Columbus: De ontdekker van Amerika
Chapter 6
Tegenwinden maakten het onmogelijk dadelijk aan de uitnoodiging gevolg te geven. Daarop zond Columbus eenige zeelieden met een van zijn officieren, in een boot heen, om zijn voorgenomen komst te berichten. De koning woonde in een mooie stad, aan een rivier gelegen, die door een buitengewoon vruchtbare vallei liep. Het was de grootste en best gebouwde stad, die hij nog gezien had. De huizen, die een groot vierkant plein insloten, waren voor deze gelegenheid opgeknapt en versierd. Van alle kanten stroomde het volk naar het koninklijk verblijf. De groote gastvrijheid, die de officier en zijn manschappen ondervonden, is in beschaafde landen onbekend. Allen werden als gasten met den meesten eerbied ontvangen, en letterlijk alles, wat de inboorlingen bezaten, werd hun aangeboden, zonder dat zij er iets voor behoefden te betalen. De inboorlingen namen alles met dankbaarheid aan, wat hun gegeven werd, en bewaarden het als iets heiligs. De Spanjaarden noemden de rivier Punta Santa, doch zij heet nu Groote rivier.
In den avond van dezen belangrijken dag keerde de boot naar de schepen terug. Den 24en was 's morgens de wind gunstig, en daarom ging men reeds vóór zonsopgang op reis. Tegen den avond ging de wind geheel liggen, en daarom kreeg Columbus, die een van de waakzaamste en zorgvuldigste zeelieden was, en menigmaal den heelen nacht op het dek bleef, gelegenheid om te gaan slapen. De man, die aan het roer stond, volgde zijn voorbeeld, was onvoorzichtig genoeg, om het roer aan een jongen toe te vertrouwen en viel in slaap. De andere matrozen sliepen ook. Een sterke stroom, dien men niet opgemerkt had, dreef het schip op een zandbank. Waarschijnlijk sliep de jongen ook, want ofschoon de branding met zooveel geweld tegen de bank sloeg, dat het geraas op grooten afstand kon worden gehoord, liet hij niets van zich hooren, vóór de kiel over het zand schuurde. Columbus, die, zooals men zegt, altijd met één oog open sliep, was 't allereerst op het dek. Er volgde een tooneel van groote verwarring. Het verlies van een schip zou in die verre zeeën een onherstelbare ramp zijn. De zeelieden verloren alle zelfbeheersching, en elke poging, om het schip te redden, bleek vruchteloos. Als de zee onstuimig was geweest, zouden waarschijnlijk allen vergaan zijn. De naden van het schip gingen door de branding los, het schip was spoedig vol water en Columbus was genoodzaakt met zijn scheepsvolk aan boord van de Nina te gaan, het kleinste van de drie schepen.
Eenige manschappen werden aan land gezonden, om het vriendelijk opperhoofd Guacanagari de ramp mede te deelen. Het dorp waar hij woonde, lag omstreeks een mijl van de plaats af, waar men schipbreuk geleden had. Deze man had zooveel medelijden, dat hij over hun ongeluk tranen stortte. Hij zond al zijn volk en elke kano, klein en groot, die men krijgen kon, om het schip te helpen lossen. De cacique (zie bl. 54) en zijn broeder werkten vlijtig mee, zoowel op zee als aan land. Hun hulp was zoo uitstekend, dat bijna alles, wat op het schip was, gered werd; en noch het hoofd noch zijn volk eischte iets tot belooning voor al die moeite. Integendeel, het opperhoofd noodigde allen uit, om in zijn woonplaats voeding en dak te komen vinden. Vele kano's kwamen heel ver weg met een groote menigte inboorlingen en ondergeschikte hoofden. Een treffend tooneel van broederlijke liefde deed zich voor. Ofschoon de inboorlingen aan het strand met zaken van onschatbare waarde bepakt en beladen werden, ging er niets verloren en werd ook niets ontvreemd. Het gelaat en de gebaren van het volk drukten alleen spijt over de ramp uit, die den vreemdelingen overkomen was. Columbus schreef in zijn dagboek aan Ferdinand en Isabella:
"Ik verklaar Uw Majesteiten, dat er in de geheele wereld geen beter land en geen beminlijker, handelbaarder en vreedzamer volk is als dit. Zij beminnen hun naasten als zich zelf. De omgang, dien zij met elkander hebben, is lief en vriendelijk, en al is het waar, dat het wilden zijn, hun gewoonten zijn prijzenswaard en welvoegelijk."
Columbus bevond zich nu met al zijn overgebleven manschappen op het eenig schip, dat hij nog had, de Nina. Guacanagari had drie woningen gegeven tot berging van de geredde goederen. De begeerte opmerkende, waarmee de vreemdelingen naar gouden sieraden zochten, deed hij al wat hij kon, om hun er zooveel van te geven als mogelijk was. De inboorlingen hielden bijzonder veel van dansen. Hun kinderlijke vreugde was bijna niet uit te drukken, wanneer zij, omhangen met de blinkende en tingelende belletjes, naar de tonen der muziek luisterden, die voor hun bewegingen paste. In ruil voor deze belletjes werd een groote hoeveelheid goud gebracht, en gaarne gaf men al het goud, dat men bezat, in ruil voor een belletje.
De admiraal werd uitgenoodigd om bij Guacanagari het middagmaal te gebruiken. Hij ontving een diepen indruk van de ongedwongen en beschaafde houding, die het opperhoofd bij deze gelegenheid vertoonde. De tafel was overladen met al den rijkdom, dien het eiland opleveren kon. De koning at langzaam en matig, evenals iemand, die met de gebruiken eener beschaafde maatschappij vertrouwd is. De knechts bedienden den vorst en zijn gast met groote beleefdheid. De regeering was erfelijk op het eiland, en waardigheid en aanzienlijke geboorte schenen een diepen indruk op het volk te maken. Na den maaltijd geleidde de vorst Columbus naar de lieve boschjes, die zijn inderdaad mooi huis omringden. Ongeveer duizend inboorlingen volgden hen eerbiedig en met alle teekenen van hartelijke belangstelling. Het scheen een Eden. Ofschoon allen moedernaakt waren, zag men toch niets dat onwelvoegelijk was. Onder leiding van het opperhoofd werden er verscheiden heel aardige spelen uitgevoerd tot vermaak van den gast.
Columbus trachtte deze beleefdheden door een wapenschouwing te vergelden. Aan boord bevond zich een Castiliaan, een oud soldaat, die Willem Tell evenaarde in de juistheid, waarmee hij een pijl afschoot. Deze wilden waren vreedzame lieden. Zij leefden van vruchten. De jacht- en oorlogskunst hadden zij nooit beoefend. De Castiliaan bracht zijn Moorschen boog, pijlkoker en pijlen mee. Het opperhoofd was verbaasd, toen hij de kracht en de juistheid zag, waarmee dit puntige en doodelijke wapen kon geworpen worden.
Columbus deelde het opperhoofd mee, dat hij nog veel krachtiger wapenen had. Hij liet een kanon afschieten, waarvan de kogel in een op eenigen afstand staanden boom kwam. Toen zij het licht zagen en den slag hoorden; voorts den weg volgden, dien de onzichtbare kogel door het bosch had afgelegd, en hoe hij de boomen had gescheurd en doen kraken, waren zij verslagen en knielden neer. Toen zij eenigszins van den schrik waren bekomen, stelde Columbus de geheele macht, waarover hij beschikken kon, in orde voor een wapenschouwing. Hij plaatste zijn manschappen in gelid, en hun blinkende wapenen, hun gewette en flikkerende zwaarden schitterden in de stralen der ondergaande zon. Zij marcheerden op de maat van trommels en trompetten heen en weer, en voerden even fraaie als kunstige bewegingen uit.
Onder luid geschreeuw vlogen zij ten aanval vooruit, en kwamen in geregelde orde terug.
De inboorlingen begrepen heel goed, dat dit oefeningen en bewegingen voor een ernstigen oorlog waren. Het was hun duidelijk, dat de Spanjaarden bovennatuurlijke krachten bezaten om menschen te dooden. Zij begonnen hun geduchte gasten met schrik en vrees aan te zien.
Columbus, die door de schipbreuk ter neer geslagen was, werd langzamerhand weer opgeruimd. Hij genoot met de zijnen in ruime mate de vreugde, die een heerlijk klimaat en lekkere vruchten geven. Elken dag werd zijn voorraad goud grooter. De vriendelijkheid, waarmee de Spanjaarden door de wilden behandeld werden, kon moeilijk grooter zijn, en, om de kroon op alles te zetten, telkens werd hij meer en meer overtuigd, dat er in de binnenlanden onuitputtelijke goudmijnen lagen.
Het gemakkelijke en weelderige leven, waaraan zij gewend waren geraakt, beviel den Spaanschen zeelieden heel goed. Van alle zorgen en moeiten der beschaving waren zij bevrijd. Smakelijke en geurige vruchten hingen bijna aan elken tak. De rivieren en de kust wemelden van visch. In de schaduw van de bosschen brachten zij den dag in vadzige rust door, en als het 's avonds koel werd namen zij deel aan de spelen van de beminnelijke wilden, of dansten op de muziek van trommels, of op die, welke de wilden zelf maakten.
Velen van die avonturiers gevoelden geen neiging ooit weer tot het Europeesch leven met al zijn moeiten en zorgen terug te keeren. Hier ontbrak het hun aan niets. Columbus werd bestormd met dringende verzoeken, om op het eiland te mogen blijven. Voor al het scheepsvolk van beide schepen te zamen zou het ook zeer ongemakkelijk zijn geweest, om op de terugreis in een klein karveel opeen gepakt te worden. Dit bracht den admiraal er toe den grond te leggen voor een latere volkplanting op het groote en schoone eiland Hispaniola. Hij liet een klein gezelschap achter, om het eiland te verkennen, zijn bronnen van rijkdom op te sporen, en zooveel mogelijk goud te verzamelen, waarna hij besloot naar Spanje terug te keeren, daar bericht te geven van zijn groote ontdekking en later met nieuwe schepen en versterking weer te komen.
Guacanagari had hem verteld, dat er vijandige Indianen waren, Caraïbiërs geheeten, die van tijd tot tijd op Haïti kwamen en velen meenamen, die zij gevangen genomen hadden. Dit bood Columbus een verontschuldiging voor het bouwen van een fort aan. De wilden hielpen hem trouw, omdat deze sterkte ook hen tegen de Caraïbiërs zou beschermen. Hij bewapende het fort met het kanon, dat uit de schipbreuk gered was geworden. Hij liet er een klein garnizoen achter met krijgsvoorraad en leeftocht voor een jaar.
Vertrouwbare berichten kreeg men van de Pinta niet. Columbus achtte het waarschijnlijk, dat zij vergaan was. Er bleef dus nog maar één wrak schip over van de drie, die van Palos waren uitgezeild. Verging ook dit, dan zou niemand iets van de ontdekking hooren, en men zou aan Columbus als aan een opgewonden droomer gedacht hebben, die dwaselijk zijn leven had verspild. Daarom besloot hij zijn broos vaartuig niet langer aan het gevaar bloot te stellen, dat het varen op onbekende zeeën met zich brengt, maar naar Spanje terug te keeren.
Onuitputtelijk was de vriendelijkheid, die Guacanagari Columbus bewees. Gedurende den tijd, dat de admiraal het toezicht hield op het bouwen van het fort, stond het opperhoofd hem het grootste huis in het dorp af. De vloer was met kunstig geweven palmbladeren bedekt, en er stonden stoelen van gitzwart hout, dat heel glad gemaakt was en op ebbenhout leek. Zoo dikwijls hij Columbus in zijn eigen woonplaats ontving, behandelde hij hem als koning en hing hem telkens een gouden sieraad of een ander kostbaar geschenk om den hals.
Eens bezocht het opperhoofd met vijf mindere hoofden den admiraal. Ieder gaf hem een gouden krans ten geschenke. Guacanagari droeg een vorstelijke kroon, die van goud was gemaakt. Hij nam die van zijn hoofd en zette haar Columbus op. Wederkeerig hing deze een streng prachtig gekleurde koralen om den hals van den vorst, bekleedde hem met zijn eigen karmozijnen mantel van fijne stof, gaf hem een paar gekleurde laarzen en deed een zilveren ring aan zijn vinger, dien de wilden veel mooier vonden dan een van goud, omdat er op het eiland geen zilver was.
Het vooruitzicht een groote hoeveelheid goud te zullen krijgen, maakte Columbus heel blij. Hij begon zijn schipbreuk als een teeken van goddelijke gunst te beschouwen. In zijn dagboek schreef hij aangaande zijne verwachtingen op dat oogenblik:
"Ik hoopte, dat ik bij mijn terugkomst uit Spanje een ton gouds vinden zou, die de achtergeblevenen door handel hadden verdiend; bovendien nog, dat zij mijnen en specerijen in zulk een hoeveelheid hadden ontdekt, dat de koningen binnen drie jaren in staat zouden zijn gesteld een kruistocht te ondernemen ter verlossing van het heilige Graf."
Met de hulp der wilden was het fort in tien dagen klaar, en zijn bewapening in orde. Columbus stelde nu zulk een volkomen vertrouwen in de wilden, dat hij niets van hen meende te vreezen te hebben. Hij beschouwde het fort werkelijk vooral noodig, om zijn eigen ordeloos volk in bedwang te houden. Het gevaar dreigde, dat zij op hun tochten over het eiland allerlei losbandigheden zouden bedrijven, die de bewoners konden verbitteren. Hij noemde het fort de Geboorte, als een dankbare herinnering aan het feit, dat hij op Kerstdag aan een schipbreuk ontkomen was.
Negen en dertig mannen werden met zorg gekozen, om in garnizoen te liggen. Daaronder was ook een arts, en verscheidenen, die in de verschillende vakken van werktuigkunde bedreven waren. Het bevel werd aan Diego de Arana toevertrouwd. Hij was een ruiter uit Cordova, van hooge afkomst en tot bevelvoeren in de wieg gelegd. Een sterke boot bleef achter voor de vischvangst, en zaad voor het bebouwen van den grond, benevens een menigte handelswaren.
Het uur van vertrek brak aan. Columbus liet het heele garnizoen vóór zich komen, en hield allen in ernstige woorden den plicht voor, om Guacanagari en zijn aanvoerders met den meesten eerbied en de grootste vriendschap te behandelen. Hij drong er op aan, om altoos minzaam en rechtvaardig met de inboorlingen om te gaan, en met hun vrouwen en dochters vooral voorzichtig te wezen. Hij vermaande hen, niet uit elkander te gaan, maar bij elkander te blijven. Den bevelhebber, Arana, werd opgedragen om goud te verzamelen, mijnen op te sporen, en de voortbrengselen van het eiland te leeren kennen.
Den 2en Januari 1493 gaf Columbus aan Guacanagari en zijn aanvoerders een afscheidspartij. Al het scheepsvolk kwam aan wal, en zijn gasten werden met troepenbewegingen en spiegelgevechten vermaakt. De Indianen keken met groote verbazing en vrees naar de lange, glinsterende en gewette zwaarden. En toen het kanon werd afgeschoten, en de steenen kogels, destijds in gebruik, de boomen deden schudden, beefden en juichten de duizenden inboorlingen, die dit feest had samengevoerd. Zij beefden bij het zien van die vernielende kracht, en juichten bij de gedachte, dat zij niet meer bang behoefden te wezen voor de Caraïbiërs.
Den volgenden morgen gaf een kanonschot het teeken tot vertrek. Een luid hoera! werd door het garnizoen en door het vertrekkend scheepsvolk aangeheven. Een gunstige wind dreef het schip voort, tot het aan den oostelijken horizon verdween. Onder stormen en gevaren vervolgde de Nina haar reis naar Spanje. Het garnizoen werd aan een lot overgelaten, dat hierna zal beschreven worden.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE TERUGREIS.
Op den 4en Januari 1493 zeilde Columbus van Haïti naar Spanje. Met een zachte bries gleed hij bijna in de schaduw van een hoog en kaal voorgebergte, waaraan hij den naam van Monte Christo gaf, voort. Door stilten en tegenwinden vorderden zij niet veel, en voeren nog maar altijd langs de kusten van het eiland, waarvan de uitgestrektheid en pracht telkens meer in 't oog vielen. Zij hadden nog maar ongeveer 50 mijlen afgelegd, toen de wacht in de mast riep: "de Pinta, de Pinta!" En hij had gelijk. Door een zonderling toeval ontmoetten de schepen elkander. Pinzon gehoorzaamde aan een wenk van den admiraal, en volgde hem in een kleine baai ten westen van Monte Christo, waar beide schepen ankerden. Pinzon verzon een flauwe verontschuldiging voor zijn wegloopen, en schreef het aan het weer toe. Ofschoon Columbus zich daardoor niet liet misleiden, oordeelde hij het toch maar 't verstandigst de zelfverdediging aan te nemen. Een van de matrozen op de Pinta beweerde, dat een Indiaan heel nadrukkelijk aan den kapitein van de Pinta had gezegd, dat er slechts op een paar mijlen afstands een mijn lag, die verbazend veel goud bevatte. Dit had den gouddorst van Pinzon opgewekt. Hij dacht, dat hij zijn schip spoedig vol laden kon, om met die kostbare vracht naar Spanje terug te keeren, en dat hij zijn gedrag kon verdedigen door voor te geven, dat hij door een storm van Columbus was afgeraakt.
Maar te vergeefs had men naar de mijn gezocht. Pinzon kon zich met zijn schip te midden van kleine eilandjes en zandbanken niet vrij bewegen en werd ongerust. Kreeg hij met zijn schip een ongeluk, waardoor het niet meer te gebruiken zou wezen, dan was het bijna onmogelijk, dat hij ooit weer naar Spanje kon terugkeeren. Daarom zette hij weer koers naar Hispaniola, en het is waarschijnlijk, dat hij verlangend naar den admiraal uitzag. Gedurende de scheiding was hij echter een rivier opgevaren, had daar drie weken vertoefd en er door handel met de inboorlingen een groote hoeveelheid goud gekregen. Men zegt, dat hij de eene helft er van voor zich zelf hield, en de andere onder de zeelieden verdeelde, om hun het stilzwijgen op te leggen.
In den avond van den 9en gingen de schepen gezamenlijk onder zeil. Den volgenden dag ankerden zij in den mond van dezelfde rivier, waar Pinzon handel had gedreven. Columbus noemde deze rivier Rio de Gracia, maar nu heet zij Porto Caballo. De wilden klaagden over Pinzon, omdat hij vier mannen en twee jonge meisjes met geweld had meegenomen, die Columbus dan ook aan boord van de Pinta vond. Pinzon had ze stellig in Spanje willen verkoopen, maar nu gaf Columbus bevel allen vrij te laten. Ook gaf hij hun vele geschenken tot vergoeding van het doorgestane leed. Pinzon was heel boos, en gaf onwillig en morrend toe.
Toen men het anker weer lichtte, hadden zij een gunstigen wind tot kaap Cabron toe. Hier ontmoetten zij een zeer sterk ras van wilden, waarvan de krijgslieden zich afschuwelijk leelijk beschilderd hadden, gelijk de eerste vechtersbazen van de Indianen in Noord-Amerika doen. Zij waren met strijdknodsen gewapend en hadden zeer sterke bogen en pijlen met beenen punten en van hard hout, zoodat zij met bijna dezelfde kracht als een geweerkogel, iemand konden doorboren. Ook droegen zij zwaarden van heel hard hout, en als ijzer zoo zwaar. "Zij waren niet scherp," schrijft Las Casas, "maar een paar vingers dik, en met één houw kon men er iemands helm mee in tweeën slaan."
De wilden waagden het niet de Spanjaarden aan te vallen. Integendeel, er was er één, die aan boord kwam, om pijlen en bogen te verkoopen. Columbus verstond hem zeker verkeerd, wanneer hij meende, dat hij door gebaren gezegd had, dat er in de nabijheid een eiland was, waar uitsluitend vrouwen woonden, die van tijd tot tijd door de Caraïbiërs werden bezocht. Werden er kinderen geboren, dan nam men de jongetjes mee, en liet de meisjes bij de moeders achter. Columbus heeft hem stellig niet begrepen, want het is haast niet te onderstellen, dat de wilde guitig genoeg was, om de vreemdelingen zoo bij den neus te nemen.
Columbus had ook verstaan, dat er zich in de wateren daar meerminnen ophielden, en hij zag er werkelijk eenigen. Het zijn misschien zeekalveren geweest. De koppen hadden eenige overeenkomst met het hoofd van een mensch. Columbus ontving zijn gast met groote vriendelijkheid, in de hoop daardoor een aangenaam verkeer met den volksstam te bewerken. Maar het bleek, dat de moedige wilde aan boord gekomen was als verspieder, want, nadat men hem rijkelijk van geschenken voorzien en met een boot aan wal gebracht had, begon hij te schreeuwen; dadelijk kwamen er vele wilden uit een hinderlaag te voorschijn en sloten zich bij hem aan. Zij deden hun best, om het scheepsvolk gevangen te nemen. Er ontstond een geduchte strijd. De Spanjaarden waren veel beter gewapend dan zij, en nadat de Europeanen twee gewond hadden, kozen de anderen het hazenpad. Dit was het eerste gevecht tusschen Europeërs en de Indianen der Nieuwe Wereld, en, och, of het tevens het laatste mocht geweest zijn! De oorlog, op deze wijze begonnen, werd in latere jaren zoo geducht, dat de grond van bijna alle eilanden roodgekleurd werd door menschenbloed, en de inboorlingen geheel werden uitgeroeid.
Het speet Columbus zeer, dat dit had plaats gehad. Hij was bang, dat het aanleiding geven zou tot een bloedigen aanval op zijn garnizoen. Den volgenden dag kwamen er vele Indianen op het strand. Zij legden geen vijandelijke bedoelingen aan den dag, maar waren vriendschappelijk en vol vertrouwen. Een boot goed gewapende matrozen werd naar den wal gezonden. Dezen hadden een snoer schelpen bij zich, die, naar Columbus' meening, bij de Indianen was wat bij beschaafde volken een vredevlag is.
Het opperhoofd ging, met een vertrouwen, dat in deze omstandigheden wonderlijk schijnt, met drie mannen in de boot, en werd naar het schip van den admiraal geroeid. Zij werden hartelijk ontvangen en op de smakelijkste spijzen onthaald, die men op het schip had. Al wat er belangrijks te zien was werd hun getoond, en met vele geschenken, die door een menigte wilden werden bewonderd, keerden zij naar het strand terug. Uit dankbaarheid voor al die weldaden zond het opperhoofd zijn gouden kroon aan Columbus. Uit latere beschrijvingen kan worden opgemaakt, dat dit opperhoofd Mayonabex heette, en de volksstam de Ciguayanen genoemd werd.
De vriendelijkheid had de gewenschte uitwerking. Columbus bleef er drie dagen, en de vriendschappelijke gezindheid duurde al dien tijd voort. Ofschoon het volk onder de wapenen bleef, bracht het toch onbevreesd katoen, vruchten en allerlei groenten op het schip. Er waren vier verstandige en hartelijke jonge mannen onder, waaraan Columbus zeer gehecht werd. Toen hij wegzeilde naar andere eilanden, die naar hun zeggen eenige mijlen oostwaarts lagen, gingen zij uit eigen beweging mee.
Den 16en Januari voeren de schepen weg. Columbus noemde de baai, die zij verlieten, en nu onder den naam van de golf van Samana bekend is, de Pijlengolf. Nadat zij ongeveer 60 mijlen afgelegd hadden, en het eiland Porto Rico naderden, werd de wind voor de thuisreis allergunstigst. Toen de matrozen gewaar werden, dat de schepen van den weg naar Spanje afweken, om nog het genoemde eiland aan te doen, begonnen zij te morren en drongen er op aan naar huis te gaan. Columbus wist, dat hij geen tijd verliezen kon, omdat zijn schip erg lek was, en de zeelieden op het punt stonden oproerig te worden. Op de trouw van Pinzon viel weinig te rekenen, en zoo hij weer schipbreuk leed, kon het gebeuren, dat hij zelf met al zijn aanteekeningen en gedenkschriften een graf vond in den oceaan. Dan zou de kennis van de groote ontdekking voor de wereld verloren zijn.
Tot groote vreugde der matrozen wendde Columbus het roer, en zette koers naar Spanje. Hij had waarschijnlijk weinig moeite de vier jonge Indianen tot die reis over te halen, daar hij hun beloven kon ze spoedig weer naar hun land terug te zullen brengen, als hij hun eerst de wonderen van de oude wereld had laten zien.
Niets is veranderlijker dan de wind, zegt het spreekwoord. In den verderen loop van Januari waren er nu eens zachte koelten dan weer windstilten. De Indianen sprongen vaak zoo maar in de effen zee, en zwommen als visschen om de schepen heen.
Even als in 't menschelijk leven werd kalmte door stormen afgewisseld. Vreeselijke orkanen zweepten den oceaan, en de razende golven dreigden hen te verslinden. De admiraal zag zich dikwijls genoodzaakt het zeil in te halen, opdat de Pinta bij kon blijven. Door wolken, duisternis en hooge golven omringd, wisten zij niet, waar zij zich bevonden, en Pinzon, zoowel als de twee stuurlieden, verschilden in gevoelen hieromtrent met Columbus. Naar hun meening waren de schepen 400 mijlen dichter bij Spanje dan Columbus dacht. Columbus had gelijk. Las Casas maakt de merkwaardige opmerking, dat Columbus hen niet uit de dwaling hielp, en hen zelfs nog meer in de war trachtte te brengen, opdat zij niet meer zouden weten, hoe zij reizen moesten, en hij alleen de rechte kennis zou hebben van den te volgen weg.