Dagen

Chapter 2

Chapter 24,158 wordsPublic domain

Ghielen trok eerst nog naar den stal, hief in eene kwaadheid de koe haren steert op, dan kreeg hij goest om het domme beest te schoppen en zijn voornemen stond nu voorgoed vast. Hij zette goedmoedig aan, blij omdat 't Zondag was en omdat hij op 't goed gedacht gekomen was die koe te verzetten. Hij belegde hoe en waar hij Vinie den koopman zou vinden en stapte altijd op de oneffene, onbegane wegen die ruw en knoestig doorkorven en bestampt met wagenslagen en hoefputten in den laatsten regen, nu vastvervroren lagen in al hunne ongeschoftheid. Ommelands was alles eenkleurig grijs besmokkeld met ijzelrijm en smoor en dof lijk de zware, laaghangende, geslotene hemel. Nievers noch huis noch stake, de klokke ook en hoorde Ghielen niet en hij liep daar op goed geluk voort lijk verloren in een dood winterveld. Maar zijne voeten kenden den weg en volgden vaste den drijf; dat rechts of links inslaan en 't overstappen lag door de danige gewoonte in hem vergroeid en heel blindelings zelfs herkende hij den uitwendigen vorm van elk grachtje of landoever waar hij heel zijn leven voorbij moest naar de kerk. De wegelkes lagen verzompeld of overspoeld, hij herkende ze toch zoo duidelijk als de rimpels in zijne hand. Hij tjuikelde over de harde knuisten, perdompelde over de glad vervroren ijsplasselkes en grommelend djoezelde hij zonder opkijken voort.

Zijn hoofd hing gebogen en subbelde, zijne handen zaten wel geborgen in de schaapwollene wanten en zijn dikke frak onder den blauwen kiel beschutte goed zijne leden, maar de koude voelde hij lijk bijtend staalvijlsel in den hals en zijne ooren tingelen en hij moest gedurig de druppels wegvegen die van zijnen neus afleekten.

In de dorpsdreef ontmoette hij veel boeren en boerinnen die ter kerke gingen. Ze riepen van verre goêndag naar malkaar en vorderden hunnen weg. De straat tusschen de huizen was vol menschen en hunne kloefen en schoenen klonken tegen de stille hardvervrorene steenen. De wijven waren geduffeld in lange, zwarte mantels, de kap diep over den gebogenen kop en de boeren met hunnen blauwen kiel waaronder uit de dikke winterfrak bij 't gaan hen in de hamen sloeg. Ze hadden meestal eene vellene klak met oorlappen diepe neergetrokken en ze liepen vernepen, kerneutelig opgekrompen van de koude en haastig vernibbeld om in de kerk te zijn. Ghielen zocht zijn oud rustig plaatsken achter den pilaar en las er heel de mis zonder opkijken met groot lippengekluts. Na 't sermoen deelde boer Van Tomme hem 't nieuws meê dat de pastor daar zoo seffens kwam af te lezen:

--Ghielen hebt ge 't g'hoord? Uuznie Pasters is van den nacht gestorven.

--Neen ik, vezelde Ghielen en hij bad voort.

Als 't gedaan was en 't volk allemaal ineens buiten wilde, bleef hij, met de andere oude mannekes, nog wat zitten om niet gedrumd te worden. Daarna ging hij naar den Gouden Arend waar al de boeren, na de mis, een borrel gingen pakken. De herberg was vol volk en geruchte, Ghielen keek rond en zette zich big den disch te praten met Marcelein Vramme, over de koude, den langen winter, de korte dagen, 't beesteneten en de duurte van 't koorn en van den ouden tijd. Ze zaten met hun hoofd bijeen te stamelen en te hervragen, te knuffelen en te hoesten en dronken elk eene teug van den borrel die de bazinne hun bracht op een tinnen schenkschaalken. Ghielen haalde zijn steenen pijpken uit en vulde uit boer Vramme's tabakbeurs en ze tikten nog eens geneuchtelijk hunne glazekes.

--Weet-je gij niet meer te zeggen, Marcelein, wanneer Belle mijn witte koe, gediend is?

Vramme hield den vuurpot in de hand en ontstak zijne pijp; hij trok drie, vier keeren, blies den rook door zijne uitgestekene lippen in den vunzenden hul, speitte een grooten klak op den vloer en peinzend met de pijp omhoog:

--'k En zou 't zoo zeker op geen maand naar kunnen zeggen, Ghielen. Er komen zooveel koeien op 't hof--maar z'en kan niet lange van heur rekening af zijn.

Ze zaten en lutten alletwee zwijgend nu, aan hunne pijp en keken droomend rond op de menschen die luide en gemeenstig koutten, loechen onder malkaar en den sterken tababsdamp met volle kuilen rondbliezen. De stoof ronkte deugdelijk en de rook hing als een zware mist, al die staande of zittende menschen omwonden. De bazinne liep en vlocht zich daarin entusschen de stoelen en banken en schonk overal klare genever uit de steenen literkruik in kleine glazekes.

Kijk, dacht Ghielen, dáár is Vinie, 'k ga hem nu spreken. Maar de koopman zat aan een verre tafel ernstig in gesprek met eenen boer. Hij hield zijn mispelaren stok tusschen de beenen en keek met opgetrokken neus en wenkbrauwen scherp luisterend den boer in de oogen die altijd met groote gebaren van den wijsvinger, zijne belangrijke dingen uiteen deed.

Boeren vertrokken, andere kwamen binnen in gedurige wisseling met open en toevallen van de dubbele voordeur. Daar zaten vier oude makkers al aan tafel in een hoek met de speelkaarten bezig, zoo ernstig verslonden en vast als voor den heelen dag. Anderen stonden bijeen gedrumd te grollachen zoodat hunne wezens purper waren van de pret en ze sloegen elkaar vriendelijk vrij op den schouder. En hier en daar één die zijnen man was komen vinden en hem stil in zijn oor een groote gelegenheid mededeelde.

Ghielen hield alsaan den koopman in 't oog en als deze eindelijk met den boer opstond.

--'t Is nu, meende Ghielen en hij naderde.

--Zoo, lijk we gezegd hebben?

--Basta, wederiep Vinie, tot morgen op de markt.

Ghielen trok den koopman lange achter bij den kiel:

--Hork ne keer, 'k moet u spreken.

De vent liet zich gemakkelijk neer, om met geduld te luisteren even als bij den anderen boer.

Ghielen vertelde hem van zijne schoone, schoone volle veerze die hij op stal had, dat ze moest kalven in 't korte, en dat Doka te oud werd en te veel lastig werk had en de koe afsteken wilde,--maar 't was een buitenkans, jongen: een kostelijke koe.

En 'k zou ze toch geern kwijt zijn, seffens kwijt zijn.

--Wel, 'k kome zien, na den noen; als we koop slaan moet ze morgen uchtend meê, ik weet een kooper,--als ge niet overgaapt in den prijs!

--We zullen genadelijk zijn en overeenkomen. Bazinne nog twee borrels.

Als ze uit waren en betaald, vertrok Ghielen gelukkig en mompelde halfluide woorden tusschen zijn klutsend kinnebakken.

De menschen waren al weerom t'huis en de straat was eenig en de huizen van weerskanten dichte gesloten met doove ruitjes en daar hingen lange ijskrekels lijk gesteven zeeverslijm in reken van de euzies. Daar was een halve klaarte gekomen, god-weet van waar, zoodat Ghielen onderweg, hier en ginder een boomstam zag uitsteken in den mist en den gevel van een boerenhuizeke, doch een stuk lands verre was 't al onduidelijk en dood toegedekt lijk bij vallenden avond.

Als hij op 't hof kwam begon er lichtelijk sneeuwmijzel te vallen, de boer keek misnoegd in de lucht, stak de lippen op en grommelend tord hij binnen.

--Doka 't gaat sneeuwen.

De warme lucht kwam tegen en de goede geur van kokend lijnzaad en gebraden vleesch.

Doka had over den blauwsteenen vloer versch, glimmende geluw strooi opengeschud en alles zoo behoort, te kante gezet zoodat 't er nu ordentelijk zondagsch uit zag. z'Had heur dikken wollen rok aan, heur nieuwen gebloemden borstdoek, heur goudewerk en een zwart satijnen voorschoot met een geperkt blauwen daarboven. Binst dat Ghielen zijn verkleumde knoken warmde bij den heerd, zette Doka de tellooren en soep op tafel en al 't ander gerief. Ghielen snuffelde nog boven den smakelijken damp uit de eerden kommekes; dan hielp Doka Ghielens leerzen uittrekken en zij aten huns tweeëns eerst soep met houten lepels en daarna een stuk vet zwijnsvleesch met schoone, gebruinde, lekkerblinkende gefruite raapkes. Ghielen vertelde van 't loof dat jammerlijk vervroren lag achter de velden, en wat hij al wist van Boer Vramme en dat Uuznie Pasters schielijk dood was en dat de oude pastor van langs om moeilijker sprak zoodat er geen woord van te verstaan viel.

Doka luisterde met nieuwsgierigheid naar al die dingen; het dorp was voor haar een wereld uit een ver verleden waar ze eens in meeleefde, maar nu al lang geen mensch meer zag of wist wie er nog rondliep. Ze vroeg nog een en ander te weten over oude boerinnen die nu nog te gange waren en kosten naar de misse komen: of hij deze en gene gezien had en hoe 't er meê stond.

--En Vinie, de koeiplote, begon Ghielen. Ka den noen komt hij zien naar onze koe. Hoeveel zouden w'er voor vragen, Doka?

--Wat ge wilt,--wat weet ik van de beesten? maar eene schoone koe is 't! en een kostelijke; als hij maar niet merkt dat z'al een maand óver is.

--We zullen hooren hoe hij zingt, besloot Ghielen.

Het gerei ruimde zij van de tafel en ze lazen beiden een dankgebed. Dan sleurden zij samen den pot drinken buiten en voederden de koe, het zwijn en den hond; Doka hing een moor water over 't vuur en dan zetten zij zich al elken kant van den heerd wat te tukkebollen. Ze hoestten onderwijle en trokken lastig aan den asem.

Buiten, uit 't grijs geluchte, ranselde de sneeuwmijzel lijk bloemenstof fijn, aanhoudelijk den grond en de daken dekkend stillekens met wit. De koude blies over het lage, verlaten land en al dat er nog buiten liep was ievers een verdoolde, uitgehongerde hond.

Vinie rotelde al aan de voordeur als Ghielen wakker werd. Hij riep naar Doka en ging haastig opendoen.

--Binnen, Vinie, binnen.

Vinie gromde een goeden dag en stampte 't sneeuwstof van zijne schoenen.

--We gaan kwâweer krijgen, boer, en hij kwam ingrimmig, opgekrompen nader bij 't vuur.

--'t Is de tijd van 't jaar, meende Ghielen, we zijn in de donkere zes-weken. Doka, Vinie zal eerst koffie drinken!

--Danke, boer, hebbe maar weinig tijd. Willen we maar seffens naar de koe gaan zien? Maar hij moest eerst koffie nemen. Ghielen stoefte daarbinst met zijne koe; daarna gingen ze alle drie naar buiten. De hond stormde uit zijn kot en bastte nu naar den vreemdeling, maar ze stapten zonder ommezien over de werf. Het zwijn snorkte daar ze voorbij zijn kot kwamen. De haan was, om de bijtende koude met zijne hennen in het wagenhuis gebleven en stond te midden zijn toom onder eene kar te treuren op éénen poot. Doka trok de staldeur open en deed de koe opstaan met zacht vermanende woorden.

--Ze heeft het hier warm, meende Vinie.

--Ja ze staat er goed en er kan geen windeken in den stal als de luchtgaten toegestopt zijn.

Maar Vinie wilde de koe buiten in den helderen dag zien. Ghielen moest ze ontbinden en buiten brengen. Ze waagde zwaar heur eendlijk lijf voorwaards en stond daar wijd op de pooten met groote trekken snuivend de versche lucht door haren natten neus. Haar oogen keken verweerd rond. En de drie kadoterige oude sukkelwezentjes stonden daar op te kijken lijk vereeuwde, slonk-gesnekkerde postenakels uit een donkere, oude kerk, voor den eersten keer in 't daglicht gebracht. Hun asem met dien van de koe dampte in wazige wolkjes uit hunne neusgaten op. Vinie, met zijn hoofd diep tusschen de bochelachtige schouders, piepoogde onder zijne groote pet, neep den mispelaar tusschen de vingers en stapte rond de koe, mat hare gestalte aan de kin, betastte heupen, pooten en rug en balg en ging weer al den overkant.

Ghielen hield de koe big 't zeel en stond verkrompen van de koude, zijn vest achteruit getrokken met de armen tot aan de ellebogen bijkans in de broekzakken en zijn groote voorbroek spande over den ingevallenen buik en heel zijn magerte, zoodat de heupbeenderen lijk twee bulten uitstaken boven zijne korte beentjes. Doka hield de handen geborgen onder haren voorschoot en haalde ze beurtelings bloot om 't water uit de oogen te vegen. Ze klutterbeende en voelde haren neus bevriezen, maar ze hield gestadig den blik op den koopman in verwachting of hij iets van de gedokene doening zou bemerken.

Vinie ging nu op een afstand staan, kwam weer bij, trok de koe haren muil open, en telde de tanden met zijne vingers.

--Wanneer heeft ze hare rekening vol? vroeg hij.

Ze bezagen elkaar en:

--Met 't eerste maansching, zei Ghielen en hij hield zich gesloten om niet te pinkoogen.

--Newaar, Doka?

--Ja, nog een manestond. 't Geen ze er nog wilde bijzeggen verging in een geweldige hoestbui.

--'t Is hier koud staan, meende Ghielen.

--'t Is eigenlijk een schoone koe.

--Newaar! zegden ze alle twee.

--Steek ze maar weer binnen. Hoeveel moet ze kosten?

--Ik meende zeshonderd franken, zei Ghielen en dan hield hij den adem op.

--Doe er honderd af.

--Geen cent min, schudde Ghielen.

Ze stonden een tijdeke sprakeloos.

--Den stok in tweeën, da's mijn laatste woord. Is ze verkocht?

En de koopman stond omgekeerd, gereed te vertrekken.

Ghielen stak zijne koe op stal en Doka durfde niet antwoorden.

--Vijfhonderd vijftig, herzei Vinie, ze gaat morgen naar de markt, 'k heb daar een kooper.

--Voor min dan zeshonderd gaat ze uit den stal niet, besloot Ghielen.

--Wel, geluk ermeê, en de koopman vertrok.

Aan de hofpoort keerde hij zich om en:

--Als ge beter gedachten krijgt, kom zeg het mij van den avond nog en 'k doe morgen uw beest meê.

--We kunnen wij ook naar de markt gaan, zei Ghielen tegen Doka en hij liet Vinie vertrekken.

De zwarte palulhond had heel dat spel aanschouwd en als de koe weer op stal en de koopman van 't hof weg was en Ghielen en Doka in huis, gromde hij wat en kroop in 't diepste van zijn kot.

Ghielen sloeg Doka op den schouder, kletste op zijne bil en spetterde uit in eenen kikkerlach.

--Hij is gefopt, de slimmerik en ziet er niets aan en hij zal onze koe komen halen!

Hij viel op eenen stoel om uit te hoesten en Doka ook grijnsmonkelde welgezind.

--O, 't is eene schoone koe, zei hij, ze bevalt hem ... ze moet binnen de naaste mane kalven! loech Ghielen.

--Zal hij terugkeeren?

--Maar zeker zal hij, zoo zeker als Evangelie.

Dan begonnen ze ondereen in overvloed van gehakte woordekes uit te gaan over nieuwe schikkingen en te hoesten daartusschen.

--Nu zal 't slameur gedaan zijn en we leven heel den winter stil op onze zokjes; ten uitkomende koopen we een versch veerzekalf.

Ze raasden voort: hoe ze met de nieuwe lente 't land zouden bedrichten; ze gingen ook een muurken doen insmijten, een nieuwe haag bouwen en boomen verplanten en de 600 franken bij 't ander leggen onder den blauwen steen, en ze regelden hunne dingen zoo generig alsof ze nog vijftig jaar leven te verwachten hadden.

Ze dronken elk nog een kopje koffie. Doka legde nieuwe lemen aan 't vuur en Ghielen haalde krijt en kaartenspel. Hij teekende een dubbelen boom op het tafelblad, ontstak eene pijp en zij zetten zich recht overeen in de stille schemerkeuken hun zondags-partijtje te doen.

Buiten, vóór het venster zwemelde een afgesneden eind koord in den wind en de sneeuw mijzelde traag en fijn, gezapig schuin gedreven door den windtocht bij striepen gispend in een wevende lijnflikkering zwepend als dansende witte regen.

z'En spraken geen woord schier en speelden verslonden. Een zucht altemets, een stenen of hoesten of een enkele uitroep van spijt of voldoening als de Zot of 't Aas de kans deed keeren of een grooten slag besliste. Doka veegde de witte strepen van den boom met heur natten vinger uit en ze hielden beiden hun spel gesloten als de vimmen van een opengescherrelden waaier in de magere, vereelte handen. Ze dubden, betastten de bladen en legden ze stil vooruit neer op tafel of sloegen ze hard met eenen vuistslag die bonsde.

Als de eerste boom was afgespeeld, haalde Doka de pulle uit en schonk voor elk een goeden druppel;--Ghielen liet den zijne nog eens volschenken omdat hij gewonnen had; ze herbegonnen een nieuw spel en dan nog een; ze knuffelden en keken bedenkelijk op hunne kaarten en deden gezapig voort tot ze tusschen de slagen, den donkere zagen in huis vallen en gewaar werden dat de dag op zijn einde draaide. Ze dachten alle twee aan Vinie dien ze verwachtten maar z'en zegden er niets van.

--'t Wordt weeral avond, en 't was schaars middag, neuzelde Ghielen.

--'t Is die sneeuwlucht ... en Doka keek overzijds langs heur schouder naar buiten maar eigenlijk naar de hofpoort over 't land of er iemand in de verte te zien was.

--Zou hij wel zeker komen, Ghielen?

--We kunnen nog wachten.

--En als hij niet komt?

--Wel, wat zouden we doen?--de koe is nu zoo goed als verkocht ... en vijfhonderd vijftig is al vet betaald voor eene koe die niet en kalft. En ze kan te naaste weke doodgaan met 't kalf in heur lijf.

--En naar de markt leiden, waagde Doka.

--Maar dat was zotternije, lachedingen, kan ik met mijn kranke beenen naar stad en die koe drijven?

Ze legden de kaarten neer en zaten op malkaar te kijken om raad. Dan ging Ghielen bij 't venster staan en Doka werkte in 't achterhuis.

--Als ge wilt uitgaan, 'k en zou toch in Godsnaam niet wachten tot 't avondt, riep ze.

Ghielen draaide onvoldaan en mismoedig rond op zijne kloefen, ging buiten aan 't hofgat, keerde weer, altijd in 't gedacht: met wat te wachten win ik misschien vijftig franken. Dan keek hij in de dreigende, donkere lucht en over 't veld dat reeds onkennelijk overstrooid lag vol wittigheid.

--Doka, 'k zal dan maar uitzetten, besloot hij. Ze kwam bij, veegde de handen aan heuren voorschoot, haalde zijne kleeren en leerzen en stond over hem gebogen, te beulen dat z'er bij steende, om dat alles te helpen aantrekken.

--Waar is mijn stok, en mijne wanten? Hij hoestte, snakte achter zijnen asem, maar hij toonde zich sterk om Doka geene vrees aan te doen.

--Wat is dat? een wandelingske, twee stukken lands verre!

--Ja maar in 't donker is 't niet goed met die sneeuw, meende zij. Kijk hoe zeer het avond wordt; Ghielen, duffel u wel of ge komt met eene doodelijke ziekte thuis.

Maar kom, help me eerst den ketel op 't vuur hangen, de koe moet toch eten.

-'t Is voorzeker de laatste keer, troostte hij en ze zeulden samen den zwaren sopketel tot hij aan den hangel hing.

--Vrouwe, schenk me nog eenen borrel, dat geeft asem.

Hij knoopte eenen zakdoek over zijne ooren, trok de warme wanten aan en:

--Doka, 'k ga.

Zij kwam mee tot aan de deur en daar keerde Ghielen nog weer om te zeggen:

--Doka, Vramme sprak mij van de dood van Uuznie Pasters.... Dat hoekje land achter de beek zal nu te koope komen, dat zou goed doen bij onze driehonderd klaverland, en 't zou goede weide zijn nadat w'er nog een paar jaar vruchten opgedaan hebben. 'k Zou best doen daar een woordeken naar te gaan vragen als de verkoop van de koe goed deurevalt.

--Maar haast u toch weer, Ghielen, dat we de koe op tijds bestellen en 't is hier zoo eenig op 't hof.

Zij zag hem gaan met kleine perneutelige stapjes, één schouder opgesteken en stekkend met zijnen stok in de sneeuw.

--Heere-God wat koude, kermde zij, 't is beter in huis. Toch bleef ze staan zien en Ghielen werd allengerhand kleiner: een zwarte vlek, alleen op het al witte veld, lijk verdoold te midden de sneeuw en met de vallende duisternis nakend boven zijn hoofd. Dan miek Doka den hond los en liet hem bij haar in huis. Zij deed heur zondagsche kleeren uit, om te beginnen werken aan den avondkost voor de beesten. Ze ontstak al tastend het lampken, dompelde nog verschillende keers buiten en bracht telkens een armvracht eten meê: een mandeken beeten, twee, drie koolen, een bakje lijnzaad, oliebrood, boonen en tarwen gruis. Ze stekte en korf dat al dooreen in de kuip en goot het mengsel in den ketel en doorroerde het met eenen stok.

Ze legde wat droge spaanders op 't vuur, duwde de koffiekan bezijds in de heete assche. Dan schepte zij eenen ketel sloebering uit en droeg dat naar den zwijnsbak. Daarna stond zij rond te zien en te dubben om te weten of er nog iets te doen was? Neen't.--Zij rakelde wat houtkoolkes in haren steenen vuurpot en zette hem bij haren stoel onder de voeten, ze neep het lampken dood en flokte zich daar onder den heerdmantel warm neer.

Heur oogen keken in de fletsflodderige vlammen die rond het gat van den zwarten ketel opkrulden. Dan wendde ze 't hoofd naar 't venster waar de roode vuurgloed op blonk en zij keek hoe de witte vlokjes zoo stil, vlijtig speeldansten, zoo wollig zacht, zonder krijzelen, en licht ronddraaiend als waren 't altijd dezelfde die zonder vallen voor 't vensterruitje kwamen wentelen.

De hond lag met den muil op de voorpooten in den rossen glans tegen den heerdschoot en hij zuchtte van de welligheid.

Doka wist niet meer wat gedaan en ze volgde in hare zinnen Ghielen waar hij ging over 't veld; ze zag hem aankomen bij Vinie en ze hoorde hem redekavelen en ritsepeeuwen om gelijk te halen en 't voordeeligst den koop te sluiten; ze zag hoe Ghielen als 't gedaan en af was, terugkeerde naar huis. Maar dan ook liepen heure gedachten veel rasser dan Ghielen gaan kon en ze wist nog lang te moeten wachten. Ze wilde een trekje slapen eerst.

Zij duffelde de handen onder heuren voorschoot, peinsde nog op het hoekje land dat Ghielen wilde koopen en op Uuznie Pastere die nu dood was--z'had er honderd keers tegen gekout--en dan zocht ze weer in de gedachten naar Ghielen over 't veld. Maar de warmte kloesterde haar zoo zacht dat se alles liet varen en heur hoofd knikkebolde neer en buiten 't groot statig uurwerk leefde er niets meer in de keuken.

De vlammen kronkelden zoo langen tijd rond het zwarte lijf van den koeketel tot er daarbinnen leven kwam, een holle brutseling en de damp met ziedend schuim hieven 't deksel met een geuleken op waardoor 't sop uitzabberde en de damp opproestte in de schouw. Eindelijk vielen de brandschieren verkoold ineen en 't gerucht en de brobbeling hield op.

Dan schrikte Doka uit een vervaarlijken droom, ze keek verweerd door de keuken en was blijde dat 't allemaal bedriegelijke leugens waren. Ze schormde recht in 't donker, zwaaide de armen en liet ze 't halven den haal neervallen als ontdaan nog en half ongerust van wat ze gezien had en zocht nu naar den draad van heur verstand.--Ghielen bleef te lange weg en ze meende dat 't al late nacht was. De ketel en 't vuur was ze vergeten.

O, z'had Ghielen daar zien ronddompelen, heel wit besneeuwd lijk een vriezeman, vechtend tegen de koude en den donkere, zonder dat hij zijnen weg kon vinden. En z'had hem, tenden gejaagd, zien staan, boutstil in 't veld, met de armen wijd open, de handen rondzoekend lijk een blindeman, en de sneeuwbrokken dekten hem toe en hij verging daar in een witten hoop. z'Had hem willen helpen, was buiten gegaan met de lanteern en op eenige stappen van daar bleef ze ook zot ronddolen zonder hem of zichzelf te kunnen verlossen, en ze waren daar gestraft om alle twee te vergaan in den nacht.

--w'Hebben misdaan dien man te bedriegen met onze koe, meende ze ineens. Dan zag ze 't heerdvuur uitgebrand en den ketel hangen; ze ontstak al bevend het lampje en lichtte benieuwd om te zien hoe laat het was. Neen, 't en was, God zij gedankt, nog geen nacht en ze was zot zichzelf alzoo met vrees nutteloos op te winden. Ghielen zal seffens t'huiskomen en wat doet die droom daaraan? ze legde nieuw hout op en bleef dan staan rekenen al de stappen die Ghielen moest doen om t'huis te geraken, 't Was toch helledonker buiten! ze zette 't lampke op de vensterbank omdat hij zóó beter 't huis zou vinden. Hij was misschien met Vinie naar de Klok of naar 't Wit Peerd, of hij was misschien iemand gaan zoeken om van dien koop te spreken....

Ze haalde alsaan nieuwe redens uit om zijn wegblijven uit te leggen en alzoo de onrust te verdrijven.

Dat lampke schemerde zoo vreemd tegen die sneeuwruiten en 't was overal zoo stil dat ze altijd meende dat 't nacht was. Ze pijnde zich om niet vervaard te worden en ze zegde nu de redens luidop om zichzelf te paaien.

--Wanneer gaat hij komen? Ze luisterde naar al wat ze peinsde gerucht te maken, maar 't was altijd niets.

--Waar is hij nu? Die vragen kwamen lijk spoken rond haar staan en ze kon er geen enkele wegdrijven of daar kwam een andere in de plaats.