De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 17
De oudste zoon van onzen gastheer deed ons uitgeleide tot aan het begin van het dorp. De weinige winkels van Taio-Hae werden gesloten, en te midden der diepste stilte keerden wij terug naar de sloep, die ons naar boord moest brengen. Nog langen tijd bleef ik op het dek, en liet mijne oogen dwalen over het kalme rustige landschap daar vóór mij: de baai, het strand, de valleien, de hooge bergen op den achtergrond, alles overgoten met het zilveren licht der maan, statig drijvende aan den diep blauwen hemel, nu en dan door een half doorschijnend wolkje onderschept. De gansche natuur om mij heen ademde onverstoorbaren vrede, heilige kalmte, alsof er op aarde nimmer strijd ware geweest....
De commerciëele of politieke beteekenis van dezen archipel is, althans op dit oogenblik, niet van veel gewicht. In den eersten tijd onzer vestiging op de Markiezen-eilanden, stonden de beide groepen van het zuidoosten en het noordwesten ieder onder haar eigen kommandant; te Vaitahoe en te Taio-Hae waren door de soldaten van het garnizoen niet onbelangrijke werken van openbaar nut aangevangen. De archipel, door de wet van 8 Juni 1850 tot verbanningsoord voor politieke veroordeelden aangewezen, is te klein en te weinig vruchtbaar om ooit een belangrijk maritiem of koloniaal station te kunnen worden; ook de geographische ligging is daarvoor niet gunstig. De handel, die er nog gedreven wordt, is beperkt tot Taio-Hae, waar eenige engelsche en amerikaansche kooplieden kleine handelshuizen gesticht hebben.
De bevolking van Taio-Hae is niet talrijk; de aanraking met de Europeanen en de invloed der zendelingen hebben de inwoners voor een groot deel van hunne voorvaderlijke gewoonten vervreemd. Vroeger was de bevolking waarschijnlijk veel talrijker, zooals blijkt uit de bouwvallen van woningen, die in thans geheel onbewoonde valleien worden aangetroffen.
De totale bevolking van den archipel wordt bij benadering op twaalfduizend zielen geschat. Het eiland Hiwa-Oa is het meest bevolkt: het telt zesduizend inwoners. Daarop volgt Noekoe-Hiwa, met tweeduizend-zevenhonderd; dan Oea-Poe, met duizend-tweehonderd-twintig; Fatoe-Hiwa, met duizend; Tauata, met zeshonderd-dertig, en Oea-Oeka, met vierhonderd-vijftig inwoners.
De groote hongersnood, die voor ruim eene halve eeuw de Markiezen en de andere eilanden in den Stillen-oceaan teisterde en allerlei ziekten in het leven riep, heeft ongetwijfeld sterk bijgedragen tot de vermindering der bevolking. Nog leven er grijsaards, die de herinnering aan deze vreeselijke dagen, waarin men, door den uitersten nood geperst, elkander verslond, niet verloren hebben.
In den namiddag gingen wij een bezoek brengen aan den resident, die des morgens eene visite had gemaakt aan boord van ons schip. Hij bezit eene zeer volledige verzameling van wapens, krijgsgewaden en gereedschappen der inboorlingen. Het merkwaardigste stuk dezer verzameling is wel een zeer ruw bewerkt houten beeld van den god Tiki, de meest vereerde godheid in de nog heidensche streken van den archipel. Het beeld stelt eene monsterachtige menschelijke gedaante voor, met ontzaglijk groote oogen en mond, gebogen beenen en de ellebogen tegen het lijf geklemd. De resident toonde ons eenige brokken van datzelfde beeld, in zeer harden rooden steen gehouwen, en slechts eenige duimen lang. Hij bezit ook halssnoeren van bruinvischtanden, vischhaken van parelmoer, ter lengte van een palm, en vele andere curiositeiten. Die verzameling is des te merkwaardiger, omdat het steeds moeielijker, om niet te zeggen onmogelijk, wordt, zulk eene collectie bijeen te brengen. Na de komst en de vestiging der Europeanen toch hebben de inlanders hunne oude, oorspronkelijke industrie laten varen. Zij geven de voorkeur aan een geweer boven hunne voormalige knodsen; in de plaats van prauwen bedienen zij zich van groote sloepen, die te Taio-Hae worden gebouwd, of die zij van de schepen, welke op de walvischvangst uitgaan en de eilanden aandoen, koopen.
II.
Ons eerste verblijf in den archipel was van zeer korten duur. Eenige maanden later keerden wij naar Taio-Hae terug, van waar uit wij een langdurigen kruistocht naar de verschillende eilanden ondernamen. Het verhaal van dezen tocht blijft voor de volgende hoofdstukken bewaard. Maar vooraf zij het vergund, in enkele woorden een overzicht te geven van de geschiedenis van dezen archipel.
Toen, in 1842, de schout-bij-nacht du Petit-Thouars de Markiezen-eilanden in bezit nam, werd de algemeene belangstelling in Frankrijk zeer geprikkeld door hetgeen men van deze onbekende eilanden verhaalde. Naar men zeide, verkeerde de bevolking nog in geheel oorspronkelijken, eigenaardigen toestand, en had zij nog niets overgenomen van de europeesche gewoonten van de bemanning der schepen, die deze eilanden hadden bezocht: een feit des te opmerkelijker, omdat andere eilandengroepen in den Stillen-oceaan, zooals bij voorbeeld de Gezelschaps- en de Sandwich-eilanden, werden gezegd met zoo verrassende snelheid op de baan der moderne beschaving vooruit te streven. Het voorkomen der eilanders, dat zeker voor wien er niet aan gewoon is weinig aantrekkelijks heeft; de groote terughoudendheid dezer lieden; de weinige hulpbronnen, die de eilanden zelven aanbieden: dit alles droeg zeker bij om deze eilandengroep zoolang vergeten en onbekend te doen blijven. Enkele walvischvaarders, meest allen uit Amerika afkomstig, deden nu en dan wel de eilanden aan, om zich van brandhout en drinkwater te voorzien; maar van de gezagvoerders der schepen waren weinig of geen inlichtingen te bekomen. Het was hun slechts te doen, om hetgeen zij noodig hadden op de goedkoopst mogelijke manier te verkrijgen: zij bekommerden zich niet om de zeden en gewoonten der bewoners en de natuurlijke voortbrengselen van den bodem. Daar bovendien deze gezagvoerders, in hunne verhouding tot de inlanders, volstrekt niet altijd de eenvoudigste regelen van rechtvaardigheid en menschelijkheid in acht namen, ontstonden er meermalen gevechten, en hadden er moorden en gewelddadigheden plaats, die niet weinig bijdroegen om deze eilanders in zeer slechten roep te brengen.
En toch--toen Alvaro Mendana de Neira, op den 21sten Juli 1595, de eilanden in het zuidoosten van den archipel ontdekte, en voor het eiland Tauata, door hem Santa-Cristina genoemd, het anker uitwierp in de baai, waaraan hij den naam van Moeder-Godshaven schonk;--toen kon hij niet dan met lof getuigen van de wijze, waarop hij door de inlanders ontvangen werd.
De Markiezen-eilanden zonken daarop weer in de vergetelheid terug, tot dat Cook ze in 1774 op nieuw ontdekte en het anker uitwierp in dezelfde baai Vaitahoe, waarvan de portugeesche naam sinds lang vergeten was. Ook de engelsche zeevaarder werd met groote vriendelijkheid door de inlanders ontvangen: de Markiezen-eilanden waren een der weinige plaatsen in den Stillen-oceaan, waar zijne verschijning niet door bloed werd geteekend. Die geduchte gezagvoerder, die toch zeer dikwijls om zijne zachtaardigheid en menschelijkheid werd geroemd, liet zelden eene gelegenheid voorbij gaan om gebruik te maken van de vreeselijke wapenen, waarover hij beschikken kon: waarschijnlijk om daardoor de inlanders een heilzamen schrik in te boezemen en grooter ongelukken te voorkomen.
In 1791 ontdekte de amerikaansche kapitein Ingraham, gezagvoerder op de Hope, van Boston, de eilanden van de noordwestelijke groep, waaraan hij namen gaf. Een maand later verscheen de Franschman Etienne Marchand, die het bevel voerde op de brik de Solide, van Marseille, door het huis Baux uitgerust, om aan de noordwestkust van Amerika in pelterijen te gaan handelen.
Marchand stelde zich in betrekking met de inwoners van Vaieo, waaraan hij den naam gaf van baai du Bon-Accueil, en nam, op den 22sten Juni 1791, in naam van Frankrijk, bezit van dit eiland, en van een ander grooter eiland, dat hij meer noordwaarts bespeurde.
In de maand Maart 1792, wierp de luitenant Hergest, kommandant van de Dedalus, die levensmiddelen en ammunitie moest gaan brengen aan de engelsche expeditie onder bevel van Vancouver, het anker uit bij Vaitahoe. In het begin van Februari 1793 keerde hij in de baai van Taio-Hae, waar hij uitstekend was ontvangen geworden, terug.
Eenige maanden later vertoonde ook de amerikaansche vlag zich voor deze eilanden: de koopvaardij-kapitein Roberts vertoefde gedurende vier maanden, met zijn schip de Jefferson, in de haven van Vaitahoe.
Ingraham en Marchand, in 1791, vervolgens Hergest, en eindelijk Roberts, hadden, ieder op hun beurt, andere namen gegeven aan deze eilanden, die toch reeds van de inwoners zelven hunne door den tijd gewijde namen hadden ontvangen. Daar echter deze, thans algemeen aangenomen, inlandsche namen op zeer verschillende wijze worden uitgesproken en geschreven, is het dikwijls nog moeilijk verwarring te voorkomen.
Omstreeks dien tijd werd deze archipel meer en meer door schepen bezocht. In Juni 1797 verscheen in de haven van Vaitahoe een schip, met gansch andere bestemming dan de koopvaardijschepen of walvischvaarders, die er gewoonlijk binnen vielen. Dit was de Duff, door het zendelingsgenootschap van Londen uitgerust, om dertig protestantsche zendelingen naar de verschillende eilandengroepen van Oceanië te brengen. Te Vaitahoe liet de Duff den eerwaarden William Pascoe Crook achter. Daar bevond zich nog een Europeaan op dat eiland: een italiaansch matroos, die van een koopvaardijschip was gedeserteerd, en die zich een grooten invloed had weten te verwerven, dank vooral een geweer, dat hij, benevens kruit en kogels, van zijn schip had mede genomen. Dit wapen gaf hem een onbetwist overwicht over de hoofden, die hij aanvuurde tot onderlingen krijg, om zijne eigene macht te vergrooten. Ook tegen de bewoners der naburige eilanden werden, op zijne aansporingen, moorddadige krijgstochten ondernomen; voor geen misdaad deinsde deze ellendeling terug. Het spreekt wel van zelf dat hij een doodelijken haat koesterde tegen den heer Crook, die zijne plannen doorzag en zooveel mogelijk tegenwerkte. De brave zendeling zou als het slachtoffer van dezen booswicht gevallen zijn, indien hij zich niet bij tijds had kunnen redden aan boord van een engelsch vaartuig, dat in de haven verscheen.
Na eenige vergeefsche pogingen om zich op Noekoe-Hiwa en Oea-Poe te vestigen, keerde de heer Crook naar Sydney terug, waar hij rustig leefde. Maar eenige jaren later verscheen hij andermaal op de Markiezen-eilanden. Ditmaal had hij vier onderwijzers, van Tahiti geboortig, bij zich, die in dienst der zending stonden, en die, beter bekend met de taal en de gewoonten der inlanders, naar men hoopte ook meer ingang bij hen zouden vinden en krachtiger werken tot hunne bekeering. Doch ook thans werd de verwachting van den volijverigen zendeling teleurgesteld. De onderwijzers, die zich op het eiland Tauata hadden nedergezet, moesten weder naar hun land terugkeeren, waarheen de heer Crook hen reeds was voorgegaan.
In 1804 vertoefde de russische reiziger Krusenstern een geruimen tijd te Noekoe-Hiwa, met zijne beide schepen, de Nadeshda en de Newa. Hij vond op het eiland een Franschman en een Engelschman, die elkander vooral met geene mindere verbittering bestreden, dan destijds de twee natiën waartoe zij behoorden.
In 1813 liep de amerikaansche commodore David Porter de baai van Taio-Hae binnen, met zijne twee schepen de Essex en de Essex-junior, en met de schepen, die hij op zijn kruistocht door den Stillen-oceaan op de Engelschen had buit gemaakt. De gelegenheid scheen hem gunstig voor de vestiging van een soort van arsenaal of station. Hij nam bezit van Noekoe-Hiwa in naam der Vereenigde-Staten.
Het Congres wilde echter aan de zaak geen verder gevolg geven. De commodore verliet Taio-Hae, om zijn kruistocht te hervatten; hij liet eene zwakke bezetting achter; maar ten gevolge van allerlei moeilijkheden en herhaalde gevechten met hunne engelsche gevangenen en met de inboorlingen, zagen de Amerikanen zich genoopt, hunne nederzetting te Taio-Hae te verlaten.
In 1835 werd Noekoe-Hiwa bezocht door een Franschman, den baron Thierry, die zichzelven tot koning van het eiland proklameerde, en die, als een teeken van zijne kortstondige koninklijke waardigheid, aan een jeugdigen wilde, Vavanoeha genaamd, het volgende wonderlijke stuk ter hand stelde, dat later door kapitein Jacquinet, tijdens het bezoek der korvetten de Astrolabe en de Zélée, gevonden en bewaard werd.
"Wij, Karel, baron van Thierry, souvereine vorst van Nieuw-Zeeland, koning van het eiland Noekoe-Hiwa, verklaren met genoegen, dat Vavanoeha, opperhoofd van Portua(?), de vriend is der Europeanen, en dat hij zich jegens ons altijd met betamelijkheid en welwillendheid gedragen heeft; Uit aanmerking waarvan wij hem aanbevelen aan de goede zorgen van alle zeevaarders, die hier in alle zekerheid kunnen verblijven.
Gegeven te Port-Charles (Taio-Hae), eiland Noekoe-Hiwa, den 23sten Juli 1835.
Karel, Baron van Thierry.
Van wege den Koning, Ed. Fergus, kolonel, adjudant."
Eindelijk, in 1842, nam de schout-bij-nacht du Petit-Thouars definitief deze eilanden, in naam van Frankrijk, in bezit. Met deze gebeurtenis begint een nieuw tijdvak in de geschiedenis van den archipel.
III.
Van Noekoe-Hiwa begeven wij ons naar het eiland Oea-Poe, welks zonderling gevormde bergtoppen, uit de verte van de baai van Taio-Hae gezien, op een reeks klokketorens gelijken.
Wij toeven gedurende eenige uren in de baai van Aneoe, waar wij het bezoek ontvangen van een protestantsch zendeling, waarschijnlijk een eenvoudig onderwijzer (teacher), van de Sandwich-eilanden geboortig; hij komt zijn aandeel in den hoofdelijken omslag betalen. De voornaamste statie der katholieke zendelingen ligt aan de baai Hakahau, aan de oostelijke punt van het eiland. Dewijl de ankerplaats daar minder geschikt is, heeft de kommandant hier het anker doen uitwerpen. Overigens ziet men te Aneoe noch woningen, noch broodboomen, noch kokospalmen. Eenige struiken, langs de oevers van eene kleine beek groeiende, vormen den ganschen plantenrijkdom van dit dorre gedeelte des eilands.
De naastvolgonde baai, westwaarts, is die van Hakahetau, waar de katholieke missionnarissen eene kapel hebben gebouwd. Daar, of in de naburige baai Haákoeti, nam Marchand, op den 22sten Juni 1791, de noordwestelijke groep der Markiezen-eilanden, in naam van Frankrijk, in bezit.
Wat wij hier te doen hebben is spoedig verricht, en nog vóór de nacht invalt, bevinden wij ons weder in de open zee.
Den volgenden morgen ankeren wij aan de zuidwestelijke punt van Oea-Oeka, gedekt door eenige dorre, naakte eilandjes, die ons genoegzaam tegen de branding beveiligen. De kommandant en de resident gaan aan land, om een bezoek te brengen aan de zoogenoemde Onzichtbare-baai (Vaitake bij de inboorlingen). Eenige officieren en ik begeven ons in een sloep naar dezelfde plek. Wij volgen de hooge kust, uit zwarte, loodrechte rotsen gevormd, aan wier voet de golven met groot geweld breken en uiteen spatten in wolken schuim, dat in de zonnestralen als een regen van diamanten schittert; de zeevogels, die in de spleten der rotsen nestelen, heffen bij onze nadering een luid geschreeuw aan. De Onzichtbare-baai draagt haar naam niet ten onrechte, want eerst als men zeer nabij gekomen is, kan men dezen inham in de kust en den zandigen oever aan het einde bespeuren. Tusschen de hooge rotsen, die den ingang der baai vormen, gaat een vrij sterke deining; maar eenige forsche roeislagen brengen ons weldra in de baai zelve, waar het water zoo kalm en effen is als in een vijver. Wij zetten onze sloep op het strand, nevens die van den kommandant.
Hier, even als te Taio-Hae, opent zich eene liefelijke, vruchtbare vallei, die door haar weelderig groen eene sterke tegenstelling maakt met de donkere tinten der hooge, naakte rotswanden, welke haar omzoomen. Nabij den oever staan eenige wel gebouwde woningen, te midden van een soort van plantage, die door een lagen steenen muur is omringd. Wij treden een dier woningen binnen, en worden ontvangen door een ouden Amerikaan, waarschijnlijk een voormalig matroos, die van een walvischvaarder is gedeserteerd; de man is bijna evenzoo getatouëerd als de inlanders. Hij woont hier sedert meer dan twintig jaren; voor een niet onaardigen prijs verkoopt hij ons een knods in den vorm van een pagaai. Het engelsch dat hij spreekt klinkt zoo wonderlijk, dat ik alle moeite heb om hem te verstaan.
Wij gaan verder het dal in, en volgen den oever van een beekje, dat al spoedig niet veel meer is dan een dunne waterstraal; de vallei is bijna verlaten. Zij wordt al nauwer en nauwer, echter zonder te stijgen; de plantengroei houdt bijna eensklaps op, en van alle kanten verheffen zich naakte witte rotsen, die door haar glans het oog verblinden. Wij ontmoeten drie of vier hutten, waarvan de bewoners afwezig zijn; wij toeven maar een oogenblik, want het wemelt hier van groote, nijdige vliegen, die ons bij duizenden omzwermen. Onder eene brandende zonnehitte naar het strand teruggekeerd, zien wij dat de matrozen, met uitzondering van een enkelen, die bij de sloep is achtergebleven, naar de naburige woningen zijn gegaan. Terwijl wij hunne terugkomst afwachten, nemen wij een heerlijk zeebad, dat ons geheel opfrischt.
Kort daarna waren wij veilig en wel, ondanks de sterke branding, aan boord teruggekeerd, en had de Vaudreuil het anker weer gelicht, om koers te zetten naar Hiwa-Oa, het grootste en volkrijkste der eilanden van dezen archipel.
Na den nacht op zee te hebben doorgebracht, werpen wij den volgenden morgen het anker uit in de baai Hanamenoe, nabij den westelijken uithoek van het eiland gelegen. De baai is in twee kommen verdeeld door een groote, vooruitspringende zwarte rots, die, uit de verte gezien, op een reusachtigen toren gelijkt. Op den top van dit rotsige voorgebergte zien wij enkele woningen. De stammen, die de omliggende landstreek bewonen, zijn met elkander in oorlog gewikkeld: de kommandant heeft in last, hen met elkander te verzoenen, en vrede en orde te herstellen.
Eenige Kanaks dalen van de hooge, loodrechte rotsen af, waarbij zij eene bewonderenswaardige vlugheid, kracht en behendigheid ten toon spreiden. Sloepen en prauwen voeren nu welhaast de opperhoofden der strijdende stammen bij ons aan boord, waar de kommandant hun eene scherpe berisping toevoegt, die door den officieelen tolk, den mutoi van Taio-Hae, in de landstaal wordt overgebracht. Het einde is, dat de vijanden elkander de hand reiken, en met groot welbehagen eenige geschenken ontvangen, die de kommandant hun van wege de fransche regeering laat ter hand stellen.
Terwijl deze verzoening plaats greep, bezochten enkele eilanders het schip, in gezelschap van hunne vrouwen. De jongsten van deze vrouwen mogen betrekkelijk schoon heeten. Zij zijn kort van gestalte en gezet, maar haar embonpoint heeft niets terugstootends; haar vormen hebben er niet door geleden, en in haar geheele voorkomen hebben zij eene groote mate van natuurlijke bevalligheid. Zij zijn er aan gewoon, Europeanen te ontmoeten, daar de baai zeer dikwijls door de walvischvaarders wordt bezocht. Haar hartstocht voor tabak grenst bijna aan het ongeloofelijke; eene van haar haalt aanstonds haar pijp voor den dag, en vraagt ons om tapaka. Het lichaam van de meesten dezer vrouwen is met eka-moa geel geverwd: dit geschiedt, naar men wil, zoowel om tegen de steken der muskieten gewaarborgd te zijn, als om de huid lenig en blank te maken.
Nadat de conferentie op het dek is afgeloopen, dalen al deze bezoekers weer in de schuiten en prauwen af, en keeren zeer in hun schik naar het strand terug.
De bewoners van den archipel hebben van de Europeanen de noodlottige kunst geleerd, om uit de bloesems van den kokosboom een soort van brandewijn te bereiden. Zij gaan zich nu telkens aan dien drank te buiten, en zijn dan zeer gevaarlijk, want eenmaal door den drank bevangen, kent hunne woede geen palen.
Mijne kameraden, die eene wandeling aan strand hebben gemaakt, hebben daar het lijk van een inlander gezien, dat, naar de gewoonte des lands, in de open lucht, onder een op vier palen rustend afdak, lag. Het lijk ondergaat daar een soort van inbalseming, hakapahaá genoemd, die door de vrouwen verricht wordt en hoofdzakelijk bestaat in het inwrijven met kokosolie. De doode wordt in een grooten bak gelegd, met de armen rustende op een dwarsbalk. Na verloop van eenige dagen, begint een stinkend vocht uit het lijk te loopen; niettemin, ondanks den ondragelijken stank, gaan de vrouwen met haar afschuwelijken arbeid voort, dien zij ter nauwernood afbreken, om, met ongewasschen handen, haar voedsel te nemen. Geen wonder, dat de meesten, die aan de hakapahaá hebben deelgenomen, ziek worden, en menig een er het leven bij inschiet. Overigens gaan de inlanders met de grootst mogelijke onverschilligheid den dood te gemoet, althans wanneer die langs een natuurlijken weg, ten gevolge van ziekte, tot hen komt: voor een geweldigen dood, vooral op het slagveld, zijn zij daarentegen zeer bevreesd.
Als een inlander ernstig ziek wordt, maakt men in zijne tegenwoordigheid zijn doodkist, doorgaans een uitgeholde boom, gereed. Wordt de man beter, dan wordt de doodkist voor eene volgende gelegenheid bewaard; is zij toch eens gemaakt, dan moet zij ook dienen voor den persoon, voor wien zij oorspronkelijk bestemd was.
Onze taak is hier afgeloopen; het anker wordt gelicht, en wij stoomen de baai uit om ons naar Vaitahoe te begeven. Wij varen om de hooge, steile kaap heen, die de uiterste punt van Hiwa-Oa ten westen vormt, en waar wij door eenige geweldige windvlagen worden overvallen. In dit gedeelte van het eiland verheffen zich de hoogste bergtoppen.
De haven van Vaitahoe, waarheen wij koers zetten, ligt aan de westkust van het eiland Tauata. Na eene vaart van eenige uren ontdekken wij de ruïnen van het fort, dat bij de in bezitneming van het eiland door Frankrijk, in 1842, gebouwd werd. Een amerikaansche walvischvaarder heeft het anker uitgeworpen, en is bezig water in te nemen.
Het dorp verrijst op het strand achter in de baai. Het landen gaat hier met groote moeilijkheden gepaard, ten gevolge van de zeer sterke deining der uit zee aanrollende golven; onze booten leggen aan in den noordoostelijken hoek van de baai, waar eenige rotsen een soort van natuurlijke kom vormen. Langs een smallen, glibberigen weg, half door de overhangende rotsen overschaduwd, bereiken wij, niet zonder een paar keer uitgegleden te zijn, de eerste huizen van het dorp.
Onze komst heeft de gansche bevolking op de been gebracht en weldra zijn wij door eene menigte inboorlingen omringd. Gewoonlijk gaan de eilanders bijna geheel naakt, zonder andere kleeding dan een lap, die, om de heupen gewonden, tusschen de beenen doorgestoken en van achteren vastgeknoopt wordt. Dit kleedingstuk draagt den naam van hami, en wordt doorgaans vervaardigd van katoen of van een soort van stof, tapa genoemd, die uit boomschors bereid wordt en dikwijls met niet onaardige figuren versierd is. Maar voor deze gelegenheid hebben zij hun feestgewaad aangetrokken: wel te verstaan, niet de kleederen, die zij zelven voor plechtige gelegenheden vervaardigen, maar de europeesche afleggers, die zij zich hebben aangeschaft, of wel de bevallige kleeding van Tahiti.