Columbus: De ontdekker van Amerika
Chapter 12
Men verzekerde Columbus opnieuw, dat dit eiland aan de westzijde geen grenzen had. De wind was zeer gunstig, en daar de admiraal zeer gaarne spoedig in de beschaafde rijken van Azië wilde komen, werd de tocht voortgezet. Een watervlakte, waarin geen enkel eiland lag en die wel 100 mijlen lang was, strekte zich voor hen uit. Rechts lag de met bosch bedekte kust van Cuba, en links zag men de wijde, opene zee. Het was prachtig weer, en de vloot bleef zoo dicht bij de kust, dat de inboorlingen in troepen naar het strand liepen en sommigen zwemmend, anderen in kano's naar de schepen gingen. De zachte nachtwind bracht het gezang en de wilde muziek van de inlanders naar de schepelingen over. Men vermoedde, dat de wilden op die manier de komst van de hemelsche bezoekers vierden.
Die toen zoo volkrijke streek is nu een dorre woestenij. Er leeft niet één afstammeling meer van die Indianen, wier vreedzame woningen destijds de heuvels en de dalen versierden. Humboldt is vóór eenige jaren des nachts ook langs die kust gevaren. Hij schrijft:
"Een groot deel van den nacht bleef ik op het dek. Wat een eenzame kust! Geen licht verraadt het bestaan van een visschershut. Van Batabano af tot Trinadad toe, dat toch een afstand is van 150 mijlen, ziet men geen enkel dorp. En in de dagen van Columbus was dit land toch bewoond tot aan de kust toe. Maakt men putten in den grond, of komen er door watervloeden gaten in het zand, dan vindt men dikwijls steenen bijlen, koperen vaatwerk, en overblijfsels van de oude bewoners van dit land."
Na een tweedaagsche vaart kwam de vloot bij een andere eilandengroep, maar 't was hier vooral zeer moeilijk en gevaarlijk tevens voor de schepen, om zich door die nauwe en kronkelende wateren een weg te banen. Columbus hield echter maar steeds westwaarts aan. Ieder uur hoopte hij de een of andere aanwijzing te krijgen, waardoor 't zeker was, dat hij het oostelijk keizerrijk naderde. Maar dag aan dag zag hij niets dan naakte wilden en lage hutten. Ook was de tongval van de Indianen in deze verwijderde streken zelfs voor de tolken van Haïti onverstaanbaar. Door gebaren kon men ook al zeer weinig van hen te weten komen. Columbus maakte er uit op, dat hij langs de stranden van het vasteland van Azië voer.
Alle metgezellen van Columbus, en hiertoe behoorden vele geleerden en ervaren zeelieden, meenden dat er ook uit op te moeten maken. De schepen hadden echter door de lange reis veel geleden; het touwwerk was versleten en de zeilen waren gescheurd. De levensmiddelen raakten op, en hierdoor vooral werden de matrozen ontevreden en morrend. Nieuws zag men niet meer, en ieder wenschte terug te keeren. Columbus zelf achtte het ongeraden nog langer door te varen. Alle officieren en de knapste mannen liet hij bij zich komen. Eenstemmig verklaarden zij, dat Cuba geen eiland kon wezen, en dat zulk een verbazend groot rijk tot een vastland moest behooren.
De admiraal achtte het van het grootste belang, dat zijn gevoelen door alle schepelingen zou worden gedeeld. Daar hij bewijzen te over had, dat zijne talrijke vijanden geneigd zouden wezen, zijn opgaven onnauwkeurig of wel geheel onjuist te noemen, en zijn ontdekkingen voor onbeteekenend te houden, wenschte hij voor het feit van de ontdekking zulk een onloochenbaar bewijs te hebben, dat de geheele wereld het erkennen moest. Daarom zond hij een vertrouwd officier naar ieder schip, die ieders gevoelen vragen en eischen moest, dat men de waarheid met een eed bevestigde. Niemand mocht worden overgeslagen van den kapitein af tot den scheepsjongen toe. Aan ieder werd gezegd, dat men, bij den minsten twijfel of het land, dat men nu zag, wel het vasteland van Indië was, dien twijfel en de reden daarvan moest uitspreken. Later kon dan die zaak behandeld worden.
Voorts werd bepaald, dat elke officier een boete van 1000 marevedi [5] betalen zou, en dat een gemeen matroos 100 zweepslagen zou ontvangen en men hem de tong uit den mond snijden zou, als hij later verklaarde, dat hij uit eigenbelang een valsch getuigenis had afgelegd en niet geloofde, dat men bij een vastland gekomen was. Dit deed Columbus, om te voorkomen, dat sommigen naderhand zouden zeggen: Wij hebben de waarheid niet gezegd; wij waren niet vrij en durfden niet anders. Luim of kwaadwilligheid konden Columbus dan van bedrog beschuldigen, en beweren, dat hij de souvereinen met zijn gewaande ontdekkingen bedriegen wilde.
Deze wreede straf, waarmee de onwetende, bijgeloovige zeelieden, die gemakkelijk waren om te koopen, om een getuigenis af te leggen naar den wensen van Columbus' vijanden, bedreigd werden, doet zien, hoe bitter hij gestemd was door de telkens tegen hem gesmeede samenzweringen, tegen hem, die men een verwaanden vreemdeling, een "zoon van niemand" noemde. Ofschoon het waar is, dat Columbus geen plan had die straf toe te passen, blijft het toch te bejammeren, dat hij haar liet aankondigen. Het werd een nieuw wapen in de hand van hen, die gaarne zijn ondergang zagen.
De bekwame zeelieden en aardrijkskundigen aan boord bekeken zeer nauwkeurig de kaarten. Na rijpe beraadslaging gaven zij eenstemmig als hun gevoelen te kennen, dat zij het vasteland hadden bereikt. Onder eede verklaarden zij hieraan niet te twijfelen, en tevens, dat zij langs de bochtige kusten van Cuba meer dan 1000 mijlen hadden afgelegd, en er nog geen eind aan 't land te zien was. Iedereen op de schepen stemde met de algemeene verklaring in. Columbus zelf geloofde ook stellig, dat hij 't vasteland van Azië bereikt had, en heeft in die overtuiging niet alleen geleefd, maar is er ook in gestorven.
Toen deze belangrijke, schriftelijke verklaring werd opgesteld, waren de schepen zoo dicht bij de westelijkste punt van het eiland, dat ze nog maar drie dagen hadden behoeven voort te gaan, om de vergissing te bemerken. Was dit geschied, dan zou de vloot de groote golf van Mexico vóór zich gehad hebben.
Het smaldeel ving den terugtocht aan, en voer langs de kusten in een zuid-oostelijke richting. Weldra kwamen zij bij een groep kleine eilanden, waarvan de meeste naakte rotsen vormden. De Spanjaarden noemden ze _Cayos_, wat zandbanken of rotsen beduidt. Te midden van al die eilandjes verhief zich een prachtige berg, die tot in de wolken reikte, en een bewijs was, dat daar een zeer groot eiland lag. Columbus gaf zich geen tijd het te onderzoeken, mar bleef eenige uren in een van de havens, om hout en water in te nemen, en er een kruis en de Spaansche vlag te planten. Hij gaf dit eiland den naam van Evangelista, maar nu heet het Pijnboomen-eiland.
Aan vele gevaren stonden ze op dezen tocht bloot door onbekende zeeën, vol rotsen en zandbanken. Ook kregen ze van tijd tot tijd een ongeluk, maar toch zetten ze de reis langs de kusten van Cuba naar 't Oosten voort. Het scheepsvolk was door het afmattend klimaat, het ongewone voedsel, aanhoudende inspanning en onafgebroken wacht houden, zeer verzwakt. Twee maanden lang hadden ze met moeielijkheden en gevaren geworsteld. Alle versche eetwaren bedierven spoedig door de brandende hitte. De visch moest dadelijk na de vangst gekookt en opgegeten worden. Ieder kreeg niet meer dan één pond beschimmeld brood daags, benevens een weinig wijn.
Den 7en Juli liep Columbus een wonderschoone haven binnen, om zijn uitgeput volk rust te geven. De Indianen onthaalden hen rijkelijk, en Columbus plantte er als naar gewoonte een kruis en de vlag.
Den 16en Juli werd het anker alweer gelicht. Men zette koers naar het Zuiden, om naar Hispaniola te gaan. Op die wijde en opene zee kregen ze zulke stormen, dat de vloot slechts als door een wonder behouden bleef. Geweldige tegenwinden dreven het smaldeel naar Jamaica. Bijna een maand lang moest men hier door die tegenwinden blijven. Haast iederen avond was Columbus genoodzaakt in een van de tallooze havens, die de kust hier vormt, te ankeren, en menigmaal deed hij dit op dezelfde plek, die hij 's morgens verlaten had.
Vijandig waren de inlanders niet meer, want zij brachten overvloed van levensmiddelen en andere benoodigdheden. Ofschoon de bekoring van het nieuwe reeds lang geweken was, verrasten de schoonheid en vruchtbaarheid van dit heerlijk eiland Columbus toch zeer. De meesterlijke pen van Washington Irving beschrijft één van die natuurtooneelen aldus:
"Toen de schepen den volgenden morgen, met een zachten wind in de zeilen, langzaam langs de kust voeren, zagen zij drie kano's, die van een in de baai liggend eiland kwamen. Een van die kano's was groot, zeer netjes bewerkt en geverfd. Deze was in 't midden, en de andere twee waren iets vooruit. In de eerste zat het opperhoofd met zijn familie, die uit zijn vrouw, twee dochters en vijf zonen bestond.
"Een van de dochters, een achttienjarig meisje, had een schoon gelaat en zag er zeer goed uit. Haar zuster was iets jonger. Overeenkomstig de gewoonte van die eilanden waren beiden naakt. Aan den voorsteven van de kano stond de vaandeldrager van het opperhoofd, in een mantel gehuld, die van verschillend gekleurde veeren gemaakt was. Op zijn hoofd droeg hij een vederbos, en hij had een witte vlag in de hand, die in den wind wapperde. Twee Indianen, die een kleed droegen, dat dezelfde kleur en denzelfden vorm had, zaten met veeren helmen of hoeden en met geverfde gezichten op de trom te slaan. Een paar anderen hadden hoeden op het hoofd, die heel aardig van groene veeren gemaakt waren, en bliezen op trompetten van mooi, zwart en heel fraai gesneden hout. Nog waren er zes, die groote hoeden op hadden van witte veeren en de lijfwacht van het opperhoofd schenen te vormen.
"Toen het opperhoofd bij het admiraalschip gekomen was, ging hij met den geheelen stoet aan boord. Hij droeg al de kenteekenen van de koninklijke macht. Een smalle band, met kleine, verschillend gekleurde steentjes, waarvan de meeste groen waren, versierde de slapen, en was op het voorhoofd met een groote gouden speld vastgehecht. Aan zijn ooren hingen met ringetjes van prachtige groene steentjes twee gouden platen. Hij had een halssnoer om van een soort witte koralen, die daar zeer kostbaar waren, en daaraan hing een groote gouden plaat, die den vorm van een lelie had. Eindelijk behoorde nog tot de koninklijke versierselen een gordel, die evenals de band om het hoofd, van allerlei soort van steenen vervaardigd was.
"Zijn vrouw was ongeveer op dezelfde wijs uitgedost, maar zij had nog een katoenen boezelaar voor en katoenen banden om armen en beenen. De dochters hadden geen versieringen aan, behalve de oudste, die tevens de knapste was. Ook zij droeg een gordel, die geheel met steentjes bezet was, en er hing een plaat aan in den vorm van een klimopblad, die uit veelkleurige steentjes bestond en met katoen omboord was.
"Zoodra het opperhoofd aan boord gekomen was, deelde hij aan de officieren en de manschappen geschenken uit, alle voortbrengselen van 't eiland zelf. De admiraal hield zich op dat oogenblik in zijn kajuit bezig met bidden. Toen hij op het dek verscheen, haastte het opperhoofd zich om hem te ontmoeten en sprak met een opgeruimd gelaat tot hem:
"Mijn vriend! ik heb besloten mijn land te verlaten, en met u mee te gaan; want ik heb van de Indianen, die bij u zijn, gehoord, dat de macht van uw souvereinen onwederstaanbaar is; en ook dat gij in hun naam vele volken onderworpen hebt. Al wie gehoorzaamheid weigert, is zeker van gestraft te worden. Gij hebt de kano's en woningen van de Caraïbiërs vernield, hun krijgslieden verslagen en hun vrouwen en kinderen gevangen genomen. Al deze eilanden vreezen u, want wie kan u weerstaan, nu gij de geheimen van het land en de zwakheid van het volk kent? En daarom wil ik liever met al de mijnen op uwe schepen gaan, uw koning en koningin hulde bewijzen en uw land zien, dan dat gij al mijn landen neemt."
"Toen deze woorden vertaald waren geworden, en Columbus de vrouw, de dochters en de zoons van den cacique zag, en aan de valstrikken dacht, waaraan hun onkunde en eenvoud hen zouden blootstellen, kreeg hij medelijden en besloot hen niet aan hun geboorteland te ontrukken. Daarom liet hij het opperhoofd antwoorden, dat hij hem als een leenman van zijn vorsten zou beschermen, en dat hij later zijn wenschen zou vervullen, maar nu nog eerst vele landen moest bezoeken vóór hij naar zijn land kon terugkeeren. Daarop keerde het opperhoofd, na met vele verzekeringen van vriendschap afscheid te hebben genomen, met zijn familie en den geheelen stoet in de kano's naar het eiland terug, en de schepen zetten den tocht weer voort."
Columbus had nog een groote reis te doen. Door stormen werd hij beloopen en de schepen verstrooid, terwijl hij bovendien nog met vele gevaren en tegenspoeden had te kampen. Angst en arbeid hadden hem letterlijk uitgeput. Het harde lot van den minsten matroos had hij gedeeld, en meer dan dat, want als anderen onder het loeien van stormen sliepen, bracht hij slapelooze nachten door en tartte hij het geweld van den storm alleen. Aller leven hing van hem af, en de wereld verbeidde met verlangen den uitslag van zijn onderneming. Plotseling werd hij door een beroerte getroffen, en op eenmaal had hij zijn geheugen, zijn gezicht en zijn verstand verloren. In een staat van volkomen bewusteloosheid, in een gevoelloosheid, die met den dood gelijk stond, werd de heldhaftige admiraal in de haven van Isabella gedragen. Wanneer hij van die verdooving in den slaap was overgegaan, waaruit men niet meer ontwaakt, zou het voor hem, om zoo te zeggen, een geluk zijn geweest.
TIENDE HOOFDSTUK.
DE TERUGREIS NAAR SPANJE EN DE DERDE REIS.
Den 29n September 1494 zeilde de kleine vloot de haven van Isabella binnen, met den bijna dooden en nog geheel en al bewusteloozen admiraal aan boord. Columbus had te Isabella wel veel vijanden, maar toch ook veel vrienden, die zich over zijn lang wegblijven zeer ongerust hadden gemaakt, en zich verheugden, dat hij, ofschoon dan ook verbazend zwak, teruggekeerd was. Gedurende zijn afwezigheid was zijn teergeliefde, jongste broeder Bartholomeus uit Spanje gekomen, om zich met drie zwaar geladen en van allerlei benoodigheden voorziene schepen bij hem te voegen. Toen Columbus zijn bewustzijn herkreeg, was hij overgelukkig zijn broeder aan zijn zijde te vinden.
Bartholomeus was een veel flinker man, dan zijn zachtmoedige en beminnelijke oudere broeder Diego. Zijn voorkomen en zijn stem waren even krachtig als zijn geest. Hij was volkomen thuis in de toenmaals beoefende vakken, en kon vloeiend Latijn schrijven. Columbus benoemde hem terstond tot luitenant-generaal over zijn gebied, dat toen reeds grenzenloos heette. Hoofdzakelijk echter bepaalde zich zijn bestuur tot de volkplantingen te Isabella en te St. Thomas.
Haïti was toen in vijf deelen verdeeld, en in elk daarvan woonde een onafhankelijke volksstam. Over elken stam regeerde een erfelijk opperhoofd, die door mindere hoofden werd bijgestaan. Men schatte toen de bevolking van het eiland op een millioen, maar dat was misschien wel wat overdreven. Men zal zich herinneren, dat Don Pedro Margarite met een leger van 400 man een onderzoekingstocht op het eiland deed. Hij stoorde zich aan de ontvangen voorschriften niet, zocht niets dan zich zelf, en ging de vruchtbare velden van de Vega in, waar hij en zijn manschappen zich aan alle denkbare uitspattingen overgaven.
Zij bestalen de Indianen, hielden drinkgelagen in hun huizen en maakten zich aan alle mogelijke buitensporigheden met hun vrouwen en dochters schuldig. Deze euveldaden kwamen den beminlijken Diego Columbus ter oore. Terstond werd er raad gehouden. Margarite ontving een strenge berisping en tevens het bevel, om den ontdekkingstocht voort te zetten. Maar de trotsche Spaansche edelman verachtte de Genueesche gelukzoekers, de "zoons van niemand." Hij sloeg de waarschuwingen in den wind, en ging voort allerlei wandaden te bedrijven. Tien Spanjaarden konden met hun ondoordringbare maliënkolders een honderdtal naakte Indianen op de vlucht jagen. Eindelijk waagden de tot wanhoop gebrachte inboorlingen het zich te verzetten: doch er werd een vreeselijke slachting onder hen aangericht.
Caonabo zette een samenzwering op touw. Met een duizendtal krijgslieden trok hij tegen de Spanjaarden op, die als duivels in de woningen van zijn volk huishielden. Veel vijanden vonden den dood, en menschenbloed kleurde den grond. Het strekt Guanagari niet tot eer, dat hij weigerde tot het verbond van de 4 andere opperhoofden tegen de Spanjaarden toe te treden. Maar zijn liefde voor Columbus was zoo groot, dat hij ondanks al die afschuwelijke tooneelen zijn vriend bleef. Zelfs bood hij aan, om aan de zijde van de Spanjaarden tegen Caonabo en de zijnen te strijden, en dat nog wel na den door de Spanjaarden op een van zijn vrouwen gepleegden moord. Bovendien hadden zij hem nog een andere vrouw afgenomen. 't Kon zijn, dat hij tot dit besluit gekomen is, omdat Caonabo hem beleedigd had, en hij zich dus wreken wilde. Caonabo had n.l. bij gelegenheid van de vermoording van het Spaansche garnizoen ook zijn stad in de asch gelegd.
Ojeda was een bekwaam en geducht krijgsman. Te midden van krijgsrumoer en den dood op het slagveld was hij het meest in zijn schik. Van top tot teen geharnast, wierp hij zich in de dichtste vijandelijke drommen, een verscheurenden en meedoogenloozen wolf gelijk, die op een kudde lammeren aanvalt.
Margarite was niet alleen van een oude familie, maar tevens een gunsteling van den koning. De Spaansche edellieden op Hispaniola kozen in den regel zijn partij. De monnik Boyle, die aan het hoofd stond van een godsdienstige partij, schaarde zich ook aan zijn zijde. Tegen Columbus en zijn broeders bestond dus een zeer machtige partij van aanzienlijken. Zij konden maar niet vergeten, dat Columbus in de dagen van zijn verheffing adellijken en priesters gedwongen had het werk van het gemeene volk te doen, en zich zijn ontberingen te getroosten.
De trotsche Margarite gaf zich uit voor den militairen bevelhebber van het eiland. Hij vertrouwde de zorgen voor het leger aan Ojeda toe, en keerde naar Isabella terug, om tegen den admiraal, die toen juist langs de kust kruiste, een samenzwering te bewerken. Hij verwaardigde zich niet eens Diego Columbus, die het bestuur in handen had, een bezoek te brengen, of zijn gezag op eenigerlei wijze te erkennen. In overleg met de edellieden, namen hij en Boyle, die bij den koning hoog stond aangeschreven, eenige schepen in bezit, en zeilden met een groot aantal ontevredenen naar Spanje. Allen wilden bij het Spaansche hof hun luide klachten over Columbus inbrengen.
Zoo ongelukkig stonden de zaken, toen de admiraal in een toestand van volkomen bewusteloosheid de haven van Isabella binnenvoer. Nauwelijks had Columbus het bewustzijn weergekregen, of zijn trouwe vriend Guanagari kwam uit broederlijke genegenheid aan zijn ziekbed. Alle twijfel aan de trouw van dit opperhoofd was nu geheel uit het gemoed van den admiraal en zijn vrienden geweken. Ofschoon Columbus een zeer gevoelig man was, kon hij toch niet hartstochtelijk heeten. Veeleer was hij kalm, ernstig, bezadigd. Geen uittartingen waren in staat, hem zijn bedaardheid geheel te doen verliezen. Luisterde hij naar het verhaal van al de door de Spanjaarden gepleegde gruweldaden, was hij getuige van de onherstelbare schade, welke de kolonie geleden had, en al was hij tot in 't diepst van zijn ziel bewogen, toch was hij meer van droefheid dan van wraak vervuld.
Al zijn gedachten richtten zich op de vraag, wat er gedaan moest worden, om den vrede te herstellen. Maar dit was ondoenlijk. Columbus had niet veel manschappen meer, want velen waren aan uitspattingen bezweken, anderen hadden in den strijd met de inboorlingen den dood gevonden, en ook waren er velen met de schepen weggegaan. De wilden verkeerden juist in de grootste wanhoop. De samenzwering had een groote uitbreiding gekregen en zij kon een groot aantal krijgslieden op de been brengen.
Een Indiaansch opperhoofd, Guarionex genaamd, voerde het bevel over een der vijf deelen van Haïti. Columbus zond een gezantschap tot hem met de verzekering, dat de buitensporigheden van de Spanjaarden tegen zijn uitdrukkelijk bevel hadden plaats gegrepen, en dat het zijn ernstige wensch was op vriendschappelijken voet met de inlanders te leven. Hij gaf het opperhoofd rijke geschenken, behandelde hem in alle opzichten als een broeder, en haalde hem over, om zijn dochter uit te huwen aan den Indiaanschen tolk, die bij Columbus in hooge gunst stond, en aan wien hij den christennaam van Diego Colon gegeven had. Den beminlijken cacique kreeg hij door deze vriendelijkheden geheel op zijn hand.
Boven allen was Caonabo de gevreesde krijgsman: De ridderlijke heldendaden van Ojeda hadden zijn bewondering opgewekt. De jonge Spanjaard vormde het plan het Indiaansche opperhoofd gevangen te nemen. Dit plan mocht met alle recht wild, hersenschimmig en uiterst gevaarlijk worden genoemd. Men zou het niet kunnen gelooven, als het niet van zeer geloofwaardige zijde werd bevestigd. Hij koos tien eedgenooten uit, die allen een schitterende wapenrusting en prachtige paarden kregen. Zij reden omstreeks 150 mijlen door de bosschen naar Ataguana, een van de voornaamste steden en tevens de woonplaats van het opperhoofd.
Ojeda naderde hem met den meesten eerbied. Hij sprak hem aan als souvereinen vorst en verzekerde hem, dat hij met rijke geschenken tot hem kwam, om hem namens Columbus te smeeken, dat hij aan den wreeden oorlog een einde maken en vriendschappelijke betrekkingen aanknoopen zou. Caonabo, die met zijn volk verschrikkelijk geleden had, en twijfelde aan zijn macht den Spanjaarden te wederstaan, leende aan die voorstellen een willig oor. Ojeda werd met zijn gezellen gastvrij ontvangen. De valsche jonge Spanjaard trachtte op alle mogelijke wijzen het vertrouwen van het opperhoofd te verwerven.
Hij stelde Caonabo voor hem naar Isabella te vergezellen, waar hij door Columbus, hiervoor durfde hij instaan, met de meeste onderscheiding ontvangen, en met geschenken overladen zou worden. De admiraal zou zijn vriend en bondgenoot worden, en hem bij al zijn plannen helpen.
In de kapel van Isabella hing een klok, en als die voor den kerkdienst geluid werd, wat natuurlijk dagelijks geschiedde, dan klonken de tonen heinde en ver over bergen en dalen, tot geen geringe verbazing van de inlanders. De Spanjaarden bezaten niets, wat zulk een diepen indruk maakte als die klok. Caonabo zwierf menigmaal in den omtrek van de kolonie rond, om naar die wondervolle tonen te luisteren. Nu vertelde Ojeda aan Caonabo, dat Columbus, om een bewijs te geven, hoezeer hij in oprechtheid zijn vriendschap zocht, hem die klok ten geschenke wilde aanbieden. Hij zou hem wel helpen haar in zijn paleis op te hangen. Deze verleiding was te groot, en het opperhoofd stemde er in toe met den verraderlijken Spanjaard mee te gaan naar Isabella.
Toen het uur van vertrek gekomen was, verwonderde Ojeda zich, dat Caonabo zulk een groote krijgsmacht had bijeen gebracht, om hem te vergezellen. Toen hij hiervan de reden vroeg, antwoordde het opperhoofd: "Het past een groot vorst als mij niet bij den Spaanschen admiraal met een armzaligen stoet te komen."
Ojeda begon te vreezen, dat het opperhoofd ook een valsch spel speelde, en dat hij heimelijk plan had òf den admiraal gevangen te nemen òf het garnizoen bij verrassing in te sluiten. Intusschen had zich de stoet in beweging gezet. Aan de oevers van een rivier ging men eindelijk rust houden, en daar hadden feestelijkheden plaats, die door Spaansche en Cubaansche spelen werden afgewisseld. Ojeda had een stel handboeien, die van gepolijst staal vervaardigd waren. De inlanders zagen ze voor sieraden aan, zooals zij ze nog nooit hadden gezien. Ojeda maakte Caonabo wijs, dat de Spaansche vorsten zulke sieraden droegen, als zij in feestgewaad wilden verschijnen. Hij stelde Caonabo voor, om met die handboeien aan achter hem op het paard te gaan zitten, en dan zoo in het kamp te rijden. De heele bevolking zou hem dan vol bewondering aanstaren.