Dagen

Chapter 5

Chapter 54,203 wordsPublic domain

Dat kwam boven gewalmd als eene noodzakelijkheid waaraan zij gewillig toegaf. Die woorden rolden gereedgemaakt, ongewild uit heur keel, zonder dat ze aan den inhoud dacht; ze genoot onbewust van haar vrije, diepe moederweelde, heur overvoldanen rijkdom, heur eigen jong fleurig leven eerst en 't dubbele van heur zelf: de twee ontbotte, nuchtere keestjes--Jantje en Pierke, heel heur wonne, de spartelende knaapkes met heuren Jan zijn oogen en heur eigen blonde haar. Al dingen van geluk waar ze keek of de gedachten wendde.

Heur handen wrochten en heur voeten torden op mate van 't eigen geruchte van getouwe en lied en ze voelde bij elken ademtrek de warmte van buiten en den bloemenreuk. Anders was ze alleen en in groote eenzaamheid en verlangde naar t'avond en naar Jan en naar 't blijde spel van den feestdag.

De spoelen gletsten vlijtig en de latten schrankten en 't stuk blauw-en-rood geperkte doek groeide trage, trage achter 't slaan van den kam uit het vormelooze garenspan en bij tijden rolde ze het op den dikken boom. Aan de laatste smette moest ze komen vandage eer ze den tap zou laten schieten en in die afwachting schoof de tijd in de stilte, met aanhoudend, luidruchtig leven buiten en binnen. Achterna begon het àl mede te werken op mate van den ladeslag: gewiegel van bloemen op den wind en geflodder van vogels en vlinders, in leute onverpoosd.

Het zijn al vrijers in mijn' oogen: De blonde knapen, de jonge kerels fijn. Wacht u wel voor hunne logen Want de besten zitten vol venijn!

Dat stond met woorden en slependen zangdraai vergroeid, één geworden door langen duur en menig herhalen en dat herbracht als met eene windvlaag, heel haar jongen tijd tegenwoordig: 't gevoel en 't gezicht van de blijde zotternije midden 't druistig werk met andere meisjes, in 't vlas of elders op 't land, onder den grooten zonnehemel. Van den inhoud der woorden was er door 't danig herhalen, maar schaars een vage verstandenis haar bijgekomen, de voois met onveranderlijke woorden samengegroeid tot een vorm: de aanvang klonk als een vermaan van grootmoeder over een heel dorp van dansende jonge meisjes waarop niemand en schafte; later eerst moest de uitkomst bewijzen dat grootmoeder gelijk had en de meisjes gingen weenen om hunne zotternije. Op den zelfden sleeptoon sprong het liedjesverhaal zonder overgang, in een ander land op een kasteel van groote heeren, als in een vertelsel.

Daar was intusschen iets gebeurd waarvan het liedje niet en gewaagde en alles raden liet, maar de zangster en vermiste de achtergelatene klauzekes niet omdat ze haar niemand en leerde en 't bedied bleef toch al even duidelijk.

Zij ging het aan haren vader vragen: "Vader vergeef mij voor dien enklen keer!" En heur brave moeder moest nu dragen Den zwaren last van groot hertzeer!

Hoe bondig de verzen vertelden, heel het verloop der gebeurtenis lag er in bloot: het meisje stond er duidelijk in de verbeelding der zangster, te weenen onder den last van 't groot verdriet en ieder wist nu maar al te wel heur schande.

't Begon haar zelf naar de keel te gaan al zong ze het liedje duizend keeren en zonder bedachtheid, klonk het altijd zachter, 't derde klauzeken:

De vader sprak met sture woorden: "Marie-Sophia trek maar uwe schuit van kant, Want in mijn huis zijt gij bedorven En nu moet ge uit uw vaderland!"

En blijder, inniger ging het nu weer, alsof er niets gebeurd en ware, de eerste twee reken, een zonnig huizeke was 't rondom in 't groen.

En vóór haar deur, daar lag een warandeke Waar zij alle dagen haar voetjes wascht; En zij dacht al bij heur zelven: 'k Zal mij versmooren in dien waterplas.

's Morgens vroeg al bij het klaren Is heur vader tielijk opgestaan; In dat warandeke waar hij ging jagen Kwam die wreede ramp vóór zijne oogen staan.

Hij riep: "Ach, Heere, waar is zij toch belonden? Is dat Sophia mijn eenig kind Die hier ligt in 't nat verslonden? Straf mij Heere! 'k heb het wel verdiend!"

Daarop heeft hij zijn eigen roer genomen En gedrukt al tegen zijn rouwig hart; Daarmede heeft hij zich het leven ontnomen Omdat hij bezweek van pijn en smart.

Ontlastend troostte het slot en blijder weer klonk het met vlijtiger stemme:

Sa, jonge meiskes, al voor het laatste, Al voor het sluiten van mijn treurig lied, Als gij wilt vrijen, doet maar uw beste Of de jongens brengen u in groot verdriet!

Ze wachtte en luisterde omdat ze meende gerucht te hooren bij de wiege, en ze keek hoe ver de lap gegroeid was. De zonne was middelerwijl gezonken en brandde nu heur goud schuin in warm groen over de blaren, met dikke schaduwvlekken. De bloemen stonden stil en de vogels speelden en waren doende in eigen genot. De rust daalde merkbaar met de koelte van den uitslependen achtermiddag. De deun van haar eigen lied weerhoorde ze nu met den voois van een trekorgel daarbij op een feest of kermis ievers en ze voelde de deernis van 't weemoedig vertelsel door de luide lente en 't gegiechel der omgeving, als bij 't overdenken van een ongeluk dat lange geleden en verre gebeurd is.

Maar dat vage, vergeten ongeluk deed haar dubbele deugd om haar eigen voldane leven: haar eigen groene warandeke met den waterplas, onder den koelen vlierboom en heel haar leven van nu, mengelde en werd--hoe net ook--te verschemeren in de zaligheid van een oud liedje. Ze kon het niet meer uithouden, 't kwam op als een vloed, ze wipte van de zitplank en met de armen open al, sprong ze naar de wiege.

Ze lagen wakker met oogen groot open en staken de armpjes uit om opgenomen te worden.

--O, mijn deugnietjes, alletwee! en moeder hief ze op en duwde ze tegen heur lijf en kuste hunne beslapene wezentjes overhands.

Ze zette zich op den stoel en eer ze heur wijde jakke open kreeg, woelden en zochten de kleine handjes in de plooien om de bloote borsten te vinden; zij grepen ze vast en lokten gulzig. En zoo zat moeder, met haar kleed en de knieën open, de voeten op een anderen stoel, geduldig te geven heur rijke melk. Zij hield de handen om de ronde kinderlijvekes bloot op hun hemdeken en bekeek zichzelf en de twee dutskes die met gelokene oogen, neerstig hun voedsel binnenhaalden. Ze voelde hunne buikjes op en neder gaan bij 't zwelgen en ze loech om 't aardig vertoog van heur eigen zitten en genoot de deugd en de ontlasting in de gegeerde bezigheid. Als de twee molletjes hun bekomste gezogen hadden, duwden zij met de handjes de witte borst weg en wendden het hoofd om te rusten. Maar moeder bleef zitten nog met voldoening; ze rechtte Jantje op haren knie en Pierken op den anderen, schikte de hemdekes over hun lijf en speelde en dreelde met de opene hand daaronder over de malsche billekes, knikte en loech hen tegen, deed ze lichtjes wippen en leerde hen "Moeder" zeggen en "da-da" knikken. Ze plooiden hunne lipjes open en daarom kuste zij weer met volle grepen hunne kleine mondjes en oogen toe. Ze voelde eenen wellust waarbij heel de wereld verging.

--Weer in uw wiegkes nu, mijn poezele ratjes, vader komt t'avond, en slaapt nu schoone! Ze koutte bij al heur doen als tegen groote kinders die 't al verstaan en begrijpen konden.

--En nu moet ge stilliggen, 'k ben aanstonds weer. Ze douwde en neuriede een wiegeliedje om ze in slaap te krijgen. Maar hij was verre weg de vaak en ze bleven liggen wentelen en spartelden ongedurig met armen en beenen. Daarbinst verliep haren kostelijken tijd zonder dat 't werk vorderde.

--Ziet dat ge u zelve paait! en ze dekte de wiege toe en keerde in de weefkamer en snokte er vlijtig om de smette te krijgen.

De twee schijterkes gingen luide aan 't schreeuwen en moeder zong door al 't geklets van heur getouwe:

Langs een groen heidetje kwam ik getreden Langs een groen heidetje kwam ik gegaan 'k Was in mijn hemdetje Van tik tak, tik tak hemdetje 'k En had geen rokjes aan Van tik tak, tak!

Zij zong en herzong die reken en zong ze nog als de jongens lange sliepen en de vogels al zwegen buiten en de zonneschijn laag nu pinkelde door de groene blaren. Dan kreeg zij eindelijk de gelangde smette! 't Werk was af! Ze wond het goeds op den boom en kwam voorzichtig op de bloote voeten in huis, hief den tip van 't doek op boven de wieg en vond de jongens vast in slaap.

--Nu, binst ik alleene ben, meende zij en haalde geld uit de schuiflade en liep haastig, half gekleed lijk ze was, door 't hoveken over de straat. Ze sprong als een vlug meisje dat 't zand achter hare voeten opvloog en in de weerdij van vijf stonden was ze in 't winkelken op den knok bij Dule Trame.

--Dule, spoed-u, jong, een kilo toebak.

't Oud wijf zat te spinnen en keek onder hare brilglazen over den disch. Ze stond op en zocht naar gewichten op de vensterbank waar al de winkelwaren lagen uitgestald en reikte traag, met stijve, oude bewegingen naar den tabakkorf.

--Een kilo toebak en twee roeten keerskens, en twee lange, steenen pijpen; 'k moete mijnen man besteken, en seffens komt hij thuis; hij mag het niet weten.

--Ha! 't is morgen Sint-Jan, knikte de oude Dule. Zij pekelde de lange drendels tabak af en toe in de weegschaal en sneed twee keerskens uit den reesem en reikte twee pijpen uit den steenen pot. Dan leunde zij met de ellebogen op den toog in 't voornemen een beetje te kouten met Wieze, in 't afgaan van den dag.

Maar Wieze telde haastig het geld, wond de winkelware in heuren voorschoot en hield de pijpen weigerlijk in de hand.

--Dule, tot morgen, na de mis! en op een loopken was ze al buiten op straat om zoo gauw mogelijk bij de jongens te zijn die alleene waren. Heur herte klopte van gejaagdheid en vreugde. Een mei zou ze maken en de pijpen pinten! 't Was zoo wonderwel gevonden en 't paste zoo goed: Sint-Jan op eenen Zondag! Zij voelde de blijdschap kriewelen inwendig bij 't gedacht aan Jans wezen morgen uchtend als ze vóór hem zou staan met heur jeunste! en heel den Zondag om te rusten thuis.

De kindere lagen even stil toen ze binnen kwam en nu ging zij aan de belangende bezigheid. De tabak deelde zij open in een ronde teele, plantte er de twee keerskens in en trok donkerkblauwe en purpere dagsterren en wond er de binderanken als een kroone om den boord. Dan sneed zij eene mand vol van de schoonste bloemen en zette zich plat op de zulle in 't deurgat om den mei te binden. Eerst de bloeiende vitsen met anijskruid gemengeld en wilde roosjes wond ze rond de lange pijpstelen en legde ze kruisgewijs in de tabakteele. Nu de groote, ronde boererozen, zenia's, lijk kleursterre, violiers dikke gereesemd wit en blauw en rood. Ze koos met de oogen en herschikte de bloemen volgens tinte en kleur in den groeienden bos. Ze hield hem uitgesteken tenden den arm, herstak eene goudbloeme hier, eene lelie daar, duwde den neus met wellust in de reseda om den goeden reuk volop te genieten en wrocht voort; het fijne pluimgras--lijk pereltjes aan dunne sprietjes--vormde een luchtig afzetsel rond en rond en de floksen bengelden hunne roode klokjes daartusschen. Ze knoopte de stelen met een bieze toe en zette den prachtigen rieker in het goud-bebloemd kommeken met water. En nu alles weggeborgen onder de kannebank in de waschkamer en 't bord daarvoor en een stoel daartegen en Jan zou wel niet merken dat er iets gaande was.

Ze klom op den boom nog en trok een mandeken krieken en dook ze bachten de bedsponde.

--Nu is 't al veerdig! meende zij en haastig bracht ze 't koperwerk buiten en schuurde het met zand en zurkel en legde het, afgespoeld, blinkend lijk nieuw goud, te drogen op de hage. Jan mocht nu komen.

Ze was al neerstig aan 't werk rond den heerd voor 't avondeten en Jan hoorde haar van op strate, vroolijk het oud liedje zingen:

Wat is de liefde wonderbaar in hare werken! . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Hij zette zijn alm aan de deur, klopte zijne kloefen af en kwam gestopen onder 't lage deurhout, stil in huis. Zijn eerste stap was naar de wiege, maar moeder deed haastig teeken om hem te weerhouden.

--Laat ze, ze zijn pas in slape, Jan. Ze zullen schreeuwen heel den avond.

Dat was 't minste van de reden: ze was eigenlijk jaloersch als ze er niet bij kon zijn om te spelen.

Aan 't lage tafelken aten zij den mageren avondkost met goeden smaak. Wieze koutte alsaan, opgeruimd en vervroolijkt omdat ze samen thuis waren. 't Andere hield ze met moeite binnen en ze vroeg naar 't werk en de groeite en naar 't weer en naar duizend andere dingen nog, blij lijk de jongens omdat 't morgen Zondag is. En Jan, met zijn ernstige, grove tale daartusschen, zag door haar blinkende oogen 't gedoken spel en raadde de heimelijke doening die morgen, zooals alle jaren, zou bloot komen, maar hij gebaarde zich onwetend en hield zijn tevreden monkel onder den knevel gedoken en liet haar 't genot daarvan alleen.

Na 't eten wandelde hij naar buiten door 't wegelke en rookte eene pijp om den avond te zien. Hij leidde de jonge boonranken op, weerde 't kruid uit de groenselbedden en goot water op de tabakplanten. Als hij de vrouw hoorde schuren met den bezem over den vloer, ging hij stille en haalde een mande uit 't achterhuis en sloop bachten den gevel naar 't aardappelveld. Hij dook zich achter 't hooge koorn en woelde met de vingers de eerste balken open. Ze waren nog jong en heel kleine, lijk blinkende bames-pruimen, de muizekes, maar morgen moesten ze proeven van de nieuwe vrucht, dat was gebruik op Sint-Jan. Hij weerde 't wakke loof en zocht dieper; de mulde eerde stroelde tusschen zijne vingers en zoo vischte hij de mande vol jonge aardappels.

Hij keerde lijk hij gekomen was en hing de kostelijke eerstelingen hooge aan de ribben in 't achterhuis en rookte bedaard een tweede pijp al wandelend in 't wegelke tusschen de bloemen die bedauwd, nu sterker geurden. Wieze zat op den grond vóór de deur met de twee kinders op den schoot en gaf ze te zuigen.

--Maar Jan, wat schoone avond! Ze deed hem kijken door de opening van 't hof, tusschen de twee linden naar 't Westen, waar de lucht gewolkt zat en over 't land, verre, door de vallende deemstering, waar hier en daar de vuren brandden op de hoogten en de rook in dunne streepkes, recht opging en verder in lange dunsels, uitgerekt bleef hangen over de vlakte. In de avondstilte ging 't geschreeuw van de knapen en daar de vlamme in klaarteglans opsloeg, dansten de zwarte gestalten in ronde al zingend af en toe en hunne stemmen galmden van den eenen smeulhoop naar den anderen:

Maakt vier! Stookt vier! Sinte Pieter komt alhier!

En veel verder, half gedempt en overwauwd door 't huilen van honden, den lang gerekten schreeuw uit de duisternis:

Leve Sint-Jan!

Dat was de feest-avond, de viering over heel het land. Jan en gebaarde er geen woord van en Wieze speelde met heur kinders en ze keek gedoken hoe de groote sul met een bundel rijshout in de armen naar den knok ging en daar ook het vuur aanstak. De groote vent, hij stond alleen en zwart en pookte in de hoop tot de klare vlamme uitsloeg, die hij dan toedekte met versche groenigheid om veel rook te maken. Heel de streek geurde er van en verre hoorden zij de gebuurs den nieuwen laai begroeten met blij getier. Rechts en links ontbrandden nieuwe lichtjes, 't werd een kring den einder rond en bij sommige reikte de gloed hooge, zoodat de zwarte boomen er door gehelderd stonden verre in den omtrek. Uit den hemel daalde de dauw van den koelen avond daarover en de deemstering dook het al uitgeweerd de vuurkes die pinken bleven als gevallene sterren.

Wieze legde dan de twee bemels in de wiege en ze ontstak de keerse voor 't lieve-Vrouw-kapelletje; Jan kwam ook in huis en ze sloten de deur en lieten de wijde eenigheid en den avond buiten. Geknield en stil lazen zij hun gebed. De woorden die ze daarna nog spraken ondereen gingen zoetjes, ingehouden om de ruste niet te storen die omendom al begonnen was en ze legden zich bachten 't blauw behangsel, in bedde hun moede leden te rusten.

In 't donker en in 't stilliggen eer ze sliep, bedacht Wieze hoe morgen in de vroegte Jan te verrassen met den feestelijken besteek waaraf hij niets en wist. Zij verlangde lijk andere jaren en voorvoelde reeds uit verledene herinnering, den blijden afloop van de doening. Wanneer ze nog een klein meisje was, blonk die sint-Jans-dag als de groote gebeurtenis waar ze 't heel den zomer op gemunt hielden om te dansen, te zingen rond den vuurhoop; en nu viel dat samen met 't feestevieren van dien naamdag en de oude indruk was nu nog bijgebleven en vermeerderd tot een hoogtij; van genot, die sterk in 't jaar geteekend stond als een groote klaarte van blijdschap. Dat verdiep telkens zoo kalm, zonder beslag of luide roepen nu, maar innig en welgezind werd dat herdacht als eene hernieuwing van hun huwelijksfeest.

De twee mollige, gezonde knaapjes had se er sedert bijgekregen als eene onverdiende belooning in heur leven, met al 't genot dat ze niet verzwelgen kon en dat bebloemde al het werk en de rust van alle dagen: hare kinderkes die ze handelen en kussen mocht en groeien zag in de stilte, terwijl Jan haar alleen liet en ging werken op het land.

Al die uren van den verledenen dag herleefde zij weer geleidelijk: het versch gebeurde van de kleine, gewone voorvallen speelde zich duidelijk af en dan verwischte dat allengerhand in de beginnende dommel-duizeling van den slaap, waarin ze verzwijmde met 't vooizeke nog en de woorden, die weerkeerden en zongen in haar slappe zinnen:

En vóór haar deur, daar lag een warandeke Waar zij alle dagen haar voetjes wascht; En zij dacht al bij heur zelven: 'k Zal mij versmooren in dien waterplas!

De vroege klaarte van den nieuwen dag hing over 't veld met de wakte in de lucht van dauw en damp, en 't geurde sterk naar bloemen en den rook van 't gedoofde feestvuur, en Wieze wist niet hoe en waarom al de dingen zoo nuchter vóór haar oogen stonden en ze vroeg bij zichzelf: wat er wel gebeuren ging? waarnaar ze kijken kwam of wat ze wel vergeten of misdaan had om zoo angstig te zijn, zonder de oorzaak te vinden van de beroerte. De bloemen neigden en de blaren wemelden vol kleur en groen onder den frisschen tocht van den wind en 't was of zag ze dat al den eersten keer in heur leven. 't En scheen haar niet wonderlijk of vreemd ongeloofbaar, toen Jantje en Pierke, lijk jongens die vijf jaar oud gegroeid zijn, zonder struikelen door 't prieeltje gewandeld kwamen.

Ze hielden de armpjes over malkaar, de kopkes tegeneen en droegen een groot rhubarbeblad dat ze openhielden als een zonnewere, voor de leute. De witte vlinders vlogen al rond en beetten in de opene bloemkelken hun zeem gaan zoeken. En de twee knaapjes zagen dat af en deden de pepels en de bijen na: ze trokken leliën en dagsterren en bloedroode papavers en goudene trompetten en ze zogen 't zeem uit de bloem-stengels. Ze zetten zich daarbij met de beentjes open, trokken de leeuwenmuilkes af en met eenen duw van hunne vingers deden zij de bloemkes gapen--het muilken open en toe--en ze loechen omdat het alzóó een wiegje geleek met twee stengels daarin, lijk kleine kinderkes die ze zelve waren.

Moeder kreeg eene krijzeling van vervaardheid. Ze wilde hen tegenhouden, in huis roepen omdat er vergiftige bloemen bij waren; zij hield den adem op en bespiedde al hunne stappen in angstvalligheid. Als ze geweld deed om te roepen, bleef de stem haar in de keel en wat ze ook wrocht om de armen te zwaaien en teeken te doen, heur leden bleven slap en zie, heere God, nu naderden zij den vlierboom en ze gingen reiken op de teenen om te zien over 't steenen omhein van den waterput! Het geweld bepraamde haar en 't zweet perste haar 't wezen uit. Ze klaverden er op, de onschuldige deugnieten en zij loechen naar malkaar omdat ze alleen meester waren en gerust rondliepen in eigene wereld voor den eersten keer, in al die nieuwigheden. Ze lagen plat op hun buikje over den rand en renden wiegewagend zoodat hun bloote beentjes hooger gingen telkens dan hun hoofd en ze verdwenen over den vreeselijk diepen put, altijd verder.

Oei! Heur bloed verkroop en de hevige spanning doorbrak den kwaden dwang als 't ongeluk gebeurd was. Op 't geruchte van den dubbelen plons, gerocht den schreeuw uit hare keel.

--Jan, ze versmooren! Jan!

En met den slag, losgelaten, in één sprong, stond zij werkelijk buiten nu, verdwaasd te kijken en houdend aan heur herte dat bonsde. De bloemen stonden stil in den nuchteren morgen, bedauwd en daar was niemand te ziene of omtrent geweest, ook geen vlinders vlogen er rond. De schrik had haar zoo doordaverd en de koude rilling overliep nu haar half gekleede leden en in de onthutsing kon ze nog niet uitmaken wat er gebeurd of gedroomd was. De steenen waterput stond als een ramptuig onder den donkeren vlierboom en ze gruwde om er bij te gaan.

Naar de wiege eerst om eene uitkomst en zekerheid! Met één ruk, die 't al zou uitmaken, was de voorhang weg en daar lagen ze nevenseen, gezond en bewaard van alle kwaad, als kriekappels die bleuzen aan den boom, wakker te lachen uit hunne blauwe oogen.

Het bloed sloeg in storm naar heur herte en in de plotse blijheid, die nu als een tweede slag kwam gevallen, liet ze tranen leken die heur lange gepraamd hadden en nu ontlastend uitvielen. Ze neigde heur lijf en duwde de lippen op hunne malsche wezentjes lange en herhaaldelijk. z'En rechtte zich maar om te zien of Jan ontwekt was.

Hij lag vaste in slaap met zijn wezen naar den muur. Ze wilde nu 't uitgestaan verschot verspelen en den angst, alleen met heur weergevonden, dubbel diere kindjes. De vreugde overliep haar als eene razernij die ze met geweldig streelen moest kalmen. Ze legde, ze duwde haar wezen tusschen die twee kopjes, haar ronde, vleezige wangen die gloeiden, te koelen tegen de frissche, jonge gezichtjes; heur lippen beeten en nepen zonder zeer te doen, overal waar ze vel vonden om te knabbelen. Heur handen overgrepen de lijvekes en haaiden over de bloote, ronde buikjes en billekes, nooit genoeg, om de deugd te voelen, tastelijk, van den schat dien ze behouden mocht en die zoo nipte verloren was. Ze moest in 't stille genieten, geen geruchte maken om Jan niet te wekken die haar zottigheid zou zien; maar de woorden moest ze met geweld binnenhouden of 't stormde luide uit in groot geruchte. Ze vezelde stil dien overvloed tusschen de genepene lippen.

--O, mijn arme, kleine dutskes! hier mijn sloeberkes en gij mijn deugnietje, aan mijn herte! mijn moordenaarkes, mijn zachte, kleine leeuwkes, mijn kapoentjes, mijn poezelige oude weerwolvekes, mijn tooverwiemkes!

Ze herbegon met nieuwe macht van dreelen en kussen tot de kleintjes er onder versmachtten bijkans en benauwd voor dat geweld, aan 't weenen gingen. Ze was den adem af en tenden ook en rustte wat om ze te bekijken nu al rechtstaande, om hare borst te laten uitgolven in lange trekken.

De feestdag, de blijde Sint-Jan viel haar nu te binnen en dat de leute nog niet uit was en moest duren heel den dag!

Ze haalde heur gereedschap en schikte 't voorzichtig op tafel vóór 't bedde: de teele tabak met bloemen en keersen en de lange bloeiende, steenen pijpen en de mande met krieken.

Ze legde de jongens op 't deksel bij Jan en hielp hen trekken aan zijnen knevel en zijnen baard. Ze schetterlachte omdat ze hunne kleine vingerkes boorden in zijne neusgaten, in zijne ooren en in zijnen mond, daar hij lag als een slapende reus. Toen hij trage en verrast, de oogen wijd openrekte om te zien wat er werkende was zoo vroeg bij zich in bedde, hield ze den grooten mei vóór hem uitgestoken met lachend blijde wezen:

--Jan, zei ze, 't was gister uwe avond en vandage is 't uwe dag, 'k ben blij, da'k u besteken mag!

Hij greep den mei met beide handen en rook er aan. Hij vond geen woord om te zeggen, maar zijne oogen bekeken haar en daarmee raadde ze al wat hij zeggen wilde. De jongens woelden weer over zijn lijf en zij hielp hen van op den beddekant. Ze staken ze omhoog, kaatsten en vingen ze weer van hand te hand het spel hernemend.