Columbus: De ontdekker van Amerika
Chapter 14
In een afgelegen streek van een prachtig gedeelte van Haïti vond men heerlijk en vruchtbaar land, schoone vrouwen, terwijl minzaamheid een algemeene hoedanigheid van de ingezetenen was, Bartholomeus, die maar steeds voortging hooge belastingen op te leggen, wilde ook met deze onderdrukte menschen vriendschapsbetrekkingen aanknoopen. Met een sterke macht van geharnaste krijgslieden bezocht hij het opperhoofd Behechio. Toen de Spanjaarden het schoone dorp naderden, waar nog geen zware belasting opgebracht werd, kwamen 30 vrouwen, tot den stoet van den cacique behoorende, hun te gemoet. De eenige kleeding van de jonge meisjes bestond uit een van bloemen gevlochten krans om haar hoofd. De oudere vrouwen hadden kleine katoenen boezelaars voor. Allen wuifden met palmtakken, dansten en hieven welkomstliederen aan.
De meisjes zagen er allerbeminnelijkst uit en haar vorm was zoo schoon, als een Grieksch kunstenaar die uit marmer had kunnen beitelen. Daar zij hoofdzakelijk van vruchten leefden, en geen arbeid verrichten, was haar vel zoo zacht als fluweel, en het gelaat zelfs schooner dan dat van de Spaansche brunetten over 't algemeen. Deze onschuldige dochteren Eva's dachten bij haar algeheel gemis aan kleeren even weinig aan gebrek aan kieschheid, als een Europeesche dame, die geen sluier over het gezicht draagt.
De weduwe van Caonabo, woonde hier bij haar broeder Behechio in. Zij was een zeldzaam schoone vrouw, en heette Anacaona. In een draagstoel gezeten, werd zij door zes sterke Indianen gedragen. Zij had alleen een geborduurde boezelaar voor, en om haar hoofd, hals en armen droeg zij bloemkransen. Bartholomeus was met 6 van zijn voornaamste ruiters bij Behechio gehuisvest. De overigen werden door de mindere hoofden van het noodige voorzien. Allen kregen hangmatten met katoenen bedden er in.
Twee dagen lang bleven de Spanjaarden in het dorp, en ontvingen van het gastvrije volk alle mogelijke oplettendheden. Voedsel was er voor hen in overvloed, en onderscheidene spelen en feestelijkheden werden tot hun vermaak uitgevoerd. Een van die spelen geleek veel op het worstelspel der oude Romeinen. Twee troepen naakte Indianen, met pijl en boog gewapend, leverden elkander een geregeld gevecht. Vier werden gedood en velen gewond. Kreten van toejuiching weergalmden door de lucht, evenals de Romeinsche senatoren en hun vrouwen aanhieven, wanneer in den schouwburg het bloed in het strijdperk vloeide. De strijd zou wellicht nog veel bloediger zijn geweest, als Bartholomeus niet verzocht had, er een eind aan te maken.
Tot dank voor al deze goedheid, gaf de Adelantado den cacique kennis, dat hij gekomen was, om hem en al zijn volk onder de bescherming van de almachtige vorsten van Spanje te plaatsen, en van hen de schatting te ontvangen, die de andere opperhoofden van het eiland gaven. Omdat hier geen goud was, legde hij een belasting op in katoen, hennip en maniokbrood. Voor deze daad van heerschzucht kan geen verschooning bestaan. Zij was zoo onrechtvaardig, als een daad van zeeroovers maar wezen kan. De cacique was verplicht voor de overmacht te bukken. Hij wist, welk lot andere deelen van het eiland getroffen had, en hoopte door overmatige vriendelijkheid en gastvrijheid dat lot van zijn eigen onderdanen af te weren.
Te Isabella zag het er ellendig uit. Ziekten heerschten er verschrikkelijk en de voorraad van geneesmiddelen was uitgeput. Allen twistten en morden. De Indianen hadden die streken verlaten en aten, in ruwe bergstreken, waar het zelfs voor bloedhonden moeilijk werd hen te vervolgen, wortels en gras. Menigvuldige oproeren braken er onder de inboorlingen uit. De wreedheid, welke de hulpelooze en wanhopige lieden te verduren hadden, was ontzettend. Dorpen werden in de asch gelegd. Gillende slachtoffers, door geharnaste ruiters vervolgd, werden door de Spanjaarden neergesabeld. Door wreedaardige doggen werden de ledematen van vrouwen en kinderen verscheurd. Regeeringloosheid en ellende heerschten overal. Het schoone eiland Haïti was in weinige maanden door de slechtheid van menschen in een verblijf van ellende verkeerd, waar nauwelijks eenige vreugde werd aangetroffen.
ELFDE HOOFDSTUK.
TERUGKEER NAAR SPANJE EN DE VIERDE REIS.
Een laaghartig man, Franciscus Roldan genaamd, had tegen de regeering van Columbus een samenzwering gesmeed. Hij was met zijn aanhang naar Xaraguay gegaan, waar hij de bevolking uitplunderde, haar rechten vertrapte, en zich aan allerlei uitspattingen overgaf. Terwijl hij zoo huishield, wierpen daar drie Spaansche karveelen, wier bemanning uit ontslagen gevangenen bestond, het anker uit. Door den stroom waren ze er heen gedreven. Bijna allen liepen ze van de schepen af, en voegden zich bij die schelmen op het land. Het verhaal van het rijke en prettige leventje, dat die snoodaards daar smaakten, was het lokaas geweest. Deze woestelingen hadden hun zwaarden, kruisbogen, lansen, handbuksen en andere wapenen meegenomen, toen ze aan land waren gegaan. Zoodra Columbus deze feiten vernam, was hij niet weinig verlegen. Had hij in sommige opzichten niet veel gevoel voor recht, wat rechtschapenheid en menschelijkheid aanging, hierin stond hij veel hooger dan zijn tochtgenooten. Deze bandelooze troep zwierf naar willekeur rond, en maakte zich aan de stuitendste zedeloosheid schuldig. Men tartte zichtbaar Columbus' gezag, en de opstand nam gevaarlijke afmetingen aan. Vele ontevredenen liepen naar de muiters over. Ongelukkig had Columbus geen macht genoeg, om een gevecht met hen te beginnen. Aan eenige terugkeerende schepen gaf hij voor de monarchen berichten van den opstand mee. Ook vroeg hij om de overkomst van nog meer geestelijken voor de bekeering der Indianen, en of de Spanjaarden voor den tijd van twee jaren de inlanders als slaven mochten gebruiken.
Toen de schepen vertrokken waren, schonk hij zijn aandacht weer aan de opstandelingen. Hij schreef aan Roldan in woorden, die verzoening ademden, dat hij hem in 't belang van zijn goeden naam en ook voor het algemeen welzijn aanraadde, niet in zijn verzet te volharden. Hij zond tevens een vrijgeleide, waardoor zij, die naar den Admiraal wilden gaan, om met hem de zaken te overleggen, beschermd zouden worden. Maar de eischen van Roldan en zijn bondgenooten waren onbeschaamd en aanmatigend. Eindelijk werd er een vergelijk getroffen. Roldan en zijn saamgezworenen kregen twee schepen, waarmee ze naar Spanje terug konden keeren, en ieder ontving bovendien een bewijs van goed gedrag. De schepen gingen in October 1499 onder zeil, en de muiters namen veel slaven mee. Herrara zegt, dat Colulmbus dubbelhartig was, en dit moet, al was het ook een eigenaardig kenmerk van die dagen, streng veroordeeld worden.
Terwijl hij Roldan en zijn aanhangers een bewijs van goed gedrag gaf, schreef hij te gelijker tijd aan Ferdinand en Isabella, dat hij dit maar gedaan had, om die schurken weg te krijgen: dat de getuigschriften valsch waren; dat deze mannen de grootste misdaden hadden bedreven; dat zij zich aan roof en moord hadden schuldig gemaakt, en dat hij er daarom op aandrong, hen terstond na hun aankomst gevangen te nemen, hen van hun gestolen schatten te berooven en daarna zeer streng te straffen.
De toestand van Columbus was werkelijk beklagenswaard. Hij was ziek en had aanhoudend pijn. De samenzweringen tegen hem vermenigvuldigden zich, en de Spaansche edellieden, de trotschte menschen van de wereld, behandelden hem met minachting. Verachtelijk werd hij "de verwaande vreemde" genoemd. Zijn deugden werden in de oogen van de zedelooze Spanjaarden een middel tot vuigen laster. Er was geen laagheid, waartoe zijn vijanden niet in staat waren. Zij bekleedden de hoogste ambten in kerk en staat, en poogden door de gemeenste schotschriften hem van de monarchen te vervreemden. Hij stond alleen, bijna zonder een enkelen vriend. Er was in heel Spanje nauwelijks één man, wiens toestand meer te beklagen was.
Roldan besloot ten slotte op het eiland te blijven, terwijl hij de meesten van zijn medeplichtigen naar Spanje liet gaan. Hij werd met het hoogste gezag bekleed, nam een groot deel van het land in bezit, en liet het door slaven bewerken.
De ridderlijke, roekelooze Ojeda was naar Spanje teruggekeerd. Door eenige rijke ondernemers voortgeholpen, was hij er in geslaagd vier schepen uit te rusten, waarmee hij op eigen gelegenheid een ontdekkingstocht zou doen. Een koopman van Florence, Amerigo Vespucci genaamd, en wiens naam later aan de Nieuwe wereld verbonden zou worden, maakte deel uit van den tocht. De kleine vloot zeilde in Mei 1499 van Sevilla uit. Zij bereikte de Caraïbische eilanden. Na een hevig gevecht met de inlanders namen zij velen gevangen, en voerden ze weg, om als slaven te worden verkocht. Van hier voeren zij naar Hispaniola, omdat zij gebrek aan benoodigdheden hadden, en wierpen den 5en September bij de westelijkste punt van dit eiland het anker uit.
Columbus werd door dezen inval zeer onaangenaam getroffen, daar hij dit eiland als zijn bepaald eigendom beschouwde. Daarom zond hij Roldan met eenige ontevredenen er heen, om de plannen van Ojeda te dwarsboomen en hem, zoo mogelijk, gevangen te nemen. De beide jonge ridders waren even beginselloos, sluw en roekeloos. Roldan ging met twee karveelen en 25 onverschrokken, goed gewapende mannen, den gelukzoeker opsporen. Zij ontmoetten elkander. Ojeda liet zijn reispas zien, dien hij van den koning en de koningin had ontvangen, en zeide, dat een deel van de voordeelen aan de kroon vervielen. Dit maakte aan allen tegenstand een einde. De trotsche ridder zeide ook, dat Columbus bij het hof geheel in ongenade was gevallen, en dat het zijn voornemen was, den admiraal spoedig op te zoeken, daar hij eenige mededeelingen van zeer vertrouwelijken aard had te doen.
Met dit bericht keerde Roldan naar Columbus terug. Dit verdroot den admiraal zeer. Het was duidelijk, dat hij niet langer in de gunst van het hof deelde, en dat de monarchen op zijn voorrechten inbreuk maakten. Hij wachtte eenigen tijd op het beloofde bezoek van Ojeda, maar deze had in 't geheel geen plan naar den admiraal te gaan. Roldan werd opnieuw uitgezonden, om de bewegingen van Ojeda na te gaan. Beiden waren valschaards en dubbelzinnige menschen. Beiden plunderden en onderdrukten de inlanders. Ojeda kruiste langs de kusten van Haïti, landde op afgelegen punten, en lichtte zoo lang inboorlingen op, tot hij zijn schepen vol slaven had. Dan keerde hij naar Cadix terug, waar zij op de slavenmarkt verkocht werden.
Het gezag van Columbus liep ten einde. Zij, die hem nog gehoorzaamden, wilden dat zelf. Andere stoutmoedige en roekelooze mannen liepen naar willekeur rond. Het was gemakkelijk aan vervolging te ontsnappen. Sommigen wisten zich bij de inboorlingen bemind te maken; anderen vereenigden zich in groote troepen en plunderden hen of namen hen gevangen. De soort van beschaving en christendom, die de Spanjaarden op Haïti hadden gebracht, hadden het eiland in de diepste ellende gestort. Een uitvoerig verslag van de tooneelen, die het gevolg hiervan waren, biedt niets dan een walgelijk en droevig verhaal aan van valschheid, misdaad en wreedheid. Columbus streed moedig tegen de stormen van den tegenspoed. Meer dan anderen, met uitzondering van Las Casas misschien, bleef hij aan de beginselen van recht en menschelijkheid getrouw, en was hij de vriend van de inboorlingen. En toch moet men niet vergeten, dat de goede Las Casas gezegd heeft: "Wij moeten niet die arme bewoners van Haïti tot slaven maken: maar laat ons de Afrikanen oplichten." Ook moeten wij, bij onze beoordeeling van die menschen, niet vergeten, dat nog onlangs mannen, vrouwen en kinderen op de slavenmarkten van Amerika verhandeld werden, en dat veel predikers van het christendom verkondigd hebben, dat dit recht was "voor het aangezicht des Heeren."
Columbus was op 't fort Concepcion. Zijn geest was vermoeid en verbitterd door al de laagheid, die hij overal vond, en waaraan hij niets kon veranderen. Een ellendeling, die Mexica heette, bewerkte een samenzwering om den admiraal te vermoorden. Hij trok het geheele eiland door, en nam een groot aantal rondzwervende Spanjaarden, die gaarne aan gewaagde ondernemingen deelnamen, in dienst. Adriaan de Mexica was ook een van de hoofdaanvoerders van Roldan's partij geweest. Hij had zich zoo vreeselijk slecht gedragen, dat Columbus hem van de algemeene vergiffenis uitsloot, en hem uit het eiland verbande. Van Roldan had hij verlof gekregen er weer terug te komen.
Aan den vooravond van den dag, waarop de saamgezworenen het plan ten uitvoer zouden brengen, kreeg Columbus er bericht van door een weggeloopene. Geen oogenblik mocht verloren gaan. Met tien vertrouwde en onverschrokken mannen, nam hij Mexica door overrompeling gevangen. Hij kwam voor het gerecht en werd veroordeeld om opgehangen te worden.
Columbus gaf bevel Mexica aan den top van het fort op te hangen. De laatste verzocht te mogen biechten voor men de doodstraf toepaste. Een priester werd ontboden. De ongelukkige Mexica, die tijdens den opstand zoo dapper was geweest, verloor allen moed, toen hij den dood in het aangezicht zag. Hij stelde het biechten telkens uit, begon er mee, hield dan weer op, begon op nieuw, aarzelde weer, als hoopte hij door tijd te winnen kans op vrijspraak te hebben. In plaats van eigen zonden te belijden, beschuldigde hij anderen, van wie het bekend was, dat ze onschuldig waren, van misdaad, tot dat Columbus, die door zooveel valschheid en verraad zeer verbitterd was, het geduld verloor, en in een mengeling van verontwaardiging en toorn bevel gaf den ellendeling op de tinne van 't fort op te hangen.
De overige samenzweerders werden met alle kracht vervolgd, en verscheidenen gevat en opgehangen.
Er waren nu zes zeer belangrijke forten op het eiland, die een rij van militaire posten vormden en de inboorlingen krachtig in bedwang hielden. Zeven en twintig mijlen van Isabella lag het fort Esperanza; achttien mijlen verder Santa Catalina, en twaalf mijlen van daar zag men de donkere muren van het fort Magdalena. Later werd op dezelfde plaats de stad Santiago gesticht. Omstreeks 14 mijlen van hier werd, midden in een vruchtbare en volkrijke vlakte, het fort Conception gebouwd. Op een afstand van nog geen anderhalve mijl lag een groote Indiaansche stad, waarover het beroemde opperhoofd, Guarionex geheeten, regeerde. Te Isabella bleef alleen een tamelijk toereikend garnizoen, dat de plaats moest zien te behouden. Columbus ging weg, bezocht elke plaats en maakte van het fort San Domingo, in het zuiden van het eiland, zijn hoofdverblijf.
In 1849 bezocht T. S. Hennekin deze streek. Uit zijn zeer belangrijken beschrijvingsbrief nemen wij het volgende over:
"Het fort Concepcion ligt aan den voet van een heuvel, die nu Santo Cerro heet. Het is geheel van steen en nog zoo onbeschadigd, als toen het pas gemaakt was. Het staat in de schaduw van een weelderig woud, dat de plaats van vroegere werkzaamheid en drukte heeft ingenomen; het is een plek, die men eens voor zeer belangrijk hield, en waarop tal van menschen woonden.
"Waar is die tallooze menigte gebleven, die door dit fort in ontzag moest gehouden worden? Er is geen spoor meer van over, en alleen de geschiedenis maakt er melding van. De stilte van het graf heerscht nu daar, waar hun woningen echo's gaven op hun liederen en dansen. Enkele arme Spanjaarden, die in armelijke hutten en ver van elkander in het woud leven, bezitten nu deze eenmaal zoo vruchtbare en schoone landstreek."
Tot nog toe had Ferdinand ondervonden, dat zijn bezittingen in de Nieuwe wereld zaken waren, waar geld bijgepast moest worden, in plaats van bronnen van rijkdom te zijn. Hierdoor was hij zeer teleurgesteld. Zijn hof werd bestormd door teleurgestelde en spijt gevoelende menschen, die een bitter oordeel over Columbus uitspraken, en om groote sommen gelds vroegen, die zij beweerden, dat Columbus hun schuldig was. Deze algemeene en onophoudelijke klachten begonnen zelfs op het gemoed van Isabella een ongunstigen indruk te maken. Uit de brieven van Columbus bleek maar al te duidelijk, dat het eiland in een toestand van de grootste wanorde verkeerde. Hieruit kon men gerust opmaken, dat, hoe zuiver de gronden van den admiraal ook waren, het hem aan de noodige bekwaamheid ontbrak, om voor de naleving en handhaving van bestaande wetten en verordeningen te zorgen.
Ferdinand was een omzichtig en ijverzuchtig Spanjaard. Het had hem steeds eenigszins gehinderd, dat hij het bestuur over Spaansche volkplantingen aan Genueesche avonturiers over moest laten. In die dagen werd de grens, die volken scheidt, streng getrokken. In het woord _vreemdeling_ lag iets verwijtends opgesloten. Dat Columbus zoo voor het instandhouden van de slavernij ijverde, vond de koningin zeer onaangenaam. Toen de schepen met de mede-opstandelingen van Roldan in Spanje terugkeerden, waren er 700 slaven op. Velen van dezen hadden ze van Columbus gekregen tot loon voor hun overgave, en anderen hadden ze zelf gestolen. Ook waren onder deze gevangenen vele jonge, mooie meisjes, dochters van opperhoofden, die door deze laaggezonkenen uit haar woningen waren gesleurd. Voor al deze ongerechtigheden stelde Isabella Columbus aansprakelijk, en zij kon dit met recht doen. Hij toch was onderkoning van al die gewesten en was werkelijk met volstrekt gezag bekleed.
Het gevoel van de koningin was vreeselijk gekwetst. Zij geloofde, dat de eenvoudige inboorlingen van die uitgestrekte landen in het bijzonder onder haar bescherming waren gesteld. Verontwaardigd riep zij uit: "Hoe durfde die admiraal mijn onderdanen weg te geven?"
Zij drukte haar groot ongenoegen uit, niet alleen door bevel te geven, dat al die Indianen weer aan hun betrekkingen teruggezonden moesten worden, maar ook door te gebieden, dat allen, die vroeger door den admiraal naar Spanje waren gezonden, opgespoord en teruggestuurd moesten worden. Columbus gevoelde al de bitterheid van deze handeling. Het was hem duidelijk geworden, dat zijn invloed aan het hof aan het tanen was. Ongelukkig kreeg hij, juist in dezen tijd, nog vóór hij de bepaalde gevoelens van Isabella kende, een brief, waarin men hem aanspoorde om met het zenden van Indiaansche slaven voort te gaan, aangezien hieruit een groote bron van inkomsten voor de kroon voortvloeide.
Tusschen Columbus en Roldan waren weer nieuwe moeilijkheden gerezen. De stoutmoedige Spaansche ridder, die de trotsche hidalgo's en de laagste dollemannen om zich verzamelde, werd een geduchte tegenstander. Columbus verzocht derhalve, dat er iemand gezonden werd, die tusschen hem en Roldan als scheidsrechter kon optreden. Dit gaf nu juist aan Ferdinand het voorwendsel, waarnaar hij zoo lang had uitgezien, om handelend op te treden.
Don Francisco de Bobadilla, een der hoogste militaire en godsdienstige waardigheidsbekleeders aan het hof, werd met deze tijdelijke zending belast. Het blijkt echter, dat deze zending gericht was tegen hen, die opgestaan waren. In de opdracht staat:
"Wij bevelen u te onderzoeken, wie en wat de personen zijn, die zich tegen genoemden admiraal en onze verordeningen hebben verzet, en waarom zij dit deden; aan welken roof en aan welke overtredingen zij zich schuldig hebben gemaakt; en voorts, uw onderzoek uit te strekken tot alles, wat met de zaken in verband staat. Hebt gij inlichtingen gekregen, weet gij de waarheid, neem dan allen, die schuld hebben, gevangen, en leg beslag op hun goederen. Zijn ze in uw macht, zet dan uw onderzoek voort, ook ten aanzien van hen, die afwezig zijn, en leg zulke boeten en straffen op, als gij zult goeddunken."
Deze macht werd blijkbaar verstrekt, om hen te straffen, die tegen het gezag van Columbus in opstand waren gekomen. In den aanhef staat, dat een overheidspersoon en enkele andere personen het gezag van Columbus weerstonden, en daarom was de afgevaardigde gemachtigd de orde te herstellen. De koninklijke lastbrief was den 21en Maart 1499 geschreven. Twee maanden later, den 21en Mei kregen de hidalgo's en de staatsambtenaren op het eiland een brief, waarin hun van het aan Bobadilla toegekend gezag kennis werd gegeven. Uitweidende over de volstrekte macht, die hem was gegeven, om de ongeregeldheden te onderdrukken, werd daarin gezegd:
"Het is onze wil, wanneer de genoemde bevelhebber Francisco de Bobadilla het voor onzen dienst en in het belang van het recht noodig acht, dat sommige ridders en andere personen, die thans op de eilanden zijn of daar komen, vertrekken en er niet blijven of terugkeeren, hij hun in onzen naam kan bevelen voor ons te komen verschijnen en ze dwingen kan heen te gaan. En wij bevelen tevens, dat ieder, dien hij dit gelast, onmiddellijk, zonder ons te vragen of te raadplegen, zonder op een brief of een bevel van ons te wachten, ook zonder in hooger beroep te komen of een verzoekschrift in te dienen, gehoorzamen zal aan alles, wat hij zegt of beveelt, op straffe van wat hij namens ons opleggen zal."
Bobadilla kwam den 23en Augustus 1500 in de haven van San Domingo aan. Columbus was toen op het fort Concepcion, en zijn broeder Diego lag in de zeehaven van San Domingo. Dadelijk verklaarde Bobadilla, dat hij Columbus in het bestuur over het eiland had vervangen, en dat hij het hoogste gezag bekleedde. Opgetogen van blijdschap voegden zich alle ontevredenen bij hem. Met de gewapende macht, die hij meegebracht had, en de hartelijke deelneming van al de misnoegden, viel het hem licht de plaats in bezit te nemen.
Zonder verhoor werd Columbus uit zijn ambt ontslagen, zonder dat er zelfs een aanklacht tegen hem werd ingediend. Het scheen tot de bijzondere wenschen van Bobadilla te behooren den admiraal te vernederen. Hij ging in het huis van Columbus wonen, en maakte zich van zijn wapenen, goud, huisraad, paarden en al zijn brieven en handschriften, zelfs van de geheime, meester. Ten einde de volksgunst te verwerven, vaardigde hij een bevel uit, waarbij voor een tijdperk van 20 jaren aan een ieder, die voor eigen rekening goud ging zoeken, vergund werd slechts 1/11 aan de regeering te geven, in plaats van 1/3, zooals tot nog toe.
In plaats van Roldan en allen, die tegen Columbus in opstand waren, te gelasten vóór hem te verschijnen, behandelde hij hen met de grootste beleefdheid, opdat hij zich ook van hun hulp bij zijn wederrechtelijke toeëigeningen mocht verzekerd houden. Terwijl Columbus zeer verslagen en bedroefd was, ontving hij het volgende korte en eenigszins duistere briefje van de koningen:
"Aan Don Christophorus Columbus, onzen admiraal van den oceaan. Wij hebben den bevelhebber Francis de Bobadilla, brenger dezes, bevolen, dat hij in onzen naam met u spreken zou over zaken, die hij u meedeelen zal. Wij verzoeken u hem geloof en vertrouwen te schenken en dienovereenkomstig te handelen.
"Ik, de koning; Ik de koningin."
Dadelijk besloot de admiraal aan alle eischen van Bobadilla te voldoen, tot hij alle besluiten van Hunne majesteiten kende. Bobadilla liet Diego Columbus vatten en sloot hem geboeid aan boord van een der schepen op. Toen zond hij officieren uit, om Columbus gevangen te nemen, deed hem boeien aan, en bracht hem in een van de cellen op het fort San Domingo. De waardigheid, waarmede Columbus zich onder dit alles gedroeg, heeft de algemeene bewondering, zelfs die van zijn vijanden, opgewekt.
Een aantal beschuldigingen tegen Columbus kreeg men van de muiters en die werden naar het Spaansche hof opgezonden. Van zulke laaghartigen krioelde het in de kolonie te San Domingo.
In het begin van October werd Columbus, geboeid als de gemeenste misdadiger, door de straten naar het schip geleid. Het geschreeuw van het grauw volgde hem. Monzo de Villejo, een man van hooge afkomst en een edel karakter, werd met de zorg voor de gevangenen belast. Zoowel hij als de scheepskapitein, Andreas Martin, behandelden den admiraal, gedurende de reis, met den diepsten eerbied. Zeer gaarne zouden zij hem de boeien hebben afgedaan, maar de admiraal wilde dit niet, en zeide trotsch: