Columbus: De ontdekker van Amerika
Chapter 15
"Neen; Hun majesteiten hebben mij schriftelijk bevolen mij aan alles te onderwerpen, wat Bobadilla in hun naam zou bevelen. Op hun gezag heeft hij mij in deze boeien geklonken. Ik zal ze dragen, tot zij bevel geven ze weg te nemen, en ik zal ze daarna bewaren als herinneringen aan het loon voor de diensten, die ik bewezen heb."
Onderweg schreef hij een bewonderenswaardigen brief, dien men aan de monarchen moest laten zien. Hij zond dien aan Donna Juana de la Torres, een hofdame, die in de bijzondere gunst van de koningin deelde. Toen het schip te Cadix kwam, werd deze brief dadelijk verzonden en aan Isabella gegeven. Zij las hem met de diepste ontroering en deelneming. De koning en de koningin waren beiden even verontwaardigd over de Columbus aangedane behandeling. Zij gaven bevel, dat hij en zijn broeders dadelijk in vrijheid gesteld, en met de grootste onderscheiding bejegend moesten worden. Gezamenlijk schreven zij aan Columbus, en drukten hun leedwezen uit, dat hij zooveel geleden had, verzekerden hem van hun dankbaarheid en liefde, noodigden hem aan het hof en zonden 2000 dukaten, om de reiskosten te bestrijden.
Op den 17en December maakte Columbus, rijk gekleed en gevolgd door een voor die gelegenheid passenden stoet, zijn opwachting bij Hun majesteiten te Grenada. Toen de koningin hem groette, barstte zij in tranen los. Dit maakte het hart van den heldhaftigen man zoo week, als geen gestrengheid had kunnen doen. Hij viel op de knieën, lag voor eenige oogenblikken buiten kennis, en weende en snikte onder hevige aandoeningen. Columbus werd overtuigd, dat zij de handelwijze van Bobadilla geheel afkeurden, en dat hij onmiddellijk zou worden ontslagen. Zij sloegen volstrekt geen acht op de beschuldigingen, die Bobadilla tegen hem had ingediend. Elke gelegenheid grepen zij aan, om openlijk hun gunst te openbaren, en gaven hem de verzekering, dat al zijn leed vergoed, in zijn armoede voorzien zou worden, en dat hij zijn vroeger gezag terug zou krijgen.
Onder het bestuur van Bobadilla deed ieder, wat hij wilde. Las Casas deed een huiveringwekkend verhaal van al het onrecht, dat men den Indianen aandeed. De gemeenste deugnieten namen den schijn aan van edelen te zijn, ontstalen den opperhoofden hun dochters, omringden zich met bedienden, als waren ze Oostersche vorsten en dwongen de inlanders hen in stoelen te dragen. Een inlander of een vogel dood te schieten, was hun hetzelfde.
Zoo spoedig als het kon werd Don Nicholas de Ovando heengezonden, om Bobadilla af te zetten. Maar het ontbrak hem aan de noodige macht, om over de gemoederen, die daar de rust verstoorden, den baas te spelen. Onder zijn bestuur kwam er geen verbetering in den toestand. Hem was in het bijzonder opgedragen Columbus en al zijn broeders voor al hun verliezen schadeloos te stellen.
Intusschen werden er toebereidselen gemaakt voor een nieuwe reis van Columbus. Tochten door andere hoven en bijzondere personen ondernomen, hadden een groote uitbreiding aan de ontdekkingen in de Nieuwe wereld gegeven. Vasco de Gama was de Kaap de Goede hoop omgezeild en verrijkte Portugal met de voortbrengselen van de Oost. Men onderstelde, dat daar ergens een straat moest zijn, dicht bij de landengte van Darië, die den Atlantischen met den Stillen oceaan verbond. Columbus moest die straat trachten te vinden. Na veel getalm, dat aan alle hofhoudingen eigen is, waren er eindelijk vier schepen zeilklaar. Het grootste schip hield maar 70 ton in, en het kleinste 50. De geheele bemanning bestond uit 150 koppen.
Columbus was nu een man op jaren; hij had zijn 66e jaar bereikt. Door verdriet en zorg was zijn geest afgemat, en vele lichaamsgebreken bogen die eens zoo krachtige gestalte. Zijn geestvermogens schenen echter nog onverzwakt. Op deze reis werd Columbus door zijn broeder Bartholomeus en zijn jongeren zoon Fernando vergezeld.
Den 9en Mei 1502 zeilde de vloot van Cadix uit. Langs de kust van Marokko en de groote Canarische eilanden, kwam de kleine vloot den 15en Juni bij een van de Caraïben, waarschijnlijk Martinique. Na een vaart van 30 mijlen kwamen zij bij Dominica. Toen hij Santa Cruz en de zuidzijde van Porto Rico voorbijvoer, was hij, in strijd met zijn oorspronkelijk plan en de hem verstrekte lastgeving, genoodzaakt de haven van San Domingo in te loopen. In een brief aan de monarchen gaf hij hier een verklaring van.
Don Ovando, de opvolger van Bobadilla, regeerde toen. Om de een of andere reden, die nog niet geheel opgehelderd is, weigerde Ovando den generaal in de haven te laten komen. Las Casas geeft te verstaan, dat er in de stad veel vijanden van Columbus waren, en hij dus vreesde, dat die gemeene en diepgezonken lieden hem geweld zouden aandoen. Toen Columbus er aankwam, zou er juist een vloot in zee steken, om naar Spanje te gaan. Zij had een groote hoeveelheid goud in, dat men door maatregelen van geweld van de inboorlingen had afgeperst. Bobadilla hoopte hierdoor de gunst van Hun majesteiten te koopen. Het was de rijkste lading, die ooit de eilanden verlaten had. Een verbazend groote klomp, dien een Indiaansche vrouw gevonden had en die het grootste stuk gedegen goud was, dat ooit ontdekt werd, was er ook bij. Men rekende, dat die klomp meer dan 5000 gulden waard was.
De morgen, waarop de vloot onder zeil zou gaan, was buitengewoon helder. Geen blaadje bewoog zich, en de zee geleek een spiegel. Maar het geoefend oog van Columbus voorzag de nadering van een dier geweldige windhoozen, die zoo menigmaal in de keerkringszeeën een schipbreuk ten gevolge hebben. Daarom raadde hij den gouverneur aan, het vertrek van de schepen een paar dagen uit te stellen. Zijn raad werd echter met verachting verworpen. Er kwam een lichte bries, alle zeilen werden geheschen, en de vloot aanvaardde de reis.
Columbus, die zeker wist, dat er een storm in aantocht was, en het verdrietig vond, dat men hem bij den naderenden nood uit de haven verdreef, die hij zelf had ontdekt, zocht zoo spoedig mogelijk een veilige ankerplaats op, waar hij den storm gerust kon afwachten. De naar Spanje terugkeerende vloot was nog maar weinige uren op zee, of de hoos vloog met ongewone woede op haar aan. Het schip, waarop Bobadilla en Roldan zich bevonden met een groote hoeveelheid goud aan boord, waartoe ook de groote klomp behoorde, werd door de golven in de diepte geslingerd en allen verdronken. Vele andere schepen zonken, en men vernam er niets meer van. Enkelen gelukte het in gehavenden toestand op San Domingo terug te komen. Slechts één schip kwam in Spanje. Het is opmerkelijk, dat dit juist het zwakste van alle was, en dat het het eigendom van den admiraal bevatte.
Columbus, die in een nooit bezochte baai ankerde, was getuige van de snelle vaart en het geloei van de windhoos, terwijl pikzwarte wolken door het luchtruim vlogen, een bijna nachtelijke duisternis heerschte, en reusachtige boomen door den verschrikkelijken storm werden geveld. Met veel moeite redde hij zijn schepen. Nadat hij ze in de kleine haven van Azua gekalefaat had, werd de reis voortgezet. Toen hij Jamaica voorbij was, belette windstilte het voortgaan, kreeg hij met tegenwinden en nog veel meer met zijn muitziek volk te worstelen. Negen nare en moeitevolle weken gingen kruipend om, en toen bereikte men een eilandje op de kust van Honduras in de nabijheid van Truxillo.
Een kano, waarin 25 Indianen zaten, kwam op het schip af. Dezen waren wat beschaafder, dan die men tot dusver had ontmoet. Hun zwaarden waren van zeer hard hout gemaakt, hun messen van steen en hun bijlen en hakmessen van koper. Zij droegen aardig geweven hemden en mantels van katoen, dat sierlijk en met verschillende kleuren geverfd was. Maar het allerbelangrijkst is wel, dat zij groote hoeveelheden cacao-boonen bij zich hadden, waarvan de chocolade gemaakt wordt. De Spanjaarden hadden deze boon nog nooit gezien. Spoedig werden die boonen een algemeen en belangrijk handelsartikel.
De kano was uit een enkelen boomstam gemaakt, en zal 54 voet lang en 8 breed zijn geweest. Zij was dus nog al groot. Columbus kocht hun alles af, en betaalde met Europeesche snuisterijen. De inboorlingen waren noch verwonderd noch bang. Mannen en vrouwen hadden katoenen kleederen aan.
Men kon in het Zuiden de bergen van het vasteland duidelijk zien. Een van de Indianen bood zich dadelijk als loods aan. Columbus verliet dit eiland, dat nog den echt Indischen naam van Guanaja draagt, en zeilde zoo lang zuidwaarts tot hij bij kaap Honduras kwam, die hij kaap Caxinas noemde. Het was Zondag morgen, de 4e Augustus. De admiraal ging met een groot gedeelte van het scheepsvolk aan land, om er een godsdienstoefening te houden. Twee dagen later landde hij op een andere plaats, ontplooide er de Spaansche vlag en nam het land in naam van Spanje in bezit. Wel een honderdtal Indianen stond er om heen, en keek eerbiedig naar die plechtigheid.
Toen hij langs de kust van Honduras de reis oostwaarts voortzette, had hij wel 60 dagen lang grooten last van stormen en regenvlagen, vergezeld van onweders, zooals hij nog nooit had bijgewoond. Den meesten tijd lag Columbus te bed, omdat hij erg door de jicht gekweld werd. Het kwam zijn vrienden en ook hem zelf voor, dat het einde van zijn stormachtig leven nabij was. Eindelijk bereikte hij een punt, waar de kustlijn bijna rechthoekig naar het Zuiden liep. Deze kaap noemde hij Gracias a Dios, of "Gode zij dank."
Zoo langs de kust varende, scheen het land dicht bevolkt te wezen, en zag het er met zijn heuvels en valleien, zijn bosschen en weiden zeer bekoorlijk uit. Het is een opmerkelijk feit, dat de inboorlingen, hoe vriendelijk ook, geen geschenken van de Spanjaarden wilden aannemen zonder er iets voor terug te geven van hetgeen zij bezaten. Dit is des te opmerkelijker, omdat zij zulk een groote waarde hechtten aan Europeesche messen en koralen.
De reis werd langs de schilderachtige stranden van Costa Rica voortgezet. Hier zag men inlanders, die versierselen droegen van zuiver goud. Maar de gedachten van Columbus bepaalden zich thans alleen tot het vinden van de straat. Om die denkbeeldige doorvaart te zoeken, deed hij alle baaien van de landengte van Panama aan. Veertig mijlen zeilde hij zoo langs de kust van Veragua voort, en kreeg intusschen verscheidene platen zuiver goud. Hier zagen de Spanjaarden voor het eerst flink gebouwde steenen huizen.
Den 2en November ging de vloot een ruime haven in, die Columbus Puerto Bello noemde, en zoo heet zij nog. De inlanders kwamen in grooten getale aanloopen, en velen naderden ook in kano's. Een storm belette 7 dagen lang het voortzetten van de reis. Op den 9en kwamen zij, na 24 mijlen te hebben afgelegd, te Nombre de Dios. De velden waren hier rijk begroeid met vruchten, Indisch koren en andere gewassen. Hun schepen verkeerden in een bedroevenden toestand, zoozeer hadden de wormen de planken doorboord. Zoo lang men de inlanders minzaam behandelde, waren zij ook zoo vriendelijk, als men maar kon verlangen. Maar Columbus kon de ontaarde en ruwe matrozen niet altijd in bedwang houden, 's Nachts zwommen die deugnieten vaak aan wal, en beleedigden de inlanders op een vreeselijke wijze.
Niet zelden hadden er oneenigheden plaats. De inlanders werden telkens talrijker, en er ontstond een gevecht. De schepen lagen dicht bij den wal, zoodat Columbus te recht bang was, dat duizenden inboorlingen op zijn schepen zouden komen. Daarom loste hij twee- of driemaal de kanonnen, maar de schoten gingen over hun hoofden heen. De donder en de bliksem verschrikten hen zoo, dat zij de vlucht namen.
Daar Columbus door folterende pijnen gekweld en door stormen beloopen werd, keerde hij naar Hispaniola terug. Wel vond hij vele aanwijzingen van goud, maar de toestand der schepen was zoo, dat er aan verder onderzoek niet meer te denken viel. Hij trachtte aan de rivier de Belen een kolonie te stichten, en was voornemens het bestuur daarover aan zijn broeder toe te vertrouwen, terwijl hij dan naar Spanje zou gaan, om hulpmiddelen te halen. Achttien man bleef achter. Zij begonnen aan de oevers van de rivier vier huizen te bouwen. Het was een vruchtbare streek, en bananen, pisangs, pijnappels, cacao-boonen, maïs en vele eetbare wortels trof men er in overvloed aan. In de rivier en op de zeekust was allerlei soort van visch. Voor gebrek aan voedsel behoefde geen vrees te bestaan, en Columbus deed alles, wat hij kon, om met de wilden op een vriendschappelijken voet te blijven.
Maar het opperhoofd van dat land, Quibian geheeten, was een oorlogzuchtig man, die met leede oogen zag, dat er op zijn grond huizen werden gebouwd, en dat de vreemdelingen zich dus naar alle waarschijnlijkheid daar voor goed wilden vestigen. Men verdacht hem van een krijgsmacht op de been te brengen, om de kolonie te verwoesten. Een gewapende bende van 74 man werd heimelijk uitgezonden, om het opperhoofd met zijn geheele huishouding gevangen te nemen en hen als gijzelaars te houden. 't Is jammer, dat we dit slechts van één kant weten, daar de wilden er geen geschiedschrijvers op nahouden.
In alle stilte en onopgemerkt kwamen de booten bij het groote huis of het paleis van het opperhoofd. Hij werd met zijn geheele gezin gevangen genomen. Hij, zijn vrouwen, kinderen en bedienden vormden een gezelschap van 50 personen. Het opperhoofd werd aan handen en voeten geboeid, en zoo zakten de booten de rivier af, om de gevangenen op het admiraalsschip te brengen. Columbus had het wreede plan hen allen mee naar Spanje te nemen, ze daar als gijzelaars te houden tot zijn terugkomst, opdat de inboorlingen zich rustig zouden gedragen.
Maar al had men Quibian ook geboeid, toch gelukte het hem 's nachts uit de boot te springen en naar den wal te zwemmen. De andere gevangenen werden op het schip gebracht en in de voorplecht opgesloten. Het valluik werd met een zware ketting en een slot vastgemaakt. 's Nachts maakten de sterkste krijgslieden een soort van beun onder het luik, klommen er op, zetten hun schouders onder het luik en lichtten het met vereende krachten op. Dadelijk sprongen zij weg, en lieten zich in zee vallen. De zeelieden schoten aanstonds toe, hadden hun uitgetrokken sabels in de hand, verhinderden velen te ontsnappen en maakten toen het valluik weer met den ketting vast.
"Toen men des morgens", schrijft Irving, "eens naar de gevangenen ging kijken, vond men ze allen dood. Eenigen hadden zich met eindjes touw opgehangen en raakten met de knieën den vloer; anderen hadden zich verworgd door de touwen met de voeten stijf aan te trekken. Zulk een moedigen, onbedwingbaren geest had dit volk, en zoo groot was zijn afkeer van de blanken."
En nu vielen de verbitterde inboorlingen verwoed op de kolonie aan. Veel Spanjaarden, maar ook veel wilden vonden den dood. Stormachtig weer maakte de zee onstuimig. Die aan land waren, hadden geen kans om te ontsnappen, en 't was voor Columbus onmogelijk hen te helpen. De oorlog woedde ontzaglijk, en ging als altijd met bloed en ellende vergezeld. Na vele dagen van aanhoudenden strijd en tal van wanhopige waagstukken moest men de kolonie opgeven, en haar bewoners konden zich door de hevige rukwinden niet dan met de grootste moeite in drie wrakke vaartuigen inschepen, die ieder uur gevaar liepen te zinken.
Columbus ging onder al dit leed diep gebukt. Oud, ziek, teleurgesteld, in aanhoudend doodsgevaar en omringd door ontevreden en morrend scheepsvolk, was het leven hem een last geworden. In een koortsachtigen droom werd hij getroost door wat hem voorkwam een gezicht van God te zijn. Hij deed hiervan meedeeling aan den koning en de koningin.
"Afgetobd en zuchtend," schreef hij, "viel ik in slaap. Ik hoorde een klagende stem, die tot mij zeide: 'O, gij trage en onverstandige van hart, om te gelooven en uw God te dienen, die de God van allen is. Wat deed Hij meer voor Mozes dan Hij voor u heeft gedaan? Van uwe geboorte af, waart gij het voorwerp Zijner bijzondere zorg.'"
Op deze manier vroolijkte de onderstelde engel zijn neergebogen geest op.
Het water in de rivier stond zoo laag, dat een van de schepen er vast zat en dus achtergelaten moest worden. In het laatst van April 1503 verliet Columbus deze oorden van ellende, en ging naar de kust van Veragua. Daar gekomen, moest hij een tweede schip verlaten, omdat het geheel door de wormen was verteerd. Nu moesten allen in twee schepen geborgen worden, en deze konden ze alleen door aanhoudend pompen boven water houden.
Den 30en Mei kwam hij ten Zuiden van Cuba bij een eilanden-groep, die hij de Koninginne-eilanden noemde. Daar overviel hem op eenmaal midden in den nacht een storm, zooals hij er nog nooit een beleefd had. De schepen werden her- en derwaarts gedreven, en de admiraal, die nog altijd lijdende was en in den grootsten nood verkeerde, omdat de schepen telkens meer lek werden, had toch het geluk een haven op de kust van Jamaïca binnen te loopen, waar hij al eens meer was geweest, en die hij toen Santa Gloria had genoemd.
Verder kon hij niet varen, want zijn schepen dreigden zelfs in de haven te zinken. Hij gaf bevel beide vaartuigen naast elkander op het droge te laten loopen. Een paar meter van het strand werden ze vastgelegd, en op den boeg en bij den achtersteven werden met riet gedekte hutten gebouwd. Wetende, dat hij zich niet tegen de Indianen verdedigen kon, als zij kwaad wilden, beval hij, dat niemand zonder verlof aan land mocht gaan. Hij deed intusschen al het mogelijke, om zich van de vriendschap van de wilden te verzekeren, die in grooten getale in de haven gekomen waren. Zij droegen allerlei levensmiddelen aan, die zij gaarne aan de Spanjaarden wilden verkoopen.
Men zou met de inboorlingen niet in oneenigheden gekomen zijn, als geen slechte bejegening en mishandeling hen tot vijanden hadden gemaakt.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE SCHIPBREUK BIJ JAMAÏCA.
Het eiland Jamaïca was destijds zeer bevolkt en vruchtbaar. Wijselijk stelde Columbus maar twee personen aan, die met de inboorlingen handel mochten drijven. Hij vond het raadzaam eenige manschappen af te zenden, om het binnenland te gaan onderzoeken. Diego Mendez ging met eenige goed gewapenden heen, en trok het heele eiland tot zijn oostelijkste punt door. Overal werd hij met echt broederlijke gastvrijheid ontvangen. Het gebied van onderscheidene opperhoofden werd door hem bezocht, en overal ruilde men bereidwillig de voortbrengselen van 't land tegen Europeesche waren in.
Op het einde van het eiland woonde een machtig opperhoofd, dat Ameyro heette. Hij was een zeer verstandig en aangenaam man, die een warm vriend van Mendez werd. Zij namen elkanders naam aan tot een teeken van broederschap. Mendez kocht een van die kano's van hem, waarvan we vroeger reeds een beschrijving hebben gegeven. Hij betaalde er een koperen pot, een buis en een hemd voor. Met al zijn metgezellen, zes Indianen en een ruimen voorraad levensmiddelen voer hij langs de kust, vertoefde op verschillende plaatsen, en kwam zoo op de plaats, waar men schipbreuk geleden had.
Door den handel was alle vrees voor hongersnood geweken, maar Columbus werd toch door grooten angst gedrukt. In een nooit bezochte zee en op een bijna onbekend eiland had hij schipbreuk geleden, en het was even onmogelijk de schepen te herstellen als nieuwe te bouwen. Kans, dat een vreemd schip hem op zou nemen, was er ook volstrekt niet. Hispaniola lag meer dan 120 mijlen verder, en in dat deel van de zee gingen sterke stroomen en heerschten vaak hevige stormen. Het liet zich dus aanzien, dat de schipbreukelingen altijd op het eiland zouden moeten blijven, om de een na den ander te sterven.
Daar kwam Columbus op het denkbeeld, dat de moedige Mendez misschien zou over te halen zijn, om met de door hem gekochte kano den gevaarlijken tocht naar Hispaniola te ondernemen. Mendez had op een eenvoudige, maar toch boeiende wijze verteld, welk gesprek hij gehouden had. De admiraal liet den jongen man bij zich komen, en zeide:
"Diego Mendez, mijn zoon, geen van allen hier begrijpen iets van ons gevaar, behalve gij en ik. Ons getal is klein, dat der Indianen groot, en zij zijn prikkelbaar en oploopend. Bij de minste aanleiding zouden zij onze rieten hutten in brand steken, en wij er bij omkomen. Ik heb over een ontsnapping gedacht, indien gij er niets tegen hebt. Met de door u gekochte kano zou er een naar Hispaniola kunnen gaan, en trachten een schip te krijgen, waardoor wij allen gered konden worden."
Hierop gaf Mendez ten antwoord: "Mijnheer, ik weet, dat het gevaar waarin wij verkeeren, grooter is dan velen denken kunnen. Maar ik geloof, dat het niet alleen moeielijk, maar geheel onmogelijk is, om met een vaartuig als een kano naar Hispaniola te gaan. We moeten dan een stroom door, die 40 mijlen breed is, en de zee is er bijzonder onstuimig en haast nooit kalm. Ik zou niet weten, wie zulk een gevaarlijken tocht zou willen wagen."
Na een oogenblik gezwegen en bemerkt te hebben, dat hij zelf de persoon was, dien Columbus op het oog had, om den tocht te ondernemen, voegde Mendez er aan toe:
"Mijnheer, ik heb dikwijls mijn leven gewaagd, om u en allen hier te redden, en God heeft mij tot hier toe wonderbaarlijk behouden. Er zijn er evenwel, die zeggen, dat Uwe Excellentie mij alle zaken toevertrouwt, waarmee eer te behalen is, en dat anderen die net zoo goed zouden doen als ik. Daarom verzoek ik u al het volk bij u te roepen en het voorstel te doen. Als allen weigeren, dan zal ik komen, en mijn leven voor u in de waagschaal stellen."
Den volgenden dag kwamen allen van de beide schepen te zamen. Niet één was er, die zulk een gewaagde onderneming aandurfde. Toen trad Mendez vooruit, en zeide:
"Mijnheer, ik heb maar één leven te verliezen. Ik ben bereid het in uw dienst te wagen, en voor allen die hier aanwezig zijn. Ik vertrouw op de bescherming van God, die ik vroeger zoo dikwijls mocht ondervinden."
De kano werd op 't strand getrokken en van een soort kiel voorzien. Om te maken, dat er geen water in kon loopen, werden er van den voor- naar den achtersteven planken op vastgespijkerd. Ook zette men er een mast met een zeil op. Toen er een goede voorraad levensmiddelen ingelegd was, begon Mendez met slechts één Spanjaard en 6 Indianen de gevaarlijke reis.
Van Santa Gloria tot kaap Morant was meer dan 100 mijlen. Zij hadden met veel tegenstroomen te kampen, en kwamen zeer langzaam vooruit. Toen zij aan den oostkant van het eiland bij kaap Morant gekomen waren, moesten zij er door het stormachtige weêr verscheidene dagen blijven. Daar werden zij door een troep vijandige Indianen aangevallen, die zonder moeite de boot met alles, wat er in was, in bezit namen. Daar de Indianen twist kregen over de verdeeling van den buit, kon Mendez ontsnappen en met de kano in zee steken. Door wind en stroom geholpen, kwam hij behouden te Santa Gloria aan. Waar zijn Spaansche tochtgenoot gebleven was, is niet bekend.
De ridderlijke Mendez verklaarde zich bereid, om de reis nog eens te doen. Door ondervinding geleerd, nam hij twee kano's, ieder bemand met 6 Spanjaarden en 10 Indianen. Bartholomeus Fiesco, een Genuees met een uitmuntend karakter, bestuurde de tweede kano. Een gewapende bende begeleidde de booten tot aan het einde van het eiland. Na een oponthoud van vier dagen aanvaardden zij de moeielijke reis. De morgen was helder en de zee kalm.
Maanden lang bleef Columbus in volkomen onzekerheid, wat hun overkomen was. Dit blijkt uit de volgende aanhaling, al is die dan ook onsamenhangend, uit zijn dagboek: