Columbus: De ontdekker van Amerika

Chapter 17

Chapter 173,610 wordsPublic domain

Vergelijkt men het bestuur van Bobadilla en Ovando met dat van Columbus, dan is dit laatste rechtvaardig en menschelijk geweest. Hij paste de doodstraf niet lichtzinnig toe, en gaf geen verlof tot het opleggen van barbaarsche straffen. Zijn ernstige begeerte was het de Indianen te beschaven en tot het christendom te bekeeren. Wel zond hij vele inlanders naar Spanje, om daar als slaven te worden verkocht, maar dat kwam door een dweepzucht, die men destijds vrij algemeen aantrof, en die, wij schamen het ons te zeggen, nog geen halve eeuw geleden, van de predikstoelen zoowel in Engeland als in Amerika, verdedigd en aanbevolen is. Toch heeft Columbus hiervoor een strenge afkeuring verdiend. Maar evenzeer zal een eerlijk gemoed rekening houden met de eeuw, waarin hij leefde.

Sedert de schipbreuk was er een jaar vol angst en droefheid voorbijgegaan, toen in den morgen van den 28en Juni 1504 twee karveelen werden gezien, die naar de haven kwamen. Men werd bijna krankzinnig van vreugde, en de wanhoop was geweken. De samenzweerders, die vergiffenis hadden gekregen, waren in een kamp op het land gelegerd. Porras, den aanvoerder, hield men gevangen. De anderen werden behandeld, alsof ze aan geen misdaad schuldig stonden. Maar zij beefden toch van angst en waren zeer gedwee en kruipend. Columbus stelde een vertrouwd officier over hen aan, en zoo wachtten de twee troepen, één aan land en één op de schepen, de aankomst van hulp af.

Algemeene verontwaardiging te San Domingo had Ovando genoodzaakt deze hulp, hoe laat dan ook, te zenden. Met de inscheping was er geen tijd te verliezen. Columbus liet op een van de schepen zijn admiraalsvlag hijschen, en, grootmoedig alle geleden onrecht vergetende, behandelde hij allen met de grootste vriendelijkheid. Van Santa Gloria langs de zuidelijke kust van Jamaïca, van daar naar het westen van Haïti en dan langs den zuidkant van het eiland naar San Domingo is nog al een verre reis.

Stormen, tegenwinden en sterke tegenstroomen vertraagden den overtocht, en niet voor den 13en Augustus wierpen de karveelen in de haven het anker uit. Daar had Columbus veel vrienden, en zijn ongelukken hadden een groote verandering in de gevoelens jegens hem veroorzaakt bij velen, die ook eerst meegeschreeuwd hadden tegen hem. Zelfs de Goeverneur, wiens geweten niet zuiver was, begon bang te worden, dat men hem om zijn wreed uitstel ter verantwoording zou roepen. Columbus verwonderde zich zelf, dat hij door allen met zooveel hoffelijkheid ontvangen werd. Maar noch hij, noch zijn zoon Fernando liet zich misleiden door de gehuichelde beleefdheden van den Goeverneur.

Zeer spoedig ontstond er een botsing tusschen beider niet juist omschreven macht. Moeielijkheden over de bevoegdheden om recht te spreken deden zich voor. Columbus was tot in het diepst van zijn ziel getroffen over de behandeling, die de inlanders hadden ondergaan en ook over de verwoesting, waarvan het heele eiland de sporen droeg. Hij had gehoopt, de inlanders aan arbeid te gewennen en daardoor zoowel hun eigen welvaart als die van de kroon te bevorderen. Hij schreef aan den koning en de koningin:

"De Indianen van Hispaniola waren en zijn de rijksten van het eiland. Zij bebouwen den grond en bakken brood voor de christenen; zij halen het goud uit de mijnen en doen alle diensten en al het werk, die mensch en dier verrichten. Ik heb bericht ontvangen, dat, sinds ik dit eiland verliet, 6/7 van de inboorlingen dood is, en dit enkel door onmenschelijkheid en mishandeling. Sommigen kwamen door het zwaard om, anderen door slagen en wreede straffen, velen door honger. Het grootste deel stierf in de bergen en bergpassen, werwaarts zij gevlucht waren, om van den al te zwaren arbeid verlost te worden, dien men hun had opgelegd."

Columbus was niet in staat ook maar een enkele grief weg te nemen. Hij kon van Ovando geen afrekening krijgen en was daardoor niet in staat te betalen wat hij schuldig was. Daarom maakte hij aanstalten, om met zijn broeder naar Spanje terug te keeren. Twee schepen werden voor de reis gereedgemaakt. Columbus zorgde voor het eene, de adelantado voor het andere. Heel mild stond Columbus van het weinige, dat hij zelf bezat, nog af, om in de behoeften van de arme zeelieden te voorzien, die achter moesten blijven, ofschoon velen er van de grootste oproermakers waren geweest. Nauwelijks waren zij buiten de haven, of een windvlaag nam den mast van het admiraalschip weg. Het ontredderde schip werd teruggezonden, en Columbus ging met zijn zoon op dat van zijn broeder over, om de reis voort te zetten.

Met aanhoudende stormen hadden zij te worstelen. Columbus kon zijn bed niet verlaten, zoo folterend waren de pijnen, die hij door de jicht leed. Den 12en September 1504 verlieten de schepen San Domingo, en den 7en November wierp zijn door stormen zeer gehavend schip het anker in de haven van San Lucar uit. Dadelijk zette hij de reis naar Sevilla voort. Zwakte, pijn, zorg en verdriet volgden hem overal. Zijn eigen zaken waren deerlijk in de war en hij stak diep in de schulden. Koningin Isabella lag op haar ziek- en sterfbed, verteerd door zulk een menigte huiselijke verdrietelijkheden als maar weinigen ooit hebben moeten verdragen. Ferdinand was een ongevoelig mensch, die niet in staat was om door gevoelens van edelmoedigheid geleid te worden.

Columbus schreef aan zijn zoon, dat het hoogst noodig was de meest mogelijke zuinigheid in acht te nemen. "Ik ontvang," schreef hij, "niets van hetgeen men mij schuldig is. Ik leef door te borgen. Weinig voordeel heeft een twintigjarige dienst mij opgeleverd, een dienst, waaraan zooveel moeite en gevaren verbonden waren. En nu heb ik in Spanje zelfs geen eigen dak. Als ik eten en slapen wil, moet ik mijn toevlucht tot een herberg nemen. En meestentijds heb ik zelfs niet eens geld om de rekening te betalen."

Isabella stierf levenszat en met een gebroken hart te Medina del Campo op den 26en November 1504. Haar levenspad werd slechts door eenige weinige vreugdestralen verlicht. Toen zij haar vrienden, die om haar heen stonden, in tranen zag baden, zeide zij tot hen:

"Weent niet om mij, en brengt uw tijd niet zoek met vruchtelooze gebeden voor mijn herstel; bidt liever voor het heil van mijn ziel."

Zij was 54 jaar oud en had 30 jaren geregeerd. Toen men haar lijk grafwaarts droeg, heerschte er een vreeselijke storm, die hemel en aarde in beroering bracht. De regen viel in stroomen neer, en een van de hevigste winterstormen gierde om de torens van het Alhambra, toen Isabella in de sombere gewelven werd begraven.

De dood van Isabella was een van de grootste rampen, die Columbus overkwam. Het overige gedeelte van den winter en de lente bracht hij te Sevilla door. Den meesten tijd lag hij te bed met vreeselijk lijden. Hij was zeer aan zijn broeders gehecht en hield veel van zijn zoons Ferdinand en Diego. Aan den oudste schreef hij:

"Gedraag u jegens uw broeder als het den oudste tegenover den jongeren betaamt. Gij hebt geen ander, en ik dank God, dat hij er een is zooals gij behoeft. Tien broeders zouden niet te veel voor u zijn. Nooit en nergens heb ik betere vrienden dan mijn broeders gevonden."

Aan het hof had Columbus nog veel vijanden, die er tamelijk wel in slaagden om te maken, dat men op zijn armoedige omstandigheden geen acht sloeg. Hij gevoelde zich zeer ongelukkig en begreep, dat een persoonlijk bezoek aan het hof een gebiedende noodzakelijkheid was. Maar hij was zoo verbazend zwak, dat het lang duurde eer hij de reis wagen kon.

Nadat de winterstormen over waren, maakte hij van het zachte weer in Mei gebruik, en ging hij met zijn broeder, den adelantado, den koning te Segovia bezoeken. Als een vermoeid, droefgeestig, miskend man, meer door verdriet dan door den ouderdom gebogen, ging de ontdekker van een nieuwe wereld, door de poorten van de koninklijke stad.

De zelfzuchtige Ferdinand dacht niet meer aan de bewezen diensten, en vond den man met zijn vragen lastig. Hij ontving hem wel is waar vriendelijk, maar met dien kouden, onbeduidenden glimlach, die als een zonnestraal bij winterdag over het gelaat gaat, zonder het hart te verwarmen.

Columbus gaf den koning een uitgebreid en nauwkeurig verhaal van zijn laatste reis. Maar geen vroolijken lach, geen traan van deernis kon het meegedeelde afdwingen. De koning was mild met vriendelijke woorden, maar karig, tot wreedheid toe, waar het aankwam op stoffelijke erkenning van de verdiensten of de behoeften van den levensmoeden admiraal. [8]

Droeve maanden van uitgestelde hoop en bittere teleurstellingen vloden voorbij. De laatste zandkorrels uit het uurglas van het leven begonnen te vloeien. Zijn geest werd minder en door een hevige aanval van de jicht, werd de admiraal opnieuw aan zijn bed gekluisterd. Ter wille van zijn bloedverwanten was hij er bijzonder op gesteld, dat zijn waardigheden erkend, zijn eigendom beschermd zou worden en dat zij, die hij liefhad, voor gebrek bewaard mochten blijven. Toch was hij er veel meer op uit, zijn kinderen een eervollen naam na te laten dan zijn geldelijke verliezen te herstellen. Van zijn sterfbed schreef hij den koning nog, en verzocht dat zijn zoon Diego tot onderkoning benoemd mocht worden, van welke waardigheid hij zelf zoo onrechtvaardig ontzet was geworden.

"Dit", schreef hij, "is een zaak, die mijn eer raakt. Voor het overige moet Uwe majesteit maar doen, wat zij het best vindt. Geef of neem mij af, zooals het voor U het voordeeligst is, en ik zal tevreden wezen. Ik geloof dat de zorg, die het uitstellen van deze zaak mij geeft, de voornaamste oorzaak van mijn ziekte is."

Eindelijk kreeg hij de overtuiging, dat er van de zijde van Ferdinand geen hoop op herstel van grieven was. Op zijn ziekbed schreef hij aan zijn trouwen vriend, Diego de Deza, den volgenden wanhopigen brief:

"Het schijnt, dat de koning niet doen wil, wat hij en wijlen de koningin mij mondeling en schriftelijk hebben beloofd. Het zou met den wind vechten wezen, als ik mij daartegen ging verzetten. Ik heb alles gedaan, wat ik kon. De rest laat ik aan God over, die altijd goed voor mij geweest is."

Er is in den dood van dezen zwakken maar heldhaftigen man iets onuitsprekelijk droevigs. Lichaam en geest hadden bij dien man door de stormen van het onrustigste aardsche leven, dat men zich denken kan, veel geleden. Sedert eenigen tijd was het zijnen vrienden duidelijk geworden, dat zijn einde naderde. Hij zelf werd hiervan overtuigd. Het verheven karakter van Columbus komt duidelijk uit bij het uitspreken van zijn laatsten wil in die plechtige uren.

Overeenkomstig het erfrecht, was zijn zoon Diego zijn voornaamste erfgenaam. Columbus bepaalde, dat zijn landgoed nooit in vreemde handen overgaan of verbrokkeld mocht worden. Hij drong er op aan, dat zijn erfgenamen altijd aan den koning getrouw zouden blijven en alles zouden doen ter bevordering van het christelijk geloof. Eén tiende van het inkomen moest besteed worden om arme bloedverwanten en andere gebrek lijdende personen te ondersteunen. Hij stond er op, dat bij de stad Concepcion op Hispaniola een kapel zou gebouwd worden, waar dagelijks missen werden gelezen voor de rust van zijn eigen ziel, en voor die van zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw en van allen, die in het geloof gestorven waren.

Eindelijk brak het stervensuur aan. Columbus was zich volkomen bewust, dat de tijd van gaan voor hem gekomen was. Hij was blijde, dat de dood naderde, als de vriendelijke bode, die hem van zorg, pijn en verdriet zou bevrijden. Zijn laatste woorden waren: "In uwe handen, o God! beveel ik mijnen geest."

Het was de 20en Mei 1506. Men vermoedt, dat Columbus toen 70 jaren oud was. Zijn begrafenis had te Valladolid met veel plechtigheid plaats. Eerst werd zijn lijk in de kerk van Santa Maria de la Antigua bijgezet, maar zeven jaren daarna, in 1513, werd het naar het Karthuizer klooster van Las Cuevas te Sevilla overgebracht. Drie en twintig jaren later werd het met dat van zijn zoon Diego in de hoofdkerk van de stad San Domingo begraven. Maar zelfs hier mocht het de laatste rustplaats niet vinden. Toen de Franschen zich in 1797 van het eiland hadden meester gemaakt, werden de lijken door de Spaansche gezaghebbers naar de hoofdkerk van Havana, op Cuba, overgebracht. Daar rusten ze nu.

Ieder lezer zal, wanneer hij het vorenstaande verhaal nagaat, een eigen oordeel vellen over het karakter van Columbus. Zijn afwisselend leven was over het geheel een van de meest vreugdelooze en moeitevolle levens, waarvan de geschiedenis melding maakt. Dat hij zijn gebreken had, geven we toe. Maar geen eerlijk gemoed zal ontkennen, dat deze vlekken op zijn karakter door vele en verhevene deugden werden vergoed.

INHOUD.

_Eerste Hoofdstuk_.

Moeilijkheden in de jeugd. 3

Afkomst en jeugd. Toestand der tijden. Avonturen van een jong matroos. Zijn studiën. Hij gaat zelf. Bezoek te Lissabon. Wat er van zijn studiën te recht kwam. Geruchten uit andere landen. Zijn groote eerzucht. Hij wendt zich tot het hof van Napels. Koninklijke ontrouw. Zijn huwelijk. Vertrek naar Spanje. Tooneel te Palos. Hij bezoekt het hof van Ferdinand en Isabella. Het vervelende van uitgestelde hoop. Vergadering van de wijsgeeren. Het verbazende besluit.

_Tweede Hoofdstuk_.

Eerste reis. 17

Columbus te Cordova. Macht van den leenadel. Nieuwe weigering. Terugkeer naar La Rabida. Vernieuwde hoop. Reis van den prior. Volgehouden eischen van Columbus. Onderhoud met Isabella. De wegzending. De terugroeping. Het uur der zegepraal. Vroolijke terugkomst te Palos. Voorbereiding voor den tocht. Zijn karakter. Vertrek van de vloot.

_Derde Hoofdstuk_.

Er wordt land ontdekt. 28

Het muitende scheepsvolk. Het schijnsel van de flambouw. Het verhaal beoordeeld. Landing op San Salvador. Twijfel aan het bestaan van het eiland. Verrukkelijk tooneel. Twee dagen op het eiland. Geschiedenis van den gestorven loods. Handel met de inboorlingen. Hun onschuld en vriendelijkheid. Het eiland wordt onderzocht. Onduidelijkheid van de gebarentaal.

_Vierde Hoofdstuk_.

Een tocht door de eilanden. 36

Het aantal eilanden. Onrecht hersteld. Minzaamheid van Columbus. Zijn beschrijving van de inlanders. De ontdekking van Concepcion; van Fernandina. Schoonheid van de natuur. Landing te Exumata. Teleurstelling van Columbus. Onderzoek van de eilanden. Zeden en gewoonten van de bewoners.

_Vijfde Hoofdstuk_.

Buitengewone lotgevallen. 47

Godsdienstige inzichten. De tuin van den koning. Pinzon loopt weg. Schoonheid van de landstreek. Groote kano's. Porto Rico, het eiland van de Caraïbiërs. Haïti. Rijke natuurtooneelen. Schrik van de wilden. Het gevangen meisje. Geopend verkeer. Verhaal van Peter Martyr. Bezoek van het opperhoofd. Guacanagari. Punta Santa of Groote rivier. De schipbreuk. Gastvrijheid van Guacanagari. Vermaken van de wilden. Het koninklijk middagmaal Het leven op Haïti. De Caraïbiërs. Toebereidselen voor de terugreis. Het fort.

_Zesde Hoofdstuk_.

De terugreis. 62

De Nina ontmoet de Pinta. Rio de Gracia. Ontmoeting met een wilden stam. Het eerste gevecht. Vrede hersteld. Het leven op zee. Vreeselijke storm. Beloften van den admiraal en het scheepsvolk. Verdriet van Columbus. Het perkament en de doos. Zij bereiken de Azoren. Moeilijkheden op St. Ataria. Voortdurende stormen. Men komt den Taag op. Eerbewijzingen te Lissabon. Hofkuiperijen. Ontvangst te Palos. Opgewondenheid in Spanje. Droevig lot van Pinzon. Columbus aan het Spaansche hof.

_Zevende Hoofdstuk_.

De tweede reis. 77

Opgewondenheid in Europa. De maliënkolders. Columbus wordt een jaargeld toegekend. Vertelling van het ei. De zegen van den Paus. Godsdienstijver van Isabella. Plannen van Portugal. De nieuwe uitrusting. Algemeene geestdrift. Het uitzeilen van de vloot. De prettige reis. Electrisch natuurverschijnsel. Kruistocht door de Antillen. Verloren in de bosschen. Gevecht tusschen de booten. Porto Rico. De Caraïben. Men nadert Haïti. De golf van Samana. Men komt op La Navidad. Lot van de kolonie.

_Achtste Hoofdstuk_.

Het leven te Hispaniola. 92

Verklaring van Guacanagari. Het opperhoofd verdacht. Ontsnapping van de vrouwelijke gevangene. Duisternis te Navidad. Onderzoekingstochten. De vloot zeilt. De stad Isabella gesticht. Woelig landingstooneel. Teleurgestelde verwachtingen. Tochten van Ojeda. Doortrekking van de vlakten. Lijden in de kolonie. Brief aan de koningen. De slavenzaak. Getuigenis van Henneken. Opstand van Bernal Dias. Tocht naar de bergen. Levendige beschrijving.

_Negende Hoofdstuk_.

Onderzoek van de kusten van Cuba. 107

Het fort St. Thomas. Buitensporige verwachtingen van de Spanjaarden. De onderzoekingstocht. Het gevangennemen van de dieven. Begin van den zeetocht. De haven van Guatanamo. Belangrijk voorval met de Indianen. Jamaïca. Zijn grootte en schoonheid. Zeetooneel. Gebeurtenissen op Santa Gloria. Inlandsche kano's. Gebeurtenissen op reis. Oordeel van Van Humboldt. De beslissing. Het pijnboomen-eiland. De terugkeer naar Hispaniola. Voorvallen op de reis.

_Tiende Hoofdstuk_.

De terugreis naar Spanje, en de derde reis. 121

Aankomst van Bartholomeus Columbus. Beleedigingen van Margarite. Samenzwering tegen Columbus. Vriendschap van Guacanagari. Daad van Ojeda. De inlanders slaven. Een bloedige slag. Heerschzucht van Columbus. Zending van Juan Aguado. De terugreis naar Spanje. Vervelende maanden van teleurstelling. Noodlottige viering van hartstochten. De derde reis begonnen. Lotgevallen op de reis. Het bestuur van Bartholomeus Columbus. Regeeringloosheid op Hispaniola.

_Elfde Hoofdstuk_.

De terugreis naar Spanje, en de vierde reis. 137

De opstand van Roldan. Verzoenende voorstellen van Columbus. Dubbelzinnigheid van Columbus. De tocht van Ojeda. Regeeringloosheid op Haïti. De forten. De liefde van 't volk wordt minder. Bobadilla tot gemachtigde benoemd. Maatregelen van Bobadilla. Columbus in boeien. Zijn ontvangst bij den koning en de koningin. Toebereidselen tot de vierde reis. Het uitwendige van de reis. Ontvangst van Columbus op San Domingo. De windhoos. Hij bereikt Honduras. De kruistocht langs de kust. Gedrag van de Spaansche zeelieden. De kolonie verwoest. Ontvluchting naar Jamaïca.

_Twaalfde Hoofdstuk_.

De schipbreuk op Jamaïca. 154

Onderzoek van 't eiland. Heldhaftige bedrijven van Mendez. Geestelijk lijden van Columbus. De samenzwering van de gebroeders Porras. Rampen van de oproermakers. Strooptocht door het eiland. Irving's getuigenis. Vertelling van de maansverduistering. Vreemde tocht van Escobar. Reisrampen. Het eiland Navasa. Het verhaal van Mendez. Laag gedrag van Ovando. Heldenmoed van Mendez. Einde van den opstand. Hun terugkomst.

_Dertiende Hoofdstuk_.

De slottooneelen van het leven. 165

De misdaden van Ovando. Ontvolking van het eiland. Getuigenis van Irving. De redding. Ontvangst op San Domingo. Het medelijden van Columbus met de inboorlingen. Ziekte en lijden van Isabella. Dood en begrafenis. Brieven van Columbus. Bezoek aan het hof. Koele ontvangst. Zijn laatste wil. Het sterftooneel. De begrafenis. Zijn karakter.

AANTEEKENINGEN

[1] Omstreeks het jaar 1852 werd in de nieuwsbladen het bericht opgenomen, dat deze doos op de Afrikaansche kust gevonden was geworden door een scheepskapitein, die van Boston in Massachusetts kwam. De naam van het schip was Chieftain. Het bericht was zeer omstandig, en werd door den Franschen geschiedschrijver de Lamartine en vele anderen geloofwaardig genoemd. Maar omdat sinds dien tijd de waarheid ervan nooit bevestigd is geworden, houdt men het er thans voor, dat de een of andere berichtgever het verhaal heeft verzonnen.

[2] Dit was ongeveer f 7500; doch veel meer, wanneer men aan de betrekkelijke waarde van het geld in die dagen denkt. Een marevedi was een muntstukje, dat 3/4 cent volgens den tegenwoordigen koers waard was.

[3] Oviedo zegt, dat Rodrigo de Triana zich het onrecht, dat men hem aandeed zoo aantrok, dat hij zijn vaderland en zijn geloof verloochende. Naar Afrika gaande, omhelsde hij den Islam. Nergens vindt men echter deze bewering bevestigd, en Oviedo heeft niet den naam een geloofwaardig geschiedschrijver te zijn.

[4] "De scheepsdokter en ik waren er bij, toen Columbus hem vroeg, of hij ons zijn wond eens wilde laten zien. Hierin stemde hij toe. Daarop ging de dokter naar hem toe, en begon het windsel los te maken. Hij zeide, dat de wond door een steen veroorzaakt was. Toen het been bloot was, zag men daaraan evenmin een wond als aan het andere; maar hij was slim genoeg, om te zeggen, dat hij er toch veel pijn in had. Daar wij dit niet konden nagaan, was het onmogelijk een oordeel te vellen. De admiraal wist niet, wat hij doen moest, want er waren stellige bewijzen, dat een vijandig volk een inval had gedaan. Hij meende; en vele anderen dachten er eveneens zoo over, dat zij voor het oogenblik, tot zij zich van de waarheid verzekerd konden houden, hun twijfel moesten verbergen, want, na verkregen zekerheid, kon men een schadevergoeding eischen naar begeeren." _brief van Dr. Chancaa_.

[5] Een merevedi is een Spaansch koperen muntstukje, ter waarde van 3/4 cent.

[6] In zijn ijver voor de Indianen werd Las Casas door een zonderlinge onstandvastigheid, de oorzaak van den slavenhandel, want hij stelde voor, om van de Portugeezen in Afrika negers te koopen, ten einde de landbouwers van werkvolk te voorzien. Hieraan werd ongelukkig uitvoering gegeven. Hij schreef onderscheidene werken, die nooit een drukker vonden. Al zijn werken verraden groote geleerdheid, helder oordeel en godsvrucht. Ondanks zijn groote ongelijkheid aan zich zelf met betrekking tot de negers, moet hij als een zachtaardig mensch beschouwd worden, als iemand, die de menschheid werkelijk liefhad.

[7] Uit dit getal blijkt, òf dat eenige oproermakers afvallig geworden waren, òf dat meer dan de helft aan Columbus getrouw gebleven was.

[8] "Ik weet niet", schrijft de eerbiedwaardige Las Casas, "wat de oorzaak van dezen haat, van dit gemis aan vorstelijke waardigheid bij den koning zou kunnen zijn, jegens een man, die hem zulke groote voordeelen bezorgd had, tenzij zijn hart door de valsche getuigenissen, die tegen den admiraal waren ingebracht, van hem was afgekeerd. Personen, die in de gunst van 't hof deelen, hebben mij daarvan een en ander verteld.

BIBLIOTHEEK VOOR DE JEUGD, ONDER LEIDING VAN J. VERSLUYS.

1. _Robinson Crusoe;_ uit het Engelsch vertaald door Mej. _A. van Schouwenburg_, te Haarlem.

2. _Columbus, de ontdekker van Amerika;_ uit het Engelsch vertaald door _J.H. Geraets Jr._, te Velsen.

3. DANA, _Twee jaar voor de mast;_ uit het Engelsch vertaald door _J. v.d. Hoeve_, te IJmuiden.

4. _Grieksche Heldensagen;_ uit het Hoogduitsch vertaald door Dr. _E. Rehler_.

5. FERRY, _De Woudlooper;_ uit het Fransch vertaald door _A.S. Schoevers_, te Amsterdam.

6. CHURCH, _Twee duizend jaar geleden_, of de lotgevallen van een Romeinschen jongen; uit het Engelsch vertaald door _J.W. den Herder_, te Nieuwer-Amstel.

7. CHARLOTTE M. YONGE, _De prins en de schildknaap;_ uit het Engelsch vertaald door Mevr. _Van Putten-de Witt_, te Amsterdam.

Verder zullen verschijnen: _Noorsche Sagen_, _De eerste reis rondom de wereld_, _Arabische Nachtvertellingen_, _Gulliver's reizen_, _Een boek der uitvindingen_, _Het leven van Franklin_, en verschillende met zorg gekozen verhalen.