Dagen

Chapter 7

Chapter 74,130 wordsPublic domain

--Alle dagen nu--'t is vast--lezen we een groot gebed voor u, op ons bloote knieën.

--Als ge nu wat werk geeft aan vader, geraken wij door den kwaden winter, gewonnen; geef het hem, wij vragen 't u schoone, Heilige man!

--Onze Vader die in de hemelen zijt!

En ze lazen woord voor woord, halen en herhalen, hunne vijftien onze-Vaders en wees-gegroeten ter eere van Sint-Josef, in dankzegging.

* * * * *

VREDE

Als de klaver in ronde bundels hoog en vol op de kar gestapeld lag, reden zij van 't veld door de zandstraat, traag naar huis.

De oude boer zat op 't snak en mende den os; zijne lange beenen zwemelden nevens 't voorwiel, zijn rug was kromgebogen en zijn groot, donker hoofd woog boven de knieën, met ingetogenen ernst. Zijne handen hielden los het leizeel en de witbonte os trok met breede grepen schouderwringend de oude, krakende kar door 't zand. Achteraan stapte Freê, de gebrokene knecht, en droeg de zeis hoog als een wreed wapen over den schouder.

't Getrek wielde piepend door de diepe slagen van den wagenweg, zonder haast, in de rust van de omliggende doode dingen en den schemerval van het stille dageinde.

De bossen kriepten, en de krekels ook in den gerskant. Al het landvolk was reeds thuis of weg en de oude boer en keek niet naar 't geen hij voorbijreed. Het achterlijf van den os bekeek hij niet en de kloefen die onder zijne oogen, aan de magere voeten hingen, zag hij wel rakelings over 't zand slepen, maar hij was elders en met een groot gedacht vol bezig. De kar rolde en de avond was gelijk al de andere en 't gepiep van de draaiende wielen knersde altijd keerend in zijne ooren.

--Krakende wagens rijden langst, bracht hem dat in den geest, en van daar voort doelde hij op zijn eigen, oud lijf, dat nu ook wel een krakenden wagen geleek die rolde, rolde een heel leven lang over hetzelfde veld... zijn eigen veld ... en dan weer welde de oude sleepgedachte op, die nu een vol jaar reeds, zijn vroegere gerustheid bestormde en te niete deed; het haverstuk, het gekende akkerland--de vijfhonderd, die hij zijn levensdagen gebruikte, die te midden zijn eigendom lag en hem op dien heugelijken verkoop ontfutseld werd, schandalig ontfutseld door zijnen vriend en gebuur; door boer Vanhoutte, de verrader!

En de luizige streek speelde in heel heur lengte, met al de kleine bijzonderheden, voor den duizendsten keer door zijn hoofd.

--Maar, Verlinde, als ge hier Vanhoutte's weide in de plaats kreegt, was de schade en het kwaad daardoor toch wat verholpen?...

Den boer zijn eendlijk hoofd hief en vóór zijne oogen, beneden de gracht, lag het vierkant weidestuk met jeugdige kopwilgen zoo net omtuind.

--Wie zegde, wie sprak er daar? Hij luisterde verwonderd, en onthutst door de verrassing van die vreemde veropenbaring, hoorde hij nog de natinseling van die laatste woorden en terwijl hij zocht wie,--of hij 't eigenlijk gehoord of wel bij zichzelf zoo maar aan 't verzinnen was, vervolgde dezelfde stem wat treitend nu:

--Hier kost gij evengoed een klaverijtje aanleggen ... en dan moest ge ook geen uur ver om uw voeder rijden, door den avond....

--Ho, Dolf! riep hij ineens. Hij hoorde 't zoo duidelijk nu als van een mensch uitgesproken, en eer hij 't zijn handen vast bevolen had, snokten ze 't zeel en Dolf, de gezapige os, stond palstil te wachten. Verlinde wist nu eigenlijk niet wat hij er van houden moest.

--Freê, zegt ge entwat?

De oude knecht rekte den hals lang uit bezijds de kar en:

--Ik, neen-ik, boer.

--Dolf heeft het evenmin uitgesproken, dacht Verlinde en hij mokte aan 't zeel.

De os herbegon gewillig zijn schouderwringen en 't getrek rolde weer traag vooruit. De boer zat nu wat opgewakkerd--kwaad om zijn eigen doezeling en hij keek niet weg van de kopwilgen, die hem zoo even aan 't dolen brachten. Hij wilde niet meer denken.

De weg hield aan in effene, uitgerekte, rechte lijn waar hij in de duisternis eindde.

De reuk van warmen stalmest kwam met een zwaai door de lucht gewaaid en Verlinde voelde nu van waar hij zat--drukken op zijnen rug, bachten zich, de tegenwoordigheid van Vanhoutte's hoving.

Eene zenuwrilling dreef door zijnen arm en zijne hand snokte nijdig het zeel om den gezapigen os te dwingen haastig voorbij te rijden.

't Was er doodsch, zwart, warm-stil rondom en niemand langs de baan.

Verder ademde Verlinde onbewust de frischheid op van den koelen avond en binst dat de dauw als eene dunne droomwolk, wijd onder de stil-innige manelucht neerviel, kwam in hem de herinnering aan dienzelfden avond van verleden jaar: toen ze beiden nog bevriende gebuurs waren, hij en Vanhoutte, en op morgen samen naar den eigenaar hun pachtgeld droegen ... dat was hun jaarlijksche uitgang, een blijdag in 't eentonig boerejaar, waar ze naar verlangden als naar de groote kermis.

Den laatsten keer nog, waren ze wat besnoven door den drank, weergekeerd en hadden onderweg malkaar den arm gegeven om gebroederlijk zonder struikelen hun huis te vinden.

Dat was nu allemaal weg, gebroken, uit voor altijd en Vanhoutte stond bij Verlinde in zijne zware schuld, lijk den eersten dag van 't verraad, als de bedrieger, de valschaard. De verwijtsels kropten weer den boer in de keel en de stilte rondom hield hem alleen in, ze luie uit te schreeuwen.

--Morgen ga ik zonder hem met het pachtgeld naar den Heer, meende hij ... en gedoken, zonder dat hij het zichzelf wilde toegeven, woekerde de onrust: of Vanhoutte ook aan zijn gewonen dag zou houden? of hij 't niet uitstellen zou?... en de aandoening zinderde daarbij in Verlinde's gemoed voor een mogelijke botsing.

In het fluweelzachte deemster, stonden de boomkruinen matpurper, pal stil op de rilde stammen, de bladertrossen zwaar van schaduw en duisternis en daarachter, de stompzwarte stroodaken en puntige gevels, scherpgesneden tegen de teedere, maneklare avondlucht.

De kar wendde naar rechts de straat af en over den doortocht, tusschen de twee einden singelgracht, die met glim-zwarte watervlak tusschen den dubbelen krans van elzenhout het hof insloten, reed de kar door de opene balie de werf op. Eene fijne mistvlaak overzifte de dingen met droomige onduidelijkheid.

--Ho, Dolf.

De boer spande den os uit en stak hem op stal, terwijl Freê de klaverbundels in 't voederkot ketste. De vrouw kwam bij, wenschte "welkom" en stond met de handen op de heupen te zien naar de bezigheid.

De avondkost was gereed en de drie menschen aten bij tafel, in de donkere keuken.

De flauwe manesching viel door 't venster, helderend in schemervaagte de tafel en de witte borden;--en de vlamme die in den heerd het zwarte gat van den koeketel lekte, danste met vaal rooden glans op de uitsprongen van de ernstig zwijgende wezens der drie ingenooten.

--Morgen weer een warme dag, viel de stem van de boerin daar tusschen.

Op dat woord wendde de boer in gedwongene beweging het hoofd naar het venster en kuchte eene doffe bevestiging. De knecht at voort zonder opzien.

--De klaver staat goed? vroeg de vrouw weer.

Freê meende dat de vraag nu tot hem gericht was en als de boer toch niet antwoordde, voelde hij de ijle stilte die naar zijn wederwoord hangend openwachtte.

--Ja 't, vrouwe, malsch en dikke staat ze gelijk 't haar op den hond.

Als de opgehoopte borden nu waren leeggestekt, kwam de pappot op tafel en met de houtene lepels haalden ze nu gezamelijk of overhands, de spijze uit, met dezelfde gedaagde beweging, zonder dat er nog een woord tusschen viel.

Nu de schotel uit was, vielen de lepels op tafel en Freê stond recht. Hij bleef nog wat aarzelen vóór 't venster en dan;--Wat is er voor morgen? vroeg hij.

Terbinst die vraagwoorden nog in de keuken hingen, was Verlinde aan 't regelen én zoeken naar een bescheid; hij zag 't verloop van den volgenden dag gebeuren. Als ik vroeg uitzet, dacht hij, ben ik 's noens terug; dan kunnen we in 't hooi werken, en als 't even zonnewarm is als vandaag, kan het tegen s' avonds al droog zijn.

--Jawel, Freê, morgen tijdelijk, 't hooi openvimmen, na den noen kunnen we samen hopperen....

Freê stond en wachtte nog wat. De vrouw was in 't achterhuis heur schotelgerief aan 't wasschen. De damp pruttelde in den ketel en de druppels koeisop zeeverden langs den zwarten balg sissend in de vlamme.

En Verlinde plots uit zijne gedachten schietend, besloot er een eind aan te maken:

--Ja, morgen vroeg met de zon aan 't hooi. Als de dauw is opgedroogd kunt ge ook de lammersteert afmaaien.

--'t Heeft vandage fel gedroogd, meende de knecht, 't zal gauw veraarzeld zijn, 't weer is vast. Zoo tot morgen, goên avond vrouw.

--n' Avond Freê.

De boer kwam ook naar buiten en zag den gekrookten, ouden vent vóór zijne voeten het hof verlaten. De maan blonk vlijtig in 't effen geluchte met zeldzame sterren en de lichte smoor zweefde hier manhoogte in dunne deklaag over de velden. Freê wees naar de wolkenbank die als een vereende, uitgerekte vischgedaante ten Westen aan den einder hing.

--'t Geluchte trekt op, versterking, meende hij.

De boer knuffelde iets en als de knecht over den walweg, buiten de balie was, draaide Verlinde den slagboom toe en legde 't grendelijzer in. Hij miek den hond van zijnen band los en kwam weer in huis met den buik tegen 't venster staan.

De mist lag dikker nu en overwaterde de werf met blauwigheid. Daaruit staken de hooge boomstammen hunnen zwaren kruinenbos en over de schuine stroodaken gleed in effen blinklicht, de zachte, zuivere maneschemer.

Omhoog was 't één reine ijlte den hemel vol blauw en wolkenrust.

Verlinde wachtte tot dat Trezia uit den stal zou keeren, hij trok eerst de horlogieklompen op en kwam weer bij 't venster. Die rustige avondkalmte stoorde hem met misnoegdheid omdat de dingen nu effen zóó waren als verleden jaar in dezelfde doening--maar toen was het in zijn gemoed zoo kalm--nu echter beangstigde hem diezelfde stilte en hij voelde zich daarin alleen staan met de onrust in zijn binnenste,--de strijd met de dingen die alom in vrede, hun gewoon leven leidden. Hij voelde spijt omdat alles tegen zijn wil toch, zóó geworden was, spijt om dezelfde stille avonden van vroeger, om 't geen weg en niet meer te vinden was. Maar daarbij bleef zijn eigene meening even vast, zijn stijve hals kropte straf, zijn zware wenkbrauwen fronsten over de diepe oogen en de vuisten balden in zijne broekzakken.

Hij stond alleen, ja, buiten al 't andere, maar sterk in zijne eenschheid en de beleediging was even zwaar en even onvergeeflijk als den eersten dag. Binnen woelde het om uit te barsten, maar inwendig bleef hij kalm; hij dwong zich nog wat te staan staren over zijne werf en dan wilde hij niet meer wachten. Hij legde nieuw hout op het heerdvuur, ging zijnen wandelstok halen uit de horlogiekast en zette zich in den helderschijn van de houtvlam den koperen minsel en de kruk te poetsen.

Trezia vond hem daaraan doende als ze binnen kwam en met 't eerste opkijken wist ze reeds wat het te beduiden was; maar Verlinde hief haastig het hoofd.

--Als ik heel vroeg uitzet, kan ik voor den noen terug zijn, 't hooi kunnen we dan algelijk inhalen.

--Hoe, wat? en Trezia gebaarde zich onwetend.

--Wat?... 't is morgen toch vervaldag van de pacht.

--'k Meende dat ge het een dag zoudt uitstellen, overmorgen is 't groot werk gedaan ... en morgen botst ge voorzeker op Vanhoutte.

Dat was eene ophitsing.

--Botsen op Vanhoutte? en hij trok hoog de wenkbrauwen die lijk borstels, donker boven de oogputten rondden: Wat scheelt mij Vanhoutte? voor wien moet ik uit mijnen weg? 't is dertig jaar dat we geen dag gemist hebben! De straat blijft vrij en als ik maar mijn geld afgeef, wat doet Vanhoutte daar tusschen?

--O, mij goed, verschoonde de boerin.

En hij kuischte voort het koperen beslag en zette den stok dan glimmend in den hoek van den heerd. De vrouw smeerde den boers beste schoenen in en zette ze nevens den wandelstok. Binst dat Verlinde nu met de beenen uitgestrekt en de handen diep in de broekzakken te blekken bleef, ontstak Trezia het oliepitje en haalde zijne zondagsche kleeren uit de kast en legde ze open in de kamer op het pronkbed. Heur adem en heur voetstappen gingen door de eenige avondstilte en 't lamplichtje helderde in ronde vlekken, al de hoeken van 't huis waar ze voorbijging; 't vlammeke en verpinkte niet.

--'k Zou ook nog een dobbele snede en wat hespe mededragen, zei Verlinde in 't opstaan en eer hij de deur van zijne slaapkamer toestak:

--'k Zal vóór 't klaren uitzetten, rond twee uur,--als ge eerst wakker wordt....

--Zoo vroeg? en ge geraakt eerst om negen uur bij den burgemeester binnen....

Het vragend woordgeluid bleef hangen in huis en wachten naar antwoord, lijk gesmacht in de dikke stilte.

In de kamer rinkelde Verlinde de zilverstukken die hij op zijn bed opentelde. Trezia's stappen mieken nu dubbel geruchte in 't werken aan den kokenden ketel.

Heur mans' hoed kuischte ze nog af, zijn halsdoek en een versche kiel schudde zij uit de vouwen. Als zijn brood en zijn vleesch was afgesneden, dekte zij het heerdvuur dicht en grendelde de voordeur. Toen zij in de slaapkamer kwam, hoorde zij Verlinde's asem in 't donker daar hij bij eenen stoel zijn avondbede deed. z'En spraken geen woord meer en kropen zonder geruchte in bed en bleven elk bij zijn eigen gedachten bezig, in de verwachting van den slaap.

Heel buiten tijd kraaide de haan daar hij verdoken zat op zijnen polder en die gedoofde nachtschreeuw ten ontijde, met dat lang eind ongemetene stilte vóór en achter, liep verloren in de groote rust, zonder dat iemand er op lette. Verlinde ontwaakte wel nu en dan, lag wat te peinzen, luisterde naar den klokslag, loerde naar den loop van de maan en keerde weer in slaap. De rocheladem van Trezia haalde en blies in geregelden gang zonder stoornis. Zoo vorderde de nacht.

Verlinde ontwiek uit eenen lastigen droom--hij zweette er af en was blij van verlost te zijn en te weten dat 't leugens waren en bedrog waaronder hij gepijnd had. Maar als hij wilde achterhalen de reden van zijnen angst, gerocht hij den draad kwijt en heel 't verloop van de gebeurtenis wischtte uit op den stond dat hij zich rechtte.

--De nacht is gekeerd, meende hij, en nu bleef hij liggen wachten om 't uur te hooren slaan. Verleden jaar kwam Vanhoutte rond dienzelfden tijd hem wekken, samen hadden ze koffie gedronken en trokken blijgemoed door den vroegen zomeruchtend op. Hoe dingen toch keeren kunnen! Nu zag hij zichzelf, de groote, kalme man, die daar straks alleen met zijn eenige gedachten, de lange reis zou doen over 't veld--en Vanhoutte--dat stak hem plots met jagende onrust---hij ook zou op eigen hand uitzetten, hij was er zeker van....

'k Wil de eerste zijn! en in een plots besluit beende hij uit het bed en trok haastig zijn versch wit hemd en zijne lakene broek aan. Trezia ontwiek met een zucht en was allichte in de keuken. Tastelings ontstak zij vuur en door 't dringende van heur te doene bezigheden, voorzag zij: als Verlinde nu weg is, kan ik het brood bakken en den stal gedaan hebben, tegen dat 't ochtend is ben ik streek met mijn werk en ik ga Freê helpen in 't hooi. Al de noodigheden lagen gereed en al gaan en keeren gerochten Verlinde en zijn wijf uit hunne doezeling wakker en kwamen tot sprake; hij noemde al de dingen die hij moest medenemen: het geld in den binnenzak, den kost in de beurs, zijne pijp, tabak en vuurslag. Trezia was gereed met 't ontbijt, ze hielp heuren man eerst zijnen halsdoek in een lets knopen, en trok zijnen hemdeband neer. Verlinde dronk koffie met den wandelstok tusschen de knieën. Ze deed hem nog twee eieren zuipen en dan was hij veerdig.--Zoo, Trezia, 'k ga, zegde hij heel gemoedelijk.

--God beware u, en goê thuiskomst, de groeten aan den Heer.

--Moet ik iets zeggen aan Freê? riep ze hem nog achterna.

--Neen, en te noen ben ik toch thuis.

Langs de stallen stak hij zijn hoofd nog over de halve deuren en trok het hof af.

De frissche, vochtige nachtdauw koelde zijne handen en wangen en een windeke speelde nauw voelbaar door 't lijnwaad van zijnen kiel, over zijn lijf. Hij zocht door de schemering in de lucht en raadde den warmen zonnedag die vandage uit het Oosten groeien moest. En nu vooruit met 't voornemen haastig te gaan, den langen, eentonigen weg. Hij tastte nog even naar de beurs in zijnen binnenzak en dan, stekkend met den stok, begon hij eigenlijk voor goed den uitgang. Hij zocht over den halfduisteren weg en ontwaarde nievers eenig leven. De nacht hing nog over de velden, met dunne dwalende mistvlaken en nuchtere vochtigheid die in druppelregen oploste.

De koeien en veerzen lagen en sliepen in 't gras tegeneengedrumd.

Voorbij Vanhoutte's hof hield Verlinde den stap in om geen gerucht te maken. Hij vestigde de oogen starlings op de poort, in de vrees elke stonde den boer te zien buitenkomen, 't Was er al gesloten nog en in slaap; de warme stalreuk stoorde sterk in de zuivere, frissche lucht. De hond zelf bleef slapen en Verlinde tord op de teenen, drumde langs de boomen, keek nog eens over den schouder en liet een grol van ontlasting als hij 't hof bachten den rug had. Nu ging hij weer met vollen stap, blij niemand gezien te hebben. Een eind verder was hij al los bezig met de vruchten langs den weg en met de helderheid die den oosthemel met volle geweld openstiet. De boer was aan 't zinnen op het weer, op de klaarte en op de aanstaande warmte en op 't geen hem effenaan onder de oogen kwam. Door de doode dorpstraat stekte hij met den stok en stapte met de zware schoenen luide over de steenen, en al waar hij keek, waren de vensters en deuren dicht. Achter de laatste huizenrij lagen de nieuwe velden ineens open in roze klaarte, met een wijden nevelkring omzoomd. De liggende wolken waren doorschijnend bebloosd en de spietsen licht staken hoog uit den grond waar de zon zou opstaan.

Verlinde voelde de eenigheid wegen en verlangde naar den dag en om menschen te zien; hij vermiste zijnen makker achter de bane om tegen te kouten, om al de kleine bemerkingen over land en weer uit te spreken die hij nu moest binnenhouden. Halfluide soms ontsnapte hem eene goedkeuring over een koornstuk of eene verwondering over 't werk dat men hier gister, zoo of anders, met of tegen zijn boerenzin, bedreven had. En langs de rechte bane, waar hij nu een verre zicht kreeg, merkte hij nog altijd geen levenden wandelaar.

--Vanhoutte slaapt nog, *k ben de eerste er uit vandaag,... of hij durft niet komen, gromde hij. Nog eens keek hij om en zocht of niemand hem kwam nagegaan. Eer hij nog aan 't ander dorp gerocht, hief de zon haar bovensten rand uit d'eerde, ze steeg als een gloeiend wiel, effen afgerond, zonder stralen en versmachtte hooger in een wolkenbed van roze en goud dooreen gedraaid, in gesteven kabbeling.

Zie, op gindschen dorpstoren stak de vlag uit! 't was hier gister kermiszondag geweest--en in de straat waren de herbergen ook bevlagd. De groote driekleurige vanen hingen slap in de lucht-stilte neer, aan de persen boven de daken, nat van den dauw. De dorpels en plankieren waren bevuild met gestorten drank en de straat was volgestrooid met verfrommeld papier en afval en bucht. Drie kraamtenten en een peerdjesmolen stonden toegedekt onder grauw lijnwaad en 't geraamte van eene kiosk praalde verlaten, met papieren lanteerns versierd, te midden de dorpsplaats. Al de kermisvierders waren weg en sliepen zwaar.

Verlinde was de eenig levende vent en hij ging dwars 't dorp door, zonder één kerel te zien of een schreeuw te hooren. Tenden een nauw straatje kwam hij aan de opene, vlakke weide. Ineens zag hij uren ver in de ronde al groen, al gras, zonder een huis daarin. Bij stukken stond de lammersteert nog recht, elders platgemaaid of volzet in ronde oppers. Met 't groeien van den dag was 't windeke gaan liggen, volkomen stil en geen pijlke roerde nog. En dan ineens, als bij tooverslag, onverwacht brak daar ver in de lucht het wolkengevaarte open en door den gescheurden voorhang, stroomde 't licht bij gulpen uit en gutste in dansende reuzeling loopend in één trek over 't natte dauwgras in flonkerende tinteling--een vloed van kleur en vuur. Verlinde neep de oogen toe en trok den rand van den hoed neer omdat hij de felle tinteling niet verdragen kon.

Vóór hem, in de verte, gingen twee kerels met eene zeis op den schouder en bezijds in de linkere richting waren er anderen bezig aan 't maaien.

--Ze ratten er al vroeg aan! meende hij. En hij verhaastte den stap omdat hij voelde nu zijn eigen drukke bezigheid thuis, die liggen bleef. Bij haalde de twee landlieden in toen ze den weg af, over de gracht sprongen en aan 't werk gingen.

Zonder overgang was de nieuwe dag uit den nevel opgesprongen en ingang, zonder dat Verlinde gemerkt had hoe al die bedrijvigheid begonnen was. De mist bleek in één zonneteug opgezopen en de zon stak vol heerlijkheid boven den wolkenstoel, in 't schaaierend bleek-blauw geluchte van waaruit zij de wereld warmde. De leeuweriken vlogen overal omhoog en vielen beurtelings een gejaagd en daalden met eene macht van schaterrellend schuifelen en gezang.

De steenen wetter klabetterde over 't staal van de zeissens en de boothamer klopte klinkend; overal ronkte en reusde de slag en Verlinde hoorde 't vlieden van de grasstalen als voor een onzichtbaren wind. De vorken vimden en 't hooi werd gedraaid en gekeerd en opengegaffeld en in de verte reden de ijdele wagens al om de lading. De zweepen kletsten over den rug van de peerden en de bellenkransen rinkelden boven al 't geluid uit. Zoo kleurig stonden de menschen gekleed, zoo vlug, zoo vroolijk ging het werk als bij een feestig bedrijf.

Verlinde keek als een zot wijds en zijds over al dat leven, hij baadde in de groene zeevlakte en eene ongekende lustigheid voelde hij met den nieuwen dag in zich opkomen. Meteen kreeg hij warm, hij droeg zijnen hoed in de hand en liet het zweet van zijn wezen druppelen; de hitte woog hem tegen de borst, maar hij stapte al haastiger op den hoogen weg, recht naar de zon toe.

Dan zag hij aan den hoek van 't veerhuis een vent en op denzelfden stond kreeg hij een schok die zijn lijf doordaverde en zijne beenen met lamte sloeg--Vanhoutte! Hij wilde zich duiken, hem verre den voorweg laten om niet gezien te worden, hij draalde ... maar ineens kwam zijn eigenmoed boven, hij verstoutte en werd kwaad op zijn eigene bedremmeling.

--Wat de sakker, ik ben Verlinde! en voor geen honderd Vanhoutten...! Van dan af was 't besloten, vast: in alle mogelijke ontmoetingen zou hij zijnen eigenen weg gaan, stijf en zeker alsof hij alleen over de wereld liep, en niemand kennen of zien, alsof Vanhoutte dood was en nooit bestaan had.

Maar intusschen knaagde hem de spijt, omdat die leelijkaard er toch eerst uit en hem vóór was.

Hij zag hoe hij de delling afstapte met Lowie den veerman, en verdwijnen achter den oever in de boot--na een tijdeke stapte hij weer boven al den overkant en ging.

Verlinde vorderde nu met vaste grepen naar de Schelde toe en heel luide riep hij met gemaakte lustigheid, naar den veerman:

--Lowie, vroeg al aan de bezigheid!

--Vroeg al op wandel!

De schuit slierde stil over den blauwen stroom en Verlinde stond recht en keek over de klare waterbaan tusschen de groene oevers, waar gedoken in 't lisch, de eenden duikelden in de koelte.

--Tot in 't weerkeeren, boer, en de goe reize! en terwijl de veerman over de waterstraat weer naar zijn huis slierde, steeg Verlinde haastig de steenen trappen op.

Ja, vóór hem ging Vanhoutte met zijnen vasten stap, de korte beenen strak gespannen, en de dikke, stijve hals recht uitstekend boven zijn blauwen kiel; hij vermoedde niet dat er iemand achter hem ging. Met gelijken zwaai van den arm dreef hij den mispelaren wandelstok en ging zonder achterdocht of zonder den kop te wenden, neerstig voort. Verlinde's oogen brandden op dien rug en die hooge zijdene muts, die zoo trotsch in de lucht opstak;--hij zag of hoorde niets meer daar rond en ging om gelijken stap te houden, loerend als een bespieder, met angstige verwachting hoe het zou afloopen.