De aardbeving van San Francisco De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 5

Chapter 53,786 wordsPublic domain

Want met bewonderenswaardigen moed en verbazende snelheid hebben de inwoners in die twee maanden de stad zoover hersteld dat de zaken gewoon door kunnen gaan en met den herbouw kan begonnen worden. Het puin is opgeruimd, zoover het verkeer dit eischt. Hoopen steenen en groote stapels afgebikte steenen vindt men natuurlijk overal langs de straten, evenals bouwafval en nieuwe bouwmaterialen tusschen de trottoirs en den rijweg liggen.

De winkels en kantoren zijn tijdelijk in houten schuren geplaatst. Deze zijn opgericht op de plaats der huizen, langs de straat, zoodat men tijdelijke drukke winkelstraten overal tusschen de puinhoopen vindt. Honderden zulke winkels zag ik er; het maakte den indruk alsof nagenoeg alle zaken weer loopende waren. In den regel zijn de muren tot op den grond geslecht en is op de fondamenten de houten vloer zorgvuldig gelegd, terwijl daarop de schuur zoo los mogelijk is opgebouwd. Veelal is daarbij van den afval gebruik gemaakt, en waar nog muren stonden ziet men de barakken gedeeltelijk daar binnen, gedeeltelijk daartegen aangeleund, of is ook op de oude muren een tijdelijk dak geplaatst, zoodat de oude ruimte weer voor winkel kan dienen.

Afgezien van de verwoesting der huizen en gebouwen, kan men in de stad van de aardbeving als natuurverschijnsel zoo goed als niets meer zien. Hier en daar zijn de trottoirs gebroken en opgetild, of schuttingen schuin geplaatst. De geloofwaardigheid der verhalen die men mij deed, is natuurlijk door de Amerikaansche wijze van vertellen en verslaggeven beperkt; het meest trof mij het bericht van iemand die tijdens de aardbeving op den spoorweg geweest was en den weg in voortloopende golven had zien gebogen worden. Dit komt overeen met de buigingen, die hier en daar ook na de aardbeving zichtbaar gebleven zijn. Verder is de meening algemeen, dat de beide eerste, hardste schokken in richtingen loodrecht op elkaar plaats vonden, terwijl daarna een draaiende beweging plaats vond. De juistheid van dit bericht wordt door de seismographische opteekeningen bevestigd.

Op de kweekerij van den heer Burbank te Sebastopol had ik de gelegenheid de grondverschuivingen en barsten te zien, die het gevolg der aardbeving waren. Rondom Santa Rosa was de grond toen overal vol barsten, die meest een paar voeten breed en zelden dieper dan een meter waren. Zulke barsten waren soms een halve mijl lang en liepen soms langs, soms dwars over de wegen. Hier en daar was dan een gedeelte van een weg zijwaarts uitgebogen, en deze verschuiving was klaarblijkelijk de oorzaak van de barst aan de eene zijde. De meeste barsten waren natuurlijk allengs weer aangevuld en vereffend, maar eenige kon ik toch nog in hun oorspronkelijken staat zien. De schokken van de aardbeving hebben in horizontale richting plaats gevonden, en men kan dus gemakkelijk begrijpen dat de grond nu eens in die richting samengeperst en dan weer uitgerekt werd. Het samenpersen kan tot tijdelijke golven en opheffingen aanleiding gegeven hebben, terwijl het uitrekken overal scheuren moet hebben doen ontstaan daar, waar de grond niet stevig of meegaande genoeg was om aan de beweging weerstand te bieden of haar te volgen. Het is verbazend dat de cementen trottoirs in de stad van die bewegingen zoo goed als geen, schade geleden hebben.

De kweekerij van Burbank te Sebastopol ligt grootendeels op de helling van een heuvel, maar de graad van helling verschilt op de verschillende plaatsen. De landweg stijgt vrijwel recht tegen de helling op, en van den ingang der kweekerij naar het huis, dat ongeveer in het midden ligt, loopt een rijweg, die aan beide zijden begrensd is door culturen van bloemgewassen die op lange rijen, even lang als de weg en evenwijdig aan dezen, geplant waren. Dit gedeelte van den grond was bergafwaarts over ruim een meter verschoven, terwijl aan de bovenzijde der afschuiving talrijke barsten ontstaan waren en aan de onderzijde de grond ineen en omhoog gedrukt was. De rijweg was daarbij zoo beschadigd, dat men hem niet berijden kon, en de barsten waren zoo talrijk dat het niet mogelijk was, de paarden voor den ploeg er over te laten gaan, om den grond te herstellen. Het verschoven stuk grond was meer dan honderd meters lang en breed.

De planten waren half April in vollen groei en konden dus niet meer verplant worden. Vandaar dat de gebogen en gescheurde rijen nu duidelijk te zien waren. Op een plaats was een houten waterput; deze was, vrij wel zonder beschadiging, over bijna 1 1/2 meter bergafwaarts verplaatst. Dit was het punt van de grootste verschuiving en hier waren de rijen midden door gebroken en was het eene deel naast de breukplaats sterker verschoven dan het andere. Van een der einden der rij ziende, zag men haar in haar midden doorgebroken en over een meter of meer verplaatst. Breede rijen van Shasta-daisies, vol in bloei, toonden dit merkwaardige verschijnsel. Iets minder was de breuk en de verschuiving in de rijen van Gladiolus. In het lagere deel waren de rijen niet gebroken maar bergafwaarts uitgebogen. In zoodanige rijen van Lobelia cardinalis kon ik duidelijk zien, dat de verplaatsing in het midden ook omstreeks een meter bedragen had; naar de uiteinden nam zij zeer langzaam af.

Op mijn vraag of de ondergrond misschien rotsachtig was, en of de bouwgrond daarover omlaag kon gegleden zijn, kreeg ik ten antwoord, dat er tot op tientallen van meters diepte geen rotsgrond aanwezig was, maar dat alles kleiachtig zand was. Het was dezelfde grond als waarop Santa Rosa gebouwd is. Het is zeer merkwaardig, dat de beschadigingen meestal in de dalen en valleien hebben plaats gevonden, waar de grond zoo niet alluviaal, dan toch van dezelfde losse structuur is, terwijl de bergen weinig schijnen geleden te hebben. Eigenlijke bergafschuivingen schijnt de aardbeving niet te hebben veroorzaakt.

Tusschen de rijen van het verschoven gedeelte was den vorigen dag geploegd, en moest den volgenden dag de grond vlak geëgd worden. Maar de aardbeving had alles zoo geschud, dat de voren verdwenen, de grond gelijkgemaakt en het onkruid bedolven was. Het eggen was dus niet noodig. Dit heeft mij 35 dollars arbeidsloon bespaard, zeide Burbank, en dat bedrag dekt ongeveer de schade aan den weg en aan het huisje berokkend.

Zeer merkwaardig is, dat geen enkele plant, heester of boom door de aardbeving beschadigd werd. Zoo zag ik het op Burbank's kweekerij en langs de straten en in de huizen van Santa Rosa en Sebastopol, en ooggetuigen bevestigden dit opvallend feit. Zij zijn klaarblijkelijk beter gebouwd dan de beste woonhuizen der stad.

Overeenkomstige verschijnselen als te San Francisco, Palo Alto en Santa Rosa heb ik ook te San José en elders kunnen waarnemen. Maar de indruk is overal dezelfde en ik zou vreezen in herhalingen te vervallen. De aardbeving werkt volgens zeer eenvoudige beginselen, hoewel met geweldige kracht. De gevolgen der werking laten zich niet alleen betreuren maar ook begrijpen, en een grondige studie leidt tot de kennis van de middelen en wegen, die bij een volgende aardbeving de materieele schade zoo klein mogelijk kunnen doen zijn. De Californiërs wanhopen dan ook niet en bouwen met vollen moed hun steden op dezelfde plaatsen weer op. Maar zij voorzien hun steenen gebouwen van stalen geraamten en maken ze tegen de schokken en trillingen even bestand als de rotsen zelve zijn.

Doodendal in Californië

Een reiziger in het woestijngebied van Californië deelt een en ander mee over de groote ellende, die er wordt geleden in de water- en plantenarme streken van Californië. Hij, Walter V. Woelhke uit San Bernardino, vertelt als volgt:

Onze cavalcade trok langzaam langs een rotswand, die de gloeiende zonnestralen met dubbele kracht terugkaatste. De thermometer aan den schaduwkant van den wagen wees een temperatuur van 45° C. (113° F.). Het fijne, alkalihoudende stof, door de vier-en-twintig met schuim bedekte, hoestende muildieren opgeworpen, had alles met een gele laag bedekt, onze kleederen doortrokken en zich in neus en mond afgezet; zijn bijtende werking verscherpte den brandenden dorst, die door het lauwwarme water, dat al twee dagen mee gevoerd werd, niet kon gelescht worden. Zonder schaduw, zonder water, zonder planten, levenloos en troosteloos strekte zich de geelwitte vlakte tusschen de grijsblauwe bergketenen uit. Hoog boven de toppen, een donker punt vormend tegen den harden, stalen hemel, zweefde in wijde kringen een aasgier. Slechts het knallen van de zweep, die nu en dan de muildieren om de ooren zwiepte, verbrak de stilte.

Den koetsier, die reeds vijf jaar lang borax uit dit helsche oord had gehaald, schenen de hitte zoomin als het bijtende stof te hinderen. Zonder een trek in zijn leerachtig, typisch amerikaansch gezicht te veranderen, merkte hij op: "Een uitstekende ligging hier. De lucht is fijn, het uitzicht prachtig, goede buren, er is geen verwarming noodig en de belastinginner komt hier niet dikwijls. Ik heb er al aan gedacht mij op mijn ouden dag hier te vestigen".

Gedurende de drie dagen, sedert de wagen het kleine station Dagget in de woestijn aan den Santa-Fé-weg had verlaten, had deze koetsier, borax-Jack, op denzelfden toon, als waarop een gids toeristen op bijzonder schoone punten in het landschap opmerkzaam maakt, ons het een en ander griezeligs gewezen en met een verhaal geïllustreerd. Hier een graf, daar een graf, ginds een klein kruis, elders eenige gebleekte beenderen, naast een ledigen waterzak. En over alles de zon, de onbarmhartige, gruwzame zon, voor wier verschroeiende stralen noch het gloeiende zand, noch de heete rotsen eenige beschutting boden.

In den nauwen pas tusschen de beide rijen heuvels, waardoor de wagen heenreed, blies een wind, die uit een gloeienden oven scheen te komen. "Windy Cap" heet deze pas en daardoor komt men van uit het Zuiden in het Dal des doods, "Death Valley", de laagst gelegen plek van het amerikaansche vasteland, waar de temperatuur des zomers bijna dagelijks tot 55° à 60° C. stijgt, en waarvan de oostelijke wand door de Sierra Nevada, het hoogste gebergte der Vereenigde Staten gevormd wordt.

Dit dal, dat aan den rand van de groote woestijn in het Zuidwesten van Amerika ligt, draagt zijn veelbeteekenenden, onheilspellenden naam sedert zijn ontdekking door de eerste blanke reizigers. In 1850 verdwaalde een uit zeventig Mormonen bestaand reisgezelschap, dat door Brigham Young uit Utah op een ontdekking was uitgezonden, in deze dorre woestenij. Slechts twee dier zeventig ontkwamen. De overigen bezweken onder de vlammende pijlen, die de zon op de naakte rotsen en zandvlakten afzendt en die het bloed der ongelukkige slachtoffers uit hun aderen schijnt te zuigen. Sinds die 68 Mormonen er den dood vonden, is de naam van het dal voor goed gerechtvaardigd. In den zomer van 1906 verdwenen er 15 avonturiers, wier beenderen dezen winter werden gevonden en begraven, en de kopergroeven in de nabijheid zullen volgende zomers nog wel meer waaghalzen er heen voeren.

Dit doodendal is een kloof, 160 Kilometer lang en 20 tot 40 Kilometer breed, die zich 100 Meter lager dan de oppervlakte der zee, tusschen twee hooge gebergten op de grens van Californië en Nevada uitstrekt. Overdag brandt de zon aan den wolkenloozen hemel in dezen zandigen kuil tusschen de rotsen, totdat de heete lucht als uit een bakoven er uit opstijgt; des nachts waait een scherpe koude wind van de 5000 Meter hooge sneeuwtoppen der Sierra neer. In het diepste gedeelte van die kom strekken zich mijlenlange witte velden uit, alsof het sneeuwvlakten waren. Zij bestaan uit zout, het overblijfsel van den oceaan, die eens geheel zuidwest Amerika bedekte, tot dat vulkanische krachten land en bergen uit het water ophieven. In de komvormige vlakte zelf valt bijna nooit een droppel regen, zoodat dieren- en plantenleven er onbestaanbaar is, waarvoor echter moeder natuur een eigenaardige vergoeding heeft gegeven. Het doodendal is een enorm chemisch laboratorium, waarvan de grondstoffen overal voor den dag komen. Met die stoffen op haar palet heeft de natuur de wanden van het dal en de rotsen wondermooi gekleurd. Als groene en blauwe strepen vertoonen zich de aderen van het gesteente, waarin het koper voorkomt; de roode, cinnaber-houdende rotsen verheffen zich torenhoog; lichtend geel schitteren de met zwavel bedekte hellingen; grijs doen de granietmassa's zich voor, en dofzwart steken de lavavelden bij de witte zoutvelden af. Op andere plaatsen heeft, als het ware, een meesterhand de kleuren gemengd en heerlijke kleurspelingen te voorschijn geroepen, die met alle beschrijvingen spotten. Doch overal in deze kleurenpracht loert de dood. De weinige bronnen, die uit de gedoofde kleine kraters opborrelen, bevatten vitriool en arsenik, of als het water niet doodelijk vergiftig is, dan is het toch door zijn gehalte aan zout of petroleum ondrinkbaar.

De grootste van deze bronnen, die uit een oude krateropening op de helling van het "begrafenisgebergte", aan de oostzijde van het dal ontspringt, doet een kleine beek ontstaan, waarvan de bedding uit den asphaltneerslag van het water is gevormd. Om zijn temperatuur heeft men het waterstroompje de gloeiovenbeek genoemd. Naast deze bron heeft voor eenige jaren een opmetingsexpeditie met wreeden spot een bord geplaatst, met de volgende aanwijzingen:

Doodendal, 365 voet onder het zeeoppervlak. Het loopen over het gras is streng verboden. Het plukken van bloemen wordt gestraft volgens de wet. Ligging: 105 mijlen van Randsburg, 85 mijlen van Dagget, 60 mijlen van alle houtgewas, 20 mijlen van water, 40 voet van de hel. God zegene deze plek!

Bailey's opmetingsexpeditie. Kerstmis 1900.

Niettegenstaande zijn schatten aan mineralen heeft dit doodendal tot nu toe geen groote voordeelen opgeleverd. De eenige, die er rijk door is geworden, is Frank J. Smith, borax-Smith, zooals men hem in Californië noemt. Toen Smith twintig jaar geleden de borax-lagen van het dal voor het eerst zag, werden in de Vereenigde Staten de borax en de soda voor een dollar per pond verkocht. De mijnen in het dal, die beide mineralen in bijna volkomen zuiveren toestand leveren, hebben Smith tot millionair gemaakt, en den prijs van het product tot op 10 cent per pond verminderd. Tegenwoordig zijn slechts weinige arbeiders in de mijnen, of liever kuilen van het doodendal werkzaam. Aanvankelijk lokten de hooge loonen, die betaald werden, honderden werklieden hier heen, en de opbrengst en het behaalde voordeel waren groot. Toen echter de arbeiders bij dozijnen ten offer vielen van de hitte, het slechte water, de giftige gassen en de andere moeilijkheden, werd het onmogelijk, het bedrijf op groote schaal voort te zetten. In het er om heen liggende deel van de woestijn werden andere, hoewel niet zulke rijke lagen der mineralen ontdekt, en thans doen de groote borax-wagens, die 40 000 pond inhouden, en bovendien nog een voorraad water voor de 2 dozijn muildieren en hun drijvers meevoeren, slechts weinige reizen per jaar. Het uit het dal aangevoerde ruwe product wordt in de fabrieken bij Dagget, aan den Santa-Fé-spoorweg, verwerkt. Dat het ook daar geen paradijs is, bewijst het feit, dat het bedrijf er van half Mei tot aan October gesloten is, daar in de er dan heerschende hitte zelfs de Indianen en Mexicanen het niet bij de ketels kunnen uithouden.

Twee duizend meter boven den bodem van het dal ligt het mijn werkersstadje Greenwater, op een plateau tegen de helling van den Panamintberg. Het plaatsje schijnt zijn naam "Greenwater" gekregen te hebben omdat er noch iets groens, noch water te vinden is. Dit laatste kost er gewoonlijk 20 gulden per vat. In plaats van plantengroei vindt men er koper, enorm veel koper als de berichten waarheid spreken. Ofschoon dit stadje Greenwater eerst in October 1906 is ontstaan, en in Maart van 1907 naar een andere plaats verlegd is, wordt zijn lof toch reeds door twee weekbladen en een maandschrift aan de wereld verkondigd.

Het besproken Dal des doods is niet de eenige streek, die jaarlijks, als een Moloch, haar schatting aan menschenoffers verlangt. Het rijk, waar de zon en de dorst heerschen, strekt zich over het geheele Zuidwesten van de Vereenigde Staten uit, van het Rotsgebergte in het Oosten tot bijna aan den Stillen Oceaan, en naar het Zuiden tot ver in Mexico. Overal in dit gebied bevinden zich steenhoopen, met hier en daar een verweerd houten kruis, waaronder de offers van den dorst rusten. Behalve in het hooggebergte en aan de groote rivieren, die door de gletschers daarvan gevormd worden, is er slechts op zeer groote afstanden water te vinden. De reiziger, die in een slaapwagon van een sneltrein twee dagen lang door de heete, stoffige woestenij wordt heengevoerd, bemerkt niets van het watergebrek. Hij heeft er niet het minste besef van dat het glas ijswater, dat hem door den zwarten bediende wordt overgereikt, misschien een mensch het leven zou kunnen redden, die nu slechts weinige mijlen van den spoorweg verwijderd, ellendig om het leven komt.

Hoe licht men het offer der woestijn kan worden, kan ik uit eigen ervaring mededeelen. In Juni van het vorige jaar maakten wij met ons drieën van Mekka, een woestijnstationnetje aan de zuid-pacificlijn, een reis naar Los Palmos, een kleine nederzetting van goudzoekers 70 K.M. van den spoorweg, om daar een nieuw ontdekte laag fossielen in oogenschouw te nemen. De eerste op de kaart aangegeven waterkom bereikten wij op den juisten tijd, doch de brandende zon en het bijtende stof hadden ons toen reeds zoo gepijnigd, dat wij ondoordacht besloten, den marsch des nachts voort te zetten en overdag aan de volgende waterkom te rusten. Door de duisternis en onze slaperigheid weken wij van den weg af, en de eerste stralen der zon vonden ons ver van ons doel verwijderd. Het laatste droppeltje water was des ochtends om 6 uur opgebruikt. Des middags verhief zich een scherpe wind, waarvan de gloeiende adem onze aderen scheen uit te drogen, terwijl het bittere stof zich in het slijmvlies van neus en mond vastzette en de kwelling van den dorst nog tienvoudig verergerde. Bij elke bodemverheffing werd naar water uit gezien, doch steeds zagen wij geen ander beeld dan kaal, geelgrijs zand, grauwe cactusplanten, harde rotswanden en flikkerende zonnestralen, onder wier invloed het onbedekte deel van de huid verschrompelde, als de schil van een appel, die langzaam aan de lucht is gedroogd. Het koortsheete bloed suisde in de ooren, voor onze oogen voerden roode zonnen een dollen dans uit, en de opgezwollen tong weigerde den dienst bijna geheel.

Fred, de jongste van het gezelschap, gaf tegen twee uur den strijd met den dorst op. Met schorre stem begon hij plotseling een straatliedje te zingen, rukte zich de kleederen van het lijf en snelde, terwijl hij zijn hemd boven zijn hoofd zwaaide, naar den voet van een naburigen berg, waar de Fata Morgana bedriegelijker wijze een blauw meer voor oogen tooverde. De woestijndorst had hem in zijn klauwen gegrepen en slechts krachtige maatregelen zouden hem kunnen redden. Zonder dralen sloeg mijn metgezel den jongeling tegen den grond, en te zamen droegen wij hem naar den wagen, die de vermoeide trekdieren nauwelijks door het heete zand konden voortsleepen.

In de nu volgende uren moesten wij al onze wilskracht aanwenden, om niet het voorbeeld van onzen jeugdigen makker te volgen. Onze gedachten werden steeds verwarder, steeds sterker lokte de Fata Morgana, steeds duidelijker wenkte ons het koele water te midden van het gloeiende zand. De lippen barstten open en bloeden bij elke poging, om over den te volgen weg te beraadslagen. De rimpels en plooien in het gele bestoven gelaat van mijn metgezel werden dieper en zijn oogen trokken zich ver in hun kassen terug, zoodat hij in die weinige uren wel 20 jaar ouder scheen geworden te zijn. Binnen in den wagen kreunde en zuchtte de arme Fred, ijlende als in koorts. Slechts het gedrag der muildieren, die zonder ophouden en zonder eenige leiding voortstapten, hield ons er van terug den strijd op te geven.

Eindelijk, te middernacht, bereikten wij de waterkom. Tong en keel van den patient waren echter toen zoo gezwollen, dat aan drinken niet te denken viel. Met natte doeken wieschen wij den bebloeden mond van Fred, wij sprenkelden hem water over zijn lichaam, en eerst na 4 uren was het mogelijk, hem eenige droppels van het kostbare vocht te doen opnemen. Gelukkig waren wij nog genoeg bij onze zinnen, om maar heel weinig te drinken, totdat wij eenigszins hersteld waren. Drie dagen bleven wij bij deze waterbron, totdat wij ons in gezelschap van eenige goed met den weg bekenden verder waagden. De zieke Fred moest na onze terugkomst nog veertien dagen in een ziekenhuis verblijven, voor hij geheel hersteld was.

Wij waren slechts ongeveer 20 uur zonder water in de woestijn geweest, en toch waren we haast omgekomen van den dorst. Het zouthoudende stof en de wind, die het lichaam als in een bakkersoven doen uitdrogen, zijn de oorzaken, die in deze amerikaansche woestijn de marteling van den dorst zoo kwellend maken en zoo spoedig den dood doen optreden. Vaak treedt het einde reeds na 36 uren in, en in menig geval nog eerder, daar bijna elk slachtoffer zich in razernij de kleederen van het lijf rukt en zijn huid onbeschut aan de zonnestralen blootstelt. De meesten verdwijnen spoorloos.

Een bijzonder slechten naam heeft een waterkom in zuidelijk Arizona, waar het water zeer verborgen achter een rotswand zich verzamelt en waar men in den omtrek 38 graven vindt. Meer dan drie dozijn menschen zijn daar dicht bij water van dorst omgekomen.

Is het water in het uitgestrekte Zuidwesten van Amerika negen maanden lang uiterst schaarsch, gedurende de drie andere maanden, van December tot Maart, vormt de overvloed van water de grootste moeilijkheid, waarmee de spoorwegen te worstelen hebben. In den zomer moeten vele stations eener lijn hun water wel van 100 Kilometer ver laten komen, terwijl in den regentijd het water zooveel schade aanricht, dat op sommige lijnen de dienst dagen, ja wekenlang gestaakt moet worden. De gemiddelde jaarlijksche regenval voor het geheele gebied bedraagt niet meer dan 22 à 27 centimeter, die echter vaak in 3 of 4 wolkbreuken neerstorten. Van de naakte heuvelruggen, de kale rotswanden en de geheel onbegroeide hellingen van den bodem stroomt het water als van een leien dak naar de laagste plaatsen en vormt diepe beken, die alle naar één hoofdbedding vloeien. Den drang van deze watermassa kan niets weerstaan.

De spoorwegen worden verweekt en weggedreven alsof ze van bordpapier waren vervaardigd. In de twee jaar, sedert hij gereed is, heeft de nieuwe spoorweg, die van Salt Lake-city door de woestijnen van Utah en Nevada naar zuidelijk Californië leidt, door wolkbreuken een schade geleden, die op 9 millioen gulden geschat wordt.

In deze overigens zoo van water verstoken woestenij, komt merkwaardigerwijs de sterkste regenval voor, die in 24 uur is opgemerkt. In de nabijheid van Campo, in het San-Jacinto-gebergte, viel op 3 Februari 1895 in enkele uren een hoeveelheid regen van 54 centimeter. Door de dalen in het gebergte wierpen zich watermuren van 8 à 10 Meter hoogte met den gang van een sneltrein in de woestijn ter neer, en na een paar dagen was er niets meer van eenige vochtigheid te bemerken!

End of Project Gutenberg's De aardbeving van San Francisco, by Hugo de Vries