Dagen

Chapter 4

Chapter 44,163 wordsPublic domain

De meid kwam gestoord naar buiten en bij 't openstaan der deur hoorde Treite den hovenier in de keuken die zijne pinte bier dronk en een rookte. In denzelfden stond was de trek belegd, 't groeide als een onvermijdelijke drang: de overtuiging dat hij nooit eene gelegenheid mocht laten afgletsen en daarbij de aanlokkende bekoring om 't moeielijke van het waagstuk. Hij gaf den vollen schotel aan de meid terug en in 't ommegaan over 't steenen wegeltje, klopte zijn hert, zijne oogen loerden, en als hij de deur hard achter de hielen hoorde toeslaan, stond het besluit vast om uit te voeren. Zijne handen beefden. Nu is ze weer in heur keuken bij den hovenier, overlegde hij, en ter zelfder tijd, zonder ommezien, stoop hij om kwansuis iets op te rapen dat gevallen lag, en in 't rechtstaan hadden zijne handen de kloefen mede, hij hield ze tegen de borst en liet ze voorover in de kar vallen. In eenen draai waren ze onder 't zand gestopt, en Treite volgde zoo kalm mogelijk zijnen weg. Hij overschrikkelde vier huizen in de reek om gauwer weg te komen. Achter den straathoek hield hij nog eens stil en gooide nog een hoopje zand boven de kloefen en dan voelde hij den vreugdigen lust omdat 't spel gespeeld was en 't buitenkansje voor eigen rekening zoo gemakkelijk te veroveren viel.

Bij de kerk hield Treite stil, zette zich nevens de kar op den grond en keek op 't uurwerk boven zijn hoofd. 't Was bijna noenuur en Manes was nievers te zien en nu kreeg Treite lust om te eten. Hij haalde den gestolen broodkant van onder zijn vest en begon te bijten. De honden lagen gerust uitgestrekt en bekeken den kerel en zijn brood met verwaterde oogen.

De oude koster kwam uit de kerk, sloot de deur met den grooten sleutel en sukkelde al over 't kerkhof naar zijn huis. Dan roerde er niets meer rondom en Treite werd ongemakkelijk door de nieuwigheid van die rust op een ongekend dorp en verlangde er weg te komen. Een haan wandelde met zijne hennen over de grazing achter de beukenhaag en telkens hij op de verhevenheid van een grafheuvel stand hield, rekte hij den hals uit en wierp zijn scherp gekraai over 't stille kerkhof. De hennen liepen daar rond en keesden in 't gras zonder opzien, gestadig voort hun aas zoekend.

En eindelijk toch kwam Manes van achter den hoek en wenkte naar de honden, om voort te komen.

--We gaan een dorp verder, 't is hier gedaan. Ze sprongen op en de kar rotelde door de straat naar den overkant weer buiten de huizen.

De zon was intusschen doorgekomen en onbewust was de vrees voor zeeverweer en regen bij Treite vergaan en onwetend genoot hij na van 't lustig voorjaarswindeke. Ze kwamen weer op den effenen weg tusschen de boomen. Ommelands lag er een andere wereld open, wijd en vlakt uitgemeten en al waar de kerel keek werd het nieuw land met kerktorens, huizen en boomen in de verte, en daarachter in de blauwte, vermoedde hij nog, diepere uitgestrektheid van ongemeten, onbewoonde landerijen.

Manes vertelde nu wat er ook al te winnen was met door de dorpen te leuren met mosselen, wollen dekens, printen, biezen zetels, en dat 't scheerslijpen ook wel goede leefte bijbracht. Al die bedrijven zou hij aangaan als 't kapetaal hem naar ievers te grijpen viel. Maar Treite luisterde niet meer, zijn moed was overdaan door die hooge, opene lucht en de vlakte die overal rond en wijd zonder gezichteinder van huizen weerkeerde en hij langde inwendig om ontdaan te zijn van die wegende, zware stilte en verlatenheid, om ingesloten te worden door straten met huizen en drukke woeling van volk die hij niet missen kon. Al wat er van dien plotsen uitgang nu nog te lusten stond was het beloofde zwijnvleesch en de vreugde omdat hij onder den zandhoop een paar kloefen zitten had die de zijne waren en dat hij morgen goed geschoeid en droge en zonder pijn aan de voeten over zijn oude steegsteenen zou dretsen.

--Zand! zand! zand zijn! zeezand! zong Manes bij 't inrijden van het nieuwe dorp. Ze deden nu elk eenen kant van de straat en vulden de mate overhands. Binst dat Manes bij den winkelier den koop besprak van een petrolvat, haalde Treite de gestolene kloefen van onder 't laatste zandhoopje en bond ze onder de kar met een touw aan den as tusschen de wielen.

--Wanneer gaan we nu eten krijgen? hervroeg de kerel altijd bij zichzelf. De jongens kwamen reeds van school en stonden op een afstandje te kijken naar de geraamtemagere honden en wierpen stukjes van hunnen boterham om de gulzigheid van de hongerige beesten te zien.

Maar als ze nu op eene verlatene kruisstraat buiten 't dorp kwamen, hield Manes ineens de hand uitgestoken naar Treite en:

--Afrekenen, jongen, hoeveel stuivers?

--Hier in mijn onderlijfzak ... en Treite telde 't geld in Manes' hand.

--En in de andere zakken? 't Is hier al?!

--Niets, mijn ziele 't ia al!

--Overtasten jongen.

Treite tastte en schudde al zijne zakken uit om te toonen dat hij geen roode munt meer op zich had, maar Manes stak dan zelf nog overal de handen in en poorde over Treite's lijf en bepootelde hem al buiten en deed hem nog de voering overkeeren van al wat hij voor kleeren aanhad. 't Geld hertelde hij en knoopte het met een mistevredenen grol in een beursje dat hij wegborg.

--Nu gaan we den kost zoeken, jongen.

--'t Wordt tijd, dacht Treite.

Ze reden op de werf van een boerenhof en Manes trad stoutweg naar de huisdeur en binnen de woning en wat later bracht hij waarachtig twee stukken brood met vleesch er tusschen bij Treite die de wacht gehouden had bij de honden. Ze kropen in de opene schuur en muffelden met gulzigheid den geschooiden kost binnen.

--Ja, 't is goed, goed, razend goed! meende Treite, maar zout, jongen, zout! en hij beet en scheurde met scherpen tand het brood en vleesch vaneen.

--En de honden, Manes? leven die met zand of....

--Wacht jongen.

De werf lag nog verlaten, al het werkvolk was binnen aan het noenmaal. Manes ging een ketel met water putten, loerde rond en stool dieveling een half roggenbroodje uit de haverkist in den peerdenstal. Hij brokkelde het in den ketel en de vier hondekoppen grabbelden tegelijk om het zeerst en zwolgen haastelijk hun deel binnen.

Dan kwamen de werklieden buiten en trantelden over de werf naar schuur of stal hun ruste zoeken. De koeiers en knapen naderden de zandkar. Manes kenden zij, maar den ander met zijn kreupel been, bekeken zij en begonnen met halfluide woorden en slimmen monkellach den raren Ko te begekken. Treite bleef onverschillig liggen staroogen en nu zijn buik zoo wel gevuld was, voelde hij zich goed en liet de kerels begaan. Hij ging eenen teug water drinken bij den steenput en drentelde over de stoep, stak het hoofd in de stallen en keek vol bewondering naar de ongewone doening overal rond. Daar bleef hij staan bij eenen kerel die, 't lijf achterover gebogen, gedurig poge deed eenen stuiver van 't voorhoofd in den trechter te laten vallen die in zijnen broekband stak. Den eenen keer gelukte 't hem den anderen keer niet en Treite volgde 't spel met groeiend belang. Andere kerels kwamen ook bij.

--Kent gij 't spel met den trechter? vroeg de knaap aan Treite; als de stuiver er in valt is hij de uwe, maar valt hij er nevens, dubbel betalen.

Treite stond een wijle verbaasd en te dubben; dat was iets nieuws.

De kans beviel hem.--Een stuiver kan ik wel winnen, maar 't haar van eenen steen scheren, dat is wat anders; die niets en heeft blijft vrij van 't betalen!

--'t Is aanveerd, jongens.

Treite liet zich den trechter ia den broekband steken en boog zich achterover met den stuiver op 't voorhoofd; hij rechtte zich traag, loerde naar den top van zijnen neus en ... toen stroomde er plots een koude watervloed over zijnen buik en beenen en als hij nog ontdaan van schrik, te bibberen stond en lekende nat, schaterlachten de boeren met den bedrogen steêling. Treite bezag zijn eigene dommigheid, gooide, den trechter weg, ging kwaad worden, maar voelde medeen zijne onmacht; hij zou den dader toch eene oorveeg geven maar hij zag dat Manes de kar reeds bij de tramen had en de honden van 't hof leidde. Dan hinkte hij; achter, beschaamd van de dommigheid waartoe hij zich geleend had en kwaad om den bedrogenen uitval met den stuiver dien hij zoo gemakkelijk meende te veroveren. Zijn natte broek plakte hem koud tegen de beenen en hij was blij gauw op de kar en weg te komen.

--Ge moogt de kerels niet betrouwen! loech Manes.

Treite antwoordde niet en slikte zijne gramschap in.

Ze reden langs een anderen weg weer naar het eerste dorp en daar laadde Manes de ijdele petrolvaten op die hij in 't doorgaan gekocht had.

Dan tikte een vinger op de ruit van een klein net huizeke en als de deur openging, kwam een wijveke buiten en wenkte naar Manes.

De kerel ging binnen en na langen tijd keerde bij weer buiten en droeg eenen baalzak aan de hand met iets er in dat spartelde.

--g'En zult hem toch geen kwaad doen?! smeekte 't oud wijveke en ze keek Manes drukkelijk in 't wezen en vouwde de handen.

--Als ze nu toch dood moet?! deed Manes verwonderd.

--'t Is van loutere ouderdom dat ze blind is geworden, maar een goed en trouw beest was het altijd.

Meteen zwaaide hij den zak boven zijn hoofd en sloeg hem uit alle macht tegen 't wiel van zijn karre. Een scherpe katteschreeuw uit den zak en een gillen van 't oud vrouwke dat op den stond was achteruit gewipt en in heur angstigheid de deur had toegesmeten.

--'t Is gedaan, dààr! en hij gooide den zak die nu slap bleef liggen, op de kar;--'t beest en kon geen zachter dood sterven! loech hij wreed. Jongen, da's nog een buitenkansje: een gebraden kater is lekker om eten, ik ken een poeldenier die ze verkoopt voor konijnenvleesch! en 't vel is ook een rond prijzeke weerd bij den apotheker.

Treite stond verbaasd over de handigheid van Manes: wie zou er toch denken een blinde munt te slaan uit het lijf van een dooden kater?! 't werd den kerel ook in 't handje gegooid! en hij betastte den zak waar het dood beest vermorzeld lag.

Dan kreeg hij voor zijn eigen den goeden inval; hij neep één oog toe, duwde den vinger tegen 't voorhoofd: maar, zwijgen, jongen, en voor u houden, Treite is ook zoo dom niet! en hij schuifelde een deuntje om niets te laten merken.

--Kunt gij lezen, jongen? vroeg Manes in 't voortrijden.

--"In de Blinde Vink, verkoopt men drank," spelde Treite en wees naar 't uithangbord aan de herberg nevens de bakkerij.

--Goed, meende Manes, 'k zal u gebruiken, jongen, in mijnen handel, en daarop neep hij de lippen met gemaakten ernst en geheimzinnigheid, 't geen bedieden wilde dat hij mocht gerust zijn: 't ander zou hij hem later wel zeggen.

Ze reden naar de brouwerij waar Manes ook al zaken had af te handelen.

--Treite, blijf hier bij de honden, 'k kom aanstonds.

Maar Treite stond zoolang bij de honden tot het hem verdroot. Daarbinst overlegde hij dat 't oogenblik nu best was: hij miek de kloefen los onder de kar en stak ze haastig bij den dooden kater, bond den baalzak weer dicht en legde hem onder de bank al den kant waar hij op de kar zou zitten in 't naar huis rijden.

--Dat is nu veerdig, meende hij en loerde nog of 't iemand gezien had. Dan kwam hij eenen stap t' eenegader tot in de poort bij den wijden keldermond en als hij 't hoofd binnenstak zag hij de dikke tonnen gereekt op schragen en 't schuim dat uit de opene bomgaten over de ronde tonnebuiken in de gistkuipen neerzeeverde. En de knechten gingen daar rond en goten uit koperen kannen het bier weer op. Hij keek en naderde eenen stap nederwaards en dan winkte hem een knecht en reikte hem de volle kanne bier. Treite zette ze haastig aan den mond en zoop zoolang hij zwelgen kon, rustte om te verademen en herbegon op een nieuw. Bier! zooveel en had hij er nooit en hij wilde 't al uitdrinken om dien enkelen keer in zijn leven dat hij de kans vrij had. De knechten loechen en zetten hem aan. Als 't hem langs zijnen mond over de borst liep en 't niet meer door zijn keelgat wilde, liet hij de kan zinken.

--Zuip, kerel! zuip toch! riepen zij.

--En als ik, verdimme, niet meer en kan!

't Was de eerste keer van zijn leven dat Treite iets laten staan moest; hij veegde 't vocht van zijnen mond en kroop spijtig de trap weer boven.

Manes rolde de gekochte oude vaten op straat en ze werden achter en onder de kar gebonden zoodat 't voer wel aan een wijd geladen schip met ballast geleek. Treite gebaarde te helpen, duwde om 't evenwicht te zoeken en kroop er met groote moeite boven eene ton; de warmte steeg hem naar den kop en de doezeling overviel zijne zinnen: hij voelde zich wegvoeren door 't dorp en de doode straat, hij zag nog dat 't duisterde rondom op het land, maar gerocht allengs zijn menschelijkheid verloren.

Manes vertelde hem ernstig voort van handelszaken, doch Treite vatte er den zin niet meer van en had geen moed nog te antwoorden.

Hij zwom in een lustigen roes die hem dreef om te lachen, te zingen en welgezind zijn luide leute los te laten. Hij lag achterover tusschen twee tonnen gevallen, de beenen hooger dan zijn hoofd en hij tierde om 't door heel de wijde vlakte te laten dreunen, het liedje dat hij van de landsche kermisgasten die in de postkoets 's Zondags naar stad rotterden, ergens gehoord had:

Rijen, rijen Dat is pleizant! Zoo te rijen In de vigilant!

Als 't uit was, herdeed hij het opnieuw met verschen moed en luider, alsof het altijd den eersten keer, ofwel een ander klauzeke van 't zelfde liedje was:

Rijen, rijen Dat is pleizant! Zoo te rijen In de vigilant!

Hij was in de meening dat zijn gezang nog altijd voortgleed, maar hij hoorde zijn eigene stemme niet meer, noch 't rotelen van de kar of iets anders van al wat er roerde of leefde op de wereld. Hij werd dooldravend meegesleurd over dorpen en velden en de stad was verzonken en niet meer te vinden.

Aan zijne ooren zat Manes te zagen over zijne winst, en van de dingen die hij aanvangen zou als hij het kapetaal zou vastkrijgen dat zijne moei hem moest achterlaten, en hij wist nu zeker dat die moei ver, in eene vreemde stad woonde en stokoud was. En de davering wiegde Treite al dieper in slaap en deed al die dingen gekkend dooreendansen over 't donker land in den wilden avondwind, al weerskanten van den breeden weg. Maar opeens voelde hij eene hand over zijn lijf gaan, tastend in zijn vest, onder zijn hemd, in zijne broekzakken; hij loech inwendig en liet haar doen en ontwiek met de overtuiging dat Manes naar stuivers zocht die er toch niet te vinden waren. Daarmede hervoelde hij de kille vochtigheid van zijn natte broek. Hij opende de oogen en zag de gaslanteerns en veel menschen die over de straat gingen: hij was plots weer in stad getooverd! Hij zocht te weten wat er haperde, waar hij was en dan herkende hij de steenen pomp aan den straathoek. Daarmede kreeg hij de herinnering aan den baalzak, hij zocht met de hand en hield hem vast omsloten en gereed.

--Aan de brug, neen daar brandde juist de helderheid van een gaslicht en daar was ook te veel beweging van voorbijgangers. Hij wachtte. Nog twee straten verder reden zij, tot aan den spoorweg; langs de zwarthouten paalstaken lag een breede streep duisternis. Het Tuinstraatje waren ze reeds voorbij. Nu moest het ... want 't stapelhuis was maar eene straat verder.

Treite draaide den arm al onder weg en gooide den zak over de ton, hij zelf hoorde den lichten plof--Manes merkte niets.

--Aan de derde lanteern moet ik er af.

--Tot de naaste reis.

--Lijk we gezegd hebben, jongen.

Manes hield de honden in en Treite wrocht met moeite de beenen uit de kar. Hij stond stijf en keek een stonde tot 't getrek was voortgelutst, sloop dan naar de donkere vlek langs de palen en tastte naar den zak. Nu miek hij een neus achter Manes, krulde zijn lijf met ingehouden stuiplach, sloeg op de bil.

--Zie-j'hem gaan, den slimmerik! tierde hij en borst nu los in eenen schaterlach. Hij haalde zijne kloefen er uit en stak de oude, doortordene nagelvooze schoenbrokken bij den kater en gooide den kluts over den schouder. Hij stampte met de houtene blokken over de steenen, preusch lijk een kind, naar zijn koolkot. Hij was overdanig blij dat hij vandage zooveel geleerd en gezien had, maar 't voornaamste nog was zijne welgezindheid om het buitenkansje: de kloefen en den dooden kater.

--Ha kerel, morgen wordt ge 't vel afgestroopt en er zal geld afkomen!

Hij wist bij zichzelf wat duivelsch fijnen toer hij gespeeld had en loech nu wel met al de gerekende knapheid van Manes' commersie.

Eer hij nog sliep roesden reeds al die trage, stille dingen van den buiten door Treite's hoofd en hij bouwde nu zelf een slimmen handel op en hij meende iets gevonden te hebben, sterker dan al wat Manes had kunnen uitpeinzen en dan nog zonder daarvoor te moeten naar buiten loopen!

--Katten, jongen, katten! maar 't krielde er van in de steeg, ze liepen de vensters uit, de daken op en schreeuwden bij nachte lijk kleine kinders in pijne. En 't was drommels dood gemakkelijk: een strop op den zolder leggen, een in 't koolkot, een op 't dak en de vette, ronde katers zouden er in loopen; ze waren al gevild en verkocht--de vellen aan den apotheker en 't vleesch, als echte konijnen, gekuischt en opgespannen; de poeldenier zou ze nooit uitkennen! Maar opeens grijnsde hem die gevilde, ronde katerskop toe uit de donkerte, de diep uitgeholde oogpunten blekten en de tanden stonden naaldefijn in den openen muil, en uit éénen kop werden er tien eerst dan wel duizend, overal zotgekkende katerskoppen op dat gevild konijnenlijf en ze loechen om Treite's fijnen streek die nu ontdekt was, belachelijk gemaakt; en wat hij al zocht om 't spel een anderen draai te geven, met die koppen kon hij geen raad vinden.

--Manes zal daar middel mede weten! dat was nu voorloopig de uitkomst en daarmede troostte hij zich in afwachting.

Dan eindelijk kon hij inslapen en rusten van dien vermoeienden dag in de dikke, opene lucht.

* * * * *

SINT-JAN

Als de noenestond stil was uitgeslapen, keerde Jan door den gloeienden midzomerdag gaan werken op 't land. En de jonge vrouw bleef alleen met heur twee jongens koele in 't huizeke.

Den langen achtermiddag zou de zon weer over 't veld hangen, hooge en branden op de vruchten.

't Was tijd nu om te werken; zij weerde den goeden vaak van daareven en rekte om de lamheid te ontdoen die met de drukkende warmte haar in de leden woog. Zoo stond ze, plat barvoets op den steenen vloer in de kleine woonkamer en bleef wat kijken nog door 't open venster daar de bloemen warm bloeiden. Op 't uurwerk lag voor haar 't gebod van voortdoen; zij geeuwde en kwam eerst nog bij de wiege kijken waar de kleine jongens te slapen lagen. Zoo schoone, zoo poezelig vet lijk mollekes gezond te slapen nevenseen. Hunne armkes lagen nog geplooid naar 't spel, voor den vaak ze kwam vastleggen en de vingerkes waren geloken tot kleine vuistjes. Zij dubde om die handjes te grijpen en te kussen nog nen keer terwijl ze alleene was, maar nu wilde zij hen niet wekken: zacht laten slapen, en kijken, kijken alleen, met de oogen streelen. Zoo schoon, zoo kriekeblozend rond gewangd was haar schat! Daar lag nog den monkel op 't eene zijne lippen en de putjes waren nog in zijne kaken. 't Andere lag met een ernstigen trek om den mond, als een oud manneken in gedachten verslonden. Moeder stond en keek en ze glimlachte.

--Toe 'k moete voortdoen, dwong heur gedacht weer, 't is zaterdag en Sint-Jan vandage en daarbij overrekende ze al heur werk. Dat schudde haar los, ze boog en kuste in onbedachte beweging de mollekaakjes zacht, diep duwend de lippen in 't malsch, koele kindervel. Ze dekte bezorgd de wiege toe met 't gebloemde doek voor de vliegen en ging haastig in de weefkamer werken op 't getouwe.

--Den lap af tot aan de tweede smette, was heur voornemen, dat was de duur van een heelen achtermiddag; met dapper te werken kon ze tegen den avond gedaan krijgen en te vespertijd nog de kinders te zuigen geven en heur Jans besteek gereed doen.

Hij mocht er niets af weten; de verrassing was de helft van het feest. En zoo regelde zij voort in hare gedachten om 't fijne te vinden hoe alles best geschikt. En terwijl zat zij te midden op de planke en heur voeten wrochten op de geterden en heur handen snokten den tap en de lade. En heel 't gedoen kwam in drukke beweging; daarmede was 't gerucht plots door die stilte gevallen en na 't verschot bedaarde 't nu wat als iets dat gewoon door de kamer klabetterde en altijd geduurd had. De spoelen rolden kruisend al snorrende over en weer en latten wisselden en sloegen onder 't gestamp van de geterden, dat alles op gemeten slag en geklets dat galmde naar buiten.

En vóór het venster, over 't wijde veld, schong de zon, lijk al de dagen, eenbaarlijk zonder vergaan, in een perelblauwen hemel en er dreef een vlugge windeke van buiten naar binnen. De blijheid lag in kleur over 't hoveken rond het huis. De rijpe krieken lonkten lijk oogen rood onder 't loof van 't jonge boomken. In reken, van weerzijds het wegeling tot aan de eerdestraat en rond en rond, stonden de bezietronken zwaar geladen, de groenselperkjes door de dikke berkenhage omheind. En daartusschen schetterde 't kleur van de bloemen. De leliën luidden hoog 't wit uit de opene kelkklokken en stonden gesnoerd aan rilde stammen die wiegelden genadig bachten 't vlammende rood van de stokrozen hooge geritst de ronde ballen en geklest aan rijzige persen. De leeuwenmuilkes lonkten laag langs den grond, kleurspetterend blauw, rood en geluw; verder een reke thijmstruikjes in gedempt groen; een bussel anijs in fijne sprieteling als een groene haarbos luchtig open, verwaaiend en gedoken aan den voet, door viooltjes dikke dooreen in duizend kleuren: Sint-Pieter-leliën schel uitstekend het geel van hunne kelken tegen 't zware gestruik van de dahlias en pioenen. Dat stond allemaal verschillig de wegels zoomend en elk tierde in vroolijken groei tegen de blijde zonne. De wijngerd berankte de muren onder de euzieën en dekte 't witsel en de vensterboorden met zijne groote plakbladeren. In 't midden stond de oude vlierboom, gedaagd en krom gebogen, knuistig over den steenput en dekte 't water met koelte en lommer in een donkere spelonk, maar al den bovenkant ter zonnewaard, lagen de vlakke, ronde, witte zaadblommen open als handen zoo groot en strooiden de goede vlierreuke rond.

't Getouwe kletsklakte, de vogels zongen en als de jonge vrouw buiten keek, zag ze hoe de wind heel de groeite en heel dien bloesem kwam verwemelen en leven doen: al de kleuren mingelmangelden dooreen, dansend en neigend de stengels en de bloemen daarop: 't rood van de rozen boven 't wit van de leliën en 't purper van de vette pioenen--met gevezel van bladeren die den reuk opjoegen en 't bloemenstof, omhooge in 't goud van den zonnezomerglans. De bijen en de verwige, bonte vlinders fladderwiekten van blomme te blomme of speelden twee en twee met klepelende vlerken op en neer tegen de ijle lucht. Ze voeren weg over 't huis naar de breede koornvelden en 't aardappelland, maar deden weer een ommedraai en keerden naar 't hoveken onvermoeid hun spel hernemend. Heel die blijde, kleurige, warm spetterende, stilvaste, levensvreugde en al dat zonnegelonk speierde uit met den reuk van rozen en reseda door 't open raam de weefkamer binnen; de vogels schetterden in den vlier en in den kriekelaar; 't getouwe klikkakte op luchtigen maatstap mede met de geruchten van buiten. Onbedacht en eenstemming met heur omgeving, zong de jonge trouw dat 't helmde door al de schatering rondom heur hoofd, een liedje uit haar geheugen:

Wat is de zee al zonder water, Wat is een meisje zonder lief? Helaas zij ondervindt er later De schande van en 't groot verdriet!