De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Part 10
--Kunt gij mij dan ook zeggen wat hij met de Indianen doen wil? Ik ben geboortig uit Texas, en vertegenwoordig de Spread Eayle (Zwevende Arend.) Gij hebt toch wel gehoord van de Spread Eagle?--Niet? Dat is vreemd!--Wel, ik ben naar het Oosten gekomen om te onderzoeken wat de President zich voorstelt te doen met het indiaansche grondgebied. Als hij het land wil openstellen, wij staan gereed voor de deur. Geheel Denison zal de Red-River oversteken; Caddo ligt dichter bij Fort Sill dan Denison, en zou beter geschikt zijn als voorraadschuur en wapenplaats. Een paar woorden per telegraaf, zooals "Vooruit maar"--en binnen een week zijn er tienduizend man te Denison, te Caddo, te Limestone-Gap. Dat land, mijnheer, is de tuin van Amerika. Als Ulysses S. Grant ons maar een teeken wil geven, dan zal het niet lang meer duren of onze paarden staan aan de oevers van den Arkansas."
Ik vrees dat die journalist gelijk heeft. Vijf jaar nadat het indiaansche grondgebied voor het kapitaal en den arbeid der blanken zal geopend zijn--en dit moet eenmaal onvermijdelijk geschieden--zullen de Creeks en Cherokees in Oklahoma evenmin een duim gronds meer bezitten als thans in Massachusetts en New-York.
XVI.
De golf van Mexico.--Louisiana.
Met het aanbreken van den dag verlaten wij de haven van Galveston, en dra verliest zich ons vaartuig in een dichten, goudgelen nevel, die de lage kust van Saline-Pass en het omringende landschap aan onzen blik onttrekt. Zacht wiegelen wij op de lange golven van den Atlantischen-Oceaan. Een troep sneeuwvogels volgen fladderend ons spoor, en rijzen en dalen in hun bevallige vlucht om hunne prooi te grijpen. Over alles, menschen en dingen, ligt eene zekere tropische matheid uitgespreid.
Naarmate de zon zich boven de kimmen verheft, trekt de nevel weg; en door den doorzichtigen sluier heen, zien wij langs de kust rijen van cypressen en katoenboomen, waarvan de wortels zich verliezen in poelen en moerassen, en waarvan de takken zijn behangen met een vuile parasietplant, het akelige en onheilspellende dusgenoemde "spaansche mos".
Ons schip, tusschen Indianola in Texas en Brashear in Louisiana laveerende, vaart voorbij twee der rijke Golfstaten, en verbindt de haven van Galveston met den Mississippi en Nieuw-Orleans. Er zijn maar weinig inboorlingen, hetzij Mexikanen of Amerikanen, aan boord. De passagiers, zoowel als de bemanning, zijn voor het meerendeel Schotten en Engelschen; want de havens en binnensteden in Texas zijn bijna allen met engelsch geld gebouwd, en ook aanvankelijk door engelsche familiën bevolkt. Het is ook hier weder de oude geschiedenis. Wie stichtten de volkplantingen van Virginia en Massachusetts? Wie bevolkten Georgië, Pennsylvanië, Maryland? Wat de negentiende eeuw aanschouwt aan de golf van Mexiko, dat zag de zeventiende te Saint-Jamestown en Plymouth-Rock. Deze voortdurende toevoer uit het moederland is de voornaamste steun van het blanke Amerika. In eene eeuw is de blanke bevolking van Amerika, van omstreeks drie millioen, geklommen tot ruim dertig millioen. Wie kan zeggen, dat het zwarte ras, ook na zijne bevrijding, in gelijke mate zal vermenigvuldigen? Daar schijnt veeleer alle grond om het tegendeel aan te nemen. De blanken ontvangen voortdurend toevoer uit Europa; de negers daarentegen ontvangen geen toevoer uit Afrika. De eene macht wast telkens aan, de andere slinkt weg. En toch, wat noodlottigen, verderfelijken invloed oefent dit lagere en wegsmeltende element van het menschelijk geslacht hier niet uit! Geheel Amerika lijdt daardoor, in al zijne deelen; vandaar, verdeeldheid tusschen broeders en broeders, kamp tusschen Noord en Zuid, haat, verbittering en geweld. De geëmancipeerde neger is vooral geen minder geducht struikelblok, geen minder invretende kanker in het leven der republiek, dan weleer de negerslaaf.
De vraag:--"Wat moeten wij, bij de voortgaande ontwikkeling van vrijheid, verlichting en beschaving, aanvangen met die rassen, op onzen grond levende, en die ten aanzien van vrijheid, verlichting en beschaving toch op den allerlaagsten trap staan?"--deze vraag heeft bereids een derde deel van Amerika in het verderf gestort, en de volvoering der edele taak, door de engelsche pelgrimvaders aan de republiek nagelaten--de grondvesting van vrije staten in dit werelddeel--tot eene nog niet te berekenen toekomst verschoven.
"In het Zuiden geboren, en gewoon de slavernij te beschouwen als eene maatschappelijke en huiselijke instelling, ben ik steeds van meening geweest dat de slavenkwestie een voorbijgaand euvel was," zegt een medepassagier, nevens mij op het achterdek gezeten.
--Een voorbijgaand euvel? Meent gij dat die kwestie van zelve zou zijn opgelost?
--Ja, buiten eenigen twijfel.
--Zonder burgeroorlog?
--Ja zeker, zonder burgeroorlog. Ik ga verder. Als wij de kwestie in haar geheel beschouwen--dat wil zeggen, letten zoowel op den toestand van den vrijen neger als op dien van den slaaf;--dan beweer ik, dat het probleem, zonder den burgeroorlog, spoediger zou zijn opgelost. De Vereenigde-Staten zouden dan niet verdeeld en verscheurd zijn geworden door eene zwarte en eene blanke ligue. In vollen vrede, en door zedelijke middelen, zou de zedelijke emancipatie zijn tot stand gebracht, met medewerking van alle brave en weldenkende lieden. De militaire emancipatie overviel ons op het onverwachst, midden in een heftigen oorlog, en ontketende, in bitteren wrok, enkele van de snoodste hartstochten in het menschelijk hart. Wat heeft de oorlog uitgewerkt?
--Hij heeft de slavernij vernietigd.
--Pardon:--de oorlog heeft de vrijheid vernietigd. Waar is de republiek nu? Wat is er geworden van dat gemeenebest, het gedroomde ideaal van Franklin, door Washington ons nagelaten? Hebben wij het te zoeken in Nieuw-Orleans, in Vicksburg, in Richmond? Wat rest ons van onze zoo hoog geroemde plaatselijke autonomie, ons zelfbestuur, waarop wij zoo trotsch waren?"
Met het krieken van den dag uit mijn kooi springende, en door het venster mijner hut kijkende, zie ik in de verte eene strook lands, met een rij hooge boomen, behangen met het sombere, doodsche spaansche mos. Maar wat is dat? Een witte zandbank ligt bloot en droog onder de schroef der boot! Zitten wij aan den grond? Is die witte vogel daar eene kraan? Zijn wij inderdaad nog in zee?
Boven komende, zie ik dat wij door een kanaal stoomen, door middel van boomstammen-palissaden afgebakend. Dit kanaal, zeven mijlen lang en twaalf voet diep, loopt tusschen het eiland Marsh en de moerassen van Terre-Bonne, langs de oevers van de Atchafalaya. Op den oostelijken oever dier rivier ligt de haven van Brashear, die haar ontstaan en opkomst dankt aan de noodzakelijkheid om, na de kolonisatie van Texas, een korter en veiliger gemeenschap te openen tusschen Galveston en Nieuw-Orleans, dan de weg over Passe-à-Loutre. De reis werd daardoor voor de helft verkort. Per as en per boot kan men nu in iets meer dan vier-en-twintig uren van Galveston naar Nieuw-Orleans gaan.
Wij zijn te Brashear. Hebben wij hier land of water? Het is eene mengeling van modder en slijk, poelen en goten, slooten en grachten: een akelig ongezond moeras, een kweekplaats van de koorts, aan drie zijden door jungles en kreupelhout omgeven, waarin iedere boom met spaansch mos is overdekt. Dit spookachtige, muisgrauwe gewas hangt in webben en kluwen van alle takken.
"Let op deze plant, zeide mij een bewoner van Brashear, die mij de merkwaardigheden der plaats toonde. Zoodra gij haar ergens ontmoet--verwijder u dan, zoo snel uw paard loopen kan. Wij noemen haar koorts-mos. Haar tegenwoordigheid is een onfeilbaar teeken, dat de lucht vol is van miasmen en koorts.
--De plant schijnt toch zeer algemeen verspreid; ik heb haar overal langs de Golf ontmoet.
--Langs deze Golf zijn ziekte en dood ook zeer algemeen verspreid. Dit mos groeit in elk moeras en in elken poel, langs alle meeren en baaien. Gij vindt het in oostelijk Texas en zuidelijk Louisiana, in westelijk Florida, en langs de oevers der binnenwateren van Alabama."
Deze leelijke, walgelijke, stinkende woekerplant is zoo goed als onbruikbaar. De negers trekken haar uit en begraven haar in den grond. Na verloop van tien of twaalf dagen, is de stank verdwenen; dan delven zij de plant weder op en drogen haar in de zon; daarna gebruiken zij haar, in plaats van stroo, om matrassen en hoofdkussens te vullen. Naar men zegt, slapen de negers bij voorkeur op dit gedroogde koorts-mos.
Brashear is eene kolonie van negers, en een van de bolwerken der zwarte Ligue. Met uitzondering van een twaalftal beambten bij de verschillende stoombootdiensten en spoorwegen, zijn er geen blanken in Brashear te vinden. Op den drempel van elke woning staat een neger; in elke goot stoeien zwarte kinderen. Kroegen, biljardkamers en loterijkantoren zijn opgevuld met negers, meest allen met de dikke lippen, het wollige kroeshair, de breede aangezichten en de pikzwarte huid hunner afrikaansche voorouders.
Een enkele blik in de straten en stegen van Brashear is voldoende om u te overtuigen, dat, in tegenstelling met Texas, Louisiana een land is, waar carpet-baggers en scalawags [3] alle kans hebben om eene meerderheid van stemmen aan hun zijde te krijgen. Daar elke neger rechtens burger, en elke burger kiezer is, kan niemand die zwarte menigte verhinderen, zoo haar dit goeddunkt, zwarte wetgevers te kiezen en een negerwetboek uit te vaardigen. Vereenigd, zijn zij onweerstaanbaar, en kunnen zij alles doordrijven wat zij willen. Zij kunnen een neger tot sheriff, een anderen neger tot rechter kiezen, en langs wettigen weg in Amerika de bekende "gebruiken" invoeren van Yam, Dahomey en Addai. Het afrikaansche brein is beperkt van begrip.
In Louisiana hebben de negers, bij de verkiezingen, ongetwijfeld de meerderheid, al is die meerderheid ook niet groot. Zij willen dan ook dat de meerderheid der leden in de Kamer uit negers besta, en de regeering op op hun hand zij. Zij worden geholpen en gesteund door federale troepen. Hun kandidaat William P. Kellogg is door den President Grant erkend als gouverneur van Louisiana.--En toch, let eens op den trein, die ons naar Nieuw-Orleans brengt! Volgens de wet staat de neger geheel gelijk met den blanke; de spoorwegmaatschappij past op hem hetzelfde tarief toe als op den blanke. Wordt hem nu ook het meest eenvoudige recht vergund, en mag hij plaats nemen in elken wagen, dien hij verkiest? Volstrekt niet. Een iersch matroos, een amerikaansche marskramer mogen gaan zitten waar zij willen; maar een man of vrouw van afrikaansch bloed niet alzoo. Zijn vriend, de carpet-bagger, kan hem wel het stemrecht bezorgen, maar niet eene plaats in den spoorwagen. Hier regeeren de dames. De dames nu zijn allen conservatief, dat wil zeggen tegen de gelijkstelling der negers; en in Amerika kan niets gedaan worden, zoodra de vrouwen er zich tegen verzetten. De zwarten worden dan ook opeen gepakt in den voorsten wagen, vlak achter de lokomotief, waar zij half stikken van den rook, die hun de oogen verblindt. Sommigen zijn er niet minder vroolijk om; anderen mokken; maar ondanks hunne bij uitnemendheid ongeriefelijke plaats, komt het niemand hunner in de gedachten, in een der andere wagens plaats te nemen.
"Mengt zich nooit een neger in uw gezelschap? vraag ik aan een reiziger.
--Nooit! antwoordt hij, terwijl een verachtelijke glimlach om zijne fijne, aristokratische lippen speelt. Een neger plaats nemen tusschen onze vrouwen en zusters!
--Heeft hij daar dan geen recht toe?
--Voor zoover wetten en reglementen hem recht geven kunnen,--ja. Maar hij kent zijne plaats veel beter dan de scalawags. Als wij slechts van Kellogg en zijne kliek verlost waren, zouden wij met de zwarten geen moeite meer hebben. Zij kennen ons, en wij kennen hen. Het was een misdaad, hun stemrecht te geven; maar wij zouden het met de zwarte kiezers wel weten te vinden, als de federale troepen slechts werden teruggeroepen.
--Zijt gij niet bang voor hunne meerderheid?"
--Neen, volstrekt niet; mits slechts geen militaire chef zich aan het hoofd dier meerderheid stelt. Wat wij bovenal hebben te duchten, is het caesarisme:--de regeering van den sabel, die alle beginselen van recht en vrijheid met voeten treedt. Waarom, met welk doel, heeft men, bij voorbeeld, generaal Sheridan naar Nieuw-Orleans gezonden?"
Na een oogenblik zwijgens, terwijl ik aan mijne gedachten den vrijen loop liet, vervolgde hij: "Wie weet of wij, in de stad komende, haar niet in staat van beleg zullen vinden; misschien wel, de straten rookende van burgerbloed, de openbare gebouwen in vlammen...?"
Saint-Charles! Achttien mijlen van Nieuw-Orleans! Nog een uur sporens! Wij werpen een vluchtigen blik op het landschap, terwijl vijvers en moerassen, ceders en palmen ons in haastige vaart voorbij glijden. Maar het is ons niet mogelijk, onze aandacht te schenken aan hetgeen het landschap ons te aanschouwen geeft. Een prachtig oranjeboschje, stralende in den purperen goudglans der rijpe vruchten, mag een onwillekeurigen kreet van bewondering ontpersen; maar ook de kalmste en bedaardste onder ons kan zijne ontroering niet bedwingen, want wij weten dat, elke wenteling der rennende raderen ons nader voert tot het tooneel van een ernstigen strijd, waarop de oogen van veertig millioen burgers, in hartstochtelijke beweging van hoop en vrees, gevestigd zijn.
President Grant beweert dat er "regeeringloosheid in Louisiana heerscht." Niemand twijfelt daaraan; maar generaal Mac-Enery en de blanke burgers beweeren dat deze heerschappij der regeeringloosheid door Grant zelven werd gevestigd, en nog in zijn eigen belang voortdurend in Nieuw-Orleans wordt staande gehouden. Deze "heerschappij" dagteekent van nu twee jaar geleden: zij begon met een telegram, aan Stephen B. Paekard gericht, en aldus luidende:
Washington. Departement van Justitie, 3 Dec. 1872.
"Gij moet de besluiten van de Hoven der Vereenigde-Staten doen uitvoeren, onverschillig wie zich daartegen verzet; generaal Emory zal tot dat einde de noodige troepen tot uwe beschikking stellen.
George H. Williams.
Prokureur-generaal."
Dit telegram was een raadsel. Stephen B. Packard is een carpet-bagger, dien de President naar Nieuw-Orleans heeft gezonden, bekleed met de waardigheid van maarschalk der Vereenigde-Staten. [4] Generaal Emory is belast met het militair kommando in het departement der Golf. Maar wie waren de vijanden, die de maarschalk Packard en de generaal Emory hadden te bestrijden? Tegen geene enkele uitspraak van de Hoven der Vereenigde-Staten was men te Nieuw-Orleans in verzet gekomen; ook verwachtten die Hoven zelven geenerlei verzet. De rechter Durell, de eenige federale magistraat in Louisiana, had nimmer eene klacht ingediend. Waarom werd dan een ondergeschikt beambte, zooals Packard, door den prokureur-generaal, den wettigen raadsman van den President, aangemaand, de militaire macht te hulp te roepen om uitvoering te geven aan de uitspraken van dien rechter?
Naar men vermoedde, had President Grant, met het aannemen van deze gedragslijn tegenover Nieuw-Orleans een dubbel oogmerk: vooreerst, wilde hij zich van de meerderheid der stemmen van Louisiana verzekeren voor zijne herkiezing als President; ten tweede, wilde hij zijn schoonbroeder, James B. Casey, tot lid van den Senaat voor dien staat doen benoemen. Voorzeker kon, ter bereiking van deze beide oogmerken, een gewetenlooze President gebruik maken van het federale leger; maar de rechter Durell deed zijn best om zijn vriend Norton tot senator te doen verkiezen, en zou dus zeer waarschijnlijk de kandidatuur van Casey niet bevorderen. Noch de gouverneur Warmoth, noch de generaal Mac-Enery konden de bedoeling van dien geheimzinnigen last raden. Tegen wien moest Packard de federale troepen doen oprukken? De tijd zou het raadsel oplossen.
Stephen B. Packard ontving zijn telegram des Woensdagsavonds. Den volgenden avond reeds werd hij, om belangrijke zaken, bij Durell ontboden. Billings, een prokureur en zaakwaarnemer van de scalawags, zat bij Durell aan tafel, en schreef een lastgeving, waarvan de inhoud door den rechter aan zijn bezoeker werd medegedeeld. Packard moest troepen ontbieden, het Statenhuis (de vergaderzaal der Kamers van den staat) bezetten, en niemand den toegang tot dat gebouw vergunnen. Te Nieuw-Orleans is het Statenhuis of Kapitool tegelijk de zetel van het uitvoerend bewind en van de wetgevende macht. Packard moest verder den gouverneur verdrijven, zich van de archieven meester maken, en de deuren sluiten. Nadat Durell het door Billings geschreven stuk had onderteekend en aan Packard ter hand gesteld, spoedde deze laatste zich naar de kazernen, liet eene kompagnie soldaten onder de wapenen komen, en bezette daarmede, in het holst van den nacht, het Kapitool.
De wettigheid van deze handeling zal zeker wel door niemand, zelfs niet door President Grant, worden beweerd. Intusschen kreeg Durell zijn loon. Casey zag van zijne kandidatuur af; hij trok zich uit den strijd terug en gaf de voorkeur aan de winstgevende betrekking van collecteur (ontvanger der belastingen), terwijl Durell's vriend Norton, in een der graafschappen, door de scalawags kandidaat werd gesteld.
Generaal Warmoth, gouverneur van Louisiana, een gematigd, vreedzaam man, was aan de beurt van aftreding; eene poging om hem te doen herkiezen, was mislukt. Om het gouverneurschap on onder-gouverneurschap streden vier kandidaten: aan de eene zijde de generaals Mac-Enery en Penn, twee gunstig bekende officieren; aan de andere, William P. Kellogg, een rechtsgeleerde uit Illinois, en Cesar C. Antoine, neger en pakkedrager van beroep.
Na afloop der verkiezingen schreven de beide partijen zich de overwinning toe; en zoo lang de Kamers niet bijeen waren, kon niemand zeggen wie eigenlijk de zege had behaald. De zaak zou misschien aan de beslissing van het Hooggerechtshof van Louisiana moeten worden onderworpen; maar daar de gouverneur Warmoth nog gedurende zes of zeven weken in functie zou blijven, was er overvloedig tijd om de stemmingslijsten te onderzoeken, voor dat Louisiana zonder wettigen gouverneur en zonder regelmatig bestuur zou zijn. Mac-Enery was bereid te wachten op de bijeenkomst der Kamers; maar Kellogg durfde zich niet te verlaten op eene Kamer, waarin Warmoth den voorzittersstoel zou bekleeden: zijne handelingen riepen het tijdperk der anarchie in het leven.
William Pitt Kellogg, een advokaat zonder praktijk, had Illinois verlaten om zijne fortuin te beproeven te Nieuw-Orleans. Honderden zijner landgenooten, den koesterenden zonneschijn aan de Golf verkiezende boven den ijzigen nevel van het meer Michigan, doen hetzelfde. Hij kwam te Nieuw-Orleans met een reiszak (carpet-bag), een gladde tong, en een behoorlijke dosis "gevoel." De befaamde John Brown was zijn held; en geleid door den "geest" van dien zoogenaamden martelaar der emancipatie, wist hij het aldra zoo ver te brengen, dat hij door de stemmen der negers in den Senaat van Louisiana werd gebracht. Schraal en mager van gestalte, vulgair en kruipend van manieren, in kleeding, voorkomen en taal den vrome uithangende, wist hij niet alleen de harten der negers te winnen, maar ook de aandacht van de leiders der republikeinsche partij in Washington op zich te vestigen, als op iemand, die uitnemend geschikt zou zijn voor de uitvoering hunner plannen. Kellogg was druk bezig te intrigeeren om tot senator voor Louisiana te worden benoemd, toen de nog schitterender en vooral winstgevender betrekking van gouverneur zijne aandacht trok. Deze betrekking is per jaar achtduizend dollars in goud waard; de gouverneur van Louisiana is, na dien van Pennsylvanië, de hoogst bezoldigde in geheel de Vereenigde-Staten: bovendien brengen zijne emolumenten van allerlei aard hem nog wel het dubbele van zijn officiëel salaris op. Als de gouverneur gaarne spoedig fortuin wil maken, en, naar amerikaansche wijze, niet al te kieskeurig is ten aanzien der middelen, dan staan in het rijke en handeldrijvende Nieuw-Orleans bijna onuitputtelijke hulpbronnen te zijner beschikking. Naar men verzekert, heeft de gouverneur Warmoth op het Statenhuis zijn fortuin gemaakt.
De prijs was dus alleszins begeerlijk; maar Kellogg had al zijn kracht en al zijne behendigheid noodig om dien machtig te worden. Behalve in aantal, waren zijne tegenstanders in elk opzicht ver boven zijne vrienden en aanhangers verheven. Mac-Enery en Penn waren mannen van stand, vermogen en goeden naam, die konden rekenen op den steun van elken burger van Nieuw-Orleans en van elken planter van Louisiana. Kellogg was een vreemdeling in de stad, met geen andere bondgenooten dan de scalawags, de negers en de federale troepen.
Van den gouverneur Warmoth had hij niets te hopen. Warmoth trachtte een middenweg te vinden; even als Kellogg, is ook hij een vreemdeling; hij ook had zijne aanhangers, en behoefde zich niet door eene eerste nederlaag te laten afschrikken. Als gouverneur had hij de stemmingslijsten in bewaring. Het was zijn plicht, de Kamers bijeen te roepen; zonder zijne onderteekening had geen wet eenige kracht. In geval noch Mac-Enery noch Kellogg de wettigheid hunner verkiezing konden bewijzen, moest Warmoth, thans de wettige gouverneur, zijne functie blijven waarnemen tot er eene nieuwe verkiezing was gehouden, die dan andermaal moest worden onderzocht en goedgekeurd. Wie weet, welke kandidaten het dan winnen zouden? In ieder geval bood zich voor hem eene nieuwe kans aan.
Niet gezind den gouverneur te vertrouwen, en nog minder om zijne benoeming te onderwerpen aan de beslissing van eene Kamer, door den gouverneur bijeengeroepen en gepresideerd, belegde Kellogg eene vergadering van zijne aanhangers. Het was Zaterdagmorgen: des Maandags zouden de Kamers bijeenkomen. De Kamer zou dan, onder leiding van Warmoth, overgaan tot het onderzoek der geloofsbrieven, en zou zeer waarschijnlijk de vraag, wie der beide kandidaten, Mac-Enery of Kellogg, wettig gekozen was, onderwerpen aan de beslissing van het Hooggerechtshof. Kellogg was al even bang voor de rechters als voor de senatoren. Maar hoe zou hij het aanleggen om beiden uit den weg te ruimen?
Billings, de gewetenlooze prokureur, die geheel in het belang der negers handelde, stelde voor, dat Cesar Antoine, de zwarte pakkedrager, gebruikt zou worden om niet alleen den gouverneur en de Kamers, maar ook de plaatselijke gerechtshoven, schaakmat te zetten. Dit voorstel werd aangenomen, en de zwarte sjouwer begaf zich naar den rechter Durell, niet in de openbare rechtzitting, maar in Durell's eigen woning. Daar legde hij den rechter een merkwaardig stuk voor, waarin deze neger, uit aanmerking dat hij, Cesar C. Antoine, hoezeer wettig verkozen tot luitenant-gouverneur van Louisiana, echter reden had om te verwachten dat hem bij de aanvaarding van die betrekking hinderpalen in den weg zouden worden gelegd, tot het Hof der Vereenigde-Staten het verzoek richtte om een bevel uit te vaardigen, waarbij aan zekere met name genoemde personen verboden werd, op eenigerlei wijze, door woord of daad of teeken, zijne wettige aanspraak op de betrekking van luitenant-gouverneur te weerstreven.
De door Billings opgemaakte lijst van personen bevatte niet minder dan honderd-vijf-en-dertig namen, met dien van den gouverneur Warmoth aan het hoofd. Daarop volgde de secretaris van staat; dan negentien senatoren, meer dan honderd afgevaardigden, en al de leden zoowel van de conservatieve als van de republikeinsche commissies voor het onderzoek der verkiezingen. In één woord, deze neger verlangde van den rechter Durell, dat hij gedurende vijf volle dagen aan de uitvoerende en wetgevende macht van Louisiana de bevoegdheid zou ontzeggen om iets te doen ten nadeele van zijn beweerd recht. En inderdaad: de rechter vaardigde het bevel, in de voorgeschreven bewoordingen, uit.
President Grant handhaaft doorgaans zijn creaturen: maar zelfs President Grant heeft moeten erkennen, dat het door den rechter Durell, op verlangen van Antoine, uitgevaardigde bevelschrift niet alleen onwettig was, maar ook eene "grove fout."