Dagboek van mijne reis door het binnenland van Honduras naar Guatemala De Aarde en haar Volken, 1918
Part 3
April 21. Reeds vroeg in den morgen verliet ik met Leonardo Quiché farm ten einde nog denzelfden avond in Paraiso aan te komen. Op onzen tocht door de bananen-fincas trof ik Mr. Sunderland, de mandador van Mixco farm, aan, welke op weg was naar Lancetillal om daar eenige booten, alsmede boonen te koopen, van de inlanders. Wij reden dus te zamen verder; bij Lancetillal nam hij afscheid van mij, en wenschte mij goede reis door de bergen. Weinig vermoedde ik, dat ik zoo spoedig weder van zijne gastvrijheid zou moeten gebruikmaken.
Had ik reeds onderweg bespeurd, dat er iets gaande was met Leonardo door zijn eenigszins vreemd gedrag, in Lancetillal werd ik onaangenaam verrast door zijne korte mededeeling, dat hij ziek was, en onmogelijk verder kon gaan. Hij steeg eenvoudig af, legde zijn deken op den grond, en vleide zich rustig neder. Daar stond ik nu! Zonder mozo verder te trekken door het moeilijkste gedeelte der Montana leek mij vrij riskant, terwijl ik tevens niet gaarne de mula van Cosman alleen met mijn valies in L. achterliet. Na eenige uren geduldig afgewacht te hebben, in de hoop dat Leonardo misschien beter zou worden, besloot ik eindelijk den jongen in L. achter te laten, en naar Mixco terug te keeren, waarschijnlijk zou hij dan den volgenden dag opgeknapt zijn, zoodat wij de reis konden vervolgen. Doch deze hoop bleek ijdel.
April 22. Te vergeefs wachtte ik op de komst van L. en ten einde raad begaf ik mij ten slotte tegen 3 uur in den middag naar Lancetillal, waar ik vernam, dat Leonardo ziek lag met pneumonia, zoodat van verder reizen voorloopig geen sprake zou kunnen zijn. Ik had echter het geluk te vernemen, dat de Comandante van Lancetillal, Coronel Vicente Pena zich den volgenden dag met een escorte van 4 soldaten op een tocht naar Santa Rosa de Copan begaf, en ik besloot daarom deze schoone gelegenheid in zijn gezelschap te reizen niet voorbij te laten gaan. Ofschoon de man mij minder aanstond wegens zijne onbeschaamdheid, moest ik echter zijn gezelschap wel voor lief nemen, te meer, daar zijn escorte, hetwelk te voet ging, mijne andere mula, beladen met het valies, uitstekend onder hunne hoede kon nemen. Ik sliep dien nacht in de Comandancia te Lancetillal, veiliger dan ooit, met het oog op de gewapende macht, welke in de hut rijkelijk vertegenwoordigd was.
April 24. Doordat het gedurende de laatste dagen droog geweest was in de bergen, wat alleszins eene uitzondering is hier, was de weg in iets beteren toestand. Bovendien was ik nu eenigszins gewend aan de "idealen" toestand dezer bergwegen, zoodat mij de af en toe verschrikkelijke Cuestas minder lastig toeschenen dan op de heenreis.
Ik had bij dezen tocht meer dan ooit gelegenheid waar te nemen op welke beestachtige wijze de hooger geplaatste ambtenaren in dienst der regeering met hunne inferieuren omgaan. Die arme soldaten, welke het escorte van Coronel Pena vormden, werden uitgescholden voor alles wat leelijk was, doch in stomme gelatenheid schenen zij zich dit te laten welgevallen. Er is overigens niets bijzonders voorgevallen op onzen tocht naar Paraiso, waar wij des middags tegen half zes aankwamen. De Coronel gaf instructies onze hangmatten in het kleine aanwezige schooltje, wat er allertreurigst uitzag, op te hangen om den nacht hier door te brengen. Midden in den nacht begon het natuurlijk weder te regenen (ik geloof nauwelijks, dat er één dag in het jaar is, waarop het niet regent in P.) en jawel.... langzamerhand begon het water door het rieten dak te lekken, zoodat ons niets anders wachtte, dan een beter heenkomen te zoeken. Voorwaar een plezierige toestand. Tot ons groot geluk evenwel bedaarde de stortbui na eenigen tijd, zoodat wij, ook met het oog op de groote waarschijnlijkheid midden in den nacht geen logies te kunnen krijgen bij anderen, besloten onze hangmatten weder op te zoeken in de hoop verder niet meer in onze slaap gestoord te zullen worden. Fortuna was met ons, het bleef droog.
April 25. Met groote moeilijkheden had ik dien dag te kampen. De Coronel gaf mij te kennen, dat hij dien avond nog in Trinidad moest arriveeren en hij dus zeer snel op weg ging, hij kon dus niet op mij wachten en ook zijne soldaten hadden geen tijd om mijne pakmula met het valies onder hunne hoede te nemen, ik moest dus zelf maar zien hoe ik verder kwam. Ik verwenschte den kerel uit den grond van mijn hart, aan den anderen kant was zijn gezelschap nu niet bepaald een genoegen voor mij geweest. Mijne kleine mulita, welke zoo dapper den tocht door de Montana gemaakt had, moest ik helaas weder omruilen tegen het zware luie dier uit San Pedro; evenwel was ik vast besloten de mula in Florida achter te laten, of te verkoopen, en een geschikter dier te leenen voor de terugreis naar huis. Na vele moeite gelukte het mij eenen jongen te vinden, die bereid was mijne mula, welke ik nu met de bagage bepakte, terwijl ik het dier van Leonardo bereed, tot San Antonio te drijven; hier is de weg gemakkelijk, en kon ik het dier op sleeptouw nemen tot Florida waar ik des namiddags om 2 uur te La Florida aankwam en hartelijk door Cosman en zijn vrouw ontvangen werd. Hier had ik weder gelegenheid den inwendigen mensch, in den rechten zin des woords, te versterken, terwijl ik na een frisch bad in de rivier Chamelecon, mij weder geheel opgewekt gevoelde. Ik was besloten reeds den volgenden dag te vertrekken, op weg naar S. P. S. en kreeg dienzelfden avond nog eene stevige mula ter beschikking, terwijl Cosman voor een mozo zorgde, welke mij den weg zou wijzen tot Quimistan; van hieruit loopt de telegraaflijn en is de weg breed, zoodat men alleen, zonder te verdwalen, verder komen kan. Mijne ongelukkige mula verkocht ik nog denzelfden dag, en ik kon blij wezen nog zoo'n goeden prijs er voor gekregen te hebben. Mijn valies zou nagezonden worden met de carga-mulas, wat mij vele moeite en kosten uitspaarde.
April 26. Om half zes des morgens nam ik afscheid van mijne hartelijke vrienden, die alles gedaan hadden om het mij zoo aangenaam mogelijk te maken. Alles ging thans voorspoedig, reeds om 9 uur passeerde ik Piedra Pintada, terwijl ik om 12 uur in Colinas vriendelijk ontvangen werd om de Almuerzo te gebruiken bij de familie Duarte, welke het eenige, op een heuvel gelegen huis bewonen in deze streek. Met mijn macho (mannelijk muildier) had ik weinig moeite, terwijl de mozo, dien ik meegenomen had, schijnbaar met het grootste gemak den geheelen dag het muildier bijhield, en op zijne voeten even snel opschoot als ik op den macho. Waarlijk deze inlanders moeten toch ijzersterk zijn, al zijn ze ook tenger gebouwd. Ik overnachtte dien nacht in Sula, zonder dat iets wederwaardigs passeerde.
April 27. Na om half zes te zijn vertrokken, kwamen wij om 10 uur in Casas Viejas aan; ik ging echter niet denzelfden weg als op de heenreis, sloeg hier dus links af, in plaats van rechts, waar de weg naar San Marcos leidt, ik zou dus Herr Rheinboldt niet opzoeken, zooals ik hem oorspronkelijk beloofd had. Doch de weg over Quimistan, vandaar naar Santa Cruz de las Minas, en dan tot Cofradia, is gemakkelijker, tevens iets sneller, reden waarom Cosman mij aangeraden had deze route te nemen.
Bij Quimistan nam mijn mozo afscheid en vervolgde ik alleen den weg. Het verdere gedeelte der reis was zeer eentonig en eenzaam; wanneer men den geheelen dag op zijn muildier zit, en geen aanspraak heeft, verveelt men zich, hoe wisselvallig het landschap ook zij waardoor men rijdt. Nog dienzelfden dag arriveerde ik in Cofradia, waar ik Gode zij dank weder de eerste teekenen der beschaving waarnam in het primitieve hotel van Modeste Perez; men kan tenminste weder behoorlijk aan tafel zitten, en krijgt vork en mes en verder tafelgerei, eene ongekende luxe in het interieur.
April 28. In het vooruitzicht spoedig weder te midden van mijne vrienden, doch vooral van alle comfort te zijn, welke ik in San Pedro Sula kan genieten, was ik reeds weder vroeg op weg. Met welk een verlangen begroet men de eerste huizen van Chamelecon, waar men reeds de spoorlijn kruist, die van Cortez over San Pedro Sula naar La Pimienta loopt. Overal ziet men hier de beschaving te voorschijn treden, hoe ziet alles hier reeds veel zindelijker uit. Na nog eenige uren rijden kan ik reeds van verre de eerste huizen begroeten van S. P. S. Nog enkele minuten, en ik rijd weder den voorhof van ons groote huis op, en begroet mijne vrienden en kennissen.
Zoo eindigt dan deze voor mij zoo interessante reis, waarbij ik zooveel gezien en meegemaakt had, en waarbij ik ten volle de toestanden welke in het binnenland van Centraal-Amerika heerschen had leeren kennen. Och, hoe verre zijn wij nog verwijderd van de europeesche beschaving, en welk eene geweldige inspanning zal het kosten, vóór deze landen ook eenmaal gemoderniseerd zullen zijn. Doch deze tijd zal ook zeker eenmaal komen, al zal het nog lang, zeer lang duren.
San Pedro Sula, 16 Mei 1915.
AANTEEKENING
[1] Nog onlangs werd Guatemala door een hevige aardbeving grootendeels verwoest. (Red.)