De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Part 13

Chapter 13 3,644 words Public domain Markdown

Onder de drie-en-vijftig aanhangers van Kellogg bevinden zich acht-en-twintig negers, bijna allen gewezen slaven, die vroeger op de rijstvelden en de katoenplantages hebben gearbeid. Enkelen hunner kunnen drukwerk lezen en hun naam krabbelen; de meesten kunnen noch het een noch het ander; terwijl hoogstens vier of vijf in staat zijn hunne gedachten in verstaanbaar engelsch uit te drukken. Bijna allen zijn zoo arm en onwetend, zoo opgeblazen ijdel en zoo onzinnig dom, dat Kellogg hen niet zonder opzicht op straat en in de herbergen durft vertrouwen. Nieuw-Orleans, eene vroolijke en luidruchtige stad, is vol herbergen, kroegen en speelhuizen, waar lieden als Pinchback hun leerjaren doorbrengen. Deze kroegen en speelhuizen oefenen eene wondere aantrekkingskracht uit op Mozes en Peter, negers, zoo pas van de katoenvelden ontslagen, en zeer begeerig om in eene groote stad van hunne nieuwe vrijheid te genieten. Spionnen brengen op het Kapitool de onrustwekkende tijding, dat de negers-senatoren en afgevaardigden in handen dreigen te vallen van slimme en weinig nauwgezette lieden; Cousins, de negers-afgevaardigde voor St. Tammany is, naar men zegt, reeds in de straat opgelicht en weggevoerd. Zijne stem is verloren--een revanche voor den ontrouwen conservatief. Andere negers verteren en verdobbelen hun geld in de kroegen en drinken zich dronken.

Kellogg begreep dat het hoog tijd word om te handelen.

Hij liet timmerlieden en logementhouders komen, en gelastte hun, het Kapitool in eene vesting en een hotel te herscheppen. Het Kapitool--een groot en fraai gebouw, aan den hoek van de straat Saint-Louis en de Koningsstraat--was oorspronkelijk een hotel, dat den naam droeg van het hotel Saint-Louis, naar den koninklijken grondlegger der volkplantingen in Louisiana. De straat Saint-Louis en de Koningsstraat doorsnijden rechthoekig het oude fransche kwartier. Dit gedeelte van Nieuw-Orleans, met zijn balkons, zijn groene zonneblinden, zijn hooge koetspoorten, zijn binnenplaatsen,--waarop waterkommen en bakken met oleanders de plaats vervullen van fonteinen en tuinen,--draagt een eigenaardig karakter. Tegenwoordig is het stil en verlaten, het leven en de beweging van den handel hebben zich sinds lang naar elders verplaatst. Maar vroeger was deze wijk de fatsoenlijke buurt bij uitnemendheid, waar de dames op de wandeling al hare bekoorlijkheden ten toon spreidden, waar duellisten elkander ontmoetten, en waar de regeerings-personen hunne woningen hadden. Sedert is de mode veranderd: tegenwoordig gaat men in het hotel Saint-Charles logeeren. Het vroeger zoo aanzienlijke hotel is nu het Statenhuis; de eene vleugel van het oude logement bevat de bureaux der uitvoerende macht; een voormalige eetzaal dient voor de zittingen der Kamer.

Op last van Kellogg worden nu planken voor de deuren en vensters gespijkerd en met ijzeren bouten bevestigd. In de straat Saint-Louis worden barrikaden opgeworpen, en de hoofdingang van het hotel wordt gesloten; slechts eene enkele deur, een achterdeur in de Koningsstraat uitkomende, blijft opengelaten. Van binnen en van buiten wordt het Statenhuis in behoorlijken staat van verdediging gebracht, om des noods een bestorming te kunnen doorstaan. Veertig zwarte policie-agenten, met knuppels en revolvers gewapend, bezetten het voorhuis, terwijl anderen op de trappen en in de gangen post vatten. Geweren staan langs de muren geschaard; een zekere generaal Campbell, een voormalig zuidelijk officier nu tot de partij der scalawags overgeloopen, wordt met de verdediging belast. Op de binnenplaats worden levensmiddelen saamgebracht, voldoende voor een beleg van twintig dagen: ingelegde vruchten, gedroogde visch, gezouten vleesch, whisky, tabak, bier. Er wordt eene cantine geopend, en de noodige spuwbakken geplaatst. Honderd matrassen, uit de kazernen gehaald, worden in de gangen en portalen nedergelegd. Het avondmaal wordt gereed gemaakt, en kistjes sigaren ter beschikking gesteld. Toen nu alles klaar was, zond Kellogg zijne spionnen en agenten uit, om de negers-afgevaardigden op te zoeken en hen uit te noodigen in het Statenhuis te komen rooken, eten, drinken en slapen, ten einde tijdig gereed te zijn voor den arbeid van den volgenden dag.

Een honderdtal personen, Kamerleden, schuimloopers, policie-agenten en dergelijke lieden, waarvan vijf op de zes kleurlingen, brachten den Zondagnacht in Kelloggs cantine door, onophoudelijk whisky drinkende en liederlijke liedjes uitgalmende. Den geheelen nacht houden Kelloggs ambtenaren zich gereed om, zoodra door een of ander toeval het getal tegenwoordige leden de wettige meerderheid van zes-en-vijftig mocht bereiken, aanstonds appel nominaal te houden en de Kamer te constitueeren. Het is een roekeloos spel, maar lieden als Kellogg, eens tot het uiterste gedreven, volgen meermalen blindelings hunne dolzinnigste ingevingen. Als men het zoo ver kan brengen dat een bureau kan worden samengesteld, dan zal men wel middelen weten te vinden om de kleine conservatieve meerderheid onschadelijk te maken. William Vigers, griffier der vorige Kamer en kandidaat voor de nieuwe, wacht in de voorkamer van Kellogg, met de officiëele naamlijst bij zich. Michael Hahn, een advokaat, dien de republikeinsche partij tot voorzitter wilde benoemen, zit in Kelloggs kabinet. De scalawags wantrouwen Michael Hahn, omdat hij zich nog eenigermate gebonden rekende door de wet; maar hun partij was veel te arm aan rechtsgeleerden, om hem voorbij te kunnen gaan. Wien zullen zij anders tegenover Louis A. Wiltz, den conservatieven kandidaat, stellen? Eenige leden willen een neger op den voorzittersstoel plaatsen. Anderen, door den drank opgewonden, roepen dat men Kellogg moet afzetten en Pinch in zijne plaats benoemen.

"De ouwe Pinch een echte neger!" schreeuwt een van zijn dronken aanhangers.

"Dat's waar," stottert een ander, niet minder beschonken. "Pinch echte neger. Hoera voor Pinch!"

Pinchback bevond zich in het kabinet van Kellogg, met Hahn en Campbell, wachtende op een gunstig toeval. Als maar zes of zeven conservatieven, door nieuwsgierigheid gedreven, het Kapitool binnen traden, zou de wettig vereischte meerderheid tegenwoordig zijn; men kon dan dadelijk appel nominaal houden, de vergadering openen, Hahn tot president en Vigers tot griffier benoemen.

Nu en dan treden werkelijk eenige aanhangers van Warmoth de zaal in,--zoo zij zeggen, om een kijkje te nemen en een glas te drinken, waarna zij weer heengaan. Pinch houdt deze bezoekers nauwkeurig in het oog. Op een gegeven oogenblik telt hij inderdaad vijf-en-vijftig leden in de cantine. Dadelijk belegt hij eene voorloopige vergadering en opent de beraadslagingen; maar wat hij ook doe, zelfs de geniale Pinch kan geene minderheid van vijf-en-vijftig veranderen in eene wettige meerderheid van zes-en-vijftig.

Er moesten meer afdoende maatregelen worden genomen. Een honderdtal manschappen van de zwarte milicie trekken het Kapitool binnen en worden onder de bevelen gesteld van generaal Campbell. Men roept de hulp in der federale officieren, en ondanks de jongste berisping van den President, wordt die hulp bereidwillig verleend, niet alleen door de landmacht, maar ook door de vloot.

Generaal Emory had zijn intrek genomen in het douane-kantoor. Hij laat zijn drie veldstukken in batterij brengen, en een eskadron kavallerie onder de wapenen komen. Zijn onderbevelhebber, generaal De Trobriand, krijgt last, om bij het aanbreken van den dag de Koningsstraat te gaan bezetten. De federale vlootvoogd laat zijne schepen zoodanig positie innemen, dat hun vuur de kaaien bestrijkt en de Kanaalstraat kan schoonvegen. Bovendien wordt eene afdeeling mariniers in gereedheid gehouden om aan wal te gaan.

Sheridan blijft inmiddels rustig in zijn hotel. Conservatieve spionnen, naar de Rotonde gekomen om zijne bewegingen gade te slaan, vinden hem, als naar gewoonte, op en neder kuierende, zijn sigaar rookende, en met de officieren van zijn staf schertsende, alsof hetgeen op het Kapitool en in de arsenalen voorviel, hem niet meer aanging dan eenig anderen gast in het hotel.

De dagen van het carnaval naderen. De komst van "Koning Carnaval" wordt aangekondigd; en schrijvers in satirieke bladen--wier aantal te Nieuw-Orleans zeer groot is--verzekeren spottend dat niemand anders dan "Koning Philip" de verwachte potentaat is, voorloopig nog incognito.

Sheridan lacht er om en rookt maar altijd door zijn sigaar.

(Wordt vervolgd.)

Uit het dagboek van een Alpenbeklimmer.

(Vervolg van bladz. 15).

II.

Onder de Alpentoppen, die, als nog nimmer door eens menschen voet betreden, den heer Whymper bijzonder aantrokken, was er geen, waarvan de bestijging vuriger door hem werd gewenscht dan de Matterhorn of Mont-Cervin. De beklimming van dien berg, hoezeer dikwerf beproefd door de bekwaamste gidsen en de onverschrokkenste reizigers, was tot dusver altijd mislukt. Zij ging dan ook inderdaad met schier onoverkomelijke zwarigheden gepaard. Eerst na zeven vergeefsche pogingen mocht het den heer Whymper, bij een achtsten tocht, gelukken, den top te bereiken. Doch, helaas! die groote overwinning werd tot een duren prijs gekocht. De beste Alpengids en drie der reisgenooten van den heer Whymper verloren op den terugtocht het leven. Bij het afdalen van den berg, stortten zij, van eene hoogte van ruim duizend el, op den gletscher van den Matterhorn neder.

De Mont-Cervin is buiten kijf de merkwaardigste berg van de geheele Alpenketen, ja misschien van de geheele aarde. De afbeelding op bladz: 80 geeft, beter dan eene beschrijving doen kan, een zeer juist denkbeeld van die reusachtige obelisk van graniet, die zich ter hoogte van 4432 el verheft aan het westelijk uiteinde van de vallei van Zermatt, tusschen de geweldige groep van den Mont-Rose ten oosten, de Dent d'Hérens (4180 el) en de Tête-Blanche (3750 el) ten westen, en de Dent-Blanche (4364 el) ten noorden, juist op de grenzen van Zwitserland en Italië. De bijkans loodrechte rotswanden stijgen ter hoogte van 1600 of 1700 el boven de omringende gletschers op.

"De Matterhorn, zegt de heer Giordano, hoofdingeneur der mijnen in Italië, bestaat van de basis tot den top, uit vrij regelmatig gevormde rotslagen, die allen een weinig naar het oosten, dat wil zeggen naar den Mont-Rose, oploopen. Deze rotsen, hoewel blijkbaar van sedimentairen oorsprong, hebben eene zeer sterk uitkomende kristalvormige gedaante, zoo als in dit gedeelte der Alpen meermalen het geval is.

"De tegenwoordige piek is slechts het overblijfsel eener vroegere, geologische formatie, waarvan de geweldige lagen van drieduizend-vijfhonderd el, even als een onmetelijke mantel, de groote granietmassa van den Mont-Rose omhulden. De eigenaardige geologische samenstelling van den berg is voor een deel de oorzaak van den scherpen vorm en de piramidale gedaante van den top, waarover de reizigers zich zoo zeer verbazen. De gletschers, die zich aan den voet dezer piramide bevinden, voeren voortdurend de afvallende steenen en blokken weg; zonder hen, zou de wonderbare obelisk wellicht reeds onder hare eigene puinhoopen begraven zijn."

De eerste pogingen om den Mont-Cervin te beklimmen, werden in de jaren 1858 en 1859 beproefd. Eenige moedige gidsen of liever jagers van Val Tournanche trachtten, van de zijde van Breuil, den berg te bestijgen. Dit waren Jean-Antoine Carrel, Jean-Jacques Carrel, Victor Carrel, de abt Garet en Gabrielle Maquignaz. Het eenige wat men van hunne expeditiën weet, is dat zij het punt bereikten, tegenwoordig onder den naam van den Schoorsteen bekend, ter hoogte van ongeveer 3860 el.

In 1860 waagden de heeren Alfred, Charles en Sandbach Parker, van Liverpool, andermaal eene poging om den Matterhorn aan de oostelijke zijde te beklimmen. Zij hadden geen gidsen bij zich. Zware wolken, hevige wind en gebrek aan tijd noodzaakten hen nog dien eigen avond naar Zermatt terug te keeren, van waar zij des morgens vertrokken waren. Zij hadden slechts eene hoogte van 3650 el bereikt.

De derde poging werd beproefd in de laatste dagen vau Augustus 1860. De heer Vaughan Hawkins vertrok toen van Val Tournanche, met de gidsen Bennen en J. Jacques Carrel. De heer Tyndall vergezelde hem. Hij hield met Carrel stil op honderd el boven den Schoorsteen: Bennen en de heer Tyndall stegen nog ongeveer twintig el hooger, maar zagen zich toen ook genoodzaakt terug te keeren.

In 1861 hernieuwden de heeren Parker de gevaarlijke onderneming. Even als den vorigen keer, was ook ditmaal Zermatt hun punt van uitgang. Doch, ook even als den vorigen keer, waren thans wederom al hunne pogingen tot vermeestering der onbedwingbare veste ijdel.

Op den 28sten Augustus van datzelfde jaar kwam de heer Whymper te Breuil. Hij vernam daar, dat de heer Tyndall er een paar dagen had doorgebracht, maar geene nieuwe poging had gewaagd. Vast besloten, het gevaarlijke avontuur te beproeven, begreep Whymper dat een enkele dag voor een dergelijken tocht te kort was. Hij klom dus, vergezeld van slechts één gids, in den namiddag tot aan den Col du Lion, en sloeg daar zijn tent op. De nacht was zeer koud. Het water bevroor in een flesch, onder zijn hoofdpeluw geplaatst. Den geheelen nacht door vielen rotsblokken rondom de tent naar beneden, gelukkig zonder schade te veroorzaken. Zoodra de dag aanbrak, begon de heer Whymper langs de zuidwestelijke helling naar boven te klauteren. Binnen een uur bereikte hij den Schoorsteen. Daar weigerde zijn gids, wiens naam hij verzwijgt, verder mede te gaan, zoodat hij genoodzaakt was de onderneming op te geven en naar Breuil terug te keeren.

De heer Kennedy van Leeds verbeeldde zich, dat de bestijging van den Matterhorn in den winter minder bezwaar zou opleveren dan in den zomer. Mitsdien begaf hij zich in Januari 1862 naar Zermatt, om dat zeker zeer zonderlinge denkbeeld in praktijk te brengen. Hij bracht, daags na zijne komst, den nacht door in de kapel van Schwarzsee, in gezelschap van Pieter Pernn en Pieter Taugwalder; en bij het eerste morgenkrieken begon hij, op het voetspoor van de heeren Parker, de rotskam tusschen den Hörnli en den Matterhorn te beklimmen. Maar nadat hij, ter hoogte van 3298 el, eene kleine steenen piramide van twee el hoog had opgericht, zag hij zich door de sneeuw, de koude en den wind gedwongen zoo spoedig mogelijk den terugtocht aan te nemen en naar Zermatt weder te keeren.

De heer Whymper besteedde dien zelfden winter aan de vervaardiging van eene nieuwe tent, veel beter en doelmatiger ingericht dan die, waarin hij aan den col du Lion den nacht had doorgebracht. Vervolgens begaf hij zich weder op reis, en verscheen in de eerste dagen van Juli 1863 te Breuil. Den 7den vertrok hij van daar, om, met den heer Macdonald en drie gidsen, wien hij den weg zou wijzen, Jan Tangwalder, Jan Kronig van Zermatt en Luc Meynet, de eerste hellingen van den Matterhorn te bestijgen. Hij vergiste zich echter in de richting; toen hij zijne dwaling bemerkte, werd hij tevens gewaar dat hij, zonder het te weten, den kleinen bergtop had bestegen, die zich boven den col du Lion verheft. Het bovenste gedeelte van dien top biedt geen vast steunpunt aan; de rotsen zijn hier op verschillende plaatsen met een laag zeer glad ijs overdekt. Kronig deed een val, waarbij hij gelukkig met den schrik vrijkwam, maar die zeer licht doodelijk had kunnen worden. Eindelijk bereikte men, na veel moeite en niet zonder ernstig gevaar, den col du Lion, waar de tent werd opgeslagen. Maar de scherpe oostenwind, die den geheelen nacht met toenemende hevigheid had gewaaid, ging allengs in een orkaan over. Groote massaas steenen rolden van alle kanten naar beneden; de koude werd haast onuitstaanbaar. De drie gidsen verklaarden op den meest stelligen toon, dat zij niet verder wilden gaan; en om half drie in den namiddag keerde de heer Whymper te Breuil terug, zeer ter neer geslagen door den slechten uitslag dezer nieuwe proefneming.

Toch gaf hij den moed nog niet op: reeds den 9den Juli klom hij met zijn vriend Macdonald, Jean-Antoine Carrel en Pession, nogmaals naar den col du Lion. Het was heerlijk schoon weer. Volgens den raad vau Carrel, werd het bivouak voor den nacht opgeslagen aan den voet van den Schoorsteen, op de oostelijke zijde der berghelling, ter hoogte van 3825 el. Den volgenden morgen beklommen Carrel en de heeren Macdonald en Whymper, zonder te groote inspanning, dien zoogenaamden Schoorsteen: Pession volgde hen, maar aan het boveneinde gekomen, verklaarde hij zich te ziek te gevoelen om nog hooger te kunnen klimmen. Carrel wilde zonder zijn vriend niet verder gaan. De heer Macdonald wilde den tocht zonder de beide gidsen voortzetten, maar de heer Whymper achtte het voorzichtiger, in 's hemels naam naar Breuil terug te keeren.

"Drie malen, zoo zegt hij, had ik gepoogd dien berg te beklimmen, en drie malen had ik met schande moeten terugkeeren. De grens, door mijn voorgangers bereikt, was ook door mij niet noemenswaard overschreden: ik was geen el hooger gestegen dan zij. Tot op eene hoogte van ongeveer 4000 el, bood de bestijging geene buitengewone moeilijkheden aan; die reis kon bijna voor een pleiziertochtje gelden. Er bleven dus slechts 500 el te beklimmen over; maar geen menschelijke voet had nog ooit dit gedeelte des bergs betreden, en hier waren de geduchtste hinderpalen en moeilijkheden te wachten, Er viel niet aan te denken, om alleen en onverzeld den top te bereiken.... Om sommige gevaarlijke punten te kunnen passeeren, waren er minstens drie mannen noodig, volgens Carrel zelfs vier. Waar zou men die twee of drie onontbeerlijke gidsen kunnen vinden? De grootste moeilijkheid lag niet in den berg, maar in het gebrek aan geschikte manschappen."

De heer Whymper begaf zich naar Zermatt, om daar de mannen te zoeken, die hij noodig had; maar hij vond ze niet, en ondernam nu de beklimming van den Mont-Rose. Te Breuil teruggekeerd, trachtte hij, doch te vergeefs, Carrel en Meynet te bewegen, hem op den tocht naar den Matterhorn te vergezellen. Vreezende dat zijne tent, die op het tweede platform was blijven staan, door den wind zou worden medegevoerd, ging hij den 18den Juli alleen op weg, om te zien wat er van haar geworden was. De tent stond nog op dezelfde plaats, maar was geheel met sneeuw overdekt. Na het prachtige panorama, dat zich voor zijne oogen ontrolde, bewonderd te hebben, bracht hij zijne tent, waarin hij nog eenige levensmiddelen vond, weer in orde, en besloot alleen op den berg te overnachten.

Den volgenden morgen begon hij op nieuw te klimmen, om zoo mogelijk een hooger terras of platform te bereiken. Niet zonder veel moeite, bracht hij het tot aan den voet van den Grooten-Toren, het hoogste punt, dat de heer Hawkins in 1860 bereikt had. "De Groote-Toren, zegt hij, is eene van de merkwaardigheden van de Matterhorngroep. Hij gelijkt in voorkomen op een middeleeuwschen wachttoren, zoo als men dien aan de hoeken van feodale burchten ziet. Van den col Saint-Théodule gezien, schijnt de Toren van weinig beteekenis; maar naarmate men dichter bij komt, neemt hij in omvang toe, en als men zijn voet bereikt heeft, onttrekt hij het geheele bovengedeelte van den berg aan het oog. Ik vond daar, om mijne tent op te slaan, eene geschikte plaats, die, hoewel minder gedekt dan het tweede platform, boven dit het voordeel had, honderd el hooger te liggen."

Na een merkwaardig uitstapje achter den Grooten Toren gemaakt te hebben, besloot de heer Whymper terug te keeren, daar het blijkbaar onmogelijk was, alleen de beklimming voort te zetten. Hij hield zich overtuigd dat hij, zonder iemands hulp, tot eene hoogte was opgestegen, nog door geen zijner voorgangers bereikt. "Mijne vreugde, zegt hij, was ietwat voorbarig.

"Tegen vijf uur in den avond verliet ik andermaal de tent, en ik waande mij reeds goed en wel in Breuil teruggekeerd. Met mijn touw en mijn haak had ik tot dusver alle moeilijkheden kunnen overwinnen. Ik daalde den Schoorsteen af, waarbij ik het touw aan een rots vastmaakte, en mij daarlangs naar beneden liet glijden; ik sneed vervolgens het touw door en liet het hangen; het overschietende dacht mij genoeg. Mijne bijl was mij bij de afdaling zeer hinderlijk geweest; ik had haar mitsdien in de tent achtergelaten. Het was een oude enterbijl, die niet aan den met ijzer beslagen stok vastzat. Als ik met de bijl gaten in de sneeuw hakte om naar boven te klimmen, sleepte mijn stok, aan het touw vastgemaakt, mij achterna; bij het opklimmen stak ik mijn bijl achter mij in het touw, dat om mijn middel gebonden was, zoodat zij mij niet kon hinderen; maar bij het afdalen, als ik met den rug naar de rotsen gewend stond (hetgeen altijd is aan te raden, als het eenigszins mogelijk is), gebeurde het meermalen dat de bijl of de steel bleef haken aan de uitstekende punten en oneffenheden van den rotswand, en reeds meermalen had de onverwachte schok mij bijna doen vallen. Ik liet dus mijn bijl in de tent, hetzij om dit gevaar te vermijden, hetzij uit vadsigheid. Die onvoorzichtigheid kwam mij duur te staan.

"Ik had den col du Lion reeds achter mij, en vijftig ellen lager zou ik den Grooten Trap vinden, dien men in een draf kan afgaan. Maar aan een hoek der groote steile rotsen van de Tête du Lion gekomen, bemerkte ik, terwijl ik voortging langs het bovenste gedeelte der sneeuwlaag, die tegen deze rotsen leunt, dat de warmte van de laatste twee dagen bijna geheel de gaten had doen verdwijnen, die ik in de sneeuw had gehakt om naar boven te klauteren. De rotsen waren op dit punt volstrekt ongenaakbaar; er schoot dus niets anders over, dan nieuwe gaten in het ijs te steken. De sneeuw was te hard om mij daarin een pad te kunnen openen, en bij den hoek, waar ik mij bevond, was niets dan ijs te ontdekken: een half dozijn treden waren echter voldoende om mij op de naakte rotsen te brengen, waar ik vasten voet vinden kon. Mij met de rechterhand aan de rots vastklemmende, boorde ik met de punt van mijn stok gaten in het ijs, totdat ik een voldoend pad gemaakt had; toen plaatste ik mij tegen den hoek der rots, om aan de andere zijde hetzelfde werk te volvoeren. Tot dusver ging alles goed, maar toen ik dien hoek wilde omslaan--ik kan nog niet zeggen hoe het eigenlijk kwam--gleed ik uit, en stortte in den afgrond.

"De zeer steile helling vormde den eenen wand van een spleet, die tusschen twee uitstekende rotsen afdaalde naar den gletscher du Lion, die beneden ter diepte van 300 el zichtbaar was. Deze spleet werd hoe langer hoe nauwer, en was eindelijk niet meer dan een dunne draad van sneeuw, ingesloten tusschen twee rotswanden, die eensklaps afbraken boven een gapenden afgrond, tusschen het benedeneinde der spleet en den gletscher. Men denke zich een trechter, over de lengte midden doorgesneden, en met eene helling van 45° geplaatst, met de punt naar beneden, en men zal eene getrouwe voorstelling hebben van de plek, waar ik het evenwicht verloor.