Chapter 10
--Dat zijn een prachtig koppel ruiters, zegden de kennissen, jong zijn ze en niets en kan hen deren, ze hebben 't geluk in pachte! Dat wisten zij zelf ook, de twee boerenzonen en dat kropte hoogmoedig in hunnen zin, maar hunne wezens bleven goedaardig kijken en vriendelijk. Ze waren als prinsen in hun eigen land, met al de dorpsgenooten als onderdanen, zoo sterk, zoo schoon als niemand. Nu gingen ze hunne kracht en hunne prachtige peerden toonen naar 't vreemde; daar zouden ze met trotschen, onverschilligen blik laten zien en bewonderen wie ze waren en van waar ze kwamen.
--Waar rijden we nu eigenlijk? vroeg André.
--Voorwaards! loech Odo; hebt ge zin ergens te zijn?
--Neen.
't En was nievers noch feest noch kermis; z' en hadden geen kennissen te bezoeken of vrienden; 't meisje dat ze vrijden woonde in 't huis van waar ze kwamen en al de andere deernen bleven hen doodonverschillig, 't bezien niet weerd.
Aan den keerdraai waar de kassei weer in harde, oud verknuiste eerdestraat uitliep, draaide Odo zijn peerd om en André volgde zijnen makker.
--Naar 't Meulenhout, raadden zij beiden.
Ze kwamen weer in 't vlakke veld, eentonig dezelfde landstreek, met de platte eerdelaag en eenzame, verkrompene huisjes en magere boomen in reken of alleen, berijmeld en grijs, tegen den einder het donkerblauw van een bosch.
Met 't noenuur was 't geluchte wat opgeklaard en in 't eindelooze zwerk, ééndikte vol wolken, teekende de zon een flauwe klaarteronde achter dien voorhang van somber grijs. Over 't veld lag de sneeuwmijzel nu in glinsterkristaaltjes te blinken, eene dunne laag perelgrijze wittigheid. Maar dezelfde spijtige wind dreef gestadig zijn kouden tocht van 't Noorden naar 't Zuiden en beet de ruiters in rug en hals. De beweging in de vrije lucht hield hun echter 't bloed warm, en hun wel ingekleed lijf voelde er te meer de prikkelende deugd van. Ze ademden met genot even als hunne snuivende peerden, de dikke, gezonde lucht.
De twee ruiters kwamen aan 't vreemd dorp en daar tusschen de huizen, lieten zij hunne peerden op stap gaan om gemakkelijk de menschen te bezien die ze ontmoetten.
--Kent ge hier iemand? vroeg Odo.
--Niets bezonders, we zullen moeten vragen waar 't plezier woont, anders maken we 't zelf.
De dorpsplaats lag in zondagsche ruste, zonder leven in de herbergen. 't Was al dat er een vent of wijf te ziene was op straat en een deel jongens die poenderden in eenen hoek en dansten over de straatgoot om hunne voeten warm te houden.
--"In 't Meulenhof" las André op 't uithangbord van eene oude afspanning.
--Willen we maar eens zien en een glas bier drinken?
't Was zoo gauw besloten en ze dreven hunne peerden bij de deur. De baas kwam haastig buiten, groette vriendelijk en wenschte de heeren welkom.
--Beste weer om uit te rijden!
--Breng ons twee pinten bier.
Vlugbeende was de baas weer binnen en zoo seffens bracht hij hun twee glazen.
--Dat verwarmt het bloed. Ge zijt een wandelingske komen doen naar 't dorp ... wellicht de beesten komen bezien in 't Meulenhof ... of de meisjes?... en hij bezag de kerels met een fijn vragend oogknipje.
Odo en André namen 't glas van de lippen en wat benieuwd:
--Is er iets bezonders te zien op de streek? loech André. Waar er mooie dochters zijn, zouden we wel een paar kalvers koopen vandaag!
--Maar als wij den Zondag op zoek gaan, moet het puike ware zijn, zwetste Odo. Als ge ons iets bijzonders kunt aanwijzen, ziet ge ons terug en we zullen u weten te zeggen of 't naar den smaak is.
--Den weg zult ge wel vinden zonder mij, merkte de baas, al de boerenjongens van de streek raden zulke dingen op den reuk.
--'t Is gemeend, we zijn onbekend en niemand bij ons en spreekt van 't Meulenhof, niet meer als van gelijk welk ander. Zonder dat zouden we zoo lang niet gewacht hebben dien boer een bezoek te brengen.
--Als 't alzoo is, loech de baas, ge zult er mij weten van te vertellen: op heel de streek en vindt ge de weergade niet!
--Ernstig gesproken, meende Odo, dat belangt ons, waar wonen ze nu eigenlijk die fleurige rozen?
--De eerste straatjongen de beste zou ze u wijzen; den Zondag in de kerk zijn al de aanzichten op boer Meulenhofs twee dochters gekeerd; en naar 't geen er van bezoekers, ver en bij, daar op 't hof komt, moet het wel de moeite weerd zijn.
--Ge doet me verlangen, loech Odo.
--De twee schoonste bloemen van de streke, meende de baas, de balie is stuk gereden van de ruiters die daar 's Zondagsch bezoek doen.
--We gaan er naartoe voor de leute, zegde André gedoken tot zijnen makker.
--'t Is hier dicht bij, ginder 't groot hof met die blauwe daken, dat ge ziet tusschen de boomen, de dreef leidt er heen, 't is nauwe tien minuten rijdens. Maar, let op dat ge den hals niet en breekt en t' avond gave bij moeder thuis geraakt, want de dorpsjongens hier zijn eenhandig en zij beweren dat de snelle poesjes van de streke niet weg en mogen en hier op 't eigen dorp moeten blijven als ze verkocht geraken.
Dat prikkelde de kerels.
--Waarlijk, baas, zoo ge ons grappen wijsmaakt komen we uwen kelder afdrinken en we steken onze peerden in uwe beste kamer. Zeg, hoe heeten de meisjes?
--Meisjes, meisjes?! freulen zijn 't, sterke deernen: Paula, de bruine en Anna de blonde.
--'t Is half gewonnen spel nu we de namen kennen! loech André. Vooruit!
Ze gaven hunne peerden de spoor en reden weg.
--Ik neme de bruine, zei André.
--En ik de blonde; is 't aanveerd?
--Zeker, en zonder zien.
--We gaan er alleszins naartoe, meende Odo.
--Werkelijk? Maar wat zullen we daar uitkramen als we binnenkomen? Weet ge eene reden?
--Naar den duivel, eene reden! moeten boerenzonen lijk wij redens hebben om eene dochter te bezoeken! Al de hofsteden der wereld staan voor ons open. We gaan eenvoudig de meisjes bezien en wil de boer ze ons niet toonen, wel dan bezien we zijne peerden en kalvers en hij toogt ons seffens de dochters op den hoop toe!
De dreef liep tusschen twee reken populieren naar de opene poort.
Odo en André ze loechen om hunne eigene, zotte stoutigheid en meer nog om de verwachting van 't geen gebeuren zou.
--De boer moest eens met zijn roer uitkomen of ons de werfhonden achternazenden! meende Odo.
--Laat mij maar doen en ik verwed dat we er vandage nog onthaald worden op hespe en bier! beweerde André.
--Gewed voor eene ronde pinten, Zondag na de hoogmis te drinken onder al de makkers, stelde Odo voor.
--Aanveerd!
Twee groote honden kwamen inderdaad uit hun kot geschormd en basten op de vreemdelingen.
--Kijk, kijk! riep Odo.
Terwijl ze over de werf reden, zagen ze achter de vensters van 't boerenhuis twee meisjeswezens kijken. Maar als de peerden vóór de deur stilhielden, stoven zij weg lijk schuwe musschen. 't Was de boer zelf die de deur opende. Een korte, dikke stamper, stevig op de beenen, de handen in de wijde broekzakken en een dikken baai over zijn ronden buik. Zijn rood, bleuzend wezen loech vriendelijk verrast, met een greintje spotlust en hij groette al van ver:
--Ha, ha! jonge kerels, ge komt 'ne keer de streke bezien en de menschen! welgekomen. Pier-Cies! riep hij luide naar buiten, steek die schoone peerden op stal.
--Danke, boer, danke, begon André, we hebben weinig tijd, we zullen maar even afspringen en u goêndag zeggen.
Ze merkten reeds dat de boer aan zulke bezoeken gewend was en de twee kerels gevoelden zich daardoor op den stond gemakkelijk en ongedwongen.
Een vlasharige, halfvolgroeide koeier kwam uit den stal naar de peerden toe.
--Pier-Cies, ge zult hier bij de peerden blijven. Terwijl kwam de boer, als kenner en liefhebber, nader bij de beesten zien.
--Een kostelijke reun, meende hij, en dat....
--Een tweejaarsche merrie, zei André op zijn peerd doelend.
--Kostelijke beesten! en de boer smekte er bij van bewondering.
--Komt gij van ver, als ik vragen mag? Ik ken veel menschen, maar 't jong volk groeit boven mijn hoofd.
--g'Hebt nog gehoord van den Hoogen Doorn? vroeg Odo.
--Zeker, zeker, loech de boer, 'k ben er dikwijls geweest! wie zou boer Verschaeve niet gekend hebben!? g'En zijt toch nooit zijn zoon?
--Wel en zeker.
--En 't Berkenhof, kent ge dat? vroeg André.
--Boer Vanmarcke? zeker, 'k heb hem veel peerden helpen koopen en vrouw Vermeulen ken ik best. Maar dat is nu langen tijd geleden.
De naam van eene hofsteê draagt al de faam en de weerdigheid en den rijkdom in den klank zelf van het woord en elken boer is daarmede goed bekend. Over heel de streek blijft dat onveranderlijk en vast en duidelijk omdat het van vader tot zoon, ver en wijd vermaard is, evenals de honderdjarige linden aan 't hofgat. 't Gewicht en weerde van belaai en rijkdom van land ligt voor elk ende een open onder den blooten hemel en 't valt te schatten voor al wie tellen kan en van de zaken op de hoogte is.
Met 't vermelden van die twee namen, klaarde 't aangezicht van den boer ineens op, zijne handen bleven alevenwel gerust in zijne broekzakken zitten, maar hij draaide den rug en ging binnen, zonder ommezien, in de overtuiging dat de bezoekers, zonder verdere uitnoodiging, hem wel volgen zouden.
--Zet u maar wat bij 't vuur, kerels, we gaan kouten, we zijn immers oude kennissen.
Hij zat al gemakkelijk in zijnen hoogen stoel bij den heerd en streek met de handen over zijn rond gevulden baai.
--Wel, jongens, Berkenhof en den Hoogen Doorn! dat zijn twee hoven zoo oud als 't land! En in zijn gedacht kwam heel die reeks stevige boeren en burgemeesters, die rijke als koningen, daar geheerscht hadden over hunne wijde werf en 't land er rond. Ze zaten er van over oude tijden muurvast en warm geland; 't waren eigenzinnige, koppige tjokken, hard als eekenhout, maar goedaardig met 't volk en wreed met de vijanden.
André knipte een oog naar Odo om te bedieden dat zijne wedding gewonnen was. De andere had geen tijd te antwoorden, al zijne oogen waren op de twee deernen,--dat sloeg hem eerst met verbazing--zulk vrouwvolk had hij nooit gezien, en zijn eerste gedacht was: dat zijn eigen zuster en Ida ook, daar begijntjes bij waren en meisjes van niemendal! 't Geen de twee bezoekers trof was: de wijde, ouderwetsche, glimnette keuken, waar alles in schoone orde geschikt stond, maar 't meest greide het hen in de oogen te kijken van die twee prachtige dochters, de bruine en de blonde, die hen zoo vrank in 't gelaat loechen. In 't begin stonden Odo en André er wat mijde voor en in 't eerste kennismaken hielden zij zich nog op hun weerhouden, maar op het bloeiend wezen en den openen glimlach der twee freulen was het genoeg te zien dat zij met geen beschroomdheid gediend waren, dat ze aan bezoek van vreemde liefhebbers hun genoegen hadden. Al stonden ze op de kloefen, kortgerokt en den balen voorschoot aan, ze bloosden maar niet van schaamte en ze hadden leute om hunne verwaarloosde, vreemde zondagdracht.
--De meiden zijn naar 't dorp en wij waren tewege naar den stal, zegde de oudste.
--Dat gebeurt bij ons ook, doe maar vrij, merkte Odo. En hoeveel koeien hebt ge te melken, Anna? en hij duwde op dien naam, met slimmen toon.
De deerne keek verrast op en heur mond plooide gereed om 't uit te schateren, maar eer ze iets kon zeggen:
--En gij, Paula? vroeg André.
Ze bezagen elkaar en dan kikkerden zij om de aardigheid dat twee jonkheden die zij nooit gezien hadden, hun naam kenden! z'En dachten er niet aan de vrage te beantwoorden en bleven staan lachen en de boer ook dreunde daarbij met volle geweld.
Toen stonden de bezoekers nog recht, en nu merkten de dochters eerst hunne nalatigheid. Anna en Paula snapten te gelijkertijd naar stoelen en:
--Zet u, gasten; vader, wat moet ik opbrengen?
--Eerst een kanne bier om te beginnen, als ge in den stal gedaan hebt kunt ge eten gereed doen--of 't en ware de heeren nu iets wilden aanveerden? vroeg de Boer.
--Neen, niets, we moeten weg, 't is vroeg avond en onze peerden....
--De peerden staan al warm op stal, en de boer grinnikte fijn om zijne vondst. En van avond is 't klare mane.... En ineens tot zijne dochters:
--Ge Weet het Berkenhof? en den Hoogen Doorn? dat zijn....
--O, riep Paula, Ida Van Marcke is uw zuster?
--Kent ge haar? vroeg André.
De meissens knikten bevestigend.
Nu waren zij seffens bekenden en vrienden van thuis; 't vuur werd aangestookt en een grooten pot bier kregen ze op de tafel waar rond de bezoekers met den boer vaste gestoeld zaten om lange en genoegelijk te kouten.
De dochters was 't alsof ze met vertrouwde kennissen te doen hadden, met wien zij van overlange bevriend waren; ze keken om als ze naar stal gingen en riepen:
--Tot straks! Dan vezelden zij nog wat ondereen achter de deur en liepen giechelend over 't hof.
Met den boer wendde de kout over gewone zaken van 't landbouwbedrijf. Eerst over eigen kweek van peerden en koeien die ze nu op stal hadden, dan over vroeger gekochte of verkochte hoornbeesten. De boer kende bij name al de runders en 't vee van de streek, hij wist histories en wondere gevallen van kachtelen of kalven, vijftig jaar verre geleden. Dat was een ophalen en beschrijven met groot geweld van handgebaar, rond zijn gerust, liggend, breed lijf en goedig monkelend hoofd, in eigen sterk vette spraak, met boffende overtuiging zijner kennis van beesten en de kostelijkheden van zijnen kweek. De deugd en 't genoegen had en voelde hij in zijne eigene woorden.
Elk deed er 't zijne bij, met nieuwe vondsten, verzonnen of gebeurd, maar alles met slaande beweringen voor waarheid uitgesproken. Het werd eene reeks zonder einde. Tot dat de luchtige zang van de deernen klonk met gerinkel van akers en teelen in de melkkamer, zaten de boeren vol bezig. Dan stonden zij op met dreigende meening van vertrekken, maar:
--Daar en ia geen gedacht van, nu al, zegde de boer, onze achternoen is gezellig voorbij, we gaan er nog een steertje aanbinden met hespe en brood en een versche kruike bier of moet ge nog entwie of entwat gaan bezoeken? vroeg hij fijn pieroogend,--ge hebt hier uw gerief, en hij schetterlachte bij die geestigheid.
--Neen, maar we hebben heusch beloofd bij tijd thuis te zijn, merkten de knapen.
--Een boerenzoon die bijtijds thuis is! spotte de boer.
In een draai was de tafel gedekt en voorzien met borden en brood en een groote hesp. De dochters liepen vlijtig en heel opgeschikt nu: het haar gekamd en in kraaknette, klare jakken en blauwe schorten die versch uit de voegen geschud waren.
De boer had er waarlijk deugd in zijn volk zoo pertig en bloeiend te zien en hij merkte wel hoe de kerels rechts en links met de oogen lonkten.
--Ja, ja, ze zijn de bloemen van 't dorp, loech hij weer, en zonder zweem van grootspraak, als van een gewoon dingen: en 'k krijge meer kijkers in mijne keuken dan in mijnen peerdenstal!
De meissens lieten dat ongestoord over hen gaan en monkelden.
--Een schoon meisje en een schoon peerd, anders en is er niet vele 't ziene weerd, vleide André.
De boer knikte instemmend al snijdend, d'eene schel zwijnvleesch achter de andere.
Onder 't eten begon hij nu eigene gevallen te vertellen uit zijn jongen tijd; toen hij verkeerde met Vrouw Verkamer, zijn wijf ter zaliger; hij noemde al de hoven waar dertig jaar geleden, 't schoonste vrouwvolk woonde, en hoe ze dan vrijden en 't eene dorp na 't andere afdretsten te peerde. Odo's vader en moeder, boer en boerinne Verschaeve waren meestal van de mededoende geweest en in die oude gebeurtenissen betrokken.
--Dat was een tijd! en uit zijn onuitputtelijken, dikken kop haaide hij maar nieuwe histories. De kerels proestten van 't lachen en de twee deernen wisselden leute met de oogen en lieten onophoudend de witte tanden blinken achter de vol roze lippen. 't Werd een plezierige avond en late zonder dat 't iemand gemerkt had. Eer ze hunnen hoed kregen, moesten ze beloven terug te keeren om de beesten te bezien en om nog eens te kouten. De peerden werden uitgehaald en na eenen korten maar gullen groet met oogengelonk, reden de twee jonge boeren 't hof af naar huis. Ze bezagen elkaar als ze in de dreve kwamen en schoten in luiden lach. Dat was nu een vrijtochtje op 't onverwachts uit leute en zoo wel meegevallen voor een eerste bezoek.
--Een warme boer, een van de levenden! meende André. Hij zou liever zijne dochters verkoopen dan zijne peerden; welk eene neemt ge voor u? ik houde mij aan de bruine.
Odo monkelde en antwoordde onduidelijk.
--Verdomd prachtig volk toch! meende André. Iets om van te vertellen aan de makkers een zondagavond; met een woord kunnen we heel 't dorp naar 't Meulenhof Benden!
Ze reden in schoonen draf door den manesching. Ze waren gerust, voldaan over hun tochtje en lieten zich wiegen op hunne peerden. Het land lag verlaten, half gehelderd en donker in het bosseke waar ze dóór moesten.
--Die sukkelaars van boerenjongens hier, kunnen nu gaan denken dat we 't meenen en ons hier afwachten om hunne jaloerschheid op ons uit te kloppen! loech André weer.
Odo monkelde nog, maar rechtte den stijven hals,
--'t Zou er moeten een groote bende zijn om ons te lijve te komen, meende hij.
Daarop reden ze sprakeloos voort. Elk was bij zijn eigene gedachten. En ze luisterden naar de geruchten, verre. De koude wind was gevallen en 't werd nu een aangename, heldere lucht, dikke en gezond om te ademen. De hemel zat vol sterren en de mane blonk lijk geschuurd koper.
--'t Gaat herbeginnen vriezen, de sneeuw is weggevaagd, dachten zij.
Ze reden door 't bosselke gerust en betrouwend op hunne sterke leden, onbeschroomd. Tusschen de ijdele boomstammen, was er niets, de takken waren donkerzwart met wit sneeuwstof omzet, dat glinsterde al den bovenkant.
Tegen dat ze in 't dorp aankwamen, waren de herbergen gesloten en alle licht en geruchte dood. De stap van het koppel peerden klonk als bij nachte.
--'t Blijft lijk we gezegd hebben, plaagde André weer: gij de blonde en ik de zwarte!
--Neem ze vrij alle twee, merkte Odo om gerust gelaten te worden. De welgezindheid van zijnen makker verdroot hem.
Maar André liet niet los.
--Hoe is de blonde niet wel zoo schoon? en lonkt ze niet even vriendelijk?
--Ja, vrijwel, ze lonkten alle twee bezonderlïjk naar u.
--En uwe wedding zijt ge verloren!
--'k Betale geern, 't plezier van den dag is 't verlies wel weerd, wist Odo.
Ze kwamen aan 't Berkenhof en Odo reed als naar gewoonte, met zijnen makker 't hof op, zonder dat André hem zelfs meegevraagd had. Ze brachten hunne peerden in stal.
Moeder Vanmarcke en Ida zaten bij tafel in de rijke kamer. Bij 't binnenkomen rechtte de oude 't hoofd en 't meisje glimlachte vriendelijk.
--'n Avond Odo.
--'n Avond Ida.
Ze wisselden zoo gemakkelijk dien groet omdat ze gewend waren malkaar te zien en te spreken, 't Meisje draaide de lamp wat op en elk zocht zijne plaats om te zitten.
--Braaf van zoo vroeg te huis te komen, begon moeder, en ze schoof haren bril op en legde zich achterover om te luisteren naar 't nieuws dat de ruiters op hunnen tocht vernomen hadden.
En zoo gauw begon André met zijne gulle babbelachtigheid:
--Moeder, o, we zijn te vrijen geweest, naar de twee schoonste meisjes van 't land! en hij vertelde lang en breed heel het bezoek op 't Meulenhof. Ida keek ongeloovig en vragend Odo in de oogen en de kerel, om haar te plagen, loech stil bevestigend en deed er dan ook nog 't zijne bij. Hij vertelde: nooit schooner zomerrozen van meisjes gezien te hebben en hoe bovenmate vriendelijk, beleefd en welgemanierd ze waren en dat het er op 't Meulenhof vooral deftig en rijke uitzag. Eindelijk kwam hij heel en al los:
--Wonderschoone boerinnen! riep hij, meissens lijk boomen zoo groot! met een lijf en eene leest! met armen en heupen! en blinkende oogen en tanden, en krullend haar: de eene blond en de andere bruin.
André op zijne beurt, somde nog andere gaven op, naar de wijze van peerdenliefhebbers die met kennis over een nieuw ontdekten kostbaren kweek, uitpakken.
Ida keek half pruilend met een goedig lachje al wist ze toch dat 't allemaal plagerije was.
--Zot volk! meende ze, g'hebt in eene herberg wat veel gedronken en ge zijt blind geworden aan uwe oogen.
Moeder loech stil.
--En ons akkoord is al gemaakt, spotte André. Odo heeft de blonde en ik de bruine. We regelden 't zóó onder den weg om in ruzie niet te geraken, maar de slimmerik, 'k gevoel het, hij zou de afspraak willen verbreken en mij de bruine ontfutselen.
--'k Zou ze alle twee willen! dat is 't, riep
Odo ineens opschietend uit zijne mijmering, en hij loech meê, omdat ze allemaal in luiden lach uitschoten en zijne buitensporige reden aardig vonden.
Daarmee bleef de zaak uitgepraat en Odo stond op om te vertrekken. Heden avond vond hij de warme gezelligheid niet als naar gewoonte en hij voelde zich nu op zijn ongemak waar hij anders zoo genoegelijk zitten kon zonder spreken, in 't genot alleen van de warme genegenheid waarmede hij hier altijd onthaald werd. In korte plegingen wenschte hij nu goênavond en ging zijn peerd halen naar den stal met André; Ida kwam meê met de lanteern.
De kerel sprong op en riep een laatsten groet in 't wegrijen en 't meisje hield heur licht hoog om hem langer te zien en heur eigen wezen in de klaarte te houden, en zijnen laatsten groet op te vangen.
Zoo gauw Odo buiten op strate en alleene was, neep hij de vuisten en knieën en beet op de tanden dat ze kraakten.
--Alle twee de mijne zijn 't! en gij of een ander en zult er geen poot aan steken, verdoemenis! de mijne alle twee! Hij wist zelf niet van waar die plotse ophitsing en hevigheid in hem kwam, maar die onverschillige spotlust van André was hem onuitstaanbaar en hij voelde daarom lust nu om te vechten, gelijk met wie. Hij sloeg de sporen in zijn peerds balg en rende zot voort door den laten avond in den maneschijn. Aan zijn hofgat kreeg hij nog een plotsen inval en lust om terug naar 't Meulenhout te rijden,--naar 't Meulenhout zou hij niet gaan, maar die weg alleen trok hem als een belangende nieuwigheid, al wat nu maar in die richting lag had een nieuwe weerde.
--Morgen! meende hij en daarmede wilde hij zijne begeerte nu intoomen. Hij reed 't hof op en hij gaf zijn jagende peerd aan Jan die heel vervaakt en met verslapene oogen het licht bracht. Odo ging schoffelig in huis, wierp de leerzen over den vloer en ging zonder iets te zeggen aan zijne zuster, rechte door, gaan slapen. Uitgestrekt in de duisternis dacht hij aan 't zottespel van den achtermiddag en eerst wilde hij heel die stoornis uit de zinnen schudden,--in zijne verbeelding overkeek hij die twee groote boerendeernen, de bruine en de blonde, hij zag hen staan in die wijde keuken en herdeed met hen al de gesprokene woorden, en 't greide hem 't wenden van hunne vlijtige blikken en 't bewegen van hun raaide lijf na te gaan. Hij hoorde hun galmend lachen, wezenlijk alsof hij er bij was. En de bruine en de blonde, Paula en Anna, hij bekeek ze overhand, vergeleek en koos wie de beste en de schoonste was, stelde zijne voorkeur nu eens op de blonde en dan weer op de bruine, maar bij 't gedacht dat de andere dan door André te pakken was, kwam even gauw de hitsige jaloerschheid op en hij raasde weer waar hij lag en 't brieschen joeg op in zijn gemoed en hij vloekte omdat hij ze vast alle twee wilde en geen eene laten gaan of nemen door 't is gelijk wie anders.
De opgewondenheid bedaarde weer en hij keerde de gedachten naar 't stil huiselijke van al die winteravonden op 't Berkenhof, bij Ida en André en hij kende moeders verwachtingen en die van het meisje ... dan verkoos hij voor dezen nacht aan niets meer te denken, hij keerde zich op de linker zijde om te slapen.