Dagboek Van Mijne Reis Door Het Binnenland Van Honduras Naar Gu

Chapter 2

Chapter 23,811 wordsPublic domain

Het doel van dien dag is Paraiso (het paradijs). Tot San Antonio gaat alles voorspoedig, de weg is vlak, en gemakkelijk te berijden. Doch voor ons verheft zich dreigend het hooge gebergte, waar wij straks overheen moeten! Tegen 3 uur begint de klimpartij, een nauw glibberig pad slingert zich tegen de Montana op, eerst vrij gemakkelijk, doch later steiler, steeds steiler! Mijne nieuwe mula krijgt het thans duchtig te kwaad met deze moeilijke Cuestas, langzaam slechts baant zij zich eenen weg door dezen modderpoel. Ik heb af en toe moeite in den zadel te blijven zitten, zóó stijl gaat de weg naar boven. Leonardo heeft de grootste moeite, met het valies dwars voor zich op den zadel, met mijne luie mula, aan dergelijke klimpartijen volstrekt niet gewoon, vooruit te komen, spoort het dier herhaaldelijk aan, zonder dat het dier hier zich schijnbaar veel om bekommert. Plotseling bij eene zeer sterke helling blijft zijn muildier staan, geene sporen helpen, hij moet in de modder afstijgen, ook ik tracht van achteren het luie dier tot voortgang te bewegen, zij wordt verder met eene dikken stok "bewerkt", doch.... alles tevergeefs! Het lieve dier wil niet verder. Wij zijn op de helft van den weg, het ziet er gezellig voor ons uit! Of terug naar Florida, wat mij weder eenen dag zal doen verliezen, of te trachten naar Paraiso te komen. En deze weg is nog niets vergeleken met wat ons morgen wacht! Plezierig vooruitzicht, ik geef den jongen in overweging de mula op te drijven door achter haar aan te blijven loopen en het valies op den zadel te binden. In Paraiso moeten wij trachten een andere mula te huren, want met dit zware dier komen wij nooit in Guatemala! Zoo gezegd, zoo gedaan, onder vloeken en razen wordt het dier opgejaagd, en sukkelen wij op deze wijze verder. Hoe de arme jongen er uitzag dien avond, het was verschrikkelijk, zijn broek stijf van de opgedroogde modder, hijzelf moe van deze geweldige klimpartij op bloote voeten over eenen weg, waarover het absoluut onmogelijk is zich eenigszins eene voorstelling te vormen, wanneer men niet in dit gezegend gedeelte van Honduras gereisd heeft!

De temperatuur is thans vrij koel, wij zullen niets meer van de hitte bespeuren totdat wij aan den anderen kant der Montana zijn afgedaald, dus niet voor overmorgen. Tegen 6 uur naderen wij Paraiso, de lucht wordt hier vrij nevelig, en tegen de hooger liggende bergen hangen zware wolkengevaarten. In dit gedeelte der Montana regent het bijna immer, vandaar dat de wegen hier immer in ontzettend slechten toestand zijn, droog wordt het hier nooit! Na den top van een vrij hoogen berg bereikt te hebben, zie ik Paraiso eenigszins lager in een kom liggen, het zijn een paar treurige hutten, misschien twintig in het geheel, en.... men moet wel geweldig optimist zijn om dit lugubere gehucht "het Paradijs" te noemen!

Wij verkrijgen posada (nachtlogies) bij een bekende van Cosman, en ik ben blij als Leonardo mijne hangmat ophangt en ik mijne vermoeide ledematen weder uitstrekken kan. De menschen, die hier wonen zijn wel doodarm, er is niets te krijgen, alleen koffie, zoodat ik een goed gebruik maak van de lekkernijen die mij in Florida toegestopt werden. Niet lang daarna begint het te stortregenen, en ik mag dankbaar zijn, zij het dan ook maar een rieten dak boven mijn hoofd te hebben. Dat zoo'n huis vol ongedierte zit, de ratten des nachts boven je hoofd marcheeren, en vleermuizen af en aan vliegen, och.... wie let hier nog op? Ik tenminste trek er mij al zéér weinig van aan, en slaap den slaap des rechtvaardigen.

April 13. Bij mijn ontwaken kan ik eerst goed deze omgeving opnemen: ik besef thans tot welke hoogte wij reeds gestegen zijn, want overal hangen de wolken rondom ons tegen de bergen aan; de atmosfeer is koel en vochtig, alles is hier nat en ziet er miserabel uit. Tot mijn groote blijdschap slaagt Leonardo er in eene kleine mula te huren, zij is fijn gebouwd, en geheel berekend voor de vermoeienissen van deze bergwegen; daar de eigenaar niet wil, dat zij met den koffer wordt belast, zal ik het dier berijden, terwijl L. mijne mula neemt. Ik heb later alle reden tevreden te zijn met dezen maatregel.

April 14. Om 7 uur rijden wij af, thans komt het moeilijkste gedeelte van mijnen tocht! Mijne kleine mula loopt heerlijk, men voelt nauwelijks, dat men op een rijdier zit, zij is, wat men hier noemt eene "Andador" d.w.z. maakt kleine passen, waardoor de schokkende beweging geheel vermeden wordt. Reeds direct bij het begin krijg ik een voorproefje van den treurigen toestand, waarin zich deze weg bevindt, overal modder en een dikke brij, waarin de mula wegzakt, soms tot aan den buik. Het pad is zeer smal, bezaaid met afgevallen boomstronken, terwijl overal de dikke wortels der boomen door den weg kronkelen, waarbij de mula geweldig moet oppassen deze te vermijden. Sjoep, sjoep, zoo "zuigen" wij verder, eene aangename gewaarwording. Van snel voortgang maken is natuurlijk geen sprake. Doch dit is nog niets; verderop komen de onmogelijkste cuestas, de mula glibbert terug, werkt zich naar boven, en glijdt dan soms bij eene daling een stuk naar beneden. Om ons heen een dicht bladerdak van een oerwoud, de zon breekt hier nooit door, alles is verlaten en ziet er troostloos uit. Wee den mensch, wien het niet gelukt in éénen dag door deze wildernis heen te komen; nergens is hier een onderdak te vinden, niemand ontmoet men op dezen verlaten weg. De weg voert af en toe loodrecht naar boven, hoe het mogelijk is, dat mijne mulita tegen deze stijle cuestas opkomt, is mij volkomen een raadsel. Wij dalen thans plotseling af in eene verdroogde beek schijnbaar, aan den anderen kant verheft zich het pad bijna loodrecht tegen de bergen, het is hier gevaarlijk en Leonardo raadt mij aan af te stijgen, en zelf naar boven te klauteren, waarna hij de beide dieren naar boven zal leiden. Een plezierig oogenblik, ik "zwem" als het ware door de modder naar boven, glij terug, val, krabbel op, doch worstel mij ten slotte naar boven. Hoe ik er uitzie, behoef ik wel niet te besehrijven, doch... mijne kleeding is hierop berekend, mijne schoenen helaas niet, en mijne voeten zijn dientengevolge kletsnat; doch, hierop let je in zulke oogenblikken minder. Er wordt verder "gereden" en na eene wanhopige worsteling komen wij tegen 12 uur aan een diepe vallei, een prachtig stukje wilde natuur, waar twee bergstroomen met woest geweld hun water voortstuwen, kleine watervallen vormend. Hier wordt een oogenblik afgezadeld, de dieren hebben alleszins een rust verdiend, ik neem weder een bad, en wij lunchen hier. Om 1 uur weder voorwaarts, het zou vervelend worden, eene verdere beschrijving te geven van onze klimpartij door dit gedeelte der Montana. Genoeg zij, dat wij eindelijk tegen 4 uur afdalen in eene breede vlakte, na nog 1 uur ongeveer in een stortregen gereden te hebben, van eenen aard zooals dat alleen in de tropen plaats heeft. Ik heb gelukkig een regenmantel omgeslagen, wat toch niet verhelpen kan, dat mijne beenen en knieën drijfnat worden, doch.... dit droogt straks wel weder in de zon op. Onze weg voert thans door de drooggeloopen bedding eener rivier, overal met wild suikerriet begroeid. Dit gedeelte noemt men Borboullon. Ik dank alle Goden het zwaarste gedeelte mijner reis achter den rug te hebben, het verdere gedeelte voert over Planada en tegen 5 uur passeeren wij Lancetillal, het laatste gehucht op de grenzen van Honduras en Guatemala gelegen. Mijn doel van dien dag is Mixco Farm, eene der uitloopers der in deze laagvlakte gelegen bananen-fincas der United Fruit Co., waar ik eindelijk weder beschaving en een behoorlijk onderdak hoop te vinden. Na 1 uur rijdens vangt op eenmaal het bananenwoud aan, men beseft thans eerst ten volle, wanneer men den aanleg dezer finca's gadeslaat, met hare afgepaalde terreinen, afvoerkanalen, de hierover voerende bruggetjes, welk een geweldige arbeid in deze vroegere wildernis moet zijn tot stand gebracht. Met welk eene vreugde begroet ik de hutten der arbeiders, terwijl verderop het keurig afgebakende huis, met zinken dak, en overal met muskietengaas omgeven, (der Mandador dezer finca) mij weder een behoorlijk nachtverblijf voorspelt. Mr. Sunderland, de manager, een echte amerikaansche pionier, heet mij van harte welkom, en is gaarne bereid mij logies te verschaffen, "al ware het ook voor een paar weken", zooals hij glimlachend zegt. Met welk een genot, na al de uitgestane ontbering, men zich weder aan eene met keurig wit tafellaken bedekte tafel zet, en zich de door een negerkok klaargemaakte spijzen laat smaken, behoeft wel geen betoog. Doch als ik mij dan des avonds weder in een rein zacht bed kan leggen, gevoel ik mij bijna zalig. Ik slaap dan ook overheerlijk, en wordt met noode op tijd wakker.

April 15. Om 6 uur wordt opgezadeld, daar ik tijdig in Guirigua aankomen wil om den trein te halen, die hier om precies 10 uur vertrekt naar de hoofdstad van Guatemala. Bovendien wil ik eenen vriend bezoeken, Mandador van Quiché farm, waar ik trachten wil de beide mulas met Leonardo gedurende mijne afwezigheid, onder dak te brengen.

Mr. Sunderland raadt mij aan, mijn revolver achter te laten, daar het dragen hiervan zonder extra permissie der regeering niet geoorloofd is. Ik neem afscheid van mijnen gastheer, en wij rijden thans dwars door de bananenplantage, passeeren de rivier Montagua, welke gedeeltelijk op de grens van Honduras en Guatemala loopt, voor het eerst en arriveeren na ongeveer een uur aan Teguane farm, welke grooter en mooier aangelegd als Mixco farm, doch ik besluit hier niet op te houden. Overal bananen, zoover het oog reikt. Het meerendeel der arbeiders op deze fincas zijn Jamaica-negers, terwijl de inlanders hier minder op den voorgrond treden. Men hoort dan ook meestal engelsch spreken, voor zoover men dit taaltje dezer niggers engelsch mag noemen. Te half negen komen wij aan bij Quiché farm, waar mijn vriend Keller, welken ik op mijne laatste reis naar New-Orleans, zoowel op de heen- als op de terugreis had leeren kennen, opzichter is. Hij bewoont hier een groot huis, keurig ingericht, en staat aan het hoofd van eene der grootste plantages der U. F. Co. in deze streken. Hij is gaarne bereid mijnen jongen met de beide dieren hier te houden tot ik hem telegrafisch bericht zend van mijne terugkomst; van zijn vriendelijk aanbod eenige dagen bij hem te verblijven, kan ik helaas niet gebruik maken. Van hier is het een half uur rijden naar Guirigua, waar ik dus tijdig genoeg zal aankomen, zelfs om mij nog daar om te kleeden voor mijne reis naar Guatemala City. Een neger vergezelt ons te paard om den jongen den weg te wijzen, en om half tien komen wij te G. aan, waar ik dankbaar ben mijne khaki-uitrusting on te kunnen wisselen tegen een behoorlijk pak kleeren, en overhemd. Thans zie ik er weer fatsoenlijk uit.

Guirigua heeft een groot hôtel, terwijl hier het hospitaal is der U. F. Co., een prachtig ruim gebouw; waarlijk men krijgt hier reeds een geheel anderen indruk als in Honduras, en uit alles blijkt, dat Guatemala haren nabuur in beschaving verre vooruit is. Er heerscht een leven en beweging aan het station; overal inlandsche vrouwen in hunne typische veelkleurige kleederdracht, welke allerlei soorten vruchten te koop aanbieden. Naranjas (sinaasappelen) zapotes, papajas, grenadillas, mangos, etc. etc. (voor den lezer waarschijnlijk allemaal ongekende lekkernijen). Naar deze verkoopsters zoekt men tevergeefs aan de Hondureensche spoorlijn van Cortez naar San Pedro Sula; het volk is daar schijnbaar nog te lui en te dom om uit dezen vruchtenverkoop geld te slaan. Precies om 10 uur rijdt de trein, welke om 7 uur 's morgens Puerto Barrios verlaat, het station binnen en ik neem den koffer van Leonardo over, na hem op het hart gedrukt te hebben, tijdig aanwezig te zijn, wanneer ik telegrafeer, en goed voor de dieren te zorgen.

Thans op weg naar Guatemala City, de grootste en schoonste stad in Centraal Amerika. Ik heb een gemakkelijk hoekje in den spoorwagen gevonden, en geniet van het prachtige natuurschoon, dat zich thans gaandeweg aan mijne oogen ontrolt. De spoorbaan slingert zich een weg om de bergen, dan stijgen wij weder langzaam, even later schiet de trein met groote vaart in de diepte. De rivier Montagua vergezelt ons tot Zacapa, en biedt af en toe met zijn breeden stroom, en de zich aan weerszijden verheffende stijle rotswanden een heerlijk schouwspel. In de vlakten is het smoorheet, op enkele plekken groeit bijna niets, slechts groote cactusstruiken van allerlei grillige vormen, komen sporadisch voor; ik denk aan eene mula-reis door deze woestijn, gelukkig de mensch, die alleen de beschaving kent van het spoorwegverkeer. Om 1 uur komen wij te Zacapa aan, wat juist op het midden der reis naar G. ligt. Er is een half uur oponthoud, en ik heb gelegenheid in het groote Amerikaansche hotel den inwendigen mensch aan een goed middagmaal te versterken. Even later arriveert de trein, welke zich in tegenovergestelde richting beweegt. Het is een drukte van belang. Honderden inlanders, vrouwen, meisjes loopen langs de spoorwagens, hunne koopwaar te koop aanbiedend. Behalve de reeds genoemde verschillende vruchten verkoopen zij tortillas met gallina (gebraden kip) met hard gekookte eieren, vischjes, ja wat niet al. Doch de meeste lekkernijen kunnen mijn europeeschen smaak niet bekoren, en ik bepaal me dus tot den aankoop van vruchten, welke ik onderweg successievelijk oppeuzel.

De trein zet zich in beweging en ik stijg dus weder in. Het landschap wordt steeds grilliger en woester. Tegen 5 uur is het een onafgebroken stijgen en onder zuchten en steunen voert de zware locomotief ons tegen de bergen op. Een onvergetelijk schouwspel boeit ons oog, als de trein tegen 6 uur op den top van een berg rijdt; ver, ver beneden ons een dal met wild stroomende bergriviertjes, die als linten door het land kronkelen. Wij rijden over eene geweldige spoorbrug, waarvan de pijlers zeker wel 100 voet lang zijn; verderop tegen een berg een dennenwoud met het gezang van krekels, dat vaag tot ons doordringt.

De zon is reeds achter de kimme, en paarse, loodkleurige en rose luchten teekenen zich tegen de bergen in het rond af. De natuur is thans zoo stil, men hoort slechts het gesteun der machine en het geratel der wielen. Oh, Guatemala, hoe groot zijn uwe berglandschappen. Het wordt thans heerlijk koel, de bergwind strijkt langs mijn voorhoofd, en ik geniet in de hoogste mate van deze prachtige spoorreis door deze heerlijke natuur. Langzamerhand wordt het donker, wij moeten spoedig in de stad arriveeren. Nog even schiet de trein naar beneden, en dan.... bij eene kromming van den weg ligt op eenmaal een zee van licht rechts vóór ons. Dit is Guatemala City. Overal duizenden lichtpunten, voor zoover het oog reikt. Om precies 7 uur stoomt de trein het moderne station binnen, en kan ik mijne stijfgeworden ledematen weder uitstrekken. Ik begeef mij naar het mij door Cosman aanbevolen hôtel de Espana, wat door eenen hollander, den heer Schaart, gevoerd wordt.

April 16. Gedurende mijn kort verblijf in de hoofdstad heb ik hier mijn verblijf gehouden, en in het algemeen is het mij goed bevallen.

Welke eene groote tegenstelling biedt Guatemala City met hetgeen ik in Honduras gezien heb. Door de hooge ligging (5000 voet) ontbreekt hier de tropische hitte ten eenenmale, integendeel staat de stad algemeen bekend om haar frisch gezond klimaat, reden waarom tal van lieden voor korten of langeren tijd herstel van hunne gezondheid in G. zoeken. De prachtige ligging dezer stad te beschrijven, met de tegen den achtergrond zich verheffende uitgestorven vulkanen, zou mij te ver voeren. De stad heeft door hare ligging met de in rechte lijn doorgetrokken straten, doch veel meer nog: door hare rechthoekige huizen met platte daken, die bijna allen één verdieping hebben (dit met het oog op het gevaar der menigvuldig voorkomende aardbevingen [1]), wit gepleisterd zijn, en alle de zoo eigenaardige vensters met ligkozijnen en traliën vertoonen, een echt Spaanschen indruk, die nog verhoogd wordt door het schilderachtige type harer bewoners. Er heerscht hier eene zekere rijkdom, welke in Honduras ongekend is; mooi aangelegde avenidas met keurig aangelegde parken, vele cathedralen en openbare gebouwen geven de stad een interessant aanzien. Zeer vele vreemdelingen, het duitsche en engelsche element overheerschend, hebben veel tot de welvaart van dit land bijgedragen; equipages en automobielen, ze zijn hier geene zeldzaamheid en geven het bewijs van de moderne beschaving in deze Centraal-Amerikaansche stad. Er heerscht hier veel militair vertoon; vooral op de Plaza, waar aan de eene zijde de Cabildo (stadhuis), aan den anderen kant de kazerne is, is eene bedrijvigheid van heen- en weerloopende militairen, soldaten, officieren en generaals (vooral vele generaals) welke eene oningewijde zouden doen gelooven, dat er minstens een oorlog voorbereid wordt. Het spionnage-systeem in Guatemala is geweldig, iedere vreemdeling wordt nauwkeurig in zijne bewegingen nagegaan, zelfs vrouwen ontzien zich niet het werktuig der regeering te zijn. Dit alles dient ter bescherming van het leven van den Grooten Man in Guatemala nl. den President der republiek, Manuel Estrada Cabrera, welke met ijzeren vuist het roer van het staatsschip in handen heeft, en wiens leven ieder oogenblik gevaar loopt door eene revolutie. Te zien krijgt men hem bijna nooit; bevindt zijne Excellentie zich in de hoofdstad, dan kan men verzekert zijn, dat hij niet in het paleis zijn intrek neemt. Zooals ik vernam, bewoont hij dan het zich schuins tegenover het Paleis bevindende gebouw, hetwelk scherp door soldaten bewaakt wordt. Het is dan verboden, in elk geval niet aangeraden, zich des avonds door de straat te begeven waar hij zijn intrek genomen heeft, wil men niet gevaar loopen per ongeluk misschien doodgeschoten te worden. Ik herinner mij eenen avond, waarop ik mij door de bewuste straat begaf, de president was evenwel niet aanwezig, doch aan weerszijden van het paleis zaten in hunne nissen, met traliën omgeven, twee soldaten, diep in hunne mantels gedoken, bijna onzichtbaar, doch met geladen geweer in de hand. Zooiets maakt eenen "gezelligen" indruk, voorwaar. Indien ergens in Centraal-Amerika te vreezen is voor eene revolutie, zoo is het hier, een broeinest van samenzweerders.

Ik heb het genoegen eenige landslieden te leeren kennen, o.a. den heer Alberts, vice-consul der Nederlanden, welke in Guatemala als vertegenwoordiger der Nederlandsche Handelmaatschappij werkzaam is, en tengevolge van den europeeschen oorlog thans groote partijen koffie opkoopt, welke, vroeger naar Duitschland, thans naar Holland geconsigneerd worden. Verder is hier een woord vol lof ter plaatse voor den heer Willemsen, een Hollander uit Curaçao, welke sedert ongeveer 8 jaar hier woont, en voor de groote bankiersfirma Rosenthal y Hyos werkt. Met hem te zamen heb ik de stad doorkruist, en de meeste merkwaardigheden gezien. Hiertoe behooren o.a. de verschillende kathedraals, de Plaza en regeeringsgebouwen, de Mercado (openbare markt) waar des morgens vroeg een drukte en bont gewemel heerscht van honderden inlanders, in hunne eigenaardige kleederdracht, die hier de producten des lands, vruchten, eetwaren, eigengemaakte katoenen goederen, doch vooral het vreemde aardewerk, potjes en pannetjes met diverse versierselen beschilderd, ten verkoop aanbieden, verder dient de Reforma vermelding, een museum van oudheden, buiten de stad gelegen te midden eener poëtische omgeving, de zich aan de tegenovergestelde zijde der stad bevindende Minerva-tempel, waar in Augustus de Minerva-feesten plaats hebben, ingesteld door President Manuel Estrada Cabrera, waarbij de "Spes Patria" van Guatemala spelen en dansen uitvoert en de ouderen zich vermaken met het aanschouwen der wedrennen op het zich hier bevindende sportterrein. Als iets zeer eigenaardigs dient de Mapa (landkaart) van Guatemala vermeld, welke zich in de nabijheid bevindt. Met enorme kosten en inspanning, en na veeljarige studie is men hier geslaagd in relief een getrouwe afbeelding van de ligging van Guatemala weer te geven. Voor iemand, die eenig idee krijgen wil van de geografische situatie, de hoogte der verschillende bergen, rivieren, vulkanen, grenzen etc. eene prachtige studie. Alles is zoo getrouw mogelijk nagebootst, de bergen hebben hunne natuurlijke kleuren, men ziet, hoe de spoorlijn zich dwars door het land slingert, en overal is nauwkeurig de afstand, alsmede hoogte en plaatsnamen aangegeven. Elke rivier is in deze reliefkaart opgenomen, en voor eene kleinigheid laat de oppasser gedurende eene periode van 5 minuten het water stroomen, zoodat men op een gegeven oogenblik alle bergstroomen en rivieren, watervalletjes etc. in werking ziet.

Mijn vriend Willemsen betrad met mij verder het gebouw van den Deutschen Verein, keurig ingericht; men krijgt daar eenigszins een indruk van het groote aantal Duitschers, die hier leven en welke met recht "stolz" mogen zijn op hunne kolonie. Ik had het genoegen bij den heer Willemsen te dineeren, waarbij ik met zijne vrouw, eene Guatemalteca, kennis maakte. Hij bewoont een mooi huis, hetwelk op echt spaansche wijze, zooals trouwens overal het geval is, ingericht is. Na het portaal doorschreden te hebben, komt men in den Patio, (hof) immer vol bloemen en tropische gewassen, waaromheen zich de verschillende appartementen bevinden. Deze huizen zijn dus bijna altijd in het vierkant gebouwd, met rechte lijnen; de groote openstaande vensters der zich aan den straatkant bevindende vertrekken zijn altijd met ijzeren tralies voorzien, wat in het eerst eenigszins den indruk geeft van eene gevangenis. Ook deze mode schijnt wel nog van de Spanjaarden overgenomen te zijn. Hier is het, waar des avonds de schoonen van Guatemala hunne bekoorlijke verschijning maken, en zij zich met hunne aanbidders onderhouden. Eene voor ons Hollanders wel wat "onpractische" en ongemakkelijke gelegenheid, doch..... 's lands wijs, 's lands eer. Men heeft hier dan ook volop gelegenheid het schoone geslacht te bewonderen, in den vollen zin des woords. Ofschoon in vele opzichten hetzelfde type hebbende als de Hondurena, maken de Guatemaltecas een meer beschaafden indruk; men ziet hier je reine spaansche typen, en vooral de schoonheid van vele jonge meisjes is opvallend.

April 20. Na een verblijf van 4 dagen besloot ik dus weder de terugreis te aanvaarden, en na behoorlijk afscheid genomen te hebben stapte ik des morgens 7 uur weder in den trein, welke mij om 5 uur 's middags weder te Guirigua bracht. Hoe gaarne had ik niet langeren tijd vertoefd in deze prachtige omgeving. Eene kleine reis per dilgencia naar den top van eene der groote vulkanen, in de nabijheid van de hoofdstad gelegen, een uitstapje naar het op eenige uren afstand gelegen Antigua, de oude hoofdstad van Guatemala, met hare oude ruïnes, gedeeltelijk verwoest door den vulkaan Agua, eene vaart op het schilderachtige meer Amatitlan met de woeste bergen in het rond gelegen, ze blijven alle tot de vrome wenschen behooren, daar aan eene uitvoering van deze plannen minstens een verblijf van 14 dagen verbonden zou zijn, en dit helaas niet op mijn programma stond.

Het zou vervelend worden wederom in eene herhaling te vervallen van eene beschrijving van het schoone landschap, ik wil dus volstaan met den lezer mede te deelen, dat Leonardo zich prompt met de beide mulas aan den trein bevond, en ik des nachts op Quiché farm bij mijnen vriend Keller doorbracht.