Dagen

Chapter 8

Chapter 84,201 wordsPublic domain

De weg liep nu tusschen vruchtvelden en op de helling van den heuvel, die den einder met blauwe lijn afsneed, lag het wit en het rood van de dorpshuizen in de zon te blinken.

Vanhoutte's gestalte verdween tot over de schouders achter een koornstuk en Verlinde zag den kop alleen boven de halmen in 't stroo vooruitschuiven. Hij zelf kwam in het nauwe wegeling en zijn stok deed de koornstalen ruischen; hij zwaaide hem al meer om de deugd van de ritseling te hooren. Wat den boer 't meest belaagde nu, was: te weten of zijn voorganger, volgens gewoonte, in de gekende herberg "Het vlammend Hert" zou ingaan. Hij zal niet durven, dacht hij. Hij is benauwd mij te ontmoeten, hij zal elders gaan. En als hij er toch gaat?... Verlinde nam nog geen besluit. De weg klom merkelijk en door de groeiende hitte werd het lastiger te gaan. Al 't geen de boer van den morgen doorwandelde, had in hem onbewust een gevoel van vrede doen ontstaan, hij voelde zich zoo stil gestemd, zoo rustig, de dag was zoo kalm begonnen en die reine wijdte was zoo grootsch, zoo plechtig onder den eeuwigen hemel, en van hier uit gezien, werd alle haat zoo klein, dat kijven zoo ongepast, zoo schendig; en Verlinde neep de lippen, beet en vocht om zijn straf, stoer gemoed niet te laten versmelten; hij besloot een kalm, gesloten, hooguitziend stilzwijgen te behouden en elderwaards te kijken. Hij werd moe van 't gaan en lam van de hitte, en verlangde naar eene koele herberg om wat te rusten.

Intusschen stapte Vanhoutte voort door de dorpstraat en recht de opene poort binnen van "Het vlammend Hert". Nu voelde Verlinde zich flauw worden, 't was hier zoo stil bij die dorpsmenschen, die versch uit hun bed opstonden, en hij had nu liever Vanhoutte niet te ontmoeten.

--'k Ga hier binnen, meende hij, en hij draaide den hoek om en ging naar den "Bonten Gaai".--Hier kan ik hem zien buitenkomen en wachten. Maar op dienzelfden stond oordeelde hij zijne daad als kleinmoedige kuiperij, doch hij wilde het zichzelf niet bekennen.

Hij was alleen in de koele gelagkamer, zette zich aan tafel bij het venster en vroeg koffie aan de vrouw, die met opgesloofde mouwen, heur handen afdrogend aan den voorschoot, van heur bezigheid uitscheidde. Zoo aanstonds begon zij met luide stem te kouten over 't warm weer van de vruchten en van 't nieuws en de menschen uit 't dorp, die Verlinde niet kende. De kamer was ineens vol leven en geruchte. De vrouw keerde en ging en de boer zat bij het tafeltje zijn zweet af te drogen; hij haalde een paar boterhammen uit zijne beurs en tusschen hare redens in, dronk hij zijne koffie en keek beurtelings naar 't uurwerk en door 't venster.

--Uwe burgmeester stelt het altijd goed?

--O, zeker, een beste mensch.

En Verlinde overlegde, of het niet best was nu maar vóór negen uur te gaan bellen, om er toch eerst mede gedaan te krijgen; maar dan voorzag hij, dat Vanhoutte hem zou zien over de straat gaan, of dat hij hem aan de deur zou ontmoeten en hem in 't gezicht loopen. Hij bleef dus maar zitten en loerde alsaan bachten zijne kijkwere naar de groote poort van "Het vlammend Hert". In de herberg was het nu even stil als op straat, de vrouw was uitgekout en weer naar heur werk, en 't scheen den boer dat hij hier alleen zijnen vijand zat af te wachten om eenen slag te slaan. Nog een half uurken, rekende hij, en hij ontstak zijn eerste pijp om den tijd te bedriegen. Zijn gemoed was onrustig, gejaagd, omdat hij nu in eene vreemde herberg was gaan zitten en niet gedaan had als Vanhoutte: onbeschroomd naar "Het vlammend Hert" gaan zonder niemand te duchten. Daarbij keerden in zijn eenzaam turen, al de kleine gebeurtenissen van verleden jaar bij hunne komst hier in 't dorp vóór zijnen geest--samen hadden ze ontbeten onder gezellig kouten, in afwachting naar 't uur dat de burgemeesters kantoor open ging.

--O, Vanhoutte kon hij anders wel missen! 't was nu al een jaar rond dat ze, sedert hun onverschil, malkaar niet meer zagen. En het mocht nog negentig jaar alzoo voortduren.

De herinnering aan hun vroegere partijtjes in de herbergen den Zondag, en de avonden 's winters rond malkaars heerd, liet nu bij Verlinde zelfs geen spijt meer na. Sedertdien hadden ze malkaar slechts twee keeren ontmoet en ze waren met stijven hals voorbijgegaan zonder de een den ander te bezien. Met geen woord hadden ze gescholden of geschimpt, maar bij elkeen stond de haat vastgegroeid door den tijd en geen van beiden zou een vinger toegeven, ze wisten het. Ze waren er nu aan gewend en Verlinde dacht niet meer aan ruzie en heel zelden aan Vanhoutte. De dagen keerden lijk voortijds, maar nu hij den vijand zoo vóór de voeten zag gaan en ze samen opeen moesten loopen lijk vandaag, joeg dat Verlinde 't bloed weer op en hij kreeg eene kriezeling in de vuisten om zijn onrecht effen te vechten. 't Was alsof het maar gister gebeurd was en bij 't minste woord of gebaar, zou 't er gestoven hebben. Verlinde zat geleund op zijnen wandelstok, lokte aan zijne pijp en binst dat zijne oogen het pintenrek en den disch bekeken en de veilingsbrieven lazen aan de wanden in de herberg, waren zijne gedachten te huis in de doening op zijn land--hij herleefde in zijn geheugen den dag voor die verkooping, als hij staan praten had met Vanhoutte; hij hoorde zijne eigene woorden nog: ze bespraken de zaken als fijne vossen die bevriend zijn en malkaar helpen willen waar 't den een den ander niet schaden kon. Ze waren overeengekomen dat Verlinde de vijfhonderd tarweland koopen zou die aan zijn eigendom geland lag, en Vanhoutte besprak de weide achter Verlinde's hof. Hij zag nu weer beeldelijk den notaris staan die bij de verkooping, die vijf honderd instelde. Verlinde was de eerste die een bod deed--een stem hoogde hem af! Verlinde had een nieuwen prijs geboden en weer dezelfde stem die afhoogde. Hij had gekeken om den kerel te kennen die hem zoo kwam opjagen, hij zou zoeken hem te bewilligen met schoone woorden en wat drinkgeld,--hij dacht nog dat hij van perceel of koop gemist was, vroeg inlichting aan zijnen gebuur en als hij weer het hoofd hief om meer te bieden:

"Verbleven! Proficiat!" en toen was het gebleken dat Vanhoutte kooper was en Verlinde gefopt stond! Dat was hem toen als een steensmete op 't hert gevallen; hij stond verdutst eerst, geloofde het niet en binst hij nog aan 't dubben was, besluiteloos en verdwaasd, was de weide ook aan Vanhoutte toegeslegen.

Dien avond was Verlinde met geslotene lippen naar huis getrokken, maar inwendig had hij geweldig gevloekt. Aan zijne vrouw had hij geen woord gezegd. Op dien stond was zijn spijt zoozeer niet om het land--dat hij toch wel missen kon--maar omdat 't voor al de menschen nu bekend was dat hij dommelijk gefopt werd en dat zijn gebuur, zijn vriend--de boer waarmede hij deur en deur woonde, waarmede hij dagelijks omging, hem zoo verraderlijk bedrogen had. Zijne woede had hij stil binnen gehouden, al zijne redens had hij verkropt, maar sedertdien was er een wantrouwen in hem ontstaan, een zwart ongeloof aan alle mogelijke genegenheid of vriendschap, eene verbolgenheid tegen al de menschen op de wereld, en toen besloot hij voor altijd zijne deuren gesloten te houden. Hij zweeg en vocht inwendig tegen den drang van zijn hert dat wilde toegeven, vergeten en vrede maken. Want de tijd was daarover gegleden en de menschen hadden reeds vergeten van waar het ongelijk kwam, ze verdraaiden de zaak en omdat hij niet mede wilde, veroordeelden zij Verlinde om zijn norsche koppigheid. Vanhoutte had er immers eene lachreden van gemaakt en in zijne lichthartigheid had hij getaterd en gezongen alsof er niets gebeurd was en de dorpelingen wilden hem ook geen kwaad om den kleinen streek, dien hij zijnen gierigen gebuur gespeeld had. Verlinde echter kon of wilde niet vergeten; al de dingen waarop hij keek herinnerden hem aan 't geleden onrecht--hij moest stand houden, zonder herstelling kon hij niet toegeven; een woord ware genoeg, maar het woord moest er komen en hij droeg gelaten de gedurige drukking van 't ongelijk dat de menschen hem aandeden. In zijn binnenste verjoeg hij den drang die hem dwong toe te geven en weer te keeren in den kring van gezonde leutigheid, bij de lachende menschen en hij dook zijne eigene onrust te midden al het rustige waar hij in leefde. Hij zag de dorpelingen voor hem uit den weg gaan, ze lieten hem alleen in de herberg waar hij binnenkwam, ze vermeden hem aan te spreken--de leute en 't gelach hielden op waar hij zich vertoonde ... en de boomen en 't gras en de vruchten groeiden en de zon schong daar zoo allemachtig onverschillig over, dat Verlinde zijne eigene zaak zoo klein vond, iets dat lang geleden en uitgewischt was. Bij zichzelf haalde hij al dieper ongelijk om zijn koppig vasthouden. Hij had het anders gewild, maar wist niet hoe het goed te maken en daarom bleef hij aan zijn voornemen getrouw: hij hield den kop omhoog en zag met koele verachting neer op alles wat rond hem leefde. Niemand, zijne vrouw zelfs niet, liet hij in zijn binnenste kijken en de norsche boer bleef sterk nu, uitsluitelijk omdat hij het tegen alle meening in, wilde blijven.

Maar nu verdroot hem dat wachten hier in die eensche herberg, te meer daar hij beloofd had tegen den noen te huis te zijn. Hij zag het felle weer buiten en als hij aan zijn hooi dacht, werd hij ongeduldig. 't Was over den tijd reeds! Toen begon hij te denken: Vanhoutte kan weg zijn zonder ik hem gezien heb. Nu kon er komen wat wilde, hij nam een kloek besluit en trok de straat over. Aan de deur van den burgemeester gekomen, sloeg hij het stof uit zijne broek en trok aan de bel.

De meid opende voorzichtig en leidde den boer binnen.

--Is mijnheer te spreken? 'k Ben hier met geld en wat haastig.

Zij knikte en ging de deur van de spreekplaats opentrekken, maar Verlinde hield haar bij de mouw en beslist, luide:

--Vanhoutte is hier, schreeuwde hij, steek me bij hem niet of we vechten!

De meid stond versteld, ze kende Vanhoutte noch Verlinde en stamelend:

--Er is een boer bij mijnheer in 't kantoor,

--Dan is 't goed, en Verlinde liet het meisje in hare verwondering en stapte in de spreekkamer. De deur viel weer dicht en nu zat hij als een gevangene en wachtte in groote stilte af, wat er gebeuren ging. De bloemkrullen op het behangpapier waren bleek vergaan en de bollefrinjen aan de rolgordijnen hingen in effene reek boven 't kruisraam zonder dat er eentje roerde. Verlinde zat op eenen stoel en luisterde naar het bromronken van twee stemmen in het aanpalend vertrek. Eene deur ging open en weer dicht, de bel klonk, er werd nog iemand binnengelaten, maar Verlinde kon niet raden waar de nieuwe bezoeker aanlandde. De klok sloeg op den kerktoren en dat was hem een verwijt omdat hij hier doelloos te wachten zat, zonder wete van korting of uitkomst. Nu eindelijk hoorde hij de stemmen luider: Vanhoutte die afscheid nam en de kantoordeur dichttrok trok. Toen barst er iets los in Verlinde, hij wilde zich niet langer als een duts en verslagene laten doorgaan, hj; wilde zich wreken over zijne verdrietigheid van heel den uchtend--met een stout gebaar trok hij de deur der spreekplaats open en daar stonden de twee vijanden bek en bek, in de gang.

--Hè, hè hè, een gekkende ekstersschettering met bitsige scheldwoorden, onverstaanbaar dooreen gesmeten uit schorre kelen--'t had maar een stonde geduurd, de weerdij van 't voorbijgaan, Vanhoutte naar buiten en Verlinde naar 't kantoor. Hij stond nog wat daverachtig, purper in zijn wezen, kwaad omdat hij met woorden heel zijne gramte niet had kunnen uitbraken; maar nu was 't weeral over, hij wilde kalm schijnen, want de burgemeester had niets te zien in hunne ruzie

--Ha! Verlinde, en de oude stak den pachter de hand toe, hoe gaat 't? en te huis?

Verlinde groette koel en zonder veel talmen haalde hij de beurs uit den binnenzak en telde de zilverstukken in reken. De burgemeester schreef eenen kwijtbrief en overtelde de som. De meid bracht een kanne bier en glazen. Verlinde besprak eene herstelling aan de staldeur en aan het keldervenster en de burgemeester beloofde in de eerste drie weken eens te komen zien.

--Vanhoutte is juist vertrokken, zegde hij, en bij 't optrekken der wenkbrauwen zag Verlinde dat 't den burgemeester vreemd voorkwam de twee pachters, die gewend waren samen te komen, nu verscheen te zien vertrekken. Verlinde stond met de schaamte in zijn binnenste en voelde zich niet geneigd hier uitleg te geven over hun onverschil.

--Hij is er van morgen te vroeg uitgekomen, veinsde hij, het werk dringt ... maar 'k kan hem nog inhalen--'k was wat verachterd met dat we een zieke koe op stal hebben. Bij die moedwillige leugen schoot 't schaamterood hem in 't wezen. En hij verlangde weg te zijn.

--'t Is volle hooitijd, menheer, ge neemt niet kwalijk.

Hij had zijnen hoed al op en greep naar de deurklink.

--Ja, Verlinde, tot binnenkort en de groeten aan de vrouw.

't Was bij den noen als hij buiten op straat stond. Alle soorten van meeningen stormden hem door den kop en eene groote misnoegdheid met zichzelf knaagde hem. Hij wilde zijne schuchtere houding van daareven weer goedmaken door eene stoute daad, ter zelfder tijde verdroot het in dat huis gekeven te hebben.--Waarom bleef ik niet koes tot hij buiten was, gromde hij. Maar nu wilde hij bij alle duivels in 't Vlammend Hert, zijne plaats niet meer verloochenen, al zaten er honderd Vanhoutten. Met kloeken duw stak hij de deur der gelagkamer open. Zijn gebuur zat aan een tafeltje te eten, hun blik kruiste als de weerlicht en dan bezagen de twee boeren malkaar niet meer. Vanhoutte at voort zijnen noenkost en Verlinde ging aan een andere tafel, vroeg luide een pot bier en haalde ook zijnen mondvoorraad uit. De baas ging over en weer, praatte van den een tot den ander en kreeg van beide boeren om de beurt antwoord. Ze bestelden overhand nieuwe potten bier en Verlinde was vast besloten: er nog vijf en twintig te drinken als de ander het dorst volhouden. Ze hadden gedaan met eten en lagen nu achterover geleund, te wijpelen op hunnen stoel, onder het rooken hunner pijp en ze dreven om ter meest, met luid geblaas de kuilen naar de balke. De waard was weg en nu werd er geen woord meer gesproken. Op straat kwamen de menschen van hun werk naar huis om te noenmalen en geen enkele voorbijganger vermoedde, dat de twee kemphanen hier bijeen te vunzen zaten, gereed tot vechten. De gloeizon vulde den dorpsbrink met loome hitte en schitterlicht. En Verlinde was kwaad omdat er niet meer geruchte was, omdat de dingen zoo lam hingen, zonder hitsigheid als zij hier getweeën over malkaar zaten te blekken. Hij rochelde luide 't speeksel door zijne keel en trommelde met zijnen stok op tafel. Vanhoutte rookte genoeglijk, gerust en blies met welbehagen, stilden rook in kringetjes door zijne lippen.

Eindelijk klopte hij zijne pijp uit op den top van zijnen schoen, stond recht, betaalde en vertrok, alsof hij heel alleen in 't Vlammend Hert genoenmaald had. Verlinde ontstak er nog een nieuwe en wilde nog wat blijven, maar 't verdroot hem gauw in de herberg, hij voelde er zich eenzaam en het werk drong hem ook naar huis te gaan. Hij vertrok. Inwendig was hij goed gesteld, ververscht door 't koele bier, uitgerust van de vermoeidheid en kloek op de beenen. De hitte deed hem geen hinder en hij stapte dapper aan, in 't voornemen zonder verbeiden, gauw t'huis te komen. Hij keek nog naar 't uurwerk op den toren en meende wel laat, maar toch bij tijds aan te komen om 't hooi in te halen. Vanhoutte was nievers te ontwaren, misschien langs een omweg naar huis,--zoo bleef de bane vrij en voor niemand zou de boer den stap moeten breken.

De velden, het reuzelende koorn, 't lag al zoo rustig onder de verbijsterende schittering der zon en Verlinde voelde zich een klein, nietig zierken onder de drukking van de wijde lucht, op de helling van den heuvel, met dat breed landschap vóór zich.

't Zweet droop hem weer van onder den rand van zijnen hoed en barst overal uit zijn lijf; de zon zengelde door 't blauw van zijnen kiel en stak hem op de schouders als zwaar gewicht 't Werd lastig dat neerloopen op den deinenden weg en 't geen nog te doen bleef, lag in wanhopige lengte bloot. Maar Verlinde ging zonder opzien of overdenken, stap voor stap, met 't gelaten geduld van iemand die heel zijn leven over 't land geloopen heeft.

Al over 't hooge koorn zag hij tegen den witten muur van 't veerhuis, de menschen zitten en hier in de weide krioelde het van druk gerid van wagens en karren met hooi. Nader gekomen, zag Verlinde aan den overkant twee menschen vóór de deur van 't veerhuis en binst-hij te wachten stond aan den scheldeoever en de veerman hem met de boot halen kwam, herkende hij Vanhoutte die met Vandoorn den veekoopman, in de schaduw zaten bij een tafeltje waar ze gemakkelijk hun pintje dronken. Hij hoorde de vette, ronde stem van Vandoorn en zijn eeuwigen lach en merkte duidelijk dat de koeiplote er zijn behagen in had en er op gesteld was iets te zien gebeuren bij de ontmoeting van die twee boeren.

--Ze gaan mij voor den gek houden, vreesde Verlinde terwijl hij recht in de boot stond,--ze gaan zeggen dat ik niet durf ... dat ik Vanhoutte uit den weg loop; ik moest thuis zijn--maar dat gelooven ze niet.

Ze zaten daar zoo kostelijk in het lommer met hun pinte bier, langs het water!

--Ha! Verlinde! loech Vandoorn al uit de verte, gij zijt gaan wandelen, ge zweet eraf, drink een pot met ons om u te verkoelen. Baas, schenk hem een pinte, 'k heb vandage goê zaken gedaan, en hij sloeg met den mispelaar op tafel.

Verlinde kon niet anders en hij zette zich bij met den schouder gekeerd naar Vanhoutte die niets en zegde.

--Op onze gezondheid! riep de vroolijke koopman, hij hief zijn glas op en tikte het tegen de twee andere.

Hij praatte voort in luid galmende woorden, zijne gevaarten met de boeren die hij vandaag bezocht had, en hij bracht Vanhoutte ook aan 't kouten en deze vroeg ineens ook drie pinten om den koopman zijne weerjunste te doen. Eindelijk gerochten alle twee de boeren los, ze praatten elk al zijnen kant met Vandoorn, maar onderling bezagen ze malkaar niet.

Verlinde bestelde op zijne beurt ook drie pinten.

--Op onze gezondheid! riep de koopman, goed zoo makkers! De glazen tikten tegeneen.

De koopman legde het het blijkbaar op aan de twee boeren te duivelen:

--Dat is goed! riep hij; 'k wist wel dat ge de koppige kerels waart, maar 't mag niet blijven duren, we moeten eten en vergeven!

Die woorden vielen als in eenen kelder en versmachtten er zonder naklank; geen van de twee boeren verpinkte, 't was alsof ze 't niet gehoord hadden. Maar de grove kerel wilde er verder op los, en luider schreeuwde hij ineens:

--Maar zeg, jongens, is dat nog altijd om dat schamel stukje land dat ge malkaar het herte opvreet?! Gij subbedutten! onnoozelaars! Voor twee gebuurs, 't is een schande! Toe, laat ons pleizier maken binst we leven!

De koopman riep dat ronduit, onbeschroomd in dien wijden meersch en daarmede lag hunne zaak daar ineens bloot in haar pieterige kleinheid: geen mensch had het ooit met een woord durven aanroeren 't geen ze een jaar lang in hun eigen bezaagd, gekeerd en herkeerd en met hun versteenden haat zoo ingewikkeld groot en vast hadden laten opgroeien--en dat wierp de kerel in één mondsgreep er uit. Nu voelde Verlinde de schaamte van binnen in zijn herte komen en zijn hof en 't hof van Vanhoutte, met de lucht er rondom en het land, lag als speelgoed heel veraf en hun beider houding daarbij, scheen hem nu eene verachtelijke beuzelarij.

--Ze schrikten zienlijk omdat hun gevoelige snaar zoo onverwachts, zoo fel aangegrepen werd, en ze voelden zich evenzeer gedwongen voor de oogen van dien levenslustigen veekoopman, hunne trunterij te vergeten en zich open en breed mannelijk te toonen ... en ze monkelden verlegen als om te zeggen: dat 't hunne schuld niet was als ze om zoo'n dingen elkaar in den weg liepen en de wereld te nauw vonden. Maar dat 't inwendig zoo erg niet was, durfden ze niet openlijk bekennen. Vandoorn raadde het zoo, en zonder nog naar overgang of naar uitleg te vragen:

--Baas, nog drie pinten! op de herstelling van den vrede! Dat blekken heeft nu om den drommel lang genoeg geduurd!

Geen van beide boeren dorst zich achteruit trekken en ze tikten de drie glazen tegeneen, maar zonder malkaar te bezien.

De drank liep zoo koel lavend binnen; rond het veerhuis lag de weide vol goudgroen zoo ver oogen zien konden en de boeren zaten daar zoo alleen, innig gezellig onder 't strooien euzie, tegen den oever der blauwe waterstreep die in ronde bocht hen insloot. 't Was hier heel buiten hun gewoon leven van ginder, hier was alles breeder, open en grootsch onder de machtige lucht.

Volgens Vandoorns opvatting was 't met dat kleine voorval nu effen en uit, hij ratelde en loech en viel van 't een op 't ander, zoo leutig en los; mengelde zijne spreuken en vlocht zijne redens zoo behendig dat hij de twee boeren dwong in 't gesprek zoodat ze, onwillig eerst, maar toch elkaar het woord moesten geven om mee te kouten en ook het hunne er bij te vertellen. Verlinde zijn zinnen dansten uiteen, zijn verstand waterde open en zijn lijf zat zwaar doorwegend op de zate van zijnen stoel. Zijne oogen loechen in de wijdte, dwaas dronken en inwendig voelde hij de lustigheid groeien en een buitengewoon genoegen te zitten en te drinken;--als er tusschenin een verwijt hem dwong om voort, als hij op t'huis dacht en op zijn hooi, keerde hij de zinnen anderwaards, want hij had een voorgevoel dat hij hier ook iets moest verrichten, iets herstellen dat gewichtiger was en dringender dan zijn werk tehuis en dat nu aanstonds een groot dingen gebeuren zou, welk hem veel geluk en zijn leven op den ouden plooi moest brengen.

--Lowie, nog drie pinten! 'k Ben vergeven van den dorst!

Hij wilde laten zien dat hij geen hond was, dat hij er ook breed kon doorgaan, zoo goed als gelijk wie. En hij was nu ook overtuigd dat het leven zonder leute geen pijpe tabak weerd was.

Zij ledigden al dapper de pinten en ondertusschen gingen zij achter den hoek van het huis, tegen den boom gaan staan en keerden ontlast, met nieuwen lust, om 't drinken te herbeginnen. De twee boeren moesten bekennen dat Vandoorn een kostelijke kerel was, hij vertelde ongelooflijke histories, die met hem zelf gebeurd waren en waarbij men krullen moest van 't lachen.

En als Vanhoutte nu weer naar den boom ging bachten 't huis, voelde Verlinde ook eene behoefte en binst ze daar rug en rug alleen bezig waren, gerochten de groote dingen al ineens hun gewonen ernst kwijt; dat leek hun nu heel gewoon en ongedwongen spraken zij over 't geleden verraad als over een gespeelde kluchte uit den ouden tijd.

--Ge moest me toch dat meerselke gelaten hebben, bachten mijn huis! loech Verlinde.

--Als u dat nu bezonder plezier kan doen, 't ware geern gegeven, zei Vanhoutte, zonder zich om te keeren of uit te scheiden van zijne bezigheid.

--Zeker kerel, 'k moet nu alle dagen een half uur ver om mijne klaver rijden! Is 't gedaan?

--'t Is gedaan.

--Ehwel, goed dan: vrienden lijk voren en na!

--Lijk voren en na! Ze scheidden tegelijk uit en kwamen bijeen om de zaak met eenen handslag te bevestigen.

--Als ik de weide krijg, wel, dan is 't haverland u gejond!

--Ja, we konden dat ook wel vroeger in orde brengen; menschen spreken menschen.

Verlinde grinnikte en ze kwamen weer bij tafel en ze vroegen opnieuw om bier en Lowie moest meêdrinken.

Niemand merkte hoe de zon nu schuin heur stralen over de weide schoot en 't al in rijker goudglans deed boenen. Lijk mieren stonden en wroetten de maaiers daarin en de hoog geladene wagens voerden 't hooi naar huis. Maar wie kon het schelen! De drie kerels zaten met een wezen purper gezwollen, glimmend van zweet en ze zwaaiden de armen en hunnen hoed lijk Janklaas in het poppenspel. 't Geen ze uitbrachten hield zin noch reek, z'en verstonden malkaar niet meer en al wat ze nog zeggen wilden, smachtte in dreunenden lach. Ze hielden al wat ze konden om hun glas aan den mond te brengen.