De aardbeving van San Francisco De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 2
Nog iets verder ging dezelfde barst midden door een elzenboschje waarvan de grond dicht met thimble-berries (platte wilde, een weinig zure maar zeer lekkere frambozen), bramen en ander groen struikgewas dicht begroeid was. De barst had klaarblijkelijk met den bodem alle wortels op haar loop doorgescheurd, en de onderhelft van het boschje was naar beneden gezakt, zoodat een ruim pad van meer dan een meter breedte ontstaan was. Aan de bergzijde van dit pad was er weinig veranderd, maar aan de moeraszijde waren al de elzen gestorven. Het waren een half dozijn hooge en vrij dikke stammen. De elzenproppen van het vorige jaar en hier en daar een groene, nog levende tak bewezen, dat het sterven pas kort geleden was, en er kon geen twijfel zijn dat het een gevolg van het afschuiven van den grond en het verscheuren der wortels was. De enkele groene takken correspondeerden waarschijnlijk met zijdelings gerichte en daardoor minder zwaar beschadigde wortels.
Wij daalden nu van de helling omlaag en kwamen op den rijweg. De barst liep ongeveer evenwijdig aan deze, en eerst zagen wij de hoofdbarst aan onze linkerhand, later rechts en daarna weer links. Klaarblijkelijk waren er tal van kleinere barsten schuin door den weg gevormd geweest, maar later weer gerepareerd. Hier en daar was de weg ook duidelijk ineen gedrukt en opgeheven. Beiderzijds groeide nu heestergewas, meest live-oaks en bay-laurels, met langnavelige hazelnooten, thimble-berries, roosjes (Rosa gymnocarpa), Cascara (Rhamnus californicus), veel smalbladige wilgen en allerlei andere soorten, vaak overgroeid en ineengeslingerd door Lathyrussen en heggeranken (Echinocystis). Rechts van den weg was de scheur dubbel, en de grond er tusschen schuin gedrukt. Op die schollen vonden wij enkele kleine heesters, die door de beweging geheel of ten deele ontworteld waren, doch nog met hun hoofd wortels in de schol stonden als vroeger. Een looistof-eik, (Quercus densiflora) was op deze wijze geheel gedood, terwijl al de bladeren nog dor aan de takken zaten en een bay-laurel (Umbellularia californica) was half dood met dorre bladeren en groene takjes. Overal toonde de plantengroei min of meer duidelijk hoe de scheuren ontstaan waren; maar ik mag natuurlijk niet meer voorbeelden aanhalen.
Onze weg voerde ons, korten tijd voordat wij Olema bereikten, langs de boerderij of ranch van den heer Skinner. De barst was midden door de plaats, vlak vóór de beide huizen en onder de schuur door gegaan. Het was hier maar één enkelvoudige barst, met een onderlinge verschuiving der beide randen van omstreeks zes meter. Allerlei in het oog loopende en zeer leerzame verschijnselen hebben dit punt tot het belangrijkste van de geheele, bijna 400 mijlen lange barst gemaakt. Het belangrijkste was de schuur. Deze is een groot, langwerpig vierkant houten gebouw, opgetrokken op een fondament, dat onder de beide muren aan de uiteinden goed en stevig gemaakt is, maar langs de lange zijden slechts uit enkele palen in den grond bestond. De barst ging zóó onder die schuur door, dat zij een hoek daarvan afsneed. Deze hoek brak echter niet van het gebouw los, maar bleef daaraan vastzitten, werd echter van zijn fondament afgeschoven. De beschadigingen van dit gedeelte waren voor den eigenaar meer van belang dan voor ons. Maar wat ons trof was het stuk fondament van de achterzijde. Het lag onbeschadigd in den grond, van den hoek van het vroegere gebouw tot aan de scheur, met een lengte van 8 à 10 Meter. Het was een rechte lijn, ongebogen. Het was juist 15.6 voet onder het huis weggeschoven, en de afstand kon zeer precies gemeten worden. De scheur rondom was weer aangevuld, maar de hoek der schuur hing nog ten deele in de lucht, en men was tijdens ons bezoek juist bezig die van een nieuw fondament te voorzien. Het oude liet men onveranderd, als een aandenken aan de ramp en als een gemakkelijke aanwijzing van haren aard en hare grootte. Achter de schuur had een breede rijweg geloopen en het hek daarlangs was ook gebroken op de scheur, terwijl de eene zijde eveneens 15.6 voet naar het zuiden verschoven was. Verderop stond een dwarshek, dat door de barst in evenwijdige richting getroffen was en alle sporen der daardoor ontstane verwoesting toonde. Wat de bewoners bizonder getroffen had, was de waterleidingspijp, die van uit een reservoir op den heuvel achter den stal leidde en door de scheur uiteen getrokken was. Een stuk pijp van ruim 15 voet had men moeten inlasschen om de schade te herstellen. Elders was een pijp, die onder den grond liep, ineen gedrukt en in een groote bocht boven den grond te voorschijn gekomen.
Op de boerderij stonden twee woonhuizen. Aan een van beide was de scheur vlak langs den zijwand gegaan. Een hek, van paaltjes gemaakt en witgeverfd, was daardoor losgescheurd, hier en daar verwrongen en tenslotte met zijn uiteinde voor het midden van een kelderdeur blijven staan. Tijdens ons bezoek was men er nog niet toe gekomen, dit hek weg te nemen of de overige schade aan dit gebouw, dat hier en daar van onderen naar boven opengereten was, te herstellen. Achter het hek stond een rij van drie zware Eucalyptus-boomen (E. Globulus); deze waren natuurlijk ook 15.6 voet langs het huis verschoven. Eén er van was daardoor vlak voor een trapje geplaatst dat van de achterzijde van het huis omlaag ging. Men kon de trap dus niet meer afkomen; trouwens de boom had de onderste treden ook uiteengedrukt. Waar hij vroeger gestaan had was nu een weg gemaakt, maar ter plaatse waar de tweede boom gestaan had was de spleet nog open en konden wij de vingerdikke afgescheurde wortels nog in den grond zien zitten. Ook deze boom was natuurlijk 15.6 voet zuidwaarts verschoven.
Het andere huis stond op korten afstand dwars op het vorige, zoodat de scheur aan zijn voorgevel voorbij was gegaan. Langs dien gevel liep de rijweg en aan de andere zijde was een moestuin, met een hek van witgeverfde paaltjes. De scheur was bijna evenwijdig aan den gevel gegaan, ten noorden in den moestuin en ten zuiden schuin over den rijweg loopende. Het pad door den tuin was recht tegenover de deur geweest; nu was het ruim 15 voet naar het zuiden verschoven. Het hek was vernield en ineengedrukt; enkele paaltjes stonden nog en waren hoog overgroeid door hop, die verder op de grenslijn eenvoudig over den grond moest kruipen. De scheur was dwars door een vak met frambozen gegaan, die op rijen stonden en dus in de verschuiving der rijen weer een goed middel gaven om de grootte daarvan te meten. In het bizonder werd een rij uien gewezen, die midden doorgescheurd en ruim 15 voet uiteengeschoven was.
Daarmede was ons onderzoek van de scheur zelve afgeloopen. Een even belangrijke vraag is echter die naar hetgeen er buiten het eigenlijke scheurgebied gebeurt. Dit kan men in twee deelen verdeelen. De eene groep van verschijnselen omvat grondverschuivingen, de andere de gevolgen van de trillingen, die bij het losscheuren in de aardschors ontstaan en die meer in het bizonder den naam van aardbeving dragen. Van die grondverzakkingen konden wij dien dag het een en ander zien; de trillingen echter zijn het, die Santa Rosa, San Francisco en San José verwoest hebben.
Het ligt voor de hand, wanneer de scheur in weeken grond de aardschors onvast maakt, dat dan op korten afstand hetzij op de helling van een heuvel, hetzij langs den oever van een beek of riviertje, grond omlaag kan schuiven. Geschiedt dit onder een gebouw, dan kan dit tengevolge daarvan verzakken. Het eerste wat wij daarvan zagen betrof de houten brug over de hoofdbeek der vallei, dicht bij de plaats waar de weg van Point Reyes zich naar Olema en naar Inverness vertakt. Aan den oostelijken oever was de grond onder de brug omlaag gegleden en had een der spanten medegenomen. De verplaatsing bedroeg maar enkele voeten, maar de balken, waarop de vloer van de brug lag, waren van het spant afgetrokken en met vloer en al omlaag gevallen. Evenzoo was het opgaande gedeelte uiteengescheurd. Dit alles was nog duidelijk te zien, ofschoon men tijdelijk een nieuwen vloer over het gebroken gedeelte heen gebouwd had.
Evenzoo zagen wij de bruggen van zijwegen door het moeras plaatselijk verzakt. Dicht bij Olema was de grond onder een huis naar de beek afgezakt, en stonden de beide zijwanden in plaats van vertikaal en evenwijdig, schuin en in een wijden hoek tegenover elkander. Het was een houten huis, en zou dus van de aardbeving als zoodanig niet geleden hebben. Toch was het, ofschoon niet inéén gevallen, onbewoonbaar geworden en de eigenaar was bezig, dicht er bij een nieuw te laten timmeren. Langs den weg in Olema zag men overal de gevolgen van die verzakking. Een huis was, in zijn geheel en vrij wel onbeschadigd, een paar meters achteruit gegleden, van de helling af, met grond en al. Andere, wier voorgevel te hoog stond en dus bleef staan, waren in het achtergedeelte van hun steunsel beroofd en dus omlaag gezakt, nu eens het huis schuin trekkende, dan weer de ruiten brekende, elders een veranda scheef zettende enz. Ook zag men sidewalks, die naar den huiskant toe omlaag gezakt waren. Natuurlijk waren de schoorsteenen gebroken en was men druk bezig die te herstellen.
Voor zoover wij de scheur bezochten, had de verschuiving alleen in een horizontale richting plaats gevonden. Wat wij van verticale verplaatsingen zagen, was geheel van localen aard en veroorzaakt door de eigenschappen van den kleigrond of door het instorten van aardschollen in de kleinere spleten of het omlaagzakken van den grond tusschen de hoofdspleten. Evenzoo heeft men over de geheele lengte van de spleet ten zuiden van San Francisco slechts horizontale verschuivingen kunnen waarnemen. Van deze kon ik bij Chittenden, waar de barst den spoorweg kruist, het een en ander zien. Men ziet hier namelijk, van de trein uit, de barsten als zwarte lijnen over den met gras begroeiden en dus bruinen heuvel loopen, die vlak achter het station ligt. De voornaamste barsten gaan in de richting van de scheurlijn, maar ook enkele zijdelingsche barsten waren duidelijk te zien. Vertikale verplaatsingen ontbreken echter niet geheel op de scheurlijn; zij worden aan het noordelijkste uiteinde gevonden, waar deze het voorgebergte van Point Arena van het vaste land afscheidt. De westelijke of juister zuidwestelijke zijde van de scheur is hier omhoog en de tegenovergestelde dus omlaag gegaan. De verplaatsing bereikt ten hoogste 4 voet. Dit feit is daarom van belang, omdat het de overeenkomst van deze barst met de oudere barsten nog nader aantoont. In die oude barsten kan men n.l. de vertikale verplaatsing aan de verschuiving der lagen zeer goed waarnemen en meten, maar de horizontale is meest onbewijsbaar, omdat men daarvoor geen punten van vergelijking heeft.
Een merkwaardig gevolg van de scheur van 18 April is, dat de plaatsen langs de kust van Californië niet meer precies daar zijn, waar zij vroeger waren. Voor de astronomische observatoriën en voor de merkpalen der landmeting moet dit natuurlijk een zeer ongewenschte verandering geven, en vooral in het begin nogal veel werk, om de juiste verplaatsing te bepalen. Langs de scheur kan men, op een gewone excursie, alleen zien hoeveel de eene rand ten opzichte der andere verplaatst is, maar of beide verschoven zijn, en zoo ja, hoeveel elk, kan men niet nagaan. Sommigen beweren dat de top van Mount Tamalpais door deze aardbeving juist even veel terug verplaatst is, als zij bij een vorige uit haar vroegere ligging verschoven was. Zij zou dus nu haar oude plaats weer hernomen hebben. Alle grenslijnen van grondeigendommen, die over de scheur heengaan zijn natuurlijk gebroken. Waar hekken stonden zijn de beide einden juist zoo uiteengeschoven als de weg, dien ik het eerst beschreef, en als niets anders op den grond de verschuiving aanwijst, is zulk een onderbroken hek een hoogst opvallend verschijnsel. Het zal heel wat werk kosten eer de juridische grensbepalingen weer geheel in orde gekomen zullen zijn, en het schijnt dat vele eigenaars zich voorloopig tot een eenvoudige praktische oplossing der vraag zullen bepalen. Maar bij een lateren verkoop van eigendommen kunnen dan nog allerlei kleine eigenaardige moeilijkheden ontstaan. Dringend echter is een oplossing in een geval, waarvan ik vernam, dat een spleet tusschen twee huizen doorging, zóó dat de muur van het eene voor de voordeur van het andere geschoven werd.
Behalve in de vallei van Olema is de scheur der aardbeving voornamelijk bij Santa Cruz onderzocht. Prof. Branner had zich aldaar gedurende eenige jaren bezig gehouden met het in kaart brengen van de verschillende barsten in het gebergte en van de verschuivingen die zij veroorzaakt hadden. Juist was deze arbeid voltooid toen de aardbeving van 18 April kwam. Alles was dus als het ware voorbereid om de daarbij ontstane veranderingen nauwkeurig te bestudeeren. Een groote nieuwe scheur was te midden der oude ontstaan als een diepe groeve. Langs deze lijn waren de wegen van hun plaats geschoven, waterleidingen gebroken, hekken in wanorde gebracht enz. De groeve liep hier niet in het dal maar over de kam der heuvelen. De verschuiving bedroeg hier meestal ongeveer drie meters, maar een opheffing of verzakking was niet waarneembaar. Een oude eikenboom stond juist op de scheur en werd ontworteld. Een huis dat er op stond werd in twee deelen uiteengescheurd. Boomstronken werden van onderen naar boven opgescheurd en verloren nu eens alleen hun bast, dan weer werd ook het hout uiteengereten. In een bosch bij Loma Prieta maakte de scheur, die hier een dubbele was en den grond tusschen de beide lijnen fijnwreef, een recht pad, dat over de geheele lengte door liep. Hier ontstond ook een zijtak van de hoofdscheur. Langs dezen tak was de berg als 't ware verbrijzeld, als of hij opgetild en daarna op een harde grond gevalle ware. Kleine barsten liepen hier zeer talrijk, meer dan driehonderd konden over een lengte van een mijl geteld worden.
Het zichtbaar worden van de scheuren in de oppervlakte van den aardbodem is een verschijnsel, dat gewoonlijk bij aardbevingen niet wordt opgemerkt. Het schijnt dat de aardbeving van San Francisco in dit opzicht eenig is. Het is natuurlijk mogelijk, dat men er vroeger niet op gelet heeft, maar de verschijnselen zijn zoo in 't oogloopend en berokkenen in bebouwde streken zulk een onmiskenbare schade, dat dit haast niet denkbaar is. Men moet dus aannemen dat de scheur in de diepere aardlagen ontstond, en dat de bovenste elastisch genoeg waren om daarin niet te deelen. In zulke gevallen is het natuurlijk veel moeilijker om de juiste plaats van de scheur te bepalen dan in het tegenwoordige.
Ik kom thans tot de bespreking van de trillingen of golven, die door het plotseling scheuren ontstaan. Links en rechts van de scheur zijn zij natuurlijk geweldig en veroorzaken zij de verschijnselen van omwerpen van gebouwen, die men als de gewone gevolgen eener aardbeving pleegt te beschouwen. In Californië heeft zich deze streek omstreeks 25-30 mijlen landwaarts in van de scheur uitgestrekt, en voor zooveel de waarnemingen aan het zuidelijk uiteinde een gevolgtrekking toelaten, ook even ver naar den westelijken kant. Verderop, ja over den geheelen aardbodem is de aardbeving door de daarvoor bestemde toestellen opgeteekend. Zulke waarnemingen zijn gedaan te Washington, Potsdam, Tokio en elders. De geheele aarde beefde toen San Francisco verwoest werd. Die toestellen heeten seismograaf en bestaan in hoofdzaak uit een slinger, die zijn bewegingen op een onderliggend vlak kan opschrijven. De richting, het aantal en de betrekkelijke groote der trillingen worden aangeteekend, alsmede de tijd, waarop de aanteekening plaats vond. De aardbeving van 18 April veroorzaakte achtereenvolgens drie systemen van golven. De uitslag was eerst ongeveer van noord naar zuid, dus evenwijdig aan de scheur. Dit was klaarblijkelijk een rechtstreeksch gevolg van de verschuivingen bij het ontstaan daarvan. Nadat de naald een aantal zulke golven had opgeschreven, veranderde zij haar richting en trilde van oost naar west, dus loodrecht op de scheur, om ten slotte een groep onduidelijk draaiende en verwarde bewegingen aan te geven, die geen bepaalde hoofdrichting meer hadden. Deze brachten ten slotte de aardbeving tot rust. Voor een leek geeft zulk een figuur slechts een zeer onvolledig denkbeeld van de bewegingen. Daarom wil ik hier de waarnemingen aanvoeren van iemand die te Santa Rosa juist uit zijn raam keek toen de aardbeving begon. Vrij ver in den tuin stond een groote iep, vrijwel afgezonderd van andere boomen. Plotseling begon de geheele kroon heen en weer te zwiepen, niettegenstaande er geen wind woei. De geheele boom boog eerst naar de eene zijde en daarna naar de tegenovergestelde over en herhaalde dit een paar malen. Toen scheen de stam met den grond omhoog te rijzen en weer te dalen, en maakte allerlei bewegingen tot bijna even plotseling alles ophield. Niets was daarbij gebroken geworden, noch aan dien boom, noch aan eenig ander gewas in denzelfden tuin. Dit is trouwens een algemeene ervaring; behalve juist op de spleet zijn boomen en planten door de aardbeving zoo goed als nergens beschadigd.
Een zeer belangrijk punt is de vraag, hoe de golven zich door harde en hoe door weeke gronden voortplanten. Met de eerste zijn de rotsen zelven bedoeld; als weeke grond wordt de alluviale, aangeslibde bodem bestempeld, die uit meer of min zanderige klei bestaat. In den harden grond planten de trillingen zich als krachtige maar kleine golven voort, in den weeken bodem veranderen deze in groote langzamere, maar geweldig verwoestend werkende golven. De kleigrond trilt als een gelei, zegt men, wat er opstaat wordt zoover heen en weer geslingerd, dat het breekt en ineen valt. Dit is de voorstelling, die men zich er thans van maakt, en die nog aan de waarnemingen moet getoetst worden, zoodra deze volledig genoeg zullen verzameld zijn. Ik vermeld haar hier niet als een vaststaande wetenschappelijke verklaring, maar omdat ik denk, dat zij voor mijn lezers het overzicht over de details der verwoesting gemakkelijk kan maken. De aard der gebouwen speelt natuurlijk ook een groote rol, en maakt daardoor dikwijls het maken van gevolgtrekkingen onzeker, vooral wanneer, zooals helaas bij deze gelegenheid zoo vaak gebleken is, de bouw niet voldeed aan de voorschriften, volgens welke de bouwmeester betaald werd.
In San Francisco kon men hier en daar het wezen dier groote golven bestudeeren. Het is in het lage op aangeplempten grond gebouwde gedeelte ten zuidoosten van Marketstreet. Hier werden de straten volgens ooggetuigen golfsgewijs opgetild, met golven zoo hoog als een man. Men zag de golven als het ware onder de straten doorgaan en deze optillen en weer laten zakken. Hetzelfde vertelde een ooggetuige van een spoorweglijn bij Santa Rosa. Deze mededeelingen schijnen ongelooflijk, maar waar de achtste straat te San Francisco door dit aangeplempte gedeelte gaat, is de straat in die plooiingen gebleven, nadat de golven ophielden en loopt men daar dus nu nog als over een reeks van kleine heuvels.
De streek, waarover de aardbeving haar verwoestingen deed gelden, bedraagt ter weerszijden van de barst omstreeks 25-30 mijlen. Maakt men nu een lijstje van de steden en dorpen van deze streek en wel eenerzijds voor die welke op rotsgrond staan, andererzijds voor die welke in de dalen liggen en dus op alluvialen grond gebouwd zijn, dan ziet men de tegenstelling terstond. In de eerste groep behooren Santa Cruz aan de westzijde, en Petaluma en San Rafaël aan de oostzijde der scheur. Tot de verwoeste plaatsen behooren Salinas aan de westzijde, San José en Santa Rosa aan de oostzijde. De drie eersten zijn op rotsgrond, de drie laatsten midden in de dalen gebouwd. San José ligt 13 mijlen en Santa Rosa 20 mijlen oostelijk van de scheur, terwijl San Rafaël en Petaluma beiden dichter daarbij liggen. Te Salinas werden niet alleen de steenen gebouwen van het stadje verwoest, maar ook de suikerfabriek van den heer Spreckels, een gebouw met stalen geraamte, maar met onvoldoende fondeering. Omtrent een aantal andere minder bekende plaatsen ontving de Commissie, aan wier rapport deze gegevens ontleend zijn, opgaven die het bedoelde verband tusschen grondsoort en graad van verwoesting bevestigen.
San Francisco behoort, zooals wij reeds gezien hebben, tot beide groepen. Het is voor een deel op de rotsachtige heuvels en voor een deel op zeer weeken grond gebouwd. Men kan er zelfs vier grondtypen onderscheiden, n.l. de rotsachtige heuvelhellingen, de valleien tusschen de heuvels, waarin in de oude tijden grond afgezet is, de zand-duinen en het kunstmatig aangeplempte land langs de baai. Wanneer men nu niet let op de gevolgen van den brand, maar alleen op den toestand na de aardbeving en vóór den brand, dan komen de verwoestingen zeer wel met deze vier grondsoorten overeen. Op den aangeplempten grond overtroffen zij alle voorstelling, en van hier uit zijn de branden dan ook voortgekomen. De grond schudde als een gelei of als water waarin een steen wordt geworpen. In de zandduinen moeten de golven ook groot geweest zijn, blijkens de talrijke scheuren en barsten, en hetzelfde geldt, ofschoon in iets mindere mate, van den lagen grond in de valleien. Hier werden vele gebouwen zwaar beschadigd, ofschoon in veel minderen graad dan op den aangeplempten grond. Op de rotsachtige heuvelhellingen en op de toppen der heuvels was de verwoesting echter zeer gering; hier en daar werden schoorsteenen afgeworpen, maar elders ook weer niet. De trillingen moeten hier kort en elastisch geweest zijn, en waarschijnlijk gelijk aan die van de rotsen onder de gebouwen. In Oakland en Berkeley kon men, ofschoon op veel kleinere schaal, de betrekking tusschen grondsoort en verwoesting zien, en de Universiteit, die op den rotsachtigen grond van haar campus staat is zoo goed als ongeschonden gebleven.
In het begin heb ik er reeds op gewezen, dat niet de grond alleen beslist, maar dat ook de bouwwijze van groote beteekenis is. Houten gebouwen aan de eene zijde, en massieve steenen kolossen met stalen geraamte aan de andere zijde, mits met goede fundeering, weerstonden de schokken. Huizen van gebakken steen, vooral die met dunne muren, verdwenen bij de eerste trilling. Hieruit volgt, dat de beide eerste typen voor de toekomst alleen aanbeveling verdienen, en dat alle steenen gebouwen van een voldoend ijzeren geraamte behooren voorzien te worden. Tevens kan men besluiten, dat het geenszins onverschillig is, waar men een gebouw plaatst. De aangeplempte grond deugt niet voor publieke gebouwen; deze moeten op rotsgrond opgetrokken worden. De waarde van een huis of paleis moet de plaats bepalen, de beste terreinen moeten voor de duurste of belangrijkste gebouwen worden bestemd. In dit opzicht zijn uit de jongste aardbeving tal van lessen te trekken, die voor het vervolg de schade van zulke woeste natuurverschijnselen aanmerkelijk zullen kunnen verminderen.
Waterleidingspijpen moeten zooveel mogelijk beveiligd worden, teneinde niet juist gebroken en doelloos te worden, wanneer een aardbeving branden veroorzaakt. Wat dwars over de scheur gaat, zal wel altijd gebroken worden, maar op een afstand van de hoofdlijn, zooals te San Francisco, kunnen voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Het is weer de harde grond, die de voorkeur verdient, en waarin dus de hoofdbuizen moeten liggen. Hun aansluitingen met de zijbuizen, die naar den weekeren grond gaan, moeten voldoende en gemakkelijk afsluitbaar gemaakt worden, teneinde gebroken pijpen van het overige deel van het stelsel te kunnen losmaken. Allerlei voorschriften kunnen ook hier allengs afgeleid worden, om ook dit gevaar zoo klein mogelijk te maken.