Dagen

Chapter 9

Chapter 94,076 wordsPublic domain

--We drinken ... zoolang we zwelgen kunnen! riep er een.

--Voor eene wedding: die eerst door zijne beenen valt, deze moet heel 't gelag betalen!

--Goed! Goed! En te gelijker tijd kregen ze 't voornemen te blijven zitten en te drinken zoolang ... o, altijd voort, tot ze rollen zouden of zien rollen. Er was een blijde dingen gebeurd,--z'en wisten niet goed meer wat--maar dat moest gevierd, begoten worden met bier, zoolang of dat er de veerman in den kelder had. Bij vlagen kwam bij Verlinde 't gedacht aan zijn nieuw meerselken en van nog iets dat na langen tijd effen en in orde was; dan overmeesterde hem eene wilde leute, hij greep de steenen bierkan en gooide ze te midden de Schelde.

--Dààr, baas, een grooter kruike moet ge brengen, of ge wordt nog lam van halen en schenken; tap het bier in ketels, of haal de ton uit den kelder--breng ze boven! Dat we drinken zonder ophouden!

Hunne aders spanden paars en puilden uit hunnen hals van 't lachen en schreeuwen en hun kiel en bestovene lakene broek waren belabberd van 't bier dat ze stortten.

Al 't geruchte dat ze mieken galmde over de vlakte en verstierf in de ijle lucht; rondom bleef het ongestoord rustig, zoodat niemand acht gaf op 't geen ze hier doende waren. z'En zagen malkaar niet meer zitten en ze lonkten door hunne halfopene oogen om te weten of er nog niemand gevallen lag. z'En dachten noch aan avond noch aan huis, of dat er van hun levensdagen nog hooi moest binnengehaald worden.

Verlinde deed wederom geweld om iets te zeggen, maar al wat er uitkwam was brobbeling.

--Dorst, dorst! tierde Vandoorn, 't is al van die zon, van die zon ... ik zou de Schelde leeg drinken! en hij reikte naar eene versche pint.

De baas stond geleund in zijn deurgat en kwam telkens bij om de glazen te vullen: hij ook wakelde al op de beenen en schonk met onvaste hand. En als Vandoorn verademd had, hief hij de oogen en wijzend naar Verlinde:

--Kerel, kunt ge nog op de beenen staan? vroeg hij.

--Ik! ik? bofte Verlinde.

--'k Wed dat ge er door valt!

--Ik, sterk van natuur, jongen!

Hij wikkelde de beenen van onder den stoel, wakelde, greep naar de tafel en tuimelde met al het gerief, onder te boven in 't gras en bleef er voor dood liggen blazen. De anderen sprongen recht met luiden schaterlach, ze stonden rond den gevallene en keken met lodderlijk, gelokene oogen en gemaakten schijn van spottende treurnis en ze zongen de uitvaart van den bezopene:

Onze broeder Lazarus die is dood zottekloot; we zullen hem begraven al in Jerusalem-me-lem- me-lem. We zullen hem begraven al in Jerusa- lem.

Ze trokken de tafels en de stoelen weg en legden hem de armen gekruist op de borst, raat de beenen lang uitgestrekt als een doode in zijne kist en herbegonnen hun liedje, gestopen staande als lijkbidders:

We zullen hem begraven al in Jerusalem-me-lem me-lem.

--We gaan onzen broeder eerst een slokske geven! en ze goten Verlinde een teugsken bier in den mond, maar ineens klaverde de schijndoode boer weer op de beenen, greep Vandoorn en Vanhoutte bij de hand en alle drie in ronde dansend zongen zij, Verlinde het luidst:

En onze broeder Lazarus die is dood zottekloot! . . . . . . . . . . . . .

--Gij zijt verloren! riep Vanhoutte, we gaan de verrijzenis vieren, en dan....

De kanne werd gevuld. Maar z'en konden niet meer, de glazen ontvielen hunne handen en ze moesten elkaar bij de lenden grijpen om niet te vallen.

--Laat ons naar huis gaan, naar huis gaan, besloten zij.

--Ja, ik ga betalen, zei Verlinde. Hij tastte onder zijnen kiel, en haalde geld uit en wierp het op tafel.--Dààr!

De veerman was niet meer in staat te tellen en de drie dronken boeren vertrokken arm aan arm, gebroederlijk--Vandoorn in 't midden. Zoo waggelden zij voort op hunne slappe beenen en zwenkend lijf. z'En hielden geen straat en gingen op goed geluk, tot aan den buik in 't gras, den wijden meersch in. Ze zwaaiden hunne armen tastend naar evenwicht en hunne beenen schrankten van links naar rechts, schommelend voort.

We zullen hem begraven al in Jerusalem-me-lem me-lem. We zullen hem begraven al in Jerusalem.

De meersch lag als een groene zee zonder einde; de zon was weg en de koele, blauwende schemermist steeg uit de grachten en overwaterde den einder.

De drie boeren vorderden traag, ze stonden nu en dan om adem te halen, te rusten of zich te ontlasten, en arm aan arm hernamen zij hun treuzelenden gang.

De veerman stond nog tegen den muur van zijn huis geleund en zag hoe ze verminderden in de verte, hoe ze stand hielden soms en plots alle drie verdwenen in 't gras en traag weer opklaverden, en voort djoezelden weer met vage armzwaaien, zwemmend boven de groene zee van hoog gras. Hij volgde nog den flauwen gang van hun liedje, zag de gestalten verminderen, en eindelijk werden zij drie zwarte vlekken tegeneen. Ze tuimelden altemets, lijk kerels omgeblazen en bleven een thoelang gedoken liggen. Later kropen ze één voor één weer boven, hernamen den wankelgang en doolden voort tot ze onzichtbaar werden, versmolten in den schemer, bachten den voorhang van den vallenden dauw.

't Liedje was uit en al het drukke van den warmen dag keerde weer in dezelfde rost en den vrede met den gewonen zomeravond.

* * * * *

VEROVERING

Dien zondagmorgen was het bijtend winterweer. De oude boeren waren thuis gebleven en na de mis stonden de jonge kerels een enkel stondeke maar, in twee hagen gereekt, langs den kerkeweg en stampten op den harden grond en pierden naar de meisjes die bibberend en in zwarte mantels gedoken, haastig naar huis gingen, 't Gedrom was zoo gauw geruimd op 't kerkplein, want de knapen polkten de handen diepe in de broekzakken en liepen met ingetrokkene schouders, om 't zeerst naar de Klokke of naar den Hert, hunne borrels pakken. Daar had de bazinne den heerd goed aangestookt zoodat de warmte van ver al deugddoende tegenkwam. De klanten kropen dicht in de ronde, lieten hunne schenen roosten, ontstaken eene pijp en dompten lustig. Het luide gebabbel ging overal en elk snapte naar een borrel klare genever om 't herte te warmen.

Odo en André, de rijke boerenzonen, hielden zich afgezonderd in hunnen hoogmoed, maar de gezellen uit dezelfde buurt zaten den linkschen hoek vol en loechen en praatten onder elkaar en, ze begekten den ouden Filie die vandage zijne geboden kreeg van den preekstoel om de aanstaande week te trouwen ... met een meisje dat hij al veertien jaar vrijde! Ze bespraken dat boerinnetje rechts en links, met al de gissingen in het leven der aanstaande echtelingen en den toestand der oude hofstede waar ze gingen inwonen. En Filie, de oude jonkman, zat daar zelve bij en hij luisterde dat af, goêloos, met een onnoozelen monkellach zonder één weergekkend woord uit te laten. En de luide, jolige leute ging al hooger bij elke nieuwe spotspreuk. Bintsdien grepen de grove handen naar versche borrels op 't schenkschaalken en de koperen vuurpot deed alsaan de ronde om nieuwe pijpen te ontsteken. De klap ging elders onbezorgd, vrij, lustig, vriendelijk. Onder makkers werd afgesproken hoe men den achtermiddag zou overbrengen, naar wat gehucht of welken hoek of herberg of waar ze malkaar zouden vinden om te schieten, te bollen of te kaarten.

Dan stonden zij bij benden recht en vertrokken gezamenlijk; maar in de "Gouden Leerze" wilden, ze nog eerst binnen bij Leentje, het geestig dochterken. Daar bleven zij staan lanterfanten bij den disch en taterden tegen 't mesje dat vrij meêgiechelde, terwijl heur poezelige hand met de flesch het klokkend geneverwater klaar als gesmolten ijs, perelend de glazekes volschonk. Ze gaarde de stuivers in den zak van haren netten voorschoot.

Vandaar vertrokken de gasten te veldewaard elk naar zijn huis en 't dorp bleef leeg en dood, lijk bij wekedage als ieder in zijn huis en aan 't werk is.

Odo en André ontstaken eene laatste pijp en gingen ook hunne wegen korten. Zij moesten langs denzelfden kant en daardoor was het sedert lange jaren gewoonte geworden samen naar huis te gaan. Ze praatten stil en schaars lijk menschen die malkaar veel zien en niets nieuws te zeggen hebben. Maar ze rookten duchtig fel om de koude en als ze aan 't houten kappelleken kwamen waar hun wegen verscheen liepen:

--Wat schikt gij te dòen, vandage? vroeg André.

--Weet niet.

--'t Weer is te goed om te slapen heel den dag. 't Regende of sneeuwde nu al zes zondagen aan één eind; zouden we niet een tochtje te peerde doen? De beesten staan daar, ze zullen er deugd van hebben en de wegen zijn goed.

--Voor mij niet gelaten, meende Odo.

--We moeten er nu gebruik van maken binst dat 't deugt en de weken zijn zoo drommels lang om verluieren.

--Waar rijden we?

--Waar ge wilt. Wel we schikken dat als we te peerde zitten.

--Goed, hoe late?

--Doppe na 't eten, 't is anders te gauw donker. Ik kom u halen.

--Goed, na 't eten.

Ze gingen elk zijnen weg. Een zware stap klinkend over den vervrozen grond en de blauwe damp dwarrelde als pluimkes altijd nieuw uit hunne pijp achter hun hoofd weg. Het land lag vlak als een kale vloer, grof verbrokkeld en gedeeld in wintervoren; en de harde haardkluiten, overpoeierd met lichten sneeuwmijzel, glinsterden in de nabijheid en bleekten verder uit in grijze eentonigheid. De lucht daarboven zat vaal zonder zon of kleur, triestig en eindeloos. Overal eenzame, uitgestorvene rust van liggend doode land. De hoven daarin stonden zeldzaam met naakte boomen verzaaid over de wereldvlakte. De wegen zelf waren half verwischt en lagen in hun kronkeligen kruisloop, oud, doorkorven met wagenslagen, gerimpeld als doodvergane, nuttelooze dingen. Daardoor stapte Odo onverschillig voort, met de leegheid der blekkende lucht en grijze omgeving die hij onbewust drukken voelde op zijn gemoed, zonder gedachten stappend uit gewoonte, over dezelfde baan, op denzelfden tijd, lijk elken zondagmorgen, zonder nieuws of verandering eentonig. Ginder herkende hij zijn hof in de verte: de oude, zwaar staande daken, wit berijmd onder den berijmden hemel, op de sombere muren die zwart vlekten tegen den grijzen grond; heel de doening stond lijk gedroomd en gereed te vergaan, te smelten in 't overwegend wintergrijs, verdrietig om zien.

Dingen uit het dorp kwamen nog in zijn gedacht, de hardklinkende, lachgalmende woorden van daareven in de herberg hoorde hij hier stikken over de verre vlakte heen. De menschen zag hij van rond zich uit de kerk, de aangezichten van makkers, het leutig, lief smoeltje van Leentje en den walmende tabaksdamp overal op. De doode dingen ook uit de verledene week kwamen in zijn gedacht: doffe, kleine gebeurtenissen van alle dagen, avonden gesleten bij André en zijne zuster Ida en elders op andere hoven in de buurt. En met Ida kwam heel den geleidelijken sleep van hunne lange kennis en verkeer en hij dacht aan dat meisje dat eens moest komen zijne vrouw te worden op 't hof, maar dat was 't einde, dat stond verre nog, heel ver en onvast, uitgesteld als een lastig, moeilijk ding waar hij nog niet durfde mede bezig zijn omdat het heel den gemakkelijken sleur van gewoon boerenleven en boerenrust, die nu zoo vast stond in den harden winter, moest komen storen en veranderen: een vreemde vrouw in dat innig, omsloten huis die er al het ongewone van de nieuwe doening zou moeten aanleeren. Hij wierp dat weg en seffens zag hij zijne zware peerden staan, warm en lui in den stal, en Jan den ouden knecht, die er zijn gewoon zondagwerk verrichtte. Daarbij raadde hij al den wagenden stilgang en doening in de zondagsche keuken waar hij zoo seffens zou binnenkomen; de warmte en den reuk van den maaltijd snoof hij reeds met 't gedacht aan moeder en Julie zijne zuster....

Hij lichtte den ring van de groote hofpoort en stapte tusschen wagens en karren door de schuur. Daarbinst overviel hem een groote, verdrietige moedeloosheid, de wederwerking van 't geruchte op 't dorp en de doodsche winterstilte hier alom. Hij vroeg niet hoe het kwam of waarom, maar dacht alleen aan de verdrietigheid omdat 't overal en eeuwig eenbaarlijk 't eigenste en 't zelfde was in eentonigheid: 't gedraai van menschen en dingen die hij zoo lange kende en die nooit beu waren van de wintersche triestigheid, den godslagen Zondag.

Hij klopte als gewoonlijk 't vuur uit zijne pijp, keek over de werf die levenloos en goed opgeschikt lag heel de lange wintermaanden, maar hij vond niets om over te vitten tegen 't werkvolk. Huis en staldeuren en schuurpoorten en luchtgaten, 't was alles zorgvuldig dichtgestopt en stil, 't scheen er bachten al uit verhuisd--geen beest dat leven miek. De hennen ook, en de wakkere haan bleven op hunnen warmen zolder tenzij juist den tijd om te eten.

Waar Odo door de vensters gluurde, gaandeweg over de hooge stoep, zag hij al de gordijntjes nauw dichtgeschoven. De deur kriepte haar gewonen kriep onder den stoot van zijne hand en binnen vond hij moeder en zuster met hun ernstig gelaat, stil bij den haard zitten wachten. Over 't vuur en in de heerdasch er rond, hingen en stonden ijzeren potten en pannen waar dampen uit walmden tusschen de spleet van de deksels. Over het verste eind van de lange tafel was een blauw geperkte dwale gespreid waarop de witte borden met vorken en lepels gereed stonden. Dat alles gaf Odo een tegenzin van vunze gewoonte, vastgegroeid in ouderdom, dringend als eene noodzaak. Zonder spreken nam hij plaats bij den heerd, trok de leerden uit en zijn vest, deed de wit gewasschene kloefen aan en bleef in de baaimouwen zitten geeuwen en rekken met de armen achterover.

Hij keek bezijds naar de gedekte tafel en naar moeder, die den blik verstond, hij lonkte naar het uurwerk, stond op en zette zich bij tafel.

--Julie, 't is tijd, we gaan eten.

Het meisje ging eerst aan 't venster kijken over de werf en riep naar Jan voor 't noengetij. De kerel kwam allichte binnen, zette zich op de bank bij tafel, nam zijne muts in de handen en las zijne gebeden. De anderen ook kwamen bij en mieken een kruis.

Julie diende de soep op in een bruinen eerden kom die dampte en zij schepte met den ijzeren pollepel de borden vol. Zonder spreken, zonder opzien, elk gebogen over tafel, namen zij met gelijke beweging van den arm, de soep met lepels binnen. Het getik van ijzer en geschreep op gleier miek 't eenig gerucht. Als de kom uit was, rekte Odo weer de armen open en keek naar zijne zuster en naar den pot op den heerd, wachtend om 't andere. Ze bracht de dampende aardappels en gebraden zwijnsvleesch en schonk de glazekes vol bier. Nu hernamen zij het eten met de vorke en het mes, zonder haast of zichtbaren smaak of genot, snijden en stekken en binnenhalen, als gewone, onverschillige bezigheid.

Moeder knabbelde lastig haren kost en herkauwde en peuzelde en hielp met bevende handen haren tandeloozen mond. Ze bekeek al de stukjes eer ze binnen te moffelen met weifelende meening, in beraad of ze wilde uitscheiden of voortdoen heur lastigen maaltijd. En Odo merkte het niet omdat hij met 't zijne alleen bezig was en hij at met knappe beten gestadig voort, om gedaan.

Als 't uit was deden zij hun dankgebed en namen hunne gewone plaats weer in bij den heerd. Jan haalde zijn zwart berookt pijpken uit den ondervestezak, vulde het en nam vuur uit de assche. Moeder zette zich in den ouden leunstoel te tukkebollen. Julie liep over den vloer, haakte den moor met warm water van den hangel en ging in 't achterhuis de schotels wasschen. Odo zat en keek naar de zolderribben, naar den top van zijne kloefen, op 't gewiebel van 't vlammeken in den heerd en op de blauwe walmkes van Jan zijne pijp. En als die walmkes verminderden en achterbleven en 't laatste met een blaas als een uitsproeiend aschfonteintje door den bak opvloog, zei Odo, alsof hij met alle geduld naar 't einde gewacht had:

--Jan, doe dan Baai gereed, smeer zijne hoeven en leg hem den zadel op.

De knecht stond op, luisterde zonder roeren tot de reek was uitgezegd, dan knikte hij instemmend, stak de pijp in den ondervestezak en vertrok. Odo ook veegde den vaak uit de oogen, keek nog eens op 't uurwerk, rekte de armen en ging geeuwend naar de vaute.

--Gaat ge rijden? vroeg Julie.

--Ja, André komt alhier, maak de koffie gereed. Dat was de gewone gebeurtenis van elken Zondagnoen en daarom en sprak men daar niet verder over. Odo kwam beneden in zijne rijbroek, gespte de sporen vast en de zeemvellene beenkleeren als André met vasten stoot de deur openduwde en binnenkwam. De jonge boerenzoon knikte goedgezind naar Julie, riep een luiden goên dag naar de vrouwe en een vroolijken:

--De maaltijd wel gesmaakt? Prinselijk weer buiten, jongen! Echt om te rijden!

Hij zette zich ongedwongen als in eigen huis op eenen stoel, stond zoo seffens weer op en ging bij 't venster een deuntje fluiten; vandaar keerde hij naar 't achterhuis en bleef in 't deurgat luide staan kouten tegen Julie. Hij stond daar zelfgenoegelijk, de jonge kerel, geleersd en gespoord en verschblinkend, frisch uitgeborsteld en vertelde en plaagde op blijden toon. Zoo gauw was de gespannene, zwijgende doening vergeten en alles keerde in beweging en geruchte.

Odo gerocht ook aan 't gekken en de trotsch opgeruimde moed kwam weer over zijn frisch en sterk gelaat. De lach klonk op bij elke spreuk en 't was nu blijruchtig en gezellig in de groote, warme winterkeuken. Het meisje handelde met vlugge, beweging heur schotels en lonkte met vlijtige oogen naar André al loopend vol bedrijvigheid, met lichten tred. Zoo deed ze ook de noenekoffie gereed.

Moeder had er zoo wel wel heur schik in, ze zag den jongen geern om zijne aanvalligheid en omdat zijn vriendelijk gezelschap zoo'n deugd deed aan haren Odo. André was anders ook een flinke boerenzoon en ze merkte met behagen dat hij trek had naar Julie en hoe dat het meisje zoo blij voldaan weêrlonkte en ze leutig uitbloeiden zoo gauw ze bijeen kwamen. André had daarenboven ook eene ferme, goede zuster en daarom zag de oude boerin geern dat haren zoon daar veel ten huize ging; hij kon zijne zinnen nergens beter vastzetten, en 't was heur blij, gerust voorgevoel: de jongens al ondereen samen gelukkig te zien, dat was haar troost in heur afgaande, oud leven. En heel de geschiedenis van haat en vroegere veete, heel het droevig kwaad leven van voortijds hield zij de jongens gedoken achter heur oud, gerimpeld aangezicht. Boer Vanmarcke was dood en Boer Verschaeve ook en de kinders waren onwetend van 't kwaad bedrijf hunner eigene ouders, en dat was maar beter ook.

--Ze zijn van weerskanten brave, deugdelijke kinders, dacht ze, de twee families leven nu zoo goed als maagschap ondereen en 't ware een geluk als ze door een dubbel huwelijk voorgoed den vrede bestendigden eer ik doodga. Eerlijke, begoede ouders van beiderzijde en hun hof en stalling met bed en bulster staat voor malkaar gereed. Maar niemand en sprak daar openlijk over, tenzij de knapen in de herberg en de meiden rond den heerd. Voor dezen die er in betrokken waren, bleef dat eene verwachting voor de toekomst en het was onnoodig er over te spreken omdat de tijd er nog niet was daarmede voort te doen; ze waren van weerskanten te jong nog en als de vriendelijke omgang nu maar onderhouden bleef, was 't al een deugdelijk dingen en eene gerustheid voor later. Intusschen namen Odo en André samen hun verzet en genoten vrij van hun jong leven.

Door de keukenvensters zagen zij nu Jan die Baai bij den breidel buiten bracht. Het forsch peerd lei schichtig de ooren en in zijne brooddronkene weelde begon het te steigeren, hief den kop en snoffelde naar 't vreemd peerd dat bij de schuurpoort gebonden stond. 't Sloeg in een plotse zotternije de hoeven hoog in de lucht en dan, op een vermaan van den ouden knecht, begon het ingehouden te trappelen op licht dansende pooten en liet zich leiden tot bij de voordeur.

--We zijn gereed, meende André en hij ging nu ook zijn peerd halen.

--Mijne rijzweep en mijne handschoenen? vroeg Odo. Moeder, tot t'avond!

--Julie! en de jonge kerel belonkte nog eens vlijtig het meisje voor een afzonderlijken groet. Ze kwamen mede buiten om de knapen te zien opstijgen.

Jan hield het onrustig peerd alsaan bij den toom. Odo onderzocht den zadelriem, greep den stijgbeugel, tord met den linkschen voet in en met vluchtigen zwaai zwierde hij 't lijf naar boven. Baai was hem bijna ontsprongen en nu, in 't verschot van de verrassing buitelde het ineens zijn onwillige zottigheid uit en wilde wegrennen. De vier hoeven kletsten twee en twee overhand tegen den harden grond met wreeden zwong van zware pooten en slaanden kop. Jan was bezijds gesprongen, maar Odo zat vast met knellende knieën en praamde den toom in de vuist; daar zat hij trotsch te glimlachen, preusch om het groot geweld dat hij met handige macht in bedwang hield. André was ook op zijne merrie gesprongen en de twee peerden hinnikten nu en begonnen eene wilde danspooterije, eerselden en kapten, ongedurig met drang om weg en in 't vrije te geraken. In hunne bradde wildheid zwierden zij den kop dat 't schuim rondspatte en ze knabbelden met de tanden het ijzeren gebit dat al hunne kracht gebonden hield. Zoo kwamen zij er eindelijk toe door veel gepraam van toom en gremmet, hunne rijdieren in bedwang te houden en kregen ze nevenseen als een getemd koppel waar zij bleven staan strappelen en slaan met den kop in ongeduld om aan te zetten. Maar als ze den toom voelden lossen, dreven zij gezamenlijk met harden hoefslag stampend den grond, een fermen ademsnoffel uit en zoo stoven zij 't hof af door de opene poort en in wilde vaart vooruit, zoo geweldig dat moeder en dochter bewonderend eerst dat spel, nu angstig opschreeuwden en buiten de poorte liepen met vrees voor ongelukken. Maar de twee felle ruiters waren al een eind ver en zaten er goed en gemakkelijk gewiegd op de breede, dansende ruggen en ze keken nog eens over den schouder ter geruststelling en om bewonderd te worden. André zond nog een laatsten groet naar 't meisje dat hem glimlachend nakeek. Als zij gezien hadden dat het goed ging, keerden de twee vrouwen in huis. Moeder schudde toch bedenkelijk het hoofd:

--De waaghalzen, ze zullen toch eens den nekke breken met die zotte peerden!

--Maar moeder, zij zijn jong en zitten er vast op.

Daarmee zweeg moeder en 't meisje ging zich nu wat opschikken en zou moeder komen voorlezen uit een oud boek. In de keuken hing weer de kalme, oude stilte, met eene onrust die onuitgesproken bleef: 't was eene te vroege verwachting om Odo ongedeerd te zien thuiskeeren, maar de stilte hield dat onuitgesproken verlangen besloten heel den achtermiddag tot t' avond late als 't nacht zou zijn misschien.

Terwijl zaten de twee kerels onbezorgd, hoog in de winterlucht en lieten zich gaan in vluggen draf. Zij loechen om de vrees van het lichte vrouwvolk en waren vol van de verwachting der vreugde die ze zoeken gingen.

Aan den ingang van 't dorp kletsten de hoefijzers dubbel hard op de kasseisteenen en de menschen kwamen uit hunne huizen kijken en bewonderden de twee ferme ruiters: Odo, de zoon van den ouden burgemeester, en André, de landrijke boer. Ze reden over 't kerkplein door de straat en hielden nu de leden sterk uitgespannen, als twee schoone knapen, en keken met overmoed uit de hoogte, preusch om hunne kostelijke peerden, rechts en links en knikten naar de dorpelingen die vriendelijk monkelden. De peerden gingen stapvoets nevenseen en Odo en André zaten er stijf en statig op, met gespannene knieën, de beenen stevig in de glimmende leerzen en zeemvellene broek, de rijzweep en teugels vast in de geschoeide banden, bewust van hunnen rijkdom en broederlijke weelde. Odo hief zijn gezond bleuzenden zwaren boerenkop met trotsoh-blinkende oogen, stijf op den breeden hals. Hij wist zijne schouders eendlijk en zijnen rechten rug sterker dan den sterkste van 't dorp. André daarnevens wat rilder, hooger opgeschoten op zijne stevige leden die plooiden genadig in het wiegen van zijn ros.