# De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

## Part 14

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-aarde-en-haar-volken-jaargang-1877-11317/index.md

"Het gewicht van mijn zak trok mij achterover; ik kwam eerst terecht op eenige rotsen, drie of vier el beneden mij; toen rolde ik, met het hoofd naar beneden, in de spleet; mijn stok ontsnapte aan mijn handen, en ik viel, al om en om buitelende, nu eens tegen het ijs, dan tegen de rotsen stootende, vijf of zes maal achtereen met mijn hoofd tegen den steen bonzende. Een laatste stoot slingerde mij van den eenen wand der spleet, over een ruimte van tusschen de vijftien en achttien el, naar den anderen;--gelukkig kwam ik met mijne linkerzijde tegen de rots terecht, waar mijne kleederen aan vasthaakten: ik tuimelde achterover op de sneeuw, dadelijk gevoelende dat mijn val gebroken was. Bij geluk was mijn hoofd naar de goede zijde gewend; met stuipachtige krachtsinspanning klemde ik mij aan de oneffenheden en punten der rots vast, en kon mij eindelijk ophouden aan den benedensten ingang der spleet, juist aan den rand van den afgrond. Mijn hoed, stok en sluier schoten in volle vaart langs mij heen en verdwenen in den afgrond; en toen ik de rotsbrokken, die ik in mijn val had losgestooten, beneden op den gletscher in scherven hoorde springen, besefte ik eerst recht aan welk ontzettend gevaar ik als door een wonder ontkomen was. Inderdaad had ik, in zeven of acht buitelingen, een afstand afgelegd van ongeveer zestig el. Ware ik nog drie el verder gevallen, dan zou ik onfeilbaar, met een enkelen sprong, ter hoogte van tweehonderd-vijftig el, op den gletscher zelven zijn te pletter gestort.

"Toch was de toestand, waarin ik mij nu bevond, alles behalve geruststellend. Ik kon geen oogenblik de rots, waaraan ik mij vastgeklemd had, loslaten, en ik bloedde uit meer dan twintig wonden. De gevaarlijkste waren die aan mijn hoofd, en vergeefs trachtte ik met de eene hand het bloed uit die wonden te stelpen, terwijl ik mij met de andere aan de rots vasthield. Al mijne pogingen waren vergeefs: bij iederen polsslag vloeide het bloed mij over het gelaat en maakte mij het zien bijna onmogelijk. Eindelijk was het alsof ik eene ingeving kreeg: met mijn voet woelde ik een klomp sneeuw los, die ik nu, bij wijze van pleister, op mijn hoofd legde; het middel baatte, want de bloedvloeiing verminderde aanstonds. Nu begon ik onmiddellijk naar boven te klauteren, en nog juist bij tijds bereikte ik een veiliger plek, waar ik in zwijm viel. Toen ik weder bij mijzelven kwam, ging de zon onder, en eer het mij mogelijk was den Grooten Trap af te dalen, was het volkomen duister geworden. Doch met de uiterste voorzichtigheid mocht het mij, dank zij mijn goed gesternte, gelukken naar Breuil af te dalen, zonder uit te glijden en zonder mij een enkele maal in den weg te vergissen: Breuil ligt evenwel zeventien-honderd el lager dan de Groote Trap.

"Beschaamd over den toestand, waarin mijne eigene onhandigheid mij gebracht had, sloop ik stilletjes langs de hut der koeherders, die ik hoorde lachen en praten, heen, en trad haastig de herberg binnen, hopende dat ik naar mijn kamer zou kunnen gaan, zonder door iemand gezien te worden. Maar in den gang kwam Favre mij tegen, en vroeg: "Wie is daar?" Toen hij licht gehaald had en mij zag, begon hij luidkeels te roepen, en bracht zoo het gansche huis op de been. Twee dozijn hoofden werden toen bij elkaar gestoken om te raadplegen over den toestand van het mijne, zonder dat die plechtige beraadslaging groote vruchten opleverde. De dorpelingen gaven eenstemmig den raad, dat ik mijne wonden moest wasschen en verbinden met heeten azijn met zout vermengd. Te vergeefs verzette ik mij tegen dit paardemiddel: ik moest mij onderwerpen. Andere geneeskundige verpleging viel mij niet te beurt. Heb ik het aan dit zeer eenvoudig geneesmiddel of aan mijn krachtig gezond gestel te danken, dat ik zoo spoedig herstelde? Ik weet het niet; maar zeker is het dat mijne wonden al spoedig genezen waren en dat ik na verloop van eenige dagen weer op de been was."

Dit noodlottig ongeval, waarbij hij op den rand des verderfs was geweest, vermocht den heer Whymper niet af te schrikken. Den 23sten derzelfde maand begaf hij zich weder op weg met Jean Antoine Carrel, een jager Cesar genaamd, en Meynet. Achter den Toren gekomen, werden zij door een zoo geweldigen storm overvallen, dat zij moesten terugkeeren. Eene vijfde poging, op den 24 en den 25sten beproefd, slaagde niet beter; en den daarop volgenden dag moest ook de heer Tyndall het opgeven, hoewel hij, volgens zijn zeggen, slechts een steenworp van den top verwijderd was geweest.

De zesde poging van den heer Whymper had plaats in 1863. Een geweldig onweder en herhaalde steenstortingen, waarbij zijn leven groot gevaar liep, dwongen hem ook nu onverrichter zake terug te keeren.

Twee jaar later, in 1865, hervatte de onverschrokken reiziger den aanval. Ditmaal besloot hij eerst langs de oostelijke helling op te stijgen, die, volgens zijne waarnemingen, niet zoo steil was als zij wel scheen. Verschillende redenen echter bewogen hem, wijziging in zijn plan te brengen. Het reisgezelschap vertrok van Breuil den 21sten Juni; het bestond uit de heeren Whymper en Reilly en de gidsen Croz, Almer en Biener. Geweldige steenlawinen noodzaakten hen zoo spoedig mogelijk op hunne schreden terug te keeren, en naar den Hörnli te gaan, om van daar de oostelijke helling te bereiken; maar hier stuitte men op een onverwacht beletsel. De overgang naar den Mont-Cervin was niet meer mogelijk: de gletscher had zich zoo ver teruggetrokken, dat het niet meer doenlijk was naar den gletscher van Furggen af te dalen. Bovendien sloeg het weêr eensklaps om: het begon te sneeuwen, en de gidsen weigerden verdere pogingen aan te wenden. De heer Whymper gaf het teeken tot den terugtocht, keerde naar Breuil weder, begaf zich van daar naar Chatillon en verder door de vallei van Aosta naar Cormayeux. "Het spijt mij, zoo zegt hij, dat aan den raad der gidsen gehoor is gegeven. Als Croz niet op den terugtocht had aangedrongen, zou hij nog in leven zijn. Hij verliet ons op den bepaalden dag te Chamonix; maar door een zonderling toeval ontmoetten wij elkander drie weken later weder te Zermatt; en twee dagen daarna kwam hij, voor mijne oogen, jammerlijk om het leven op dienzelfden berg, waarvan wij ons, ingevolge zijn raad, op den 21sten Juni verwijderd hadden."

Den 7den der volgende maand bevond de heer Whymper zich nogmaals te Breuil, met het vaste besluit om voor de achtste maal de beklimming van den Matterhorn te beproeven. Zijne gidsen toonden zeer weinig opgewektheid om hem te vergezellen. "Al wat ge wilt, mijn goede heer, zeide Almer, behalve den Matterhorn; daar moeten wij van afzien." Hij begaf zich naar Val Tournanche om Carrel op te zoeken. Carrel was er niet. Men verhaalde den heer Whymper, dat hij den 6den met drie andere gidsen vertrokken was, om zoo mogelijk langs een anderen kant den Matterhorn te beklimmen. Het weder was zeer ongunstig. Te Breuil komende, vond hij daar Carrel, Cesar, C.E. Garet en J.J. Maquignaz. Zij hadden het zelfs niet tot den gletscher du Lion kunnen brengen. Er werd al spoedig eene overeenkomst getroffen. Men zou den 9den den col Saint-Théodule overtrekken, en den 10den de tent, zoo hoog mogelijk aan de oostelijke helling opslaan. Carrel aarzelde om den ouden bekenden weg te verlaten. De heer Whymper beloofde hem, dat als de nieuwe weg niet de verwachte resultaten opleverde, men tot den ouden zou terugkeeren. De achtste Juli ging geheel voorbij met de toebereidselen voor den tocht. Het weder was onstuimig en stormachtig. In den avond van den volgenden dag begaf de heer Whymper zich naar Val Tournanche, om een kranken landgenoot te bezoeken. Daar ontmoette hij een vreemden reiziger, vergezeld van een muilezel en van personen, die zijne bagage droegen: onder die dragers bevonden zich ook Jean-Antoine Carrel en Cesar. De heer Whymper sprak hen aan, en eene niet zeer aangename woordenwisseling volgde. Echter werd nu weder afgesproken, dat men elkander te Breuil zou ontmoeten; maar Carrel en Cesar verbraken hunne belofte: zij vertrokken om den Matterhorn te beklimmen met een Italiaan, den heer Giordano, ingenieur der mijnen.

Woedend over deze teleurstelling, besloot de heer Whymper zich naar Zermatt te begeven. Den 11den zag hij te Breuil een jeugdig Engelschman aankomen, in gezelschap van een der zoons van Pieter Taugwalder. Zij spraken elkander aan. De jonkman was lord Francis Douglas, wiens heldhaftige beklimming van den Gabelhorn de bewondering van den heer Whymper had opgewekt. Hij bracht goede tijdingen mede: de oude Taugwalder was onlangs den Hörnli overgetrokken, en het was hem daarbij gebleken, dat de beklimming van den Matterhorn aan die zijde zeer goed mogelijk was. Lord Douglas bood zich aan om den heer Whymper op zijne nieuwe onderneming te vergezellen, waarmede genoegen genomen werd. Den 12den trokken zij te zamen over den col Saint-Théodule, vervolgens om den voet van den bovensten gletscher van Saint-Théodule heen, staken den gletscher van Furggen over, en bezorgden de tent, benevens dekens, touwen en levensmiddelen, in de kleine kapel van Schwarzsee. Zij hadden tweehonderd ellen lengte touw bij zich. Vervolgens naar Zermatt afgedaald, namen zij Pieter Taugwalder als gids aan; en in het hotel van den Mont-Rose terugkeerende, ontmoetten zij Croz met den Rev. Charles Hudson, die naar Zermatt gekomen was, om op zijne beurt de beklimming van den Matterhorn te beproeven. Weldra waren de noodige afspraken en schikkingen gemaakt, en de beide reisgezelschappen vereenigden zich. De kleine karavaan bestond nu uit de gidsen Croz, Pieter Taugwalder en zijne twee zonen, den heer Whymper, lord Douglas en den heer Hudson. Deze laatste vroeg en verkreeg vergunning om een zijner landgenooten, den heer Hadow, die zoo pas den Mont-Blanc bestegen had, mede te nemen.

Maar wij zullen nu het woord laten aan den heer Whymper.

"Den 13den Juli 1865, des morgens ten half zes, vertrokken wij van Zermatt; het was prachtig schoon weder, geen wolkje was aan den hemel te bespeuren. Ons gezelschap bestond uit acht personen: Croz, de oude Pieter Taugwalder en zijn twee zonen, lord Francis Douglas, Hadow, Hudson en ik. Tot overmaat van zekerheid, had iedere toerist zijn eigen gids. De jongste Taugwalder werd mij toegevoegd; hij was er trotsch op dat hij deel mocht nemen aan onze expeditie, en gelukkig dat hij zijne kracht en zijne behendigheid kon ten toon spreiden, bewees hij ons van den aanvang af de gewichtigste diensten.

"Ik had de zakken te dragen, waarin onze voorraad wijn was geborgen; telkens nadat men in den loop van den dag van dien wijn gedronken had, vulde ik de zakken in stilte weder met water aan; bij het volgende halt waren zij dan ook nog beter gevuld dan bij ons vertrek! Dit verschijnsel, dat bijna voor een wonder gold, werd algemeen als een gelukkig voorteeken aangemerkt.

"Het lag niet in ons plan, op dien eersten dag tot eene aanmerkelijke hoogte op te klimmen; wij gingen dus op ons gemak voort: twintig minuten over achten waren wij aan de kapel van Schwarzsee, waar wij de touwen en dekens, benevens de tent en provisie medenamen; vervolgens zetten wij de bestijging voort van den rotswand, die den Hörnli met den Matterhorn verbindt. Ten half twaalf kwamen wij aan den voet van den voornaamsten top: daar, de steile rotskam verlatende, moesten wij om eenige uitspringende rotsen heengaan, ten einde de oostelijke helling te bereiken. Alsnu eindelijk op den berg zelven gekomen, bemerkten wij, tot onze groote verwondering, dat sommige gedeelten, die, van den Riffel of zelfs van den Furggengletscher gezien, volstrekt ongenaakbaar schenen, zoo gemakkelijk te beklimmen waren, dat wij bijna al loopende naar boven konden komen.

"Nog voor twaalven hadden wij een zeer gunstige plaats gevonden voor de tent, op eene hoogte van drieduizend-driehonderd-vijftig el. Croz ging op verkenning uit met den jongen Pieter Taugwalder, ten einde voor den volgenden dag tijd uit te winnen. Zij gingen boven over de besneeuwde hellingen heen, die in de richting van den Furggengletscher afdalen, en verdwenen achter een uitstekende rots; maar weldra verschenen zij weder, hoog op den berg, waar wij hen ijverig zagen klimmen. Wij hielden ons inmiddels bezig met het in orde brengen van eene veilige plaats voor de tent; toen dit werk afgeloopen was, wachtten wij met ongeduld op den terugkeer der beide gidsen. De steenen, die zij naar beneden deden rollen, wezen aan dat zij zich op eene zeer aanzienlijke hoogte bevonden; wij mochten dus de verwachting koesteren, dat de beklimming niet zoo moeilijk zou blijken. Eindelijk, omstreeks drie uur in den namiddag, kwamen zij terug, schijnbaar zeer opgewonden.

"Welnu, Pieter, wat zeggen zij er van? vroegen wij aan den ouden Taugwalder, die met Croz en zijn zoon in de landtaal gesproken had.

--Niet veel goeds, mijne heeren."

"Maar de twee gidsen zelven spraken op geheel anderen toon: "Alles was zoo gunstig mogelijk; er bestond niet de minste zwarigheid. Wij hadden gemakkelijk den top kunnen bereiken, en nog dienzelfden dag terugkeeren!"

"Het overige van den dag ging zeer kalm voorbij; sommigen zaten zich in de zon te warmen; anderen maakten schetsjes of zochten fragmenten van steenen bijeen; de prachtige zonsondergang beloofde voor morgen een heerlijken dag, en tevreden en opgewekt begaven wij ons in de tent, waar wij de noodige toebereidselen maakten voor ons nachtverblijf. Hudson zette thee; ik maakte koffie klaar; vervolgens wikkelde ieder van ons zich in zijn reisdeken. Lord Francis Douglas en ik sliepen in de tent met de Taugwalders; de anderen brachten liever in de open lucht den nacht door. Nog lang nadat de avond was gedaald, weerkaatsten de echo's der bergen ons vroolijk gelach en het gezang der gidsen. Geen enkel gevaar was te duchten; wij gevoelden ons allen zoo veilig en zoo blijde mogelijk.

"Den 14den waren wij reeds vóór het krieken van den morgen op de been, en zoodra het licht genoeg geworden was om de richting te kunnen onderscheiden, begaven wij ons op weg. De jonge Pieter Taugwalder ging als gids met ons mede, terwijl zijn broeder naar Zermatt terugkeerde. Dezelfde richting volgende, die de beide gidsen den vorigen dag hadden ingeslagen, bevonden wij ons weldra aan gene zijde der uitspringende rots, die, zoo lang wij bij de tent waren, ons het gezicht op de oostelijke berghelling belette. Eerst toen overzagen wij met een enkelen blik die geweldige piramide, die zich als een reusachtige, door de natuur gevormde trap, ter hoogte van omstreeks duizend el, voor onze oogen verhief. Zij was lang niet overal even gemakkelijk genaakbaar, maar wij ontmoetten toch geen moeilijkheden van zoo ernstigen aard, dat zij ons konden tegenhouden; als zich een onoverkomelijke hinderpaal op onzen weg opdeed, dan was het ons toch altijd mogelijk, door rechts of links uit te wijken, die belemmering te overwinnen. Gedurende het grootste gedeelte van deze beklimming behoefden wij niet eens van de touwen gebruik te maken. Hudson en ik gingen beurtelings voorop aan het hoofd van den stoet. Twintig minuten over zessen hadden wij eene hoogte bereikt van drieduizend-negenhonderd el; wij namen een half uur rust, daarop begonnen wij weder te klauteren, en gingen zonder ophouden daarmede voort tot vijf minuten voor tienen; wij hielden toen een tweede halt van vijftig minuten, op eene hoogte van vierduizend-tweehonderd-zeventig el. Tweemaal moesten wij overgaan op de noordoostelijke kam, die wij een klein eind weegs volgden; maar zonder dat die verandering ons eenig voordeel bracht, want deze kam was veel minder stevig, veel steiler en altijd moeilijker te beklimmen dan de oostelijke helling. Uit vrees voor de steenlawinen evenwel, droegen wij zorg ons niet te ver van die kam te verwijderen.

"Wij waren nu aan den voet gekomen van dat gedeelte van den Matterhorn, dat, van den Riffelberg of van Zermatt gezien, volkomen loodrecht schijnt en zelfs over het dal schijnt heen te hangen; het was ons nu ook verder onmogelijk, langs de oostelijke helling naar boven te klimmen. Gedurende eenigen tijd moesten wij, de sneeuw volgende, tegen de helling opklauteren, die naar de zijde van Zermatt afdaalt; daarop wendden wij ons met algemeen goedvinden weder rechts, dat wil zeggen, naar de zuidelijke flank van den berg. Wij hadden toen in de orde van den tocht eenige verandering gebracht. Croz liep aan het hoofd der kolonne; ik volgde hem; Hudson kwam achter mij; Hadow en de oude Taugwalder vormden de achterhoede. "Nu, zeide Croz, terwijl hij zich in beweging stelde, zal het anders gaan worden." Naarmate de moeilijkheden van ernstiger aard werden, werd het noodig de meest mogelijke voorzorgen te nemen. Op sommige plaatsen was ter nauwernood eenig steunpunt te vinden: het was dus raadzaam dat zij, wier tred de meeste vastheid had, vooraan gingen. De helling van dezen bergwand bedroeg over het algemeen nog geen veertig graden; de sneeuw, die zich hier had opgehoopt, had de gaten en spleten der rotsen geheel gevuld; de rotspunten, die hier en daar boven de sneeuw uitstaken, waren somwijlen overdekt met eene dunne ijskorst, gevormd door de sneeuw, die gesmolten en bijna onmiddellijk weder bevroren was. Het was, maar op kleiner schaal, hetzelfde verschijnsel als bij de laatste tweehonderd-vijftien el van den top der Pointe des Ecrins; met dit belangrijke verschil echter, dat de bergwand van de Ecrins eene helling heeft van meer dan vijftig graden, terwijl de helling van den Matterhorn ter nauwernood veertig graden bedraagt. De beklimming was niet bijzonder gevaarlijk voor een ervaren bergreiziger. De heer Hudson had niemands hulp noodig, zoo als hij trouwens op de geheele reis geene ondersteuning behoefde. Meermalen reikte Croz mij de hand, om mij op moeilijke plaatsen te helpen; mij omwendende, bood ik dan den heer Hudson mijne hand aan; maar hij nam die hand nooit aan, zeggende, dat het niet noodig was. De heer Hadow was aan dergelijke expeditiën niet gewoon: het was dan ook telkens noodig, hem te hulp te komen. Maar de moeilijkheid, die hij op sommige punten ondervond, was niet zoozeer een gevolg van de gesteldheid des bergs, maar enkel en alleen van zijne onervarenheid.

"Dit eenige wezenlijk moeilijk te bestijgen gedeelte der berghelling was daarbij niet bijzonder uitgestrekt: naar mijne schatting hadden wij daarvoor niet meer dan anderhalf uur noodig. Eerst gingen wij, over een lengte van omstreeks honderdtwintig el, in schier horizontale richting voort; vervolgens klommen wij rechtstreeks naar den top, over eene lengte van ongeveer twintig el; toen moesten wij terugkeeren naar de rotskam, die naar Zermatt afdaalt. Een lange en moeilijke omweg, dien wij moesten maken om langs eene uitspringende rots heen te komen, bracht ons op de sneeuw terug. Maar nu was ook de laatste twijfel aan den goeden uitslag verdwenen. Nog slechts zestig ellen van gemakkelijk te beklimmen sneeuw, en de Matterhorn was ons!

"Keeren wij even in gedachten terug naar de Italianen, die den 11den Juli van Breuil vertrokken waren. Vier dagen waren sedert hun vertrek verloopen, en wij vreesden dat zij nog vóór ons den top zouden bereiken. Gedurende den ganschen tocht waren zij telkens het onderwerp van ons gesprek geweest; en meermalen hadden wij ons verbeeld, menschen op den top des bergs te zien. Dat was tot dusver zinsbedrog geweest; maar toch nam, naarmate wij hooger klommen, onze spanning toe. Indien ons eens op het laatste oogenblik de prijs werd afgewonnen! Daar de helling minder steil werd, kon het touw, dat ons samenbond, worden losgemaakt: Croz en ik stormden dadelijk vooruit, in een dollen wedloop, die daarmede eindigde dat wij beiden, naast elkander loopende, te gelijker tijd op dezelfde plaats aankwamen. Des namiddags, tien minuten over half twee, lag de wereld aan onze voeten: de onverwinnelijke Matterhorn was overwonnen! Hoezee! geen spoor van voetstap was in de ongerepte sneeuw te bespeuren!

"En toch--waren wij wel zeker van de overwinning?

"De top van den Matterhorn bestaat uit eene slecht geëffende kam van eene lengte van ongeveer honderdzeven ellen; misschien waren de Italianen aan het andere uiteinde aangeland? Ik spoedde mij dus naar de zuidelijke punt, met scherpen blik de sneeuw onderzoekende. Nog eens hoezee! geen menschelijke voet had dit sneeuwveld betreden!

"Waar konden onze mededingers thans wel zijn? Ik keek, mij voorover buigende, over den rand der rotsen heen, verdeeld tusschen twijfel en zekerheid. Aanstonds werd ik hen gewaar, ver in de diepte beneden ons: niet dan met moeite waren zij met het bloote oog te ontdekken. Ik zwaaide met mijne armen en mijn hoed, en begon uit alle macht te schreeuwen:

"Croz! Croz! kom, kom gauw!

--Waar zijn zij, mijnheer?

--Dáár, ziet ge ze niet, dáár, beneden?

--Ah! de gauwdieven! zij zijn nog op verren afstand.

--Croz, zij moeten ons geroep kunnen hooren en onze zegepraal vernemen!"

"Wij schreeuwden dus zoo luid wij konden, tot ons de stem begaf. De Italianen schenen naar onzen kant te zien, maar wij konden dit niet met zekerheid uitmaken.--"Croz, ik wil dat zij ons hooren! zij moeten ons hooren!" Toen een rotsblok aanvattende, rolde ik het uit al mijne macht naar de diepte, en noodigde mijn metgezel uit hetzelfde te doen. Met behulp van onze stokken, die wij als hefboomen gebruikten, tilden wij zware rotsblokken op, en weldra ratelde een vloed van steenen, als een vreeselijke lawine, met donderend geweld naar beneden. Ditmaal was geene vergissing mogelijk. De verschrikte Italianen namen haastig de vlucht.

"En toch speet het mij inderdaad, dat de leider van deze expeditie op dat oogenblik niet bij ons was, want onze zegekreten moesten hem wel smartelijk in de ooren klinken. De vurigste wensch van zijn geheele leven, het groote doel zijner eerzucht, ontging hem, juist op het oogenblik der vervulling, door onze overwinning. Van alle moedige bergreizigers, die de beklimming van den Matterhorn hadden beproefd, had er zeker niemand meer dan hij recht op, het eerst den top te bereiken. Hij was de eerste, die vast aan de mogelijkheid van het welslagen der onderneming had geloofd, en die steeds, ondanks tegenspraak van alle zijden, bij zijne overtuiging had volhard. Het was zijn wensch, den top te bereiken langs de helling aan de zijde van Italië, ter eere van de vallei, waar hij geboren werd. Eens had hij alle troeven in de hand; hij speelde zoo goed hij kon, maar een enkele fout deed hem het spel verliezen. De tijden zijn sedert veranderd voor Carrel. Zijne meerderheid, waaraan vroeger niemand twijfelde, wordt thans in Val Tournanche ernstig betwist; nieuwe gidsen hebben proeven van hunne bekwaamheid afgelegd: men beschouwt hem niet meer als den jager bij uitnemendheid. Wat mij betreft, voor mij zal hij altijd blijven wat hij heden is; men zal niet licht zijn meerdere vinden.

"Mijne vrienden hadden zich bij ons gevoegd, en wij keerden naar het noordelijk uiteinde van den top terug. Croz greep den stok van de tent, dien de gidsen bij ons vertrek hadden medegenomen, en plantte dien op het hoogste punt, in de sneeuw.

"Goed, zeiden wij: daar is de vlaggestok, maar waar is de vlag?

--Hier, antwoordde hij, zijn kiel uittrekkende, die hij aan de stok bond.

"Dat was een armzalige vlag, en geen enkel zuchtje deed dat dundoek wapperen: toch zag men dit teeken alom in het ronde,--te Zermatt,--op den Riffel--in Val Tournanche. Ook te Breuil waren veler oogen op den top gevestigd, om de verschijning der gidsen waar te nemen: toen men deze vlag zag opsteken, begonnen de lieden daar verheugd te roepen: "De overwinning is aan ons!" De bravoos voor Carrel en de vivats voor Italië weerklonken van alle kanten; ieder haastte zich, de groote gebeurtenis te vieren. Niet lang mocht deze vreugde duren. Alles bleek geheel anders; de gidsen keerden terug, ontstemd, ontmoedigd, vol schaamte en spijt.--"Het is maar al te waar, zeiden zij; wij hebben ze met onze eigen oogen gezien, zij hebben steenen op ons doen afrollen! De oude overlevering is waar: de top van den Mont-Cervin wordt door geesten bewaakt!"

