen, het godsdienstige doel niet bereikt worden. Somwijlen echter worden deze bepalingen geschonden; zoo ontbrandde, bij voorbeeld, de oorlog, die in 1856 het eiland Oea-Oeka teisterde, ten gevolge van een verraderlijken aanval op de genoodigden door hen van wie de noodiging tot bijwoning van het feest was uitgegaan. Waar de fransche invloed zich niet kan laten gelden, buiten Noekoe-Hiwa, gaan de koika, in sommige gevallen, met menschenoffers gepaard, die op het genoemde eiland niet kunnen plaats hebben. In plaats van menschen offert men daar zeeschildpadden, honden en varkens.

"In het gewone leven zijn de inlanders in het minst niet uitgelaten of bijzonder spraakzaam, veeleer het tegendeel. Als zij u Kaoha! (goeden dag) gewenscht, en u gevraagd hebben van waar gij komt en waarheen gij gaat, dan stokt het gesprek. In den beginne zijn zij wantrouwend, zoo als alle wilden; maar wanneer zij de personen, met wie zij in aanraking komen, beter hebben leeren kennen, dan vermindert dit wantrouwen zeer. Zij zijn zeer gastvrij; het is een zachtaardig en goedhartig ras, maar dat ik overigens niet beter zou weten te kenschetsen dan door het woord negatief. Die natuurkinderen, waarmede de oppervlakkige, door en door onwetenschappelijke filosofie der vorige eeuw zoo ontzaglijk veel op had, staan, uit een zedelijk oogpunt, onbegrijpelijk laag. Liefde, vriendschap, de tedere banden der familie, en al die hoogere aandoeningen en gevoelens, die wij als den mensch ingeschapen beschouwen, zijn voor hen goeddeels onbekende klanken. De zoon trekt zich den dood des vaders in het minst niet aan; de moeder ziet met kalme onverschilligheid haar kind sterven, dat doorgaans, reeds bij het oogenblik zijner geboorte, aan vreemde handen wordt toevertrouwd. Nooit zal de vriend zijn vriend eenig teeken of bewijs van genegenheid geven; alleen de physieke behoefte schijnt hen tot elkander te brengen, zekere banden tusschen hen te knoopen en hen tot gemeenschappelijk handelen te bewegen.

"Lang voor de geboorte van een kind, is er als het ware een onderlinge wedstrijd wie dat kind zal aannemen. Zeer zelden toch gebeurt het, dat een kind werkelijk door zijne ouders wordt opgevoed; de familie, in den zin dien wij aan dat woord hechten, bestaat dan ook hier niet. Deze zonderlinge gewoonte, die waarschijnlijk haar ontstaan te danken heeft aan de behoefte om verbindtenisson aan te knoopen met andere familiën en stammen, is de oorzaak van groote verwarring in de bloedverwantschap. Behalve deze adoptie van pas geboren kinderen, bestaat er ook nog eene adoptie tusschen lieden van beiderlei kunne en van allerlei leeftijd; het is niets ongewoons, een kind den vader of grootvader van een grijsaard te hooren noemen. De neven worden beschouwd als de echte of aangenomen kinderen van den oom of de tante. Broeders en neven worden met hetzelfde woord aangeduid. De man noemt zijne schoonzuster vehine (vrouw, echtgenoote), krachtens een oud gebruik, volgens hetwelk hij, bij ontstentenis van zijne eigene vrouw, hare zuster als zoodanig mag beschouwen.

"Met deze adoptie van bloedverwanten hangt nog een ander gebruik samen: de verwisseling van naam met een vriend, waardoor de vriendschapsbetrekking van veel inniger aard wordt. De gewone vriend (ehoa) heeft slechts aanspraak op eene gewone vriendschappelijke bejegening, maar aan zijn ikoa (letterlijk, naam) mag men niets weigeren. Deze naamsverwisseling heeft doorgaans ten doel, zich een beschermer, een bondgenoot, een makker te verzekeren, hetzij in geval van oorlog, bij het ondernemen van een reis, of voor andere gewichtige gelegenheden.

"Het huwelijk is niets meer dan eene onderlinge overeenkomst tusschen den man en de vrouw; het wordt even gemakkelijk ontbonden als gesloten. De geboorte van een kind gaat met geenerlei plechtigheden gepaard; nauwelijks heeft het kind het daglicht aanschouwd, of men baadt het in koud water, terwijl de moeder een schotel warme popoi te eten krijgt. De zuigeling wordt bijna dadelijk aan het eten van popoi gewend, ten gevolge waarvan het kind op zeer jeugdigen leeftijd gespeend kan worden. Ik geloof niet dat de kinderen ergens ter wereld gelukkiger zijn dan op de Markiezen-eilanden: zij mogen letterlijk alles doen wat zij willen; men hoort ze dan ook zeer zelden schreien.

"Veelwijverij is zeldzaam; slechts enkele opperhoofden hebben meer dan eene vrouw, maar het is niet zoo ongewoon, dat eene vrouw met twee mannen in vrede en vriendschap leeft.

"Men heeft de bewoners der Markiezen-eilanden van ongehoorde wreedheid beschuldigd, en ten bewijze daarvan zich op feiten beroepen, die deze beschuldiging schijnen te staven; maar men moet niet vergeten, dat de eilanders in de meeste gevallen niet anders deden dan zich wreken over geleden onrecht. Hoe vele inlanders zijn niet, zonder een schijn van recht, gestolen en opgelicht, om de onvolledige bemanning van een walvischvaarder te kompleteeren! Hoe talloos vele malen hebben de zeevaarders hen niet op alle mogelijke manieren misleid, bedrogen en mishandeld! Natuurlijk moesten dan de eerste blanken, die in handen van den beleedigden stam vielen, het ontgelden. Wij zouden honderd voorbeelden kunnen noemen, waarin het ongelijk niet kwam van de zijde der inlanders, maar wel degelijk van hen, die zich beschaafde lieden noemen.

"Te Taio-Hae, waar wij sedert 1842 voortdurend eene nederzetting hebben onderhouden, hebben de zeden en gewoonten der inboorlingen eene aanmerkelijke verandering ondergaan. Zij zijn daar in den omgang zeer zachtaardig en vriendelijk. Op meer afgelegen plaatsen, die niet door schepen worden bezocht, zijn zij achterdochtiger en woester van aard: het is daar altijd goed, in het verkeer met hen op zijne hoede te zijn.

"Een van de goede vruchten van ons bestuur is, dat bijna op het geheele eiland ongestoorde vrede heerscht. Men kan zeggen dat de menschenoffers en het kannibalisme hier tot het verleden behooren, en dat de inlanders zelven zich daarover schamen. Althans de meer bejaarden onder hen, die in hunne jeugd getuigen zijn geweest van die gruwelen, spreken daarover zoo min mogelijk. Niettemin zou ik niet durven verzekeren, dat deze oude gewoonten niet wederom in zwang zouden komen, als wij voor goed heengingen.

"Op de andere eilanden zijn de menschenoffers nog altijd in gebruik, en heerscht ook nog de anthropophagie, hoewel in veel mindere mate dan doorgaans beweerd wordt. De weinige krijgsgevangenen en de gedoode vijanden worden inderdaad gegeten, maar dit geschiedt meer uit een soort van overmoedige uittarting, dan wel uit smaak; de inboorlingen zelven hebben mij dit meermalen verzekerd, en velen hunner ontkennen ten sterkste dat zij ooit aan een dergelijk feestmaal hebben deelgenomen. De berichten, die de bewoners der verschillende eilanden omtrent elkander geven, hebben zeer veel bijgedragen tot den kwaden roep, die over het algemeen van hen is uitgegaan, en die, blijkens onze eigene ervaring, niet ten volle gerechtvaardigd is."

II.

De archipel van Toeamotoe.--De Gambier-eilanden.

I.

Den 15den Januari 1873, twintig minuten voor elf uur in den voormiddag, verliet de Vaudreuil de reede van Papeete, op het eiland Tahiti. Nauwelijks waren wij in het ruime sop gekomen, of de vuren werden gedoofd en de zeilen geheschen. Ons eerste station zou het eiland Anaa zijn, het belangrijkste punt van den archipel van Toeamotoe.

De wind, die in deze streken doorgaans uit het oosten blaast, verhinderde ons den rechten weg te volgen; ware dit mogelijk geweest, dan hadden wij in minder dan twee dagen den afstand van ongeveer tachtig zeemijlen, die Anaa van Papeete scheidt, kunnen afleggen.

Eenige uren na ons vertrek kregen wij de Tetiaroa-eilanden in het gezicht, vijf-en-twintig mijlen ten noorden van kaap Venus gelegen. Deze kleine eilandjes of liever koraalriffen, die thans aan koningin Pomare behooren, zijn geheel met kokospalmen bedekt.

In den morgen van den 17den kwamen wij in het gezicht van het eilandje Meetia, dat tot een der distrikten van Tahiti, het distrikt Tautira, behoort. Dit hooge eilandje, omstreeks twintig zeemijlen van de zuid-oostpunt van Tahiti verwijderd, is een uitnemend herkenningspunt voor de schepen, die de haven van Papeete willen binnenloopen en voor de kustvaarders. Het eiland telt eene weinig talrijke bevolking. Den vorigen avond waren wij het eiland Makatoa voorbijgestoomd, dat mede vrij hoog uit de zee oprijst en door omstreeks honderd-dertig inlanders bewoond wordt. Het eiland is rijk aan prachtige tamanoe, een soort van boomen, die zeer gezocht worden voor de vervaardiging van prauwen en ook voor het bouwen van woningen. Makatea bezit diepe grotten, versierd met prachtige stalactiten. Vroeger werden de misdadigers van Tahiti derwaarts gedeporteerd.

Den 20sten Januari, des nachts ten een uur, bevonden wij ons tegenover de westelijke landpunt van Anaa. Toen ik, tegen zonsopgang, op het dek kwam, lag het eiland daar voor mij, als verborgen achter een dichten sluier van weelderig groen. Omstreeks negen uur wierpen wij het anker uit voor het voornaamste dorp, Toeahora genoemd; daar wapperde, aan een hoogen mast, de fransche vlag.

Anaa is een boomrijk eiland, dat eene lengte heeft van achttien en eene breedte van negen mijlen. Het bestaat eigenlijk uit een groot aantal koraal-eilandjes, even als de ringen van een ketting aan elkander geschakeld en rustende op een cirkelvormig rif. Deze eilandjes zijn over het algemeen vrij hoog, vooral in het noordelijk gedeelte. Anaa is het meest bevolkte eiland van den ganschen archipel; het telt ongeveer vijftienhonderd inwoners, die in beschaving boven die van de andere eilanden uitmunten. Het eenige voortbrengsel is kokosolie. De fransche resident is op dit eiland gevestigd.