Chapter 11
Als de koude dagklaarte al lang in Odo's kamer zat, bleef hij daar liggen met opene oogen; hij wilde niet opstaan en was slecht gezind omdat het weeral een dag was zooals al d'andere. Hij voorzag hoe hij den tijd zou verslijten en wist het overal koud tenzij in bed en in de keuken, en zijn moeder en zuster wilde hij nu onder de oogen niet hebben. Dat dingen van gister had hij meenen te vergeten met slapen en 't stond daar nu groot gegroeid, sterker dan ooit in zijne nieuwigheid, met hevige verlangens en zotte voornemens. Al 't andere daarbuiten werd groote nietigheid, en daar zat een harden angst in zijn gemoed en eene felle afgunst ook: het was hem te wers dat iemand "Zijne" meissens zou bezien of afnemen eer hij ze voor vast zijn eigendom gemaakt had--want hij wilde, hij moest ze hebben--alle twee. Maar ter zelfder tijde wist hij dat 't groote zottigheid was, eene verwaande koppigheid, eene onmogelijkheid en dat er zijn gerust gemoed zou door verstoord worden, maar hij gaf zichzelf de buitensporigheid toe en 't moest, muurvast! Hij zag daar Paula en Anna, met de fijnste trekjes van hun wezen, beter dan dichtebij met oogen, en den zwaai en 't keeren van armen en hoofd en leden, duidelijker dan de doening en voeren van zijn eigene zuster die heel zijn leven dagelijks onder zijne oogen liep. En 't pijnde hem dat de bruine met haar fieren lippenplooi en prachtigen hals, en de blonde met haar bollekaken en blauwe oogen zoo blijde, dat ze nu voort hunne wegen gingen en loechen, in zijne afwezigheid en dat hij, Odo van den Hoogen Doorn uit de verte, misschien niet heel hun gedacht en vulde. De onzekerheid welken indruk hij op de eene en op de andere gemaakt had, was zijne groote bezorgdheid. Hij werd gedreven om zich te laten zien, om er tegen te gaan praten, om over 't hof te rijden op zijn zwarten hengst, die vervaarlijk steigeren zou. Moed en kracht had hij er willen bij te pas brengen om hen beiden te veroveren, te schaken of vast te leggen als eigen bezit voor later. En André liep daar tusschen als een ongelegene gast dien hij uit den weg weren moest. En hij voelde priemende steken van drift telkens die tooverende meisjesoogen naar hem lonkten. De bruine deed het met rappe weerlichten die ketsten als vuurgensters, uitdagend en spottend,--als priemen waren 't die overal doordrongen. De oogen der blonde streelden meer en keken weemoedig, om dan ineens zot uit te proesten om haar eigen smachtend gelonk. Hij wist dat ze hem aan 't betooveren waren, maar moest hen laten begaan omdat 't hem zoo razend belustte. Niemand zou er toch iets van merken wat er in hem gebeurde, en met een knip van zijn vinger was het allemaal dood als hij 't wilde,... en 't had nooit bestaan! Want de sterk duidelijke boerderije stond hier zoo ernstig, met den geest daarop van de stevige, koppige Verschaeven die geen zotternije en duldden, en nu was hij bang dat moeder iets van zijne gedachten zou raden en vermoeden wat er in hem gebeurde. Hij sprong recht en met spijtigen nijd trachtte hij weer de sobere kerel te zijn die 't gewoon dagelijksch werk moest gaan bewaken, 't Overige zou wel van zelfs uitslijten.
Hij draaide wat rond op zijne kloefen in de keuken en wandelde dan buiten, naar 't land waar 't werkvolk den mest openvoerde. Als hij 't daar ook moe werd, haalde hij zijn roer en ging kraaien schieten.
's Avonds bleef hij tegen zijne gewoonte, thuis en zat sprakeloos bij den heerd.
's Anderen daags kwam André te peerde hem al lachend vragen: of hij meêreed naar 't Meulenhout?
--'k Moet in de buurt een kalf gaan koopen bij eenen boer, 't is eene gelegenheid om eens te gaan zien en wat plezier te maken bij onze twee prachtmeiden!
Odo weigerde kort.
--Zoo zal ik maar uwen groet brengen aan de blonde!
--Kan mij niet schelen.
André's gezicht was hem nu onverdragelijk, hij had hem willen beletten naar ginder te rijden en hij was in den grond jaloersch van zijn makkers gezonde gerustheid. Hij zag hem wegrijden en van dan af werd hij ongemakkelijk, zocht rond, keek langs de straat in de richting van 't dorp, ging wat zitten op de haverkiste in den peerdenstal en trachtte bij zichzelf de woorden te raden die André ginder zeggen zou. Dan gaf hij toe aan den drang: hij zocht eene reden uit, verkleedde zich haastig en deed den zadel opleggen. Hij hoopte de gejaagde onrust te verdrijven met veel beweging en buitenlucht en wilde zijne eigene drift loslaten omdat 't hier al zoo voos en 't zelfde winterdoof, zwijgzaam leven was, met menschen die suffig hun werk deden, zoo gerust als ossen. Hij reed al wat hij drijven kon langs eenen omweg achter 't dorp, om verder op de straat te komen waar André voorbij was.
Na de eerste spanning kwam de kalmte van 't deemsterend ommeland op hem werken en hij vond zijne doening flauw, jongensachtig; hij zag zich als een hond die op den reuk uitzet en belachen en verjaagd wordt. Hij werd beschaamd en op den stond wendde hij zijn peerd in eene zijstraat links en reed langs een ander dorp weer naar huis. De doffe zon hing tegen den einder toen en ging varings wegzinken; de dag eindde voor hem in lange triestigheid omdat de verlangde zaak niet gebeurd was en morgen weer niet zou gebeuren. Hij was kwaad op al dat hij zag en meest op zijn eigene, ongedurige gejaagdheid. De peerden trokken stil de mestkarren naar huis en 't land lag dood en toegedekt met den vallenden nacht.
Aan eene herberg herkende Odo het peerd van Vinie den kalverkoopman en hij ging zoo seffens in beraad. Zijn voornemen was: naar 't Meulenhof te gaan, niet als een verliefde schijtjongen, maar met een vaste reden, als een onverschillige koopman die voor zaken een bezoek doet. Om dat besluit te doorvoeren wilde hij Vinie spreken. Hij sprong af en bond zijn peerd.
Aan eene tafel zat de kooiman met een grooten druppel genever en hij koutte luide met den baas over zijnen handel. Zoo gauw groette hij met eere den rijken boerenzoon en Odo zette zich bij om met hen te drinken. Odo wachtte tot de koopman opstond en dan:
--We rijden samen?
--Met genoegen, jonge heer.
Vinie sprong op zijn manken schimmel en hij dreef hem nevens de kostelijke merrie.
--Niet te druistig boer of 'k moet achterblijven.
Odo had anders geen lust hard te rijden.
--Kent gij 't Meulenhof? begon hij.
--Al de Meulenhoven van 't land! bofte Vinie. Boer Verkamer en zijn schoone dochters?
Odo wist niet hoe zijn ontwerp uiteenzetten, en hij voorzag al dat de geslepene fijnaard raadde waar hij zijn wilde.
--Is 't een schoon hof?
--Een schoon hof, een heerenhof! meende Vinie.
--Hij zit er warm in, Verkamer?
--Vast en warm, heere--en de koopman trok zijn voorhoofd in rimpels en duwde de onderlip over de bovenste.
--En de dochters kent ge goed?
--O, plezierig volk, leutig maar prompt, kostelijke kermispeerden! flink van pooten en hals geen beste prijsmerrie in 't land die zooveel bezoekers krijgt als die meissens; maar ze zijn wat verleerd: z'hebben knepen in 't lijf en wonen op hunne bovenkamer,--ze zouden een jonkman doen dansen om hem dan uit te fluiten, meende Vinie.
--De meisjes kunnen dat al, merkte Odo, maar, Vinie, herbegon hij, ineens gul uitsprekend, kunt ge me daar eens op 't hof brengen? ge zoudt kunnen meêgaan als makelaar om 't een of 't ander te koopen?
--O, best! Verkamer heeft lijnzaad en tarwe zijne zolders vol, en veulens ook wel,--ge geraakt daar anders best bij als peerdenliefhebber, --hij heeft een prachtigen stal.
En Vinie vertelde voort van de doening en den peerdenkweek op 't Meulenhof; hoe hij met veel boerenzoons daar was naartoe gegaan, maar ze waren allen te dom,--geen aanleg,--te bot of te zot! zoo werd de rijkste kerel van de streek geweigerd en nu vrijt de oudste met den jongen burgemeester van een dorp ievers uit 't ronde.
--Maar dat gij wildet, vleide de koopman, ik verwed een peerd dat ik u op drie maanden een dochter zal leveren!
--Maar 'k moet ze alle twee krijgen--om te kiezen, voegde de jonge Verschaeve er lachend bij. Nu, ge brengt me met d'een of d'ander reden daar op 't hof.
--'t Is aanveerd, we gaan den eersten keer naar den peerdenstal, 't ander doet ge zelf als ge verstand hebt. Prachtig ras van meisjes zijn t, rond geblokt en welgemaakt alleszins, en verstand, wat mijde in 't begin, maar dat is er gauw af! en voor de zwaarte: nievers van beter! en de koopman wreef inzichtig den duim over de vingers.
--Zondag na den noen? vroeg Odo.
--Best.
--Zoo tot Zondag!
De boer draaide zijn peerd de dreef in en Vinie reed langs 't dorp naar huis.
--André hier niet geweest? vroeg Odo aan zijne zuster. Dat belangde hem nu en in al zijn weerzin wilde hij den makker toch zien omdat hij, bezeten door nieuwsgierigheid, alles weten wilde wat er ginder gebeurd was. Na 't avondeten ging hij recht naar 't Berkenhof.
En André vertelde zonder achterdocht, hoe hij boer Verkamer langs den weg, op 't land ontmoette, dat hij werd meegevraagd in huis.
--En daar hebben we samen leutig zitten praten en oogjes geknipt, en de bruine was vriendelijk en de blonde nog vriendelijker, loech André, en z' hebben gevraagd wat we meenden van onzen rit van Zondag en wanneer we 't zouden hergaan.
Odo gloeide van binnen maar hield zich uitwendig als verdroot hem die zaak op 't einde, en als moeder Vermeulen binnenkwam met Ida, begonnen zij over andere dingen te praten, heel den avond lijk gewoonte. Odo bleef vriendelijk met het meisje en hij vond bij zichzelf een stonde de oude gezelligheid weer.
Als hij vertrok deed André een stap uitgeleid en bij 't scheiden vroeg de kerel lachend aan zijnen makker:
--Gaan we Zondag weer op bezoek?
Odo gaf hem geen bescheid en André keerde naar huis met 't gedacht dat Odo gelijk had en dat 't tijd werd aan heel die zotte geschiedenis niet meer te denken.
Odo integendeel wilde het niet vergeten, hij hield het alleen, diepe voor zich; André moest daar verre van en uit blijven: daarom vertelde hij niets van zijne afspraak met Vinie en zijn voornemen.
De wrok duurde en groeide van langs om heviger en hij bleef onder den druk van dien plotsen minneslag, onkennelijk voor zichzelf. Hij wilde het doordrijven en als hij de zake wel naging en er dieper in doordrong, wist hij niet waar 't zou uitkomen. Aan zijne moeder en zuster sprak hij er ook niet over. Hij werd weer vriendelijk uitwendig, om niemand te verontrusten, maar van binnen grolde zijn trots: hij vroeg of er wel iemand,--pastor of burgemeester--iets te raden of te zeggen had aan 't geen de boer van den Hoogen Doorn wilde!? Om 't stoute en 't raadselachtige van de onderneming zelf, beviel hem die nieuwe liefde en hij grijnslachte er bij van genoegen omdat hij--de sterkste en rijkste kerel van de streek, nu eene buitensporigheid ging doen en met één ruk vernietigen al 't geen moeder en al de anderen zoo zachtjes meenden op een lijntje te houden. Ida haatte hij om haar gedoezige zoetheid en heel die afgesprokene handeling van jaren ver, scheen hem een lam, kwenig kousekraam dat hij nu met zijn mannelijke voeten wilde in gruis stampen! Dat bespookte zijnen kop heel de week lang, maar daarboven lag de kalmte waarmede hij wachtte naar den Zondag daar hij handelen ging.
Hij trok naar de vroegmis morgens om André niet te ontmoeten en bleef thuis tot 's noens.
Hij beval aan Jan den zwarten hengst te wrijven en met veel zorg de hoeven te blinken. Hij bleef er zelf bij om te zien hoe alles gebeurde en in orde was; dan ging hij zich met veel zorg aankleeden. Als Vinie na den noen op 't hof kwam, vond hij Odo in zijn wintersche rijkleeren met blinkende leerzen, ongeduldig staan spelen met zijne zweep.
--Ge komt op tijd, kerel! 'k ben gereed! riep hij al van ver. En hij ging in stal zijn peerd uithalen.
De eendlijke, zwarte hengst stak den kop in de lucht en sprong met zwaar gestamp, te vierklauwe in de dagklaarte en zoo gauw richtte hij zich op de achterpooten, schudderde de lippen, brieschend om los, maar Odo duwde den schouder tegen de felle borst van het hingstdier en hield met forsche hand den toom gesloten. Hij dwong het felle beest met eenen ruk van den arm, stil te blijven; hij bekeek het staal, met kwaden blik zoodat de wilde oogappels van het peerd schichtig wegkeerden, 't legde de ooren en 't achterlijf hukte om weer in vervaarlijken slag de pooten uit te smijten boven den kop. Odo wilde zijne kracht laten zien en weigerde hulpe van Jan en Vinie die dat bewonderend en bevreesd stonden aan te zien.
--'t Is de eerste, keer van den winter dat hij uit stal komt, Vinie, we zullen plezier hebben vandage! De achterhoeven sloegen herhaaldelijk, kort lijk bliksem, hooge zoevend en vielen met doffen slag op den grond. En Odo hield met oogen en handen het hingstdier in bedwang en hij trappelde medegerukt door den zwaai van dat machtig lijf, maar binstdien zocht hij naar een gunstigen stand; alsaan moest hij rond met den eerselenden pootendans tot hij meteens: in één zwaai, met de hand aan de manen, den teugel losliet hem terug ving in den sprong, en zonder hulpe van stijgbeugels zat hij, eer 't iemand geraden had, bovenop, vast in den zadel, zijne voeten hadden reeds stand gevonden als 't zwarte gedrocht door 't verschot aangezet, weer 't lijf oprichtte, achterwaards deinzend op twee pooten en zwaaide de twee voorklauwen in de lucht. Vinie sprong toe maar Odo even kalm, liet zich voorover wegen en dwong het peerd beneden. Het wendde den kop, speelde met de ooren en zocht met de pooten een uitweg om van onder den dwang te geraken.
--'k Ben gereed, Vinie! loech de ruiter, preusch over zijne handigheid, we kunnen rijden. Hij dwong met de knieën en neep het gebit zoo fel dat het driftig ros stapvoets naar de poorte danste, nevens het tam peerdeken van den koopman.
Ze praatten onder den weg van nieuws en van zaken. Vinie de makelaar, met zijne losse tong, wist de toedracht te vertellen van al de hoven waar hij voor zaken ten huize was. Odo beaamde dat met schaarsche woorden. Zijne gedachten verlangden naar ginder op 't Meulenhof en zijn makker en telde maar als een voorwensel voor 't bezoek.
--Als we er maar geen ander liefhebbers aantreffen is 't goed, merkte Vinie.
--Dan kunnen we best zien hen een beentje te lichten.
De kerel was zoo overmoedig als zijn peerd en hij reed met stijven hals en monkelde van uit zijne hoogte naar de menschen die beneden over den grond gingen. De kerels en boerenknapen bezagen den vreemden ruiter die zoo fier zijn jonge knevels wribbelde en ze keken hem na om te weten waar hij wel mocht naartoe rijden.
Hij kwam op 't Meulenhof als een ridder uit oude tijden en met eene kitteling van de sporen, deed hij zijn peerd geweldig steigeren. Verkamer en de dochters kwamen ijlings buiten kijken en ze loechen vriendelijk en voldaan naar de welgekomene bezoekers. Odo liet zijn blinkend peerd bewonderen binst bij er nog op zat en keerde en wendde het waar hij zijn wilde. Hij loech als Vinie met zijne boodschap voor den dag kwam:
--Boer 'k brenge u hier een kerel die wenscht uwen stal te zien en een veulen wil koopen als ge hebbelijk zijt.
Maar de boer en had geen oogen genoeg voor den zwarten hengst die glimmend bleusde van 't loopen en zoo zwierig forsch met de pooten kapte en hoog den kop droeg en den steert. Hij kwam nader er rond, altijd met de handen in de broekzakken en keek zonder moe te worden. Hij opende zelf den stal en hielp het prachtig peerd ontzadelen. Dan noodde hij de bezoekers naar binnen.
--Twee boerenkerels zijn juiste vertrokken, merkte hij, 'k wilde hadden zij uw peerd gezien.
Vinie zwaaide zijn mispelaren stok en begon zoo seffens zijn gewonen klap over zaken, lijk hij overal gewend was te doen. Hij wond er veel zotte spreuken tusschen en wist wat vleiends voor de dochters.
Anna en Paula waren even vriendelijk en leutig en Odo moest bekennen, nu hij de twee nevenseen staan zag, dat hij om de dood, d'eene voor d'andere niet kon verkiezen; hij bleef dol afgunstig van beiden.
Vinie hield den boer in druk gesprek en daarbinst waren de meisjes bij den schoonen ruiter en onderhielden zich met halfluide woorden en lachjes en oogenspel. Hij zag met genoegen dat ze hem om 't even bewonderden; maar terwijl was hij zelf onder den toover van de lonkende oogen, de schoone handen, de bleuzende kaken en kriekroode monden. Hij dacht het niet noodig groote woorden te zoeken of verklaringen te doen, ze verstonden hem alle twee zoo wel en hij liet zich maar wiegen in wellust. Hij wist niet aan wie 't beste woord geven of hoe hij 't doen zou en ze praatten opgewekt en vroegen naar thuis en naar moeder en zuster, met dubbelzinnige lachedingen daartusschen.
--Nu gaan we binst dat 't nog klaar is en dag, naar den stal gaan zien, meende Verkamer. Vinie was al gereed en Odo volgde. Als ze reeds op weg en buiten waren, zag hij Anna alleen die met lichten voet over 't messingstroo huppelde. Paula zou in huis blijven en voor eten zorgen, zegde zij en daarom kwam ze nader bij Odo, toonde hem alles waarin hij belang stelde, maar onderwijl praatten zij maar door en ze loechen daarbij en keken elkaar telkens lang in de oogen.
In den grooten stal stonden de veertien peerden in twee reken te stampen en te trekken 't hooi uit de rosteelen. De boer overging één voor één en deed Vinie tasten en bewonderen; hij kroop onder hunnen balg en hief hen de pooten op, al vertellend al hunne gaven en kostbaarheden.
Anna leidde Odo al den overkant en ze bleven huns getweeën en spraken voor hun eigen van heel andere dingen. Ze waren nog altijd aan 't eerste sliet bij eene gedaagde, baaide merrie in den halfdonkeren stalhoek en z'en voelden d'een noch d'ander, haast om voort te wandelen. Anna dreelde de gummende heupe van de merrie en Odo's oogen volgden de klare vlek van de witte hand aan den ronden poezeligen arm die over en weer ging. Dan begon hij te dreelen op dezelfde plaats en hij greep met zijne andere hand heuren arm die naast hem neerhing en hield de woorden in waaraan hij bezig was om het meisje in de oogen te kijken. Ze monkelde en greep ook met hare vingers en duwde hem ferm den arm. Dan liet hij haar los. Hun dingen was gezeid zonder dat ze een woord gesproken hadden. Hare oogen keken hem vragend aan en in haren blijden blik las hij hare instemming: eene belofte met niets meer te breken. Dat voldeed hem en gerustgesteld als na 't afhandelen eener zake, gingen zij gezamenlijk bij den boer en bij Vinie en spraken nu in 't gemeene van peerden, Odo schafte verder niet meer bijzonder op het meisje.
Vandaar gingen zij naar den veulenstal. Odo liet hen binnengaan en gebaarde nog iets te bezien buiten en zonder ommekijken draaide hij achter den muur en ging recht naar de keuken. Hij vond er Paula alleen, de bleuzende met heur bruin golvend haar. Hij trad op haar toe en met een plotse stoutmoedigheid, zonder aarzelen:
--Ge zijt mij de schoonste boerendochter van de wereld! en 'k kom u vragen of ge wilt komen boerinne zijn op den Hoogen Doorn?
Ze waren er zoo alleen, zoo stil in het keukenhuis en zoo vrij; eer hij 't goed wist was hij zoo dichte genaderd en zijn arm duwde 't meisje om de leden en hij trok haar hoofd tegen zijnen schouder.
--'t Is de eerste keer van mijn leven dat ik een meisje in de armen krijge, vezelde hij,--dat was zoo gemeend en zoo openhertig en waar gezegd, dat de dochter, die zich eerst wilde losworstelen, nu gerust bleef en hem verwonderd aanstaarde, zonder verweer of poging te doen om los te geraken.
--En g'en gaat bij alle duivels uit mijne handen niet eer ge mij belooft....
Zijne armen praamden en zijne oogen dwongen om antwoord. Hij zag alleen heur hoogblozend gelaat en heur oogen die nere doken om niet te moeten ja zeggen. Dan draaide zij het hoofd weg en achter het venster zagen zij Anna die naar de deure toekwam. Met een blik van overeenkomst lieten zij malkander los en stonden kalm en lachend te midden den vloer.
--z'En krijgen niet gedaan met de peerden! merkte Anna.
--Laat hen maar doen, we zijn hier goed met ons drieën, merkte de kerel. Nu begonnen ze ongedwongen te kouten over de vele bezoekers op 't Meulenhof en Odo zocht hen beiden evenzeer te plagen en te doen lachen. Hij was zelve voldaan over zijne geestigheden en omdat alles best naar zijnen zin uitviel. Door de vallende deemstering zag hij niets dan de twee lachende wezens aanhoudend naar hem toe gekeerd en als Vinie met Verkamer binnenkwam, wist Odo zichzelf niet te zeggen: welke van de twee dochters hij eigenlijk gevrijd had.
Binst het avondeten duurde de gulle leute voort en ze bleven in druk gesprek ondereen. Vinie zag wel dat 't onnoodig was nog van peerdenkoop of van veulens te gewagen en hij vroeg met een oogknipje: of de zaken klaar waren? dat 't tijd was naar huis te rijden.
--Ja, kerel, we gaan uitzetten, anders wordt het laat.
In den stal kreeg hij den boer alleen en trok hem bij de mouw en vroeg onbeschroomd:
--Zeg, Verkamer, g'en zult uwe dochters niet uitleveren zonder mij 't eerste woord te geven?
--Voor u, lijk voor een ander, loech de boer, de meissens loopen daar vrij, kunt gij ze krijgen ge neemt ze meê!
--Goed, 'k kome u kortelings nieuws brengen.
Odo haalde zijnen hengst buiten en met lichten zwaai zat hij scherrelings ten dorse.
--Moet ik ze allebei beschikbaar houden? vroeg Verkamer nog, opzettelijk luide om door die dubbelzinnigheid den veekoopman te misleiden.
--Allebei! gebood hij met een krachtigen hoofdknik en de kerel sloeg de sporen in 't peerd zijne lanken en deed het in vervaarlijken drift opwaards schieten; wippend neer sloegen de achterhoeven en weer omhoog klauwend in wreede smete. Odo wiegde meê in heusche zwenking als op een gemakkelijke wippe en hij loech naar den boer.
--Kom, Vinie, we zijn weg, en houdend dat de teugels kraakten om zijn peerd te bedwingen, wierp hij een handgroet naar de dochters die nevenseen onder malkaars armen, 't spel van den schoonen ruiter stonden na te zien. Hij merkte hoe ze hem beiden met 't zelfde inzicht om ter vriendelijkst den groet weerjeunden. Vinie praatte zijne bewondering uit over Verkamers peerden, maar Odo liet hem gaan, zijne gedachten bleven in de boerenkeuken, en hij loech inwendig, nu 't een gedane zake was: daar André en al de boeren -en burgemeesterszonen van heel de wereld, buiten spel gezet waren en hij zelf, op een halven dag tijd, meester en baas bleef en de twee prachtdeernen gewonnen had. Hij was tevreden over zijn optreden en vond dat hij kort maar goed spel had gespeeld. Zijne eigene woorden was hij aan 't overleggen en al de genoeglijkheid van den avond en zijne oogen waren in de verte gericht daar de mane als een versleten ding aan 't varen was in 't reine wintergeluchte. De weg was onbedacht ingekort zoodat ze al door 't bosselken reden waar de wind tusschen de ronkruttelende boomkes joeg en kwam bijten tegen 't wezen van de ruiters. En zij wiebelden voort op den rug van hun slapdravende peerden. Dan, meteen stronkelde Vinie's schimmel en viel met korten slag, den kop stuikend op den grond en Vinie wat verder. En ter zelfder tijd voelde Odo in 't verschot twee sterke handen die zijn been grepen zoodat hij bijna uit den zadel keerde. Onderwijl zag hij eenen kerel Vinie bespringen--maar daarbinst was hij 't verschot te boven en hij gaf zijn eigenen aanvaller een striemenden slag met de rijzweep in 't gezicht en zonder overleg, sloegen zijne hielen de sporen in 't peerd dat wipte in grooten sprong vooruit en los uit de handen der aanvallers. Daar hoorde hij Vinie kermen onder 't geweld van de slagen die hij kreeg. De razernije welde toen in Odo op en hij kwam nu eerst tot bezinning van 't geen er gebeurende was.
--'t Zijn jaloerschaards! jongens van 't dorp, die ons willen kwaad uitgeleid doen!