De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 15

Chapter 15 3,824 words Public domain Markdown

"Wij keerden naar de zuidelijke punt van de kruin terug, en richtten daar eene kleine piramide van steenen op; vervolgens beschouwden wij, vol bewondering, het onmetelijke panorama, dat zich voor onze blikken ontrolde.

"Het was een dier heldere dagen, die gewoonlijk door slecht weder gevolgd worden. De stille, lichte atmosfeer werd door geen nevel, geen enkele wolk verduisterd. De bergen, op vijftig, wat zeg ik? op honderd mijlen afstands van ons, waren zoo duidelijk zichtbaar, dat men gemeend zou hebben, ze met de hand te kunnen grijpen: alle bijzonderheden, de scherpe rotskammen, de steile wanden, de smettelooze sneeuwvelden, de stralende gletschers--ze waren allen, in hunne lijnen en omtrekken, duidelijk waarneembaar. Menig bekende top riep de herinneringen wakker aan tochten en uitstapjes van vroegere jaren. Geen enkele der groote toppen van de Alpenketen was voor onzen blik verborgen. Wij waren bijzonder gelukkig, want in den regel is het panorama naar het zuiden door wolken bedekt. Van de honderd keeren is misschien maar een enkele maal het uitzicht geheel onbelemmerd.

"Nog zie ik dien grootschen gordel van geweldige bergtoppen voor mij, zoo duidelijk als in dat plechtige, onvergetelijke uur: dien weergaloozen kring van ontzaggelijke reuzen, zich hoog verheffende boven de massaas en bergketens, die hun als het ware ten voetstuk verstrekken. Ik zie weer de Dent-Blanche, met haar fiere witte kruin; den Gabelhorn, den Rothhorn, met de scherpe spits; den onvergelijkelijken Weisshorn; de Mischabelhörner, niet ongelijk aan reusachtige torens, geflankeerd door den Allalinhorn, den Strahlhorn, en den Rimpfischhorn; dan den Mont-Rose met zijn talrijke naalden, den Lyskamm en den Breithorn. Achter ons verheft zich de prachtige berggroep van het Berner Oberland, beheerscht door den Finsteraarhorn; dan de groepen van den Simplon en den Sint-Gothard; de Disgrazia en den Orteler. Naar het zuiden dringen onze blikken door tot ver voorbij Chiavasso, in de vlakte van Piémont. De Viso, hoewel honderd mijlen verwijderd, schijnt dicht bij; op een afstand van honderd-dertig mijlen vertoonen zich de Zee-Alpen, door geen nevelsluier omhuld. Onder hunne toppen herken ik al dadelijk mijne eerste liefde, den Pelvoux, dan de Pointe des Ecrins en de Meye; voorts de groepen der Graïsche Alpen; eindelijk, ten westen, troont, schitterende in het gouden zonnelicht, de fiere koning der Alpen, de wonderschoone Mont-Blanc. Drieduizend-driehonderd el beneden ons strekken zich de groene velden van Zermatt uit, bezaaid met hutten, woningen, chalets, waaruit dunne zilveren rookwolkjes opstijgen. Aan de andere zijde vertoonen zich, in eene diepte van tweeduizend-zevenhonderd el, de weilanden van Breuil. Nog zie ik voor mijne oogen opdoemen dichte sombere wouden, malsche groene weiden, schuimende watervallen, spiegelgladde meeren, vruchtbare akkers en eenzame wildernissen, vlakten blakerende in de zon, en kille ijsvelden. Wat oneindige verscheidenheid van vormen en omtrekken! Zacht golvende lijnen, glooiende hellingen, en steile, loodrechte, overhangende rotsen; bergen van steen en bergen van sneeuw; somber, donker, ernstig, of wel schitterend van oogverblindend wit; versierd met hooge muren, torens, spitsen, naalden; uitloopende in piramiden, in koepels, in kegels, in naalden, slank en bijna doorzichtig als de torens der gothische kathedralen.... Geen samenvoeging van lijnen, geen spel van contrasten, geen schakeering van tinten, die zich hier niet voor den verrukten blik onthulde.

"Wij toefden een uur lang op den top.

"One crowded hour of glorious life

"Een uur geheel vervuld van heerlijk leven.

"Dit uur ging al te snel voorbij, en wij maakten ons gereed om af te dalen.

"Op nieuw raadpleegde ik met Hudson over de maatregelen, die in het belang onzer veiligheid noodig waren. Wij bepaalden met algemeen goedvinden, dat Croz vooruit zou gaan, gevolgd door Hadow; Hudson, die, wat de vastheid en zekerheid van zijn voetstap betrof, bijna met een gids gelijk stond, wilde de derde zijn; daarop zou lord Douglas volgen, en achter dezen de oude Pieter Taugwalder, de sterkste van de nog overblijvenden. Ik stelde aan Hudson voor, om op de gevaarlijkste punten een touw aan de rotsen vast te binden, ten einde, zoo noodig, daardoor een nieuwen steun te hebben; hij keurde dat denkbeeld goed, maar wij kwamen niet uitdrukkelijk overeen, dat er ook uitvoering aan gegeven zou worden. Terwijl ik een schets maakte van den bergtop, had ons gezelschap zich in de zooeven aangegeven orde gerangschikt; alles was klaar, en men wachtte slechts om mij aan het touw vast te binden, toen eensklaps iemand riep, dat wij onze namen niet in een flesch hadden achtergelaten. Men verzocht mij, die haastig op te schrijven, en terwijl ik dit deed, stelde de stoet zich reeds in beweging.

"Eenige oogenblikken later bond ik mij aan den jongen Pieter Taugwalder vast, en met hem onze vrienden naloopende, haalde ik hen in juist op het oogenblik, toen zij langs het gevaarlijkste punt zouden gaan afdalen. Alle mogelijke voorzorgsmaatregelen waren genomen.

"Slechts één man tegelijk ging voor; zoodra hij een vast steunpunt voor den voet gevonden had, ging de volgende persoon op zijn beurt voort, en zoo vervolgens. Echter had men het nog beschikbare touw niet aan de rotsen vastgemaakt, en niemand sprak er van om dat te doen. Daar ik dezen maatregel niet had voorgesteld in het belang mijner eigene veiligheid, durf ik niet zeggen, of ik er zelf op dat oogenblik nog aan dacht. Gedurende eenige oogenblikken volgden wij, Pieter Taugwalder en ik, onze makkers, zonder aan hen vastgebonden te zijn; waarschijnlijk zouden wij zoo verder zijn blijven dalen, als lord Douglas mij, omstreeks half vier, niet verzocht had, dat ik mij aan den ouden Pieter zou vastbinden; hij vreesde, zoo zeide hij, dat Taugwalder alleen geen kracht zou hebben om zich staande te houden, als iemand mocht uitglijden.

"Eenige oogenblikken later liep een knaap, met een bijzonder scherp gezicht begaafd, haastig naar het hotel du Mont-Rose, om aan den heer Seiler te zeggen, dat hij eene lawine van den top van den Matterhorn op den gletscher had zien nederstorten. Men beknorde hem, omdat hij zulk een dwaas vertelsel durfde doen: helaas, hij had gelijk! Ziehier wat hij gezien had.

"Michel Croz had zijn bijl naast zich nedergelegd; en zooveel mogelijk voor de veiligheid van den heer Hadow willende zorgen, wijdde hij al zijne aandacht aan de taak om diens gang te besturen, door, zooals meermalen gebruikelijk is, de voeten van den jongen toerist een voor een te zetten in de positie, die zij moesten innemen. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, was op dat oogenblik niemand met afklimmen bezig. Ik kan dit echter niet met zekerheid zeggen, omdat Croz en Hadow door een stuk rots gedeeltelijk aan mijn oog waren onttrokken: ik geloof evenwel dat ik gelijk heb; naar de beweging hunner schouders te oordeelen, meende ik dat Croz, na de voeten van den heer Hadow geplaatst te hebben, zich omkeerde, om zelf een paar schreden af te dalen. Op dat oogenblik gleed de heer Hadow uit, viel op Croz, en wierp hem omver. Ik hoorde Croz een luiden gil geven, en bijna op hetzelfde oogenblik zag ik hen beiden met duizelingwekkende snelheid afglijden; onmiddellijk daarop werd zoowel Hudson als lord Douglas in hun val medegesleept. Dit alles geschiedde met de snelheid des bliksems. Nauwelijks hadden de oude Pieter Taugwalder en ik den kreet gehoord, of wij klemden ons met al onze macht aan de rots vast; het touw werd plotseling strak gespannen, en wij kregen een geweldigen schok. Wij hielden ons echter goed en bleven staande; maar eensklaps brak het touw omstreeks halverwege tusschen Taugwalder en lord Douglas midden door.... Gedurende eenige sekonden zagen wij onze rampzalige reisgenooten, met ijlende vaart, op hun rug liggende afglijden, met uitgestrekte armen vergeefs pogende zich aan een of andere uitstekende rotspunt vast te klemmen en alzoo hun leven te redden. Een voor een verdwenen zij uit ons oog, zonder eenige kwetsuur bekomen te hebben, en vielen van afgrond tot afgrond tot op den gletscher van den Matterhorn, in eene diepte van twaalfhonderd el beneden ons. Nadat het touw was gebroken, was het ons volstrekt onmogelijk iets tot hunne redding te doen.

"Zoo kwamen onze beklagenswaardige makkers om het leven! Meer dan een half uur stonden wij onbewegelijk, als vastgenageld, ter nauwernood adem halende. Door angst en schrik overmand, weenden de beide gidsen als kinderen; zij beefden zoo, dat ons elk oogenblik een dergelijk ongeluk als onzen vrienden overkomen was, te duchten scheen.

"De oude Pieter Taugwalder riep telkens, al jammerend, uit: "Chamonix! Oh, wat zal Chamonix zeggen?" hetgeen zooveel wilde zeggen als: Wie had ooit kunnen denken dat Croz kon vallen?--De jonge Taugwalder snikte onophoudelijk, en kreet al luider en luider: "Wij zijn verloren! o God, wij zijn verloren!"

"Daar ik tusschen hen beiden aan het touw was vastgebonden, kon ik geen stap doen, zoolang zij onbewegelijk op hunne plaats bleven staan. Ik verzocht dus den jongen Pieter, dat hij zou afdalen: hij durfde niet. Noch zijn vader, noch ik kon iets uitrichten, zoolang hij niet begon te dalen. De oude Taugwalder, den ernst van het oogenblik en het dreigende gevaar ten volle beseffende, begon nu ook te roepen: "Wij zijn verloren, verloren!" De angst van den ouden man was begrijpelijk en natuurlijk: hij vreesde voor zijn zoon; maar de jongen dacht slechts aan zichzelven en toonde zich lafhartig. Eindelijk herstelde de oude man zich toch weder, en kroop naar eene rots, waaraan het hem gelukte een touw vast te binden. De jonkman verkreeg het nu ook van zich om af te dalen, en wij stonden alle drie bij elkander. Ik wilde toen onmiddellijk het touw zien, dat gebroken was: en tot mijn onuitsprekelijken schrik bemerkte ik, dat dit touw het zwakste van de drie was. Het had nimmer gebezigd moeten worden voor het doel, waartoe het nu was gebruikt, en was ook niet om die reden medegenomen. Het was een oud touw, dat, in vergelijking met de andere, bepaald zwak was te noemen. Men had het in reserve moeten houden, voor het geval dat men een touw, aan de rotsen gebonden, had moeten achterlaten. Ik liet mij het overgeschoten eind geven, ten einde de zaak nader te onderzoeken. Het touw was afgebroken, alsof het doorgesneden was.

"Gedurende de twee uren, die thans volgden, dacht ik elk oogenblik dat ook mijn laatste stonde gekomen was; niet alleen toch waren de Taugwalders, door den schrik als verlamd, geheel buiten staat mij eenige hulp te bieden, maar zij hadden zoozeer alle zelfbeheersching en overleg verloren, dat ik bij iederen stap vreesde dat zij zouden uitglijden. Eindelijk echter deden wij, wat dadelijk toen wij begonnen af te stijgen had moeten geschieden: wij bonden touwen aan de stevigste rotsen, om ons bij onzen gevaarlijken tocht behulpzaam te zijn. Sommige van die touwen werden doorgesneden en bleven aan de rotsen hangen. Ook bleven wij nu aan elkander vastgebonden. De verschrikte gidsen durfden bijna geen voet verzetten, ook ondanks de hulp van de touwen; de oude Pieter wendde zich herhaalde malen tot mij, telkens, met bleek gelaat en bevende over al zijn ledematen, op angstigen toon herhalend: "Ik kan niet meer."

"Omstreeks zes uur des avonds bereikten wij de sneeuw op den rotskam, die naar de zijde van Zermatt afdaalt: nu was alle vrees voor gevaar geweken. Meermalen deden wij vergeefsche pogingen om eenig spoor van onze ongelukkige reisgezellen te ontdekken; over den rand der rotsen heengebogen, riepen wij hen uit al onze macht: maar daar kwam geen antwoord. Eindelijk overtuigd dat zij buiten het bereik waren van onze stem en van ons oog, staakten wij deze vruchtelooze pogingen.

"Te zeer ter neer geslagen om te kunnen spreken, brachten wij in stilte de voorwerpen bijeen, die aan ons en aan onze verloren makkers hadden toebehoord, en maakten wij ons gereed, naar Zermatt af te dalen, toen plotseling een vreemd verschijnsel onze oogen trok. Hoog boven den Lyskamm teekende zich eensklaps een reusachtige regenboog in de lucht. Bleek, kleurloos, zwijgend, vertoonde deze zonderlinge verschijning volkomen zuivere en scherpe omtrekken, uitgenomen aan de twee uiteinden, die zich in de wolken verloren: het scheen een visioen uit eene andere wereld. Met bijgeloovige vrees vervuld, volgden wij met stomme verbazing de langzame ontwikkeling der beide groote kruisen, ter wederzijde van dezen zoo zonderlingen boog geplaatst. Ik zou ter nauwernood mijne oogen geloofd hebben, indien niet de beide Taugwalders nog vóór mij dit uiterst vreemde verschijnsel hadden opgemerkt; natuurlijk zochten zij daarin een bovennatuurlijk, geheimzinnig verband met ons droevig ongeluk. Een oogenblik hield ik dit verschijnsel voor eene loutere luchtspiegeling, waarbij wij zelven mede een rol vervulden; maar onze bewegingen brachten in de figuren hoegenaamd geene verandering te weeg. De spookachtige verschijning bleef, in al hare geheimzinnige duidelijkheid, onveranderlijk. Het was een aangrijpend, wonderlijk, ongekend schouwspel, ook voor mij, die al zoo veel zonderlinge dingen had gezien. In de bijzondere omstandigheden, waarin wij ons bevonden, maakte deze verschijning, waarvan ik nog heden geen verklaring of rekenschap kan geven, een onuitsprekelijken indruk.

"Ik was gereed om te vertrekken, en wachtte op de twee gidsen. Zij hadden honger gekregen, hadden gegeten en waren ook weer spraakzaam geworden. Daar zij met elkander in de volkstaal spraken, kon ik hen niet verstaan. Eindelijk zeide de zoon tot mij in het fransch:

"Mijnheer.

--Wat is er?

--Wij zijn arme menschen; wij hebben onzen meester verloren; niemand zal ons betalen; dat is wel hard voor ons.

--Zwijg, zeide ik, hem in de rede vallende. Dat is gekkepraat, wat gij daar zegt; ik zal u betalen, evenals of uw meester nog in leven ware."

"Zij spraken nog eenige oogenblikken met elkander in de volkstaal; toen begon de zoon weer:

"Wij verlangen van u niet, dat gij ons betalen zult. Wij vragen alleen dat gij in het boek van het hotel te Zermatt, en in uwe dagbladen zult vermelden dat wij geene betaling ontvangen hebben.

--Wat dwaasheid is dat nu? Ik begrijp u niet. Wat beteekent dat?

"Hij ging voort:

"Ja, ziet u ... in het volgende jaar zullen er een aantal reizigers te Zermatt komen, en wij stellig veel te doen krijgen."

"Wat viel er op zulk een voorstel te antwoorden? Ik zweeg; maar zij bemerkten zeer goed, hoezeer zij mijne verontwaardiging hadden opgewekt. Hun cynisme had den bitteren beker mijner smart doen overloopen; in mijn wanhoop slingerde ik met zooveel woede steenen en fragmenten van rotsen in de ledige ruimte, dat de beide mannen misschien nu en dan de vrees voelden opkomen dat ik henzelven in den afgrond zou werpen. Ik moest op eene of andere wijze aan mijn overkropt gemoed lucht geven!

"De avond viel; een uur lang gingen wij voort met in den donker af te dalen. Ten half tien uur vonden wij een soort van hut of afdak, dat nauwelijks voldoende ruimte aanbood voor ons drieën om te slapen; daar brachten wij zes eindelooze, verschrikkelijke uren door. Met het krieken van den dag waren wij weder op de been; in vluggen tred daalden wij van den Hörnli naar de hutten van Buhl, en vandaar naar Zermatt af. Seiler, dien ik aan de deur van het logement ontmoette, volgde mij zwijgend in mijne kamer.

"Wat is er toch gebeurd, mijnheer? vroeg hij.

--Ik ben met de Taugwalders teruggekeerd.

"Hij begreep mij en barstte in tranen uit; maar zonder verder den tijd met jammeren te verspillen, ging hij dadelijk heen om het gansche dorp te wekken. Het duurde niet lang, of een twintigtal mannen hadden zich gereed gemaakt om de hoogten van den Hohlicht te beklimmen, die zich boven den gletscher van den Matterhorn verheffen. Na verloop van zes uren keerden zij terug, en brachten ons de tijding dat zij de lichamen onzer ongelukkige reisgezellen hadden gezien, onbewegelijk op de sneeuw uitgestrekt. Het was Zaterdag; zij stelden ons dus voor, des Zondagsavonds op weg te gaan, ten einde des Maandagsmorgens vroeg het plateau van den gletscher te bereiken. Ik sprak daarover met mijn landgenoot, den Rev. Cormick; en daar wij ook zelfs de meest onwaarschijnlijke kans van behoud niet wilden veronachtzamen, besloten wij reeds des Zondagsmorgens op weg te gaan. Maar geen van de gidsen van Zermatt wilde met ons medegaan, omdat zij de vroegmis niet durfden verzuimen. Voor meer dan één onder hen was dit een harde strijd; Pieter Perrn verklaarde uitdrukkelijk, met tranen in de oogen, dat dit de eenige reden was, waarom hij zich niet bij ons kon aansluiten om zijne oude makkers te gaan opzoeken. Maar onze landgenooten kwamen ons te hulp. De Rev. J. Robertson en de heer Phillpotts waren bereid met ons te gaan, met hun gids Franz Andermatten; een andere Engelschman stelde de gidsen Joseph Marie en Alexander Lockmatter te onzer beschikking. Fredéric Payot en Jean Tairraz van Chamonix boden zich ook aan als vrijwilligers om den tocht mede te maken.

"Wij vertrokken dus den 16den, des Zondagsmorgens vroeg, ten twee uren, en volgden tot aan den Hörnli denzelfden weg, waarlangs wij den vorigen Donderdag getogen waren. Van daar daalden wij rechts af, en klommen toen omhoog tusschen de spitsen en naalden van den gletscher van den Matterhorn. Ten half negen hadden wij het bovenste plateau van den gletscher bereikt, en bevonden wij ons in het gezicht van de noodlottige plek, waar de lijken onzer ongelukkige makkers moesten liggen. Elke gids nam op zijn beurt den kijker, en reikte dien zwijgend aan zijn buurman over, terwijl eene akelige bleekheid zijn gelaat overtoog. Alle hoop was verloren. Wij traden naderbij. Daar lagen zij op de sneeuw, in dezelfde volgorde, waarin zij naar beneden gegleden waren. Croz een weinig naar voren; Hadow dicht bij hem; en vervolgens op eenigen afstand daarachter Hudson; maar van lord Francis Douglas was geen spoor te ontdekken: later vond men van hem slechts een paar handschoenen, een gordel en een laars. Wij begroeven de lijken in de sneeuw, op de plaats zelve waar wij ze gevonden hadden, aan den voet der hoogste piramide van den majestueuzen berg der Alpen.

"Croz en de drie verongelukte toeristen waren aan elkander vastgebonden geweest met het touw van Manille of met een ander even sterk touw; bij gevolg was het zwakste touw alleen gebruikt om lord Francis Douglas en den ouden Pieter Taugwalder aan elkander vast te binden. Dit feit was zeer in het nadeel van Taugwalder; hoe kon men aannemen dat de slachtoffers zelven genoegen hadden genomen met een touw, dat uit het oogpunt der soliditeit zooveel te wenschen overliet, te meer daar er nog ruim vijf-en-zeventig el van het beste touw in voorraad was? Het was dus zeer te wenschen, dat dit punt tot helderheid werd gebracht, en wel in het belang van den ouden gids zelven, die zich in een onbesproken naam mocht verheugen. Zoodra ik mijne verklaring had afgelegd voor eene commissie van onderzoek, door de kantonnale regeering van Wallis ingesteld, reikte ik aan de leden dier commissie een stuk over, waarop ik eene reeks vragen had geschreven, waardoor den ouden Pieter Taugwalder de gelegenheid gegeven werd zijne onschuld te bewijzen en de zware vermoedens, die op hem rustten, af te wenden.

"Inmiddels had de regeering bepaalden last gegeven dat de lijken naar Zermatt moesten worden gebracht. Den 19den Juli begaven zich mitsdien een-en-twintig gidsen van het dorp op weg om deze droevige en tevens gevaarlijke taak te volbrengen. Bij het afdalen liepen zij inderdaad groot gevaar: er scheelde weinig aan, of zij waren door het instorten van een der spitsen van den gletscher onder de sneeuw en het ijs bedolven. Ook zij vonden geen spoor van lord Douglas, die ongetwijfeld op een of andere rotspunt was terecht gekomen en daar blijven liggen. De stoffelijke overblijfsels van Hudson en Hadow werden in het noordelijk gedeelte der kerk van Zermatt ter aarde besteld, in tegenwoordigheid van eene talrijke en diep bewogen schare. Het lichaam van Michel Croz werd aan de andere zijde der kerk begraven; zijn eenvoudig grafteeken draagt eene inscriptie, waarin aan zijn moed, zijne rechtschapenheid en zijne toewijding eene welverdiende hulde wordt gebracht.

"De traditie, volgens welke de Mont-Cervin volstrekt onbeklimbaar zou wezen, was dan gelogenstraft; andere legenden, op meer waarheid gegrond, kwamen gaandeweg hare plaats innemen. Later reizigers zullen op hun beurt beproeven, deze trotsche, ontzagwekkende rotswanden te beklimmen: maar de geduchte berg zal voor geen der later komenden ook maar van verre dat kunnen zijn, wat hij was voor hen, die het eerst den voet op zijn top zetten. Anderen zullen die met ijs omschorste kruin kunnen betreden; maar geen hunner zal de onbeschrijfelijke gewaarwording gevoelen, welke de borst doorstroomde van hen, die voor het eerst hun blikken lieten dwalen over dit wondervol panorama. Maar vurig hoop ik, dat geen later reiziger de blijdschap der overwinning aldus zal zien verkeeren in droefheid, de vroolijke juichtonen in smartelijke wanhoopskreten!

"De Matterhorn heeft zich jegens ons een geducht en verbitterd vijand getoond; langen tijd heeft hij al onze pogingen verijdeld; meer dan eenmaal heeft hij ons gedwongen, beschaamd en verslagen terug te keeren. Eindelijk, na eene overwinning, zoo gemakkelijk behaald als wij ons niet hadden durven voorstellen, heeft de wreede berg, als een ter aarde geworpen, maar niet vernietigde vijand, zijne nederlaag schrikkelijk, bloedig gewroken. O, er lag een verpletterende koele spotternij in de kalme, ontzaglijke majesteit, waarmede de granieten reus zich hoog ten hemel hief, nadat hij de vermetele stervelingen, die hem zijn geheim hadden ontrukt, in den afgrond had geslingerd!

"De dag zal eenmaal komen, waarop ook de Mont-Cervin zelf zal verdwenen zijn; waarop een reuzige, vormelooze steenhoop de plaats zal aanwijzen, waar de heerlijke berg stond. Atoom voor atoom, duim voor duim, el voor el, zwicht hij, langzaam maar zeker, voor de onophoudelijke, onverbiddelijke werking der eeuwige natuurwetten, waaraan niets weerstand bieden kan. Die dag is nog verre, zéér verre verwijderd: eeuwen en eeuwen zullen voorbijgaan, eer de zon zal opgaan over de puinhoopen van den Matterhorn! En inmiddels zullen de volgende geslachten vol bewondering hunne oogen opheffen naar dien berg, die, wat de eigenaardige schoonheid van zijn vorm aangaat, geen gelijke heeft onder de Alpen; zij zullen met ontzetting staren in zijne gapende afgronden, met vasten voet zijne steile rotsen beklimmen. En niemand dergenen, wien het geluk te beurt valt dezen berg te aanschouwen, hoe hoog zijne verwachting ook gespannen moge zijn, zal ontevreden huiswaarts keeren, omdat de werkelijkheid niet aan zijn ideaal beantwoordde."

Herinneringen van den Stillen-Oceaan. [8]

I.

De archipel der Markiezen-eilanden.

I.

Het oogenblik van vertrek is gekomen: brommende en snuivende ontsnapt de stoom, in zware zwarte wolken, uit de pijp: al de toebereidselen zijn voltooid: alle man is op zijn post. Op het gegeven bevel wordt het anker haastig opgehaald: het is geheel bedekt met dat vuile en kleverige slijk, dat aan de reede van Callao (Peru) eigen is.

"Vooruit, zachtjes aan!"

De Vaudreuil wendt haar achtersteven naar de stad, die weldra uit onze oogen verdwijnt.

Het is voor den zeeman altijd een moeilijk oogenblik, als hij een haven moet verlaten, waar hij lang genoeg heeft vertoefd om met sommige personen vriendschapsbetrekkingen aan te knoopen. Wij hadden verscheidene goede vrienden, hetzij te Callao, hetzij te Lima, en vooral aan hunne welwillendheid hadden wij het te danken dat wij aangename herinneringen medenamen van de voornaamste haven en van de hoofdstad van Peru. Het zij mij vergund, hier nogmaals openlijk mijn dank uit te spreken voor de vele genoegelijke uren, die wij met hen hebben doorgebracht.