Dagen

Chapter 3

Chapter 34,059 wordsPublic domain

Ze zette zich weer op den stoel, maar zoo seffens zag zij Ghielen weer bejaagd rondzwieren door de sneeuw, versmoord in die zwijgende, witte zee, zonder mensch of beeste en al de huizen en boomen donker, met zware, witte mutsen bedekt, éénkleurig, onkennelijk onder 't zwart geluchte. Ze herinnerde zich de vertelsels van grootvader: van den ouden Miechels die een heelen nacht rond zijn hof doolde zonder de poorte van zijn eigen hof te vinden en dat ze hem 's morgends versmoord uit den wal trokken. Van anderen die ievers op doolkruid getorden hadden, of door een kwaden wensch waren misleid om nooit meer uit te komen,--van den metser die drie dagen op den doolstap liep en van Ziene 't oude werkwijf, die in 't naar huisgaan eenen aweg insloeg en zóó aan de rampe kwam.

Doka keek onwillens naar 't venster en als ze de groote sneeuwbrokken gruisdikke zag toevallen tegen 't glas, dan ijsde zij en krijzelde bij 't gedacht: moet het zóó voortduren, ze hier kon insneeuwen en versmachten zonder van een levende ziel hulpe of bijstand te zullen krijgen.

Ghielen die daar in rondkrasselde, wekte nu opeens heur groot medelijden. Ze tastte in den zak, haalde den paternoster uit en bad Ons-Heere en Moeder-Maria toch te willen genadig zijn met twee oude dutsen die zoo geern nog lange te leven hadden!

Tusschen heur gebed kwamen alle soort moord-histories en zij hoorde mannen rond het huis waareren die wisten dat ze alleen t'huis was en heur wilden vermoorden.

Hoor, de koe beurelde om eten.

Beurelen, zoo wreed, vereend dat 't nu ineens duidelijk scheen: de groote koe ginder in den donkeren stal trok de rampe die komen ging in den nacht. De wreede stilte was als het voorteeken van 't geen gebeuren ging.

De wijzer draaide traag naar een nieuw uur, zonder uitkomst.

Dat beurelen riep weer al Doka's vrees wakker, ze aarzelde nog wat en eindelijk opende zij zonder schromen en om heur vervaardheid meester te blijven, de voordeur.

Twee strepen klaarte lagen op de sneeuw die al schrikkelijk dik gevallen lag, verder was 't inktezwarte nacht. Doka kreeg nu eene narigheid in 't herte en ze begon te weenen en te vragen om hulpe, doch aan wie zich te wenden en wist ze niet. Ze keerde weer binnen en haalde uit de schuiflade de gewijde keers en ontstak ze voor 't lieve-Vrouwbeeld, dan ging ze buiten en in heur wanhoop riep ze twee, drie keers door 't donker:

--Ghielen! Ghielen!

De hond liep over de sneeuw naar zijn kot, anders en zag of en hoorde zij niets, ze moest eindelijk wel weer in huis komen.

En met die brandende keers zag 't er nu zoo akelig uit als in eene sterf kamer. Daar was toch nog niets gebeurd, en Ghielen kon alle stonden t'huis komen. En moest hij die keer se zien hij zou wel vragen wie er zot of simpel werd.--Het bleek heur zelf nu als een schendig misbruik van gewijd goed en ze blies 't licht uit en draaide de wassen keers weer weg. 't Speet heur dat lampke daar ook zoo lang en nutteloos te moeten laten branden.

Ze ging nog verschillende keeren buiten staan en keerde maar binnen als 't haar te koud werd. Ze was zelf al wit besneeuwd en ze kwam de handen drogen bij den heerd.

Ze had deernis met den ouden man die zoo laat in den avond vertrokken was. Heur armen hingen moedeloos langs het lijf, en ze verzuchtte:

--Och Herre toch, help mij, Herre!

Het koeisop kookte nu geweldig zoodat 't water sissend uit den ketel in 't vuur liep. In een plots besluit spande ze al hare kracht in en wilde zichzelf verhelpen in haar enigheid. De koe moest toch eten krijgen! Ze proefde om te heffen aan de einze en alzoo den ketel van 't vuur te verarmen, maar ze schoot te kort. Dan greep ze met meer kracht bij de twee ringen, ging dichter staan en zóó kreeg ze hem boven den haak, maar dan voelde ze ineens die bijtende warmte tegen de beenen en ze keek beneden, en eer ze den ketel kon laten zakken, zag ze al vlam en rook, in brand heur kleeren, overal.

Ze gilde, sloeg met de handen, maar ze laaide altijd en de nijpenden pijn was over heel haar lijf en de lekkende vlam liep rap als de weerlicht.

Dan verloor ze 't besef en verstikte door den stinkenden rook. In de groote beroerte kreeg ze den inval buiten te vluchten.

Heere-God! ze lichtte waar ze stond, een heele klaarte wijd uit en ze was al vuur en vlam. Heur gewonde handen trokken de vunzende vendels vaneen, tot ze onmachtig was nog iets te doen.

Ze kreet een laatsten asem uit, geweldig om hulp en dan zakte zij door hare beenen en viel op den grond en lag er nog wat zoetjes te kermen en te piepen en haar droog uitgemergeld lijf en heur kleeren, 't brandde daar stillekens uit lijk een wassen keersken.

* * * * *

NAAR BUITEN

De kerel ontwiek in zijn zelfde donker koolkot, even moe en strem als gisteravond, stijf van 't liggen op den harden grond, met de vochtigheid van den regen in zijne kleeren en de pijn in de voeten van 't slenteren heel den verleden dag. Hij rekte zijne leden en rechtte zich, maar eene lusteloosheid hing op zijn gemoed om de werkelooze ijlte die hij voorzag en de weerzin voor den nieuwen dropregen waarin hij nog eens zou moeten buiten liggen dat lange getij. Met 't opstaan stekten de nagels weer door zijne schoenzool in den rechter voet en door den linkerschoen voelde hij den grond met zijn bloote teenen.

En het wijf schreeuwde weerom achter de deur zoo bitsig:

--Toe, luizevel, blijft ge weer luileeg in uw kot liggen tot 't al is opgeschept!

Hij gromde iets en kwam met mijde treden in de woonkamer kijken.

Zijne snede brood lag gereed bij zijne komme koffie en hij at haastig dien morgenkost. Terwijl volgden zijne oogen het wijf in haren gang; ze loerden alonder waar zij keerde of keek en als zijn brood was binnen geslokt, wachtte hij nog tot ze weer even den rug draaide, dan, met een sluwe vlugheid, snapte hij ook den broodkant uit de kast, dook hem onder rijn vest en, met den verlegen daver in zijn hart, haastte hij zich in gemaakte, trage onverschilligheid buiten. Op een loopken sprong hij den hoek om en dan weer den gewonen pikkeltred, mijde op de teenen en snukkend been, denzelfden zwemelstap dansend door het steegje. Hij vermeed de regenplasschen, zocht de hoogste steenen om zoolang mogelijk droog te blijven aan de zeere voeten. Hij hief den kop, zocht met opgetrokken neus in 't nauw streepje grijze lucht tusschen de twee vuile huizenreken, om te raden wat weer vandaag op zijn lijf zou vallen. 't Was overal effen halfdonker, schemermistig, ijverachtig klam van de gevallene vochtigheid. Zoo seffens was zijn opmerken gedaan en hij keek naar het wijveken dat de planken van haar winkelvenster wegdroeg. Dan ontmoette hij Toppie den Slunseman die met zijn ijdelen zak op den rug in de vroegte zijne ronde deed al toeterende op zijnen hoorn door de stilte. Hij groette met een oogknipje de kennis en hinkte verder. Aan den hoek van het straatje bleef hij weer een stonde besluiteloos en wendde eindelijk rechts langs de geslotene huizen tot aan de zwarte aschhoopen langs de spoorbaan. Hij herkende de oude Lotte die daar als een uivallige fakkel gebogen neerlag en haar gerief vuurmaaksel gaarde in een mandetje.

--Lotte de Poetser, liggen er veel koolkies, vandaag? loech hij van ver en hij bleef staan kijken op zijn één been. Het vervallen wijf wendde haar oud wezen.

--Ha, Treite den Bemmel! grijnsde zij en raapte voort op den aschhoop.

--Slechte tegenkomst een wijf in den morgen! gekte hij in 't voortgaan. Ze gromde iets van; lammepikkel, maar hij verstond den zin niet. Hij loech luide en hinkte voort langs de rij zwart houtene palen die gereekt stonden langs de hooge spoorbaan, onafzienbaar ver.

Uit eene doffe dreuning groeide het zwaar gedommel van den aankomenden trein; forsig sterk en hoog snorkte het machtig stoomtuig vooruit met stampen en blazen. Treite stond met openen mond te kijken naar 't varend geweld voorbij de wagens waar de menschen door de vensterkes van uit hunne hoogte, op hem neerkeken. Met schrillen schuifelroep reed de trein de stad binnen en eene pluime zwarte rook warrelde achter den laatsten wagen weg.

--'k Wil dat ik er op zate! wenschte de jongen. Dat was nu in zijn gedacht: 't zuiverste genot van rijkdom en droge warmte die de reizigers daar hooge beleefden. Maar na dien enkelen trek was de trein al verdwenen en zoo gauw uit zijn gedacht en hij schuifelde zijn eerste deuntje en hinkte voort over den zinderweg langs de zwarte paalstaken.

Aan 't ijzeren hek bij den los van de goederen stonden er al veel kerels van zijne soort. Hij herkende ze bij den eersten blik, elk aan een verschillig teeken: een trek van hun wezen, eene aardigheid hunner kleeding of gebrek aan hun lijf. 't Deed hem genoegen in gezelschap te komen, daarmede was de dag eigenlijk begonnen en in gang zooals al de andere die in lange gelijke reeks voorbij waren. De venten zaten of lagen zwijgend en keken op de dingen die nog gesloten en dood rondom in stilte rustten. Treite zette zich op den arduinen stander tegen de ijzeren poort en liet zijne lamme beenen zwemelen. Als hij in de lucht keek, kon hij toch raden dat de regen en de vuiligheid gister al was uitgevallen en dat zijn lijf vandage zou bevrijd blijven;--'t geluchte was toen nog, grijs met zware wolken die over de daken voeren.

Hier en daar rolde reeds een wagen over de straat door de stilte; de peerden lieten verdrietig den kop hangen en de voermans, daarnevens, vervaakt nog, keken niet naar 't geen rond hen stond. 't Werkvolk stapte haastig over de plankieren langs de huizen. Zij hielden de handen in de zakken, hun blikken drinkpullen onder den arm en de etenbeurs aan een touw over den schouder. Ze krimpten kouderig de schouders en rekten den hals vooruit in den gang. Effenaan een die voorbijkwam wisten de vrachtleuren een dom, dof woord of eene lachreden die onbeantwoord bleef. Treite loech of luisterde niet als hij uitkeek naar iets dat elders roerde of aankwam; hij wachtte lijk altijd, naar entwat dat gebeuren zou waar hij een kansje zou vinden om een stuiver of een borrel te verdienen. En lange nog was er niets te zien 't opkijken weerd en de kerels, bleven als lammelingen in den uchtend staan of liggen en keerden de oogen met weerzin van den een naar den ander, nijdig dat ze daar met zoovelen stonden.

Maar dan kwam eene zware zandkar met vier groote honden bespannen uit de poort van een stapelhuis rijden; een groote kerel mende 't span naar buiten, sprong boven op de vracht en reed voort.

--Manes! schreeuwde Treite.

De kerel keek op en zocht in de bende.

--Ha, Treite den Bemmel! en hij wenkte met den arm.

Een kansje te snappen! dat doorschokte Treite met een vreugdeklets, zijne handen stootten zijn lijf van den paalstaak, hij zwaaide de armen open en wiekte als een kieken dat vliegen wil, hinkend naar de kar.

Manes hield in en wachtte.

--Gaat-ge meê? riep hij van ver.

--Rijen? dat was de eerste en eenige voorwaarde die Treite aanlokte: zijn zeere voeten niet meer voelen en gevoerd zijn.

--Naar buiten met zand, knikte Manes.

--En de condities? begon Treite omdat hij nu zeker was van 't eerste en 't andere er nog bij wilde.

--Te noen een knorre roggenbrood met zwijnsvleesch en pap, en ook wel een pinte bier.

--En t' avond?

De kerel loech.

--t' Avond eten we bij de heeren in 't groot gasthof op de markt, met een flessche wijn, al naarvolgens de winst.

Maar Treite had zijn kreupel been reeds over 't wiel gezwaaid en klaverde met de handen om boven den karrebak te komen. Hij liet zich neer en voelde zijn zet diep-rond en zacht in het mullige zand prenten, hij legde de beenen gemakkelijk open, nevens Manes. De kar dokkerde voort over de straatsteenen en Treite loech om de aardigheid van zoo onverwachts vast te zitten en gevoerd te worden, scherend over den weg, zonder moeite te doen of pijn te voelen in de voeten en hij langde reeds naar 't beloofde roggenbrood en 't zwijnsvleesch--een dingen dat hij niet wist ooit geknabbeld te hebben maar dat, naar hij gissen kon, goede en smakelijke buikvulling moest zijn. Hij keek naar de voetgangers die bezijds de kar liepen, hij knipte oogjes naar elk ende een om te toonen hoe goed hij zat en hoe preusch.

--Eila! flikkerbeen, ge blinkt onder uw hoedje! pennelikker met uw kalen frak, krebbebijter! riep hij naar den kantoorklerk die naar zijne bezigheid ging.

Manes loech.

--We gaan twee dorpen doen vandage, ik moet tonnen koopen gij kunt het zand uitventen; een stuiver de maat.

Treite greep reeds de ijzeren schop en woelde in den zeuzelenden hoop tusschen de beenen.

--Niet lastig, meende hij.

Manes hield de leidkoorde en snokte zijne honden naar links en rechts door de straten en ruischte ze op om 't gespan nog zeerder te doen rollen. Hij vertelde ondertusschen wat er bij de boeren te lande al te zien was voor aardigheden en van den handel en de geldwinst. Hij zat als een degelijk zandman, wel gekleed in de wijde vloeren broek en vest; een groote, blonde haarlok lag zorgelijk gekruld en gevet in schuinen hoek over zijn voorhoofd en daarover de groote blinkende bek van zijn blauwe pet. Treite had ook al geloerd naar het blauwe flanellen hemd, met overgelegden halskraag en de geelzijde koord die met twee flosjes onder de kin was toegeknoopt. Aan zijn ondervest stonden twee reken koperen knopjes die bevielen Treite buitenmate en hij keek met meewarigheid op zijn eigene voeten, als hij de stevige, zwaargezoolde en vernagelde, waterdichte schoenen van Manes bezien en herbezien had. Treite kende zijnen makker van ten tijde dat zij aleven arm en slecht aangekleed, samen de kansjes snapten en centen verdienden met pakjes te sleuren en peerdenmest te rapen. Maar de beenen en armen en borst waren bij Manes zoo stevig uitgegroeid en zijne vloeren kleeren zwabbelden nu zoo los om dat forsig lijf van den zwierigen vent, en hij had ook zoo'n kloeken neus en zijne oogen stonden zee stout en diepe in den kop. 't Was hem dan ook al meêgevallen en hij scheen om 't geluk geboren, meende Treite. Integendeel was Treite altijd dezelfde tamme sul gebleven; zijne armen en beenen waren verdroogd aan zijn lijf, hingen lijk koorden slap en zijne oogen zagen loensch zoodat hem niemand en betrouwde of iets liet winnen.

--Hoe zijt ge aan die kar en die honden gerocht? vroeg hij.

Manes loech en beet zijn jongen knevel, hij snokte aan 't zeel.

--Juu, Baron, hup! dat is een heele geschiedenis, jongen, en hij vergat verder uitleg te geven.

--Is dat allemaal 't uwe, kerel? geërfd van een moeie of zoo? ge zijt ineens rijkman geworden?

--Dat is de zaak, Treite; eene vondst! 't ligt te rapen en die het grijpen kan heeft het meê.

Treite wachtte naar den uitleg om te leeren: waar zulk een ding wel mocht te vinden liggen. Ze reden nu door eene straat die uitwijdde tusschen hooge gebouwen en tenden begonnen twee reken boomen waar de huizenreeks ophield. De wind woei er vrijer en koel en van weerskanten den weg lag het land bewrocht in wijde groensel velden, pachthovekes stonden daarin en tegen de verte, lange kazernen van gelijk aaneengereekte werkmanswoningen.

--'t En zal niet regenen, Manes?

--Neen 't, de wind zit Oost.

Treite en wist niet waar Manes zijne wijsheid haalde, maar hij geloofde hem geern, 't ware anders wel jammer geweest moest het nu weeral regenen als hij voor een enkelen keer zoo zachte op zijn vigelante over de bane reed. En rijen, jongens, ze reden, de honden, vier aaneen, gelijk effen dravend dat ge geen pooten en zaagt en de wielen dokkerden luide over de straatsteenen dat de inzittenden malkaar de woorden luide schreeuwen moesten als ze iets zeggen of vragen wilden. De boomen draaiden achterwaards weg en Treite merkte nu eerst dat er nog geen blaren aan de takken waren. De wereld en had hij nog nooit zoo wijd, zoo vlakuit zien liggen en hij verlangde reeds om ievers uit te komen waar er weer huizen en menschen te vinden zouden zijn. De boeren en de peerden in de verte leken hem zoo klein en dat rondtrappelen op het land zoo zot en zoo nieuw.

--Is 't nog ver, Manes?

De kerel had zijn pijpje gestopt, keerde zijn lijf gebogen van den wind weg en hield het vlammetje in 't holle van de hand; de blauwe rookkuilen warrelden als pluimen rond zijn hoofd en hij trok al lastig nieuwe walmen.

--Nog een kwartiertje rijdens, en we zijn er! Toen begon hij in korte zinnen oolijk monkelend te vertellen.

--De arme leuren zijn zot van daar in stad te liggen luierikken; naar den buiten moesten ze komen! Ik was 't al lange beu van honger te lijden aan 't ijzeren hek en van pakken te sleuren, 'k wist wel dat er iets beters moest zijn, maar ik moest het alevel nog vinden. 'k Prakkezeerde bij mijn eigen en ... w'hadden gekaart op een ijdele bierton en al mijn oordjes was ik verloren! en dan kwam het gedacht!

Manes hield in, rekte den hals om zijn woorden in Treite's oor te tieren en hij deed wijde bewegingen met de armen.

--De makkers vertrokken en als ik alleen was blijven staan als een simpelaar, kreeg ik het gedacht de ton door de straat te rollen ... om ze ievers in 't droge te krijgen. Ik schopte ze vóór mijne voeten en daar kwam ik aan de brouwerij daar Moot de Brouwer in de poort stond, hij bezag de ton en ik--zonder verpinken, sloeg hand aan mijne pet en: "Mijnheer, Mane de kaasvent zendt me uwe ton naar huis." Hij las de letters van zijnen naam, op de ton en 't moest wel de zijne zijn--ik rolde ze in de poort en hij gaf mij, verdimme, twee stuivers voor de moeite! Manes haalde zijn pijpken uit den mond om luide te lachen.

--Dan was 't gevonden jongen, ik kende een nieuw stielken: ik haalde door heel de stad al de ijdele tonnen uit de kelders en rolde ze naar de brouwerijen--en de stuivers rolden in mijnen zak, Treite! en bier op den hoop toe, zooveel ik lustte!

--Ge zijt alzoo rijk man geworden, Manes?

--Nog niet, jongen, ik niet, maar Dompe Kleerik is rijk man geworden, deze heeft heel zijn leven met zand gereden en nu blijft hij achter zijnen disch t'huis; 't wordt hem toegevoerd met heele schepen en zoo goed als gratis, en ik en een ander nu vullen daar ons karren en we zijn aan hem verhuurd. Dat is nu niet slecht maar niet goed ook, 't kan nog beter,--zie kerel, de buiten is goud weerd, ge verkoopt er al wat ge wilt ... dat ik geld had....

Treite luisterde met achting en verbaasdheid voor 't groot verstand van Manes en hij hoopte al een beetje zijn voordeel te halen uit die dingen.

--'t Kapetaal mankeert jongen, 't kapetaal! Treite knikte verstandelijk en hij tastte in zijn ondervestzak. Hij neep zijn één oog toe en trok een oolijk gezicht--Kerel, ik vind je lollig maar ge stoeft een beetje! dacht hij. Maar als Manes hem weer in 't wezen keek, was de ongeloovigheid er al af en de bewondering en 't goed vertrouwen weer bloot en hij luisterde naar den kerel en zijn wondere knapheid.

--'k Heb er dit nu al bij gedacht: de schepen die met steenen varen, brengen hout mede van de reis of kolen of kalk en ik keerde langen tijd op mijn ledige kar naar huis en de helft van de reis was alzoo ten ondomme gedaan; maar nu voer ik zand en koope de boerkes hun oude pretolvaten en kom geladen weer in de stad en daar herbegint de commersie. Maar eens dat ik geld heb, doe ik de dingen in 't groot, 'k voere tien hondekarren en 'k zende knechten uit met kaas, zeepe, rijst, speelgoeds--in de winkelkes kost die peneware hondeduur--en 'k zou te lande al de groensels opkoopen, appels en peren--dat smijten ze u voor 't voeren op de kar en in stad wordt het voor zwaar geld verkocht.

Treite monkelde olijk.

--Hebt gij een oude suikermoei of een ander erfenisje te verwachten, Manes? dan word ik evengauw uw knecht en rijde met een vierspan op de groenselkar! Maar zie, ginder!

--We zijn er jongen.

Vlak te midden 't einde van den weg stond het oud kerktorentje en al de huizekes van 't dorp er dichte rond.

--Afstappen, gebood Manes en hij klopte zijn pijpje uit.

--Zand! zand! zand zijn! tierde hij overluid. Hij gaf een ernstigen wrong aan zijn gemeen leurengezicht, zette zijne pet recht en streek zijn knevelken. De honden stapten al jagend hun blazenden adem door den openen muil. De tong hing hen over de borst.

--Zie, jongen, nu ga ik het u uiteen doen; ge rijdt langs de huizen, eerst dien kant af, tot ginder aan den wegwijzer en ge keert langs den overkant tot achter de kerk bij de linde, we zullen daar malkaar vinden--ik ga om vaten. Een stuiver de mate, hoor, en hij vulde ze lulde en striebelde den top open met zijn vingerklauwen:

--Zoo meenen de menschen dat ze sleekende vol besteld zijn! Ge zult wel ondervinden met wien gij te doen hebt; maar beleefd zijn--bij den pastor moet ge de voeten afvegen en op 't dorpeltapijtje blijven staan en uwe pet af! Kletta heeft een vies mondje, en om ne niet zendt ze u weg zonder koopen. Ginder op 't hoekje niet te hard aan de bel trekken of ge wordt van het huis gejaagd, ge moet luide kouten want 't mensch is moor-doof. Ge steekt de stuivers in éénen zak om niet te verdolen in de rekening.

--Geen nood beweerde Treite, al mijn zakken zijn gelijk: mijne eigene stuivers en heb ik op mij niet.--Juu, Baron!

Treite trok de kar bij de tramen over op den eerdeweg en ging op 't plankier en 't getrek hield overal stand waar hij eene deur openduwde. Heel dien morgen ging de nieuwe zandman de huizen af, zag er al de stille doeningen van de verschillige nette woningen met 't leven er in van gezapige, geruste menschen.

Hij verwaterde van eetlust in den winkel van den beenhouwer waar de hepsen en schotels zwijnsvleesch aan de vertinde haken langs den muur hingen; hij praatte wat tegen de vrouw van den kleermaker en reed verder heel 't gebuurte af. De honden volgden hem over de straat en hielden stand voor elke deur.

--Moet er zand zijn?

Ze brachten hem een bakje, eenen korf of mandje buiten en de kerel vulde de ijzeren mate en keerde ze uit aan éénen stuiver.

Hij was nu aan 't overleggen of Manes wel zoo nauw zijn zand gemeten had en of er geen mate aan kon vermeten worden zonder den stuiver er bij te doen. Maar hij betrouwde de sluwheid van den kerel niet en vreesde dat hij met een onbekenden draai het bedrog zou achterhalen. Er was reeds een groote put in 't reuzelende zeezand en heel de andere straat moest hij nog doen, den bakker, den winkelier, den smid,--in de Valke kreeg hij een pinte bier als hij een greep wilde toemeten, dat was 't gebruik, merkte de bazin. Vóór de pastorij veegde Treite zijne voeten af, jufferde tegen de meid en hield zijne schele oogen neergeslagen; dezelfde beleefde houding herhaalde hij bij de meid van den dokter, en hij was in de overtuiging dat de klanten en Manes ook, wel tevreden zouden zijn over zijne goede manieren. Bij den burgemeester moest hij door een net hoveken achter een traliehek en Treite merkte in een draai, 't paar nieuwe kloefen die langs het bloemenwegelken stonden afgezet nevens de spade van den hovenier.

--Zeezand! wit lijk tin!