De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 16
De lange reis door de archipels van Polynesië begon. Ik voor mij was hartelijk verheugd, dat mij aldus eene uitmuntende gelegenheid geboden werd om nader kennis te maken met deze nog zoo weinig bekende streken. Ik had vóór dien tijd, in 1869, slechts eenige weken op Tahiti vertoefd.
Den 1sten Mei, bij zonsondergang, zagen wij uit of wij land konden ontdekken. Maar de duisternis, die tusschen de keerkringen zoo snel invalt, noopte ons aldra onze nasporingen te staken. Eenige uren later werden wij aan bakboord een vuur gewaar. "Dat is een schip," zeiden wij tot elkander; intusschen, toen wij nader kwamen, werd het telkens duidelijker dat de sterke lichtglans, dien wij aanschouwden, het gevolg was van een geweldigen brand. Uit den blakenden gloed stijgen reusachtige vlammen, wier roode tongen zich kronkelend in de lucht verheffen: te midden der diepe nachtelijke duisternis en storelooze stilte, is de aanblik van dezen verren brand aangrijpend schoon; die bewegelijke roode plek, daar aan den zwarten horizon, maakt een zonderlingen, spookachtigen indruk. Volgens onze waarnemingen, moet de brand woeden op de hoogten van kaap Balguerie, ten oosten van het eiland Hiwa-Oa. Wij richten onzen koers naar die vreemdsoortige vuurbaak, die waarschijnlijk door de onvoorzichtigheid van een of anderen Kanak is ontvlamd; en den geheelen nacht varen wij met volle zeilen door het breede en lange kanaal, dat de zuidoostelijke eilandengroep van de noordwestelijke scheidt.
Met het aanbreken van den dag is de zuidelijke kust van het eiland Oea-Oeka in het gezicht. De hooge bergen van het naburige eiland Noekoe-Hiwa, het doel van onzen tocht, teekenen zich in flauwe omtrekken aan den horizon. Wij varen dicht voorbij kaap Saint-Martin (bij de inlanders, Tikapo geheeten), die de zuidoostelijke punt van Noekoe-Hiwa vormt. De kaap levert een zeer schilderachtigen aanblik op: zij eindigt in een hoog, rotsachtig, naakt voorgebergte, dat bijna loodrecht uit zee opstijgt; boven op de zware, sombere rotsmassa verheft zich een reusachtig, vierkant steenblok, dat veel op een omgestorten gothischen toren gelijkt. Naarmate wij verder doorvaren, neemt dit kolossale steenblok telkens eene andere gedaante aan; op het oogenblik als de donkere massa op het punt staat van weg te zinken achter de hooge kust, vertoont het zich als een reusachtige vinger, waarschuwend opgeheven boven de zee, wier golven in wolken schuim tegen den voet der hooge kaap uiteen spatten.
De zuidelijke kust van Noekoe-Hiwa verheft zich loodrecht uit de baren; van tijd tot tijd vertoonen zich groote, zonderling gevormde rotsen aan den rand der wateren. Een dezer rotsen doet u denken aan een kolossaal beeld van de Moedermaagd, het kind Jezus in de armen houdende.
Ziet daar de Schildwachten, twee groote eilandjes, die de baai van Taio-Hae insluiten: wij hebben den eindpaal bereikt. De Vaudreuil, die zijne zeilen heeft gereefd en alleen nog van zijn stoom gebruik maakt, vaart tusschen deze twee natuurlijke bakens door, en spoedt zich naar de ankerplaats.
Het land, dat wij sedert den ochtend in het gezicht hadden, had op mij een indruk van majestueuzen ernst, maar nog meer van sombere, akelige dorheid en verlatenheid gemaakt; doch, zoodra wij de baai binnenstoomden, veranderde het tooneel. De steile rotshoogten, die den ingang omzoomen, sluiten zich aan eene hooge bergketen, wier statig en grootsch amphitheater eene prachtige omlijsting om de ruime haven vormt. Het opmerkelijkste punt van deze bergketen is de Moea-Ke, een groote, loodrechte bazaltkegel, waarvan het bovenste gedeelte van twee openingen, niet ongelijk aan reusachtige schietgaten, is voorzien. Onze blikken, vermoeid van het staren op de sombere, rotsige kust, slechts hier en daar de armelijke sporen van schralen plantengroei vertoonende, rusten nu met welgevallen op eene bloeiende vlakte, van waar onderscheidene valleien, vol weelderig groen, naar het binnenland uitgaan.
De rots Toehiwa verdeelt het strand in twee ongelijke deelen. Boven op die rots liggen de ruïnen van het fort Collet, eene herinnering uit de eerste tijden der fransche bezetting. Het dorp volgt eerst den oever der zee, ten westen van het fort Collet, en verspreidt zich dan vrij ver weg in de voornaamste vallei landwaarts in.
Hier woont de fransche resident, die in den archipel de regeering vertegenwoordigt. Hij staat onder de bevelen van den kommandant der fransche nederzettingen in Oceanië, aan wien hij geregeld verslag moet doen van zijn bestuur en van alle bijzonderheden van eenig belang. Hij ontvangt het leggeld in de baai (vijftig francs per schip), zorgt voor de handhaving van het havenreglement, van de verordeningen op het loodswezen, op de deserteurs, enz. enz. Eene kleine afdeeling gendarmerie is belast met de zorg voor de policie in het algemeen; maar, als weggeloopen matrozen moeten worden nagejaagd en gegrepen, moet men bijna altijd de hulp der inlanders inroepen. Zij krijgen daarvoor een premie van vijftig francs voor iederen gevangen deserteur; welke som dan vergoed wordt door den gezagvoerder van het schip, waartoe de weggeloopen manschappen behooren. Als de deserteurs eerst na het vertrek van hun schip weder gevangen worden, komt de premie ten laste van het gouvernement; de manschappen worden dan naar Tahiti gezonden. Men heeft wel strenge maatregelen moeten nemen, om te voorkomen dat het eiland niet door vagebonden werd bevolkt.
De resident der Markiezen-eilanden vervult ook de functiën van vrederechter. In ernstige gevallen zendt hij de beschuldigden naar Tahiti, om door de fransche rechtbank te Papeete geoordeeld te worden. De plaatselijke reglementen zijn voor het meerendeel naar die van het moederland gevolgd, natuurlijk gewijzigd in verband met het karakter der inboorlingen. De zeer zwakke afdeeling gendarmerie, waarover de resident beschikken kan, is toch geheel voldoende om orde en rust te handhaven in de baai van Taio-Hae, waar de inboorlingen aan den omgang met vreemden gewoon zijn en geleerd hebben, zich aan onze policie-maatregelen te onderwerpen.
Op de andere eilanden berust het oppergezag bij de inlandsche hoofden. De valleien alleen zijn bewoond; want zelden zullen de inboorlingen, uit eigen beweging, hunne hutten aan het strand bouwen. De veelvuldige bezoeken, die de oorlogschepen van de divisie van den Stillen-oceaan en die van het station te Tahiti, in geheel den archipel brengen, oefenen op de bewegelijke en voor indrukken zoo licht vatbare gemoederen der bevolking een zeer gunstigen invloed uit.
De woning van den resident, waarop de fransche vlag wappert, staat bij den kleinen zandigen inham ten oosten van het fort Collet. Op deze zelfde plaats had de amerikaansche commodore Porter, in October 1818, het kleine kamp opgeslagen, waaraan hij den blufferigen naam van Madisonville gaf.
Ik brandde van ongeduld om aan land te gaan, en mijne makkers verlangden niet minder dan ik naar den vasten grond. Zoodra dan ook de vergunning gegeven is om aan wal te gaan, haast zich iedereen om daarvan gebruik te maken. Het doel onzer wandeling was ons van zelf aangewezen: wij zouden ons gaan baden in de beek ten westen van het dorp. Na eenige inlichtingen te hebben ingewonnen van den havenmeester, die juist aan boord komt, nemen wij plaats in onze sloep. Onderweg komen wij onderscheidene, met vruchten geladen prauwen tegen, die zich naar de Vaudreuil spoeden.
De landing is niet gemakkelijk: er gaat in de baai eene vrij hevige branding, en de ondiepte maakt het voor onze sloep onmogelijk het strand te naderen: er blijft nog eene ruimte over van omstreeks twintig el. Onze matrozen zijn gereed ons op hun schouders naar het land te dragen, maar wij weten ons zelven te helpen. De schoenen worden uitgetrokken, de pantalons zoo hoog mogelijk opgeslagen, en lachende en schertsende loopen wij voort over den zandigen bodem, achtervolgd door de golven, wier schuim onzen rug bespat. Eenige inlanders, onder de boomen langs den weg gezeten, komen naderbij om de nieuw aangekomen vreemdelingen te bekijken; natuurlijk vormen de vrouwen onder deze nieuwsgierigen de meerderheid.
De heer M..., schrijver bij de marine, die vlak bij het strand, in de voormalige kerk van Taio-Hae woont, komt ons verwelkomen. In dergelijke omstandigheden is de kennis spoedig gemaakt; onze nieuwe vriend verklaart zich bereid, ons in alles, waarin wij hem noodig konden hebben, van dienst te zijn. Wij hebben voorloopig geene andere begeerte, dan dat hij ons eene plaats aanwijst, waar wij voegzaam kunnen baden. Hij biedt zich aan om met ons te gaan.
Wij volgen een fraai belommerden weg, die langs den oever der baai loopt. De huizen van het dorp, die op het strand uitzien, staan langs dien weg verspreid. Wij gaan voorbij eenige winkels, die bijna allen aan vreemdelingen, vooral aan Amerikanen, toebehooren, en waarvan sommigen zeer goed voorzien zijn. De koopers vinden op de toonbank altijd eene pijp voor hen gereed liggen, en de inlanders verzuimen nooit van die kostelooze gelegenheid tot rooken gebruik te maken, ook al laat de pijp, uit hot oogpunt van zindelijkheid, wel te wenschen over.
De weg verlaat het strand en wendt zich rechts naar de vallei. Dicht bij dien hoek wijst onze gids ons een reusachtigen boom, een zoogenaamden aoa of indischen vijgeboom (ficus indica). De hoofdstam, uit zware dooreengeslingerde kleinere stammen bestaande, heeft een omtrek van bijna dertig el; tot op dertien el hoogte behoudt hij dezelfde afmetingen, maar dan verdeelt hij zich in een twaalftal geweldige, horizontaal gestrekte takken, die met hun lommer een oppervlakte van honderd el in doorsnede bedekken. Wij vertoeven eenige oogenblikken onder de verkwikkelijk koele schaduw van dezen koning der bosschen. In den tuin der zusters van Saint-Joseph de Cluny te Taio-Hae, bevindt zich een tweede, zeer merkwaardig exemplaar van dezen boom.
Wij vervolgen onzen weg en betreden de vallei van Vaitoe, die zich voor ons opent. Eene beek, die zeer gemakkelijk doorwaadbaar is, vormt, dicht bij het strand, een vrij groote waterkom. Op weg komen wij langs eenige hutten van inlanders, waarin wij, naar lands gebruik, onbeschroomd binnen treden. De bouw dezer woningen is hoogst eenvoudig: aan de hoeken vier palen, in den grond gestoken boven een soort van platform, paepae genoemd en uit groote platte steenen samengesteld; aan het boveneinde dier palen zijn gaten gemaakt, waarin de dunne en buigzame kokosstammen zijn bevestigd, die het onderstel van het dak vormen; het achterste gedeelte van de woning ligt hooger dan het voorste. Op de palen en op de kokosstammen worden lichte dwarsbalken gelegd, die met touwen van kokosvezelen stevig worden vastgebonden; de tusschenruimte wordt met bamboes aangevuld, waardoor de lucht echter vrijelijk spelen kan. Tot verdere voltooiing van het dak, worden lange stokken omwonden met kokos- en palmbladen, en vervolgens op het houtwerk gelegd, zoodat de bladeren der opvolgende lagen over elkander heenvallen. Het dak steekt een weinig buiten de wanden der woning uit, en beschermt haar volkomen tegen den regen.
De weg stijgt onophoudelijk, maar is niet meer zoo effen als straks. Wij komen bij een heuvel, met katoenvelden bedekt.
"Wilt gij de Chineezen zien? vraagt onze gids.
--Zijn hier dan Chineezen?
--Ja; zij arbeiden op de plantage, waarop wij ons nu bevinden. Zoo gij het wilt, kunnen wij een kijkje gaan nemen in hunne woning, die vrij wat beter is ingericht dan de hutten der inlanders."
Het uitwendig voorkomen der woning bevestigt reeds ten volle de juistheid dezer opmerking. Wij treden eene ruime zaal binnen, die de breedte heeft van den geheelen voorgevel; kleine, met matten behangen kamertjes komen in deze zaal uit. Onze aandacht wordt getrokken door eenige vrouwenkleederen, en wij vernemen dat de zonen van het Hemelsche Rijk met de dochters des lands tijdelijke verbindtenissen hebben aangeknoopt. Hun opperhoofd, ook een Chinees, opzichter der plantage, vervult tevens de functiën van kok bij den resident. Deze Chineezen hebben het voornemen opgevat om een grooten winkel of bazar to openen, waarvoor zij hunne opgespaarde penningen zullen gebruiken. Het kleine gemeenschappelijke kapitaal wordt te dien einde toevertrouwd aan een hunner, die te San-Francisco, waar het aantal hunner landgenooten zeer aanzienlijk is, de noodige inkoopen moet gaan doen en handelsbetrekkingen aanknoopen. Trouwens bijna overal langs de kusten van den Stillen-oceaan ontmoet men die kleine, vlugge, geelachtige mannen, geschikt voor de uitoefening van elk beroep en elk bedrijf; die bij duizenden hun land verlaten om door onvermoeide vlijt en strenge spaarzaamheid een klein kapitaal bijeen te brengen, hetgeen hun maar zelden mislukt: want zij bezitten een verwonderlijk talent voor al wat met handel in betrekking staat, on zijn ook niet al te kieskeurig in de keuze der middelen.
Onze chineesche gasten ontvangen ons zeer vriendelijk en leiden ons door hunne woning rond. Een hunner, een man van zekeren leeftijd, met een rensachtigen bril op zijn neus, verstaat en spreekt een weinig engelsch. In een hoek van de groote zaal brandt eene lamp op een altaar, dat, evenals de muur in de nabijheid, behangen is met veelkleurig papier, waarop zonderlinge letters zijn gedrukt of geschilderd. De gebrilde Chinees deelt ons mede, dat dit altaar ter eere hunner goden is opgericht.
Eenige minuten later waren wij aan den oever der beek, en begaven ons onmiddellijk te water; de plaats is niet aangenaam voor een bad; er is geen handbreed schaduw; het zeer ondiepe water is geheel verwarmd door de blakerende zon. Er zijn twee kleine kommen, die door een miniatuur-waterval met elkander in gemeenschap staan; als men zich op den rotsigen bodem nederzet, reikt het water niet hooger dan tot de borst. Al zeer spoedig hadden wij genoeg van ons bad, en maakten wij ons gereed om terug te keeren. De heer M.... dringt er op aan, dat wij ons zoo spoedig mogelijk zullen aankleeden.
"Anders zult gij tot uwe eigene schade leeren, hoe gevaarlijk het is, ongekleed buiten het water te blijven.
--Is er dan vrees voor een zonnesteek?
--Dat juist niet. Maar de nono zal u builen bezorgen, en als ge die krabt, dan worden die builen tot open wonden, die u onlijdelijke pijn zullen veroorzaken, en die niet dan met moeite en zeer langzaam genezen."
Deze nono (de sandfly der Engelschen) is eene zeer kleine vlieg, die des morgens bij het aanbreken van den dag geboren wordt, en bij het vallen van den avond weer sterft. Als de doorschijnende buik dezer vlieg met bloed gevuld is, schittert zij, wanneer men haar tegen de zon houdt, als een robijn. Dit afschuwelijk insekt plaatst zich op de huid, en zuigt u het bloed af, echter zonder te steken, zooals bij voorbeeld de muskieten. Ge bemerkt eerst naderhand haar bezoek, als zich de builen vertoonen. die ondragelijk jeuken. Men beweert dat deze vlieg door schepen is aangevoerd, en dat zij uitsluitend op Noekoe-Hiwa en op het naburig eiland Oea-Poe wordt aangetroffen. Overigens zijn er in den archipel geen gevaarlijke dieren, met uitzondering van de afzichtelijke duizendpooten, waarvan de daken wemelen; maar die griezelige dieren doen zeer zelden iemand kwaad.
Wij keeren naar de landingsplaats terug. Onderweg ontmoeten wij Mgr. Dordillon, bisschop van Cambysopolis, apostolisch vicaris der Markiezen-eilanden, die onzen groet met groote vriendelijkheid beantwoordt. De sloep ligt gereed om ons naar boord terug te brengen. De inscheping gaat al even bezwaarlijk als de landing.
Op het schip vinden wij vijf of zes eilanders, die vruchten te koop aanbieden. Een hunner, een reus van athletische vormen, verstaat een weinig fransch. Ik vraag hem, wat hij is komen doen.
"Verkoopen kokos, bananen en pataten, antwoordt hij.
--Ligt uwe hut ver van het strand?
--Neen. Als gij wilt komen bij mij van avond, ik zal u ontvangen met vreugd. Zal voor u laten dansen."
Na overleg met eenigen mijner kameraden, wordt besloten dat wij de uitnoodiging van Paumea--zoo heette onze aanstaande gastheer--zullen aannemen. Ik zeg hem dat wij na afloop van het middagmaal bij hem zullen komen, als hij ons aan de landingsplaats wil afwachten. Hij zegt dat hij op ons wachten zal, en ons met zijne prauw, die langs het schip gemeerd ligt, naar land zal roeien.
Paumea heeft twee zoons, prachtige knapen, die met zeer veel behendigheid de pagaaien hanteeren. In eenige minuten hebben wij het strand bereikt. Hoewel dit nu niet meer noodig is, nemen de kloeke eilanders ons op hunne sterke schouderen, en dragen ons als kinderen over het door de zee overspoelde strand naar den drogen oever.
Wij volgen denzelfden weg van straks. Het weder is verrukkelijk; de maan werpt haar licht door de groote boomen, die den weg overschaduwen; haar zilveren stralen doen de bevallige bladerkronen der kokospalmen schitteren, en werpen breede schaduwen in het bosch. Voor de verlichte winkels van het dorp staan een aantal inboorlingen, mannen en vrouwen, te kijken. In de vallei schittert hier en daar een licht; bij onze nadering beginnen de honden woedend te blaffen.
De woning van Paumea is ruim en goed ingericht; de voorzijde is geheel open; het dak rust op palen. Tegen den achterwand heeft men, met een tusschenruimte van omstreeks een el twintig duim, twee boomstammen op den grond gelegd; de ruimte daartusschen is met matten bedekt. Dit is het bed, waar men zeer gemakkelijk slaapt, het hoofd rustende op den eenen stam en de voeten op den anderen.
Er zijn veel gasten bijeen; de mutoi, inlandsche commissaris van policie, van Taio-Hae, een bloedverwant van Paumea, komt ons plechtstatig begroeten, blijkbaar zeer trotsch op zijn korporaalstrepen. In een oogwenk hebben onze gidsen zich ontdaan van hunne zoogenaamde europeesche kleeding; zij zijn nu enkel bekleed met de pareu, een lap, die om de lendenen gewonden wordt en als een vrouwenrok tot over de knieën afhangt. Al die mannen munten uit door prachtigen lichaamsbouw: zij zouden zonder uitzondering een beeldhouwer tot model kunnen dienen. Nu zij zich van hunne kleeding ontdaan hebben, maak ik van de gelegenheid gebruik om het tatouëersel, waarmede hunne lichamen bedekt zijn, van nabij te bezien. Sommigen zijn zoo geheel overdekt met cirkels, lijnen, figuren, dat men bijna zou wanen dat zij eene wapenrusting dragen. Vroeger was het tatouëeren veel eenvoudiger dan thans, en bestond, vooral in het gelaat, slechts uit rechte lijnen, die elkander ruitvormig kruisten; tegenwoordig zijn daar allerlei figuren, zooals breede horizontale strepen, voor in de plaats gekomen. De vrouwen zijn over het algemeen weinig getatouëerd, enkelen zelfs in het geheel niet. De meesten vertoonen aan de lippen enkele kleine, rechtopstaande lijnen, hetgeen niet onbevallig staat. Sommige Kanaks oefenen het tatouëeren als bedrijf uit. De operatie geschiedt met een soort van uitgetande schaar van vischgraat, die aan een stokje bevestigd is, en waarop met een houten hamertje geslagen wordt. De scherpe punten van het instrument worden in een blauwachtig vocht gedoopt, uit plantaardige zelfstandigheden bereid. De patiënt, wiens trekken van hevige smart getuigen, wordt door drie of vier personen vastgehouden. De pijn is zoo heftig, dat de operatie slechts gedurende zekeren tijd kan worden voortgezet, en dan moet worden gestaakt. De zendelingen zijn er nog niet in geslaagd, het tatouëeren af te schaffen. De kinderen, die onder hunne hoede gebleven zijn, verlaten hen toch als het oogenblik gekomen is, waarop zij deze traditioneele teekenen der manbaarheid moeten ontvangen.
De avondmaaltijd wordt gereed gemaakt. Paumea heeft aan boord van de Vandreuil levensmiddelen gekocht, zoodat hij zijn gasten een feestelijk onthaal bereiden kan.
Het hoofdbestanddeel van de gewone voeding der eilanders is de popoi, een geelachtige koek, die van de vrucht van den mei (broodboom, artocarpus incisa) gemaakt wordt. Als zij van versche vruchten bereid is, heeft de popoi een zoetachtigen smaak; als de vruchten eenigen tijd gestaan hebben, wordt de smaak eenigszins bitter. De bereiding van de popoi geschiedt op de volgende wijze: de vruchten worden op een vuur gelegd, dat voortdurend brandende wordt gehouden; uit de schors stijgt een dikke rook op. De pit, te hard om gegeten te worden, en de verbrande schil worden verwijderd; de geelachtige, kneedbare, sponsachtige vrucht, die een flauwen smaak heeft, wordt daarna in een houten bak of kuip gelegd en met een houten of steenen stamper tot deeg gekneed, waarna dit deeg, in ronde gaten van meer dan een el diep, in den grond begraven wordt. De wanden dezer kuilen zijn met breede banaanbladeren bekleed, om de aanraking met den grond te beletten. Als de kuil vol is, wordt hij met aarde en steenen bedekt; op die wijze blijft de popoi goed bewaard; van tijd tot tijd wordt dan de noodige hoeveelheid voor het gebruik er afgenomen. Het deeg wordt dan in een houten schotel gedaan, met een weinig water aangelengd en tot een soort van koek gekneed. Deze bewerking is aan de vrouw van Paumea opgedragen.
De vloermat dient als tafel; de toebereidselen tot den maaltijd zijn afgeloopen; wij worden uitgenoodigd, plaats te nemen. Wij verontschuldigen ons met te zeggen, dat wij zoo pas gegeten hebben; wij durven niet zeggen dat het klaarmaken van de popoi, waarvan wij getuigen waren, onzen eetlust nu juist geprikkeld heeft. Toch dringt ons de nieuwsgierigheid om even te proeven van deze spijs, die niet onaangenaam smaakt.
Inmiddels hebben zich de andere gasten nedergezet om den schotel, waarin de popoi is; ieder steekt de hand in dien schotel, en brengt daarmede de weeke spijs naar den mond. Uitgeholde kokosnoten, met water gevuld, vervangen de plaats van karaffen. Het maal is spoedig afgeloopen. De Kanaks hebben doorgaans grooten eetlust, en daar hunne spijzen, bijna altijd van plantaardige natuur, niet bijzonder voedzaam zijn, moeten zij groote hoeveelheden voedsel tot zich nemen.
Een voornaam bestanddeel der voeding is ook de visch, dien de inboorlingen bijna altijd rauw eten. Hunne meest geliefkoosde spijs is de haua, eene soort van groote rog (in het engelsch devil-fish) en de haai; zij laten deze visschen dikwijls eerst een dag of veertien liggen en tot verrotting overgaan. In de nabijheid der baaien en inhammen worden eene menigte haaien gevonden; de inlanders vangen die visschen met een lijn of met de harpoen. Dikwijls laten zij, om de haaien te lokken, hun arm of hun been buiten hun vaartuig in het water hangen, terwijl zij met de andere hand een strop gereed houden, dien zij met groote behendigheid om het zeemonster werpen, dat zij vervolgens harpoeneeren. Zij loopen zoodoende wel gevaar om gebeten te worden, maar toch gebeurt er zelden een ongeluk van ernstigen aard. Als zij met de lijn op de haaienvangst uitgaan, voorzien zij het boveneinde van den haak van twee kruislings geplaatste ijzeren bouten, om te beletten dat de haai het touw doorbijt.
Na afloop van den maaltijd worden de pijpen aangestoken; de eene gast reikt de pijp aan den anderen over, die ze op zijne beurt aan de lippen brengt. Eene der vrouwen gaat inmiddels heen om eenigen van hare vriendinnen, die in de buurt wonen, te halen. Paumea had ons een dans beloofd: die zou nu vertoond worden.
In twee rijen tegenover elkander geschaard, voeren de dansers, in goede harmonie, verschillende passen uit; zij akkompagneeren zich zelven met een rythmisch maatgezang, waarbij nu en dan in de handen geklapt wordt. Zij schenen veel schik in dit spel te hebben, dat zij, met telkens nieuwe afwisselingen, op ons verzoek eenige malen herhaalden. Eindelijk werd dit schouwspel, hoe eigenaardig ook, toch eentonig, en ondanks den aandrang van Paumea, die wilde dat wij nog blijven zouden, namen wij afscheid van onze nieuwe kennissen, met de belofte dat wij terug zouden komen.