Columbus: De ontdekker van Amerika
Chapter 11
Met veel praalvertoon en onder trompetgeschal trok het schitterend leger door de vlakte. De inboorlingen konden niet anders dan de wondervolle pracht als iets bovennatuurlijks aanzien. Las Casas zegt, dat zij in 't eerst den ruiter en zijn paard voor één dier hielden. Vol schrik liepen haast alle Indianen weg. Soms overwon Columbus hun angst door vriendelijkheid. Inlandsche tolken werden vooruit gezonden, om de verzekering te geven, dat hun geen leed zou geschieden. Ook werden hun geschenken aangeboden, die ze met verbazing en vreugde aannamen. Voedsel werd door hen als gemeen eigendom beschouwd. Elk huis kon men binnengaan, om er te gebruiken wat men wilde. Maar in schijnbare tegenspraak hiermede, verhaalt men, dat andere bijzondere eigendommen voor heilig werden gehouden. Diefstal werd met groote gestrengheid gestraft.
Een marsch van 15 mijlen bracht hen aan een groote rivier, die Columbus den Rietstroom noemde. Het bleek het bovenwater te zijn van denzelfden stroom, wiens mond Columbus de Goudrivier had genoemd. Aan deze groene oevers brachten de gelukzoekers, nadat ze een bad genomen hadden, den nacht in prachtige tenten door. Den volgenden morgen staken ze met vlotten de rivier over, en de paarden zwommen er door. Nog twee dagen lang zetten ze den tocht door de schoone vlakte voort. Vele dorpen trokken ze door, waarvan de inwoners eerst altijd op de vlucht gingen. Tegen den avond van den tweeden dag bereikten zij de noordelijke hellingen van de goudbergen van Cibao.
Den volgenden morgen begonnen zij die te beklimmen langs donkere holle wegen en oneffen rotsen, waar de paarden niet dan met moeite bestuurd konden worden. Toen zij den top bereikt hadden, kregen ze weer een verrukkelijk gezicht. Als een frisch groen meer breidde de vlakte zich voor hen uit. Naar de schatting van Las Casas was zij 240 mijlen lang en 70 breed. Zij waren nu midden in het goudland. De toppen van de bergen boden slechts een droevig tooneel van dorheid en verwoesting aan. De plantengroei was gering en men zag haast geen bloempje. De kanten waren met pijnboomen bedekt. De Spanjaarden namen echter met dit akelig tooneel genoegen, omdat zij in het zand glinsterend stofgoud vonden, en daaruit opmaakten, dat de bergen onuitputtelijke bronnen van rijkdom verborgen hielden.
Ongeveer 50 of 60 mijlen waren deze onderzoekers nu van Isabella verwijderd. Columbus zocht nu een geschikte plek voor een kamp op. Hij bouwde een houten fort, dat hij, misschien voor de aardigheid St. Thomas noemde, als een zacht verwijt voor hen, die niet gelooven wilden, dat men eenig goud zou vinden vóór dat hun oogen het gezien en hun handen het getast hadden.
NEGENDE HOOFDSTUK.
DE KUST VAN CUBA WORDT ONDERZOCHT.
Terwijl Columbus het fort St. Thomas bouwde, zond hij eenige manschappen uit, om het omliggende land te onderzoeken. Zij waren goed gewapend, en werden door een dapperen, jongen ridder aangevoerd, die Juan de Luxan heette. Zij doorkruisten de provincie Caonabo, en 't kwam hun voor, dat zij nagenoeg zoo groot was als Portugal. Aan de oevers van alle rivieren vonden ze kleine stukjes goud. Geen woorden genoeg konden ze vinden om de vruchtbaarheid en de pracht van 't land te beschrijven.
In 't fort was een bezetting van 56 man achtergebleven. Er was een begin gemaakt met de ontginning der mijnen, en nu meende Columbus naar Isabella terug te kunnen keeren. Hij kwam er den 29sten Maart aan, en bracht gunstige berichten mee, ten aanzien van de vooruitzichten om goud te krijgen. Spoedig evenwel werd hem meegedeeld, dat de Indianen te St. Thomas zeer vijandig waren geworden. Dit kwam, omdat de beginsellooze Spanjaarden begonnen waren, zoodra zij niet meer door Columbus' tegenwoordigheid in bedwang werden gehouden, de inlanders te plunderen, en hun vrouwen en dochters aan groote beleedigingen bloot te stellen. Caonabo kende hen maar al te wel, en daarom had hij hen met groot leedwezen op zijn bergen zien komen.
Dat er vrees behoefde te bestaan voor hun vijandschap geloofde Columbus niet, en daarom bepaalde hij er zich slechts toe een kleine versterking van oorlogs- en mondbehoeften naar het fort te zenden. Maar wel bestond er reden voor hem zelf, om ongerust te wezen over de ontevredenheid, het gemor en de vijandige stemming, die hij te Isabella steeds grooter zag worden, en die zich in daden tegenover hem lucht gaven. Er waren vele zieken, en, behalve, dat de geneesmiddelen op waren, kregen ze het rechte voedsel niet. Met eenige verwondering lazen wij, dat de kolonisten zich niet aan het eten van de inlanders konden gewennen. Vrees voor een hongersnood maakte het noodig het volk op rantsoen te zetten. Dit gaf tot veel gemor aanleiding, en niemand klaagde luider en bitterder dan het hoofd der Spaansche geestelijken, "vader" Boyle.
De geestelijken en aanzienlijken waren kwaad, omdat Columbus geen onderscheid in rang kende, waar het op plichtsbetrachting en de verrichting van 't dagelijksch werk aankwam. Het bestaan zelf van de kolonie eischte, dat er molens gebouwd en andere werkzaamheden voor 't openbaar welzijn verricht werden. Allen zonder onderscheid moesten helpen. De trotsche Spaansche grooten waren verontwaardigd en kwamen in verzet. Zij scholden hem uit voor fortuinzoeker, en geen vriend bleef hem over.
Columbus was een groot voorstander van orde en tucht, en werd hierin geleid door den natuurlijken drang van zijn krachtigen geest. Maar hij, die van Genua kwam, waar arbeid in eer werd gehouden, hield misschien geen rekening genoeg met de verbazende trotschheid van de Spaansche edelen. Zij beschouwden het werken als het verachtelijk lot voor de zonen van laaggeborenen. Vele jonge ridders, die op de krijgsvelden van Grenada roem hadden ingeoogst, hadden den tocht naar de Nieuwe wereld meegemaakt met hersenschimmige denkbeelden van rijkdommen, die hun daar zouden toevloeien. Op kasteelen moesten zij wonen, paardrijden en boven de Spaansche vorsten uitsteken in het aantal gedweëe dienstbaren, in pracht en in grondbezit. Velen van deze jongelieden hadden ongetwijfeld het land verlaten in de hoop, dat zij zich door heldendaden en ridderlijke avonturen konden onderscheiden, en in Indië de krijgsbedrijven konden voortzetten, waarmee in de jongste oorlogen te Grenada een begin gemaakt was. Anderen waren in hun jeugd vertroeteld, in weelde opgevoed en weinig bestand tegen de gevaren aan het zeeleven verbonden en tegen de vermoeienissen op het land. Even weinig waren zij bestand tegen de gevaren, de verliezen, de tegenspoeden en alles, waaraan men blootstaat, wanneer men zich in een wildernis vestigt. Hadden zij 't ongeluk ziek te worden, dan viel er al spoedig aan hun toestand niets te verbeteren, en bleek het lichamelijk lijden nog door die van 't hart verergerd te worden. Zij leden onder de bitterheid van gekwetsten trots en onder de ziekelijke zwaarmoedigheid van bedrogen hoop. Aan hun ziekbed misten zij die teedere zorg en verzachtende oplettendheid, waaraan zij gewend waren. En zij daalden ten grave met al de somberheid aan de wanhoop eigen, den dag verwenschende, waarop zij hun vaderland verlaten hadden.
Ferdinand en Isabella spoorden Columbus tot de voortzetting van zijn ontdekkingsreizen aan. Er opende zich naar allen schijn een wijde en onbekende wereld voor hem, en niemand kon weten, welke wonderen zich zouden openbaren. De telkens grooter wordende bezwaren maakten, dat Columbus het best vond de kolonisten op deze tochten te scheiden. Daarom zond hij een groot aantal uit, om het binnenland te gaan onderzoeken. Iedereen, die gezond was, niet op zieken behoefde te passen en geen dienst had, behoorde tot dit getal. Ook gingen 250 kruisboogschutters, 110 handbuksschutters, 16 ruiters en 20 officieren mee. Het bevel er over werd gevoerd door Peter Margarite, een vriend van Columbus en een van de beroemdste ridders van de orde van Santiago. Ojeda was bij de mijnen als hoofdopzichter gebleven.
Columbus gaf Margarite zeer uitvoerige voorschriften. Zij leggen het getuigenis af van zijn gezond oordeel, zijn menschlievendheid en zijn edel streven, om nuttig te zijn. De oprechtheid van Columbus is boven allen twijfel verheven. In dit geschrift zegt hij: "Behandel de Indianen met de grootste vriendelijkheid. Bescherm hen tegen onrecht en beleedigingen. Betaal alles ruim, wat gij van hen krijgt voor het onderhoud van de troepen. Stel alles in het werk, om hun vertrouwen, hun vriendschap te verwerven. Maken de behoeften van het leger het volstrekt noodzakelijk, dat gij van hen neemt, wat zij niet willen afstaan, doe het dan zoo zacht mogelijk en poog hen door vriendelijkheid en bewijzen van genegenheid te troosten. Vergeet het nooit, dat Hunne Majesteiten meer op de bekeering van de wilden gesteld zijn, dan op de voordeelen, die zij van hen zouden kunnen trekken."
Al deze verstandige voorschriften sloeg Margarite in den wind. Voorspoed en geluk zouden het gevolg van hun getrouwe naleving zijn geworden. De laagheid van dezen troep Spanjaarden werd nu de aanleiding tot oorlog en ellende. De Indianen werden uitgeroeid, Spanje geschandvlekt, de menschheid onteerd en Columbus zelf moest onophoudelijk de gemeenste en laagste verwijtingen hooren.
Het opperhoofd Caonabo was een beslist vijand; en daarbij schrander en sluw. Zijn tocht ter vernieling van het Spaansche garnizoen op La Navidad was met groote bekwaamheid en volkomen goeden uitslag volbracht. Nu bleek het duidelijk, dat hij een macht bijeen verzamelde, om de Spanjaarden te verdelgen, die op zijn gebied waren gekomen en zich in het fort St. Thomas trachtten te verschansen. Beklagenswaardig is 't lot van den mensch. Niemand kan het dit opperhoofd kwalijk nemen, dat hij de Spanjaarden uit zijn land wilde jagen, die hun slecht karakter reeds hadden getoond in de behandeling van de inlanders. Aan den anderen kant kan niemand het in Columbus afkeuren, dat hij zijn volk naar de binnenlanden zond, om goud te zoeken. Columbus kon met een goed geweten God bidden om bescherming voor zijn kolonie. Even oprecht kon Caonabo de goden, die hij aanbad, smeeken de vreemde indringers te verdrijven.
Ojeda begeleidde het leger met omstreeks 400 man naar St. Thomas, waar hij Margarite moest helpen en de onderzoekers, achterlaten. Er werd verteld, dat vijf Indianen drie Spanjaarden bestolen hadden. Hun opperhoofd werd beschuldigd van den buit met hen te hebben gedeeld, in plaats van hen te straffen. Ojeda kreeg een Indiaan in handen, die gezegd werd een van de dieven te zijn. Op een openbaar plein van een Indiaansch dorp sneed men hem de ooren af. Toen hij het opperhoofd, diens zoon en neef gevangen genomen had, zond hij ze allen geboeid naar Isabella.
Een naburig opperhoofd, die bewijzen van genegenheid jegens de Spanjaarden gegeven had, verzelde de van angst bevende gevangenen, om vergiffenis voor hen af te smeeken. Columbus sloeg geen acht op die vriendelijke tusschenkomst. Hij liet de drie gevangenen met de handen op den rug gebonden naar het openbaar plein brengen, door den omroeper hun misdaad bekend maken, en gaf daarna bevel de dieven te onthoofden. Om dit wreede bevel te rechtvaardigen, zegt Oviedo, dat het noodig was schrik onder de inboorlingen te brengen, opdat dezen eerbied kregen voor het eigendom van de blanken, en dat de Indianen zelf iemand, die zich aan diefstal had schuldig gemaakt, een puntigen haak van onderen tusschen de ruggegraat en de huid staken, zoodat hij tusschen de schouders uitkwam, of m.e.w. hem spietsten.
Columbus had echter geen plan de wreede straf werkelijk te doen ondergaan. Toen men op de strafplaats gekomen was, stortte het bevriende opperhoofd bittere tranen en smeekte op de roerendste wijze, om het levensbehoud van zijn vrienden. Hij verzekerde den admiraal, dat het niet meer gebeuren zou, en dat hij zijn eigen leven tot pand gaf, als er opnieuw een misdaad plaats greep. De admiraal gaf toe, en de gevangenen werden in vrijheid gesteld.
Columbus had reeds eenigen tijd geleden toebereidselen gemaakt, om onder zeil te gaan en met zijn smaldeel nieuwe rijken op te zoeken. Zooals bekend is hield hij Cuba niet voor een eiland, maar voor een deel van het vasteland van Azië. Nu was zijn plan langs de zuidelijke kust van deze groote kaap te kruisen.
De kleine vloot vertrok den 14en April 1494. Het bestuur over Isabella werd aan Don Diego Columbus toevertrouwd. De schepen voeren naar 't Westen, hielden zich een korten tijd te Monte Christo op, en wierpen het anker in de baai van La Navidad. Toen zij den 29sten de westelijkste kaap van St. Domingo omtrokken, kwamen de schepen in 't gezicht van de oostelijkste kaap van Cuba, die Columbus Alpha en Omega genoemd had, doch nu Kaap Ataysi heet. Het kanaal tusschen de twee eilanden is ongeveer 54 mijlen breed. Toen men dit kanaal door was en omstreeks 60 mijlen langs de zuidkust van Cuba gevaren had, wierp men het anker in een ruime haven, waaraan Columbus den naam van Puerto Grande gaf, maar die nu Guantanamo genoemd wordt.
Aan de hutten en de vuren op het strand kon men zien, dat er menschen woonden. Met eenige goed gewapenden ging Columbus aan land, maar er was alweer geen enkel Indiaan te zien, omdat allen naar de bergen gevlucht waren. De Spanjaarden vonden voedsel in overvloed, waarvan zij gretig gebruik maakten. Juist toen de maaltijd afgeloopen was, zagen zij op een afgelegen hoogte een zeventigtal Indianen, die hen met vrees en verwondering bekeken. Toen zij naar hen toegingen, namen allen de vlucht, behalve één. Deze waagde het te blijven staan, ofschoon ook hij zich gereed maakte, om ieder oogenblik weg te kunnen loopen.
Columbus zond een Indiaanschen tolk met geschenken vooruit. De dappere jongeling liep naar hem toe. Nadat hij de geschenken ontvangen had, en hem verzekerd was, dat de Spanjaarden niets kwaads in den zin hadden, haastte hij zich zijn landgenooten hiermee in kennis te stellen. Dezen keerden daarop, hoewel beschroomd en met aarzelende schreden, terug. Zij waren naar het strand gegaan, om visch te vangen, daar het opperhoofd een naburig opperhoofd een groot feestmaal wilde aanrichten. Om de visch goed te houden was ze gebraden. De hongerige Spanjaarden aten alles op, maar de vriendelijke inboorlingen zeiden, dat dit niets was, want als zij één nacht vischten, zou het verlies weer hersteld zijn. Maar Columbus stond er met zijn gewone rechtvaardigheid op, dat alles zou worden betaald. Zoo scheidden de Spanjaarden en de Cubanen, ingenomen met elkander.
Toen men nog westelijker zeilde, scheen het land vruchtbaarder en volkrijker te worden. Aan het strand stond het vol mannen, vrouwen en kinderen, die met verwondering naar de vloot keken, welke langzaam op een afstand van een mijl voortdreef. Eindelijk bleef zij in een andere groote baai liggen, waar omheen men schoone natuurtafereelen zag. Het was de baai, die nu St. Jago heet. Hier bracht de vloot den geheelen nacht door. De inboorlingen schenen alle vrees voor de vreemdelingen te hebben afgelegd, kwamen in grooten getale met hun kano's naar de schepen, en boden den Spanjaarden de grootste gastvrijheid aan.
Overal vroeg Columbus naar goud, en bijna altijd wezen de inboorlingen naar het Zuiden, te kennen gevende, dat daar een eiland was, waar dit kostbaar erts in overvloed aangetroffen werd. Den 3en Maart wendde Columbus den steven derwaarts, en verliet hij Cuba's kust om dit eiland op te sporen. Na een vaart van eenige uren verhieven aan den horizon prachtige bergen hun kruin, alsof het wolken waren. Toen de zeelieden er dichter bij kwamen, kregen zij een wonderschoon tooneel te aanschouwen. Gewoon als zij waren weelderige paradijzen te zien, die uit de glinsterende golven oprezen, konden zij zich hier niet weerhouden hun verwondering door gejuich lucht te geven bij het zien van de bergen en dalen, de bosschen en schilderachtige dorpen, die in telkens afwisselende bevalligheid hun oogen verrukten.
Toen zij dicht bij de kust waren, ging de wind liggen en lag de vloot geheel stil als op een zee van glas. Terstond kwamen ongeveer 70 met krijgslieden bezette booten naar hen toe. Deze onverschrokken mannen, die zich beschilderd en met veeren versierd hadden, zwaaiden hun lansen en gilden vreeselijk. Bij het nader komen stelden zij zich in slagorde, als om een verschijning aan te vallen, die in hun oog met bovenaardsche macht was bekleed.
Zoodra een van de kano's gepraaid kon worden, begon een inlandsche tolk met de Indianen te spreken. Zijn verzekering, dat de vreemdelingen hun vriendschap zochten, en de krachtige invloed van naar hun schatting kostbare geschenken, die in hun boot gebracht werden, ontwapenden hun vijandelijke houding. De kleine vloot van kano's ging om de Spaansche schepen liggen, ten einde naar de zonderlinge verhalen der Spanjaarden te luisteren. Intusschen wakkerde de wind aan en kon het smaldeel ongemoeid zijn reis vervolgen. Het is wel waarschijnlijk, dat, als Columbus er niet geweest was, de Spaansche matrozen zich zouden vermaakt hebben met de uitwerking te zien, die eenige kanonschoten met schroot gemaakt hadden op die dicht opeengepakte menigte in de kano's.
Een korte vaart bracht hen in een ruime haven, waar Columbus bleef liggen. Hij noemde haar de St. Gloria-baai, ging aan land, stak een kruis en de Spaansche vlag in den grond, en nam het eiland in naam van zijn vorsten in bezit. Eén van de schepen had een lek bekomen, en moest noodig gekield en gekalefaat worden. Daar verschenen onverwachts twee groote kano's, met krijgslieden bemand, die hun werpspiesen naar het scheepsvolk slingerden; maar niemand kreeg letsel, omdat de afstand nog te groot was. Al heel spoedig stond het strand vol menschen, als razenden met hun wapens zwaaiende. Zij gilden ook akelig.
Deze inboorlingen schenen niet zoo zachtmoedig te zijn als die van Cuba en Haïti, maar vertoonden veeleer al de wildheid van de Caraïbiërs. Het werd vóór alles noodig het schip te kielhalen, en tevens vond Columbus het goed de wilden bang te maken, opdat zij van deze gelegenheid geen voordeel trekken en hem niet met een groote overmacht aanvallen zouden. Of dit plan wijs was is een zaak, waarover men verschillend kan denken; maar geen rechtschapen man zal volhouden, dat leedvermaak hem tot deze daad leidde.
Columbus kon met zijn schepen niet dicht aan wal komen, omdat het water zoo laag stond. Daarom zond hij verschillende goed bemande en gewapende booten uit. Of zij gewacht hebben tot ze aangevallen werden, is onbekend; maar zeker is het, dat zij de Indianen de volle laag gaven, zoodra de afstand het schieten met de kruisbogen toeliet. Velen werden gewond, en de anderen namen de vlucht. De Spanjaarden, die maliënkolders aan hadden, waar de pijlen der wilden niet door konden dringen, gaven de vluchtenden nog eens de volle laag, en lieten tegelijkertijd een sterken bloedhond op hen los, die hen met de kracht en de wreedheid van een tijger vervolgde en velen verscheurde.
Dit is de eerste maal, dat wij van het gebruik van den vreeselijken bloedhond melding vinden gemaakt bij de mishandeling van de Indianen. Daar nu de ontstelde bewoners geheel uiteen waren gedreven, en men geen vrees behoefde te koesteren, dat zij weer terug zouden komen, nam Columbus ook dit eiland in bezit, en noemde het Santiago. Gelukkig heeft het later den veel schooneren en meer Indiaansch klinkenden naam van Jamaica gekregen. Het is een onaangename herinnering, dat de komst van Europeanen op dit eiland vergezeld is gegaan van zooveel wreedheid.
In den verderen loop van dezen noodlottigen dag zag men geen Indianen meer. Den volgenden morgen echter liepen er in de verte zes inboorlingen, die al dichter en dichter bij de Spanjaarden kwamen en teekens van vriendschap gaven. De admiraal ontving hen minzaam, en toen vertelden zij, dat zij namens vele opperhoofden vredesvoorslagen kwamen aanbieden. Columbus antwoordde, dat het zijn ernstige begeerte was, om met alle menschen in vrede te leven, maar dat hij tevens de macht bezat hen met de grootste gestrengheid te straffen, wanneer het bleek, dat zij verraders waren. Ten bewijze dat hij een broederlijk verkeer wenschte, gaf hij vele geschenken voor de opperhoofden mee, waarop hij wist, dat zij den hoogsten prijs stelden. Wie kan de waarde schatten, die een geslepen mes voor een wilde heeft, wanneer hij zijn boog en pijlen steeds met steenen snijden moest?
De Indianen waren juist als kinderen, want op eenmaal hield alle vijandelijkheid op. In groote menigte kwamen zij op de werf, waar Columbus zijn schepen kalefaatte. Drie dagen lang, ging men op de vriendelijkste wijze met elkaar om. Maar deze Indianen waren stellig zeer oorlogzuchtig. Zij hadden geduchte wapenen, en hun kano's waren uit den stam van een enkelen mahonieboom heel kunstig gemaakt. Columbus nam van een er van de maat, en bevond, dat de lengte 96, en de breedte 8 voet bedroeg.
Toen de schepen hersteld waren, en men drinkwater ingenomen had, zette men de kustvaart naar 't Westen voort. Er woei een zachte bries, en het water was zóó doorschijnend, dat men de steentjes, die vele vademen diep lagen, zien kon. Terwijl de karveelen langzaam voortgingen, hadden zij menigmaal de kano's van de wilden om zich heen. Uit elke baai, van elke rivier en elke landtong schoten zij toe. Het eiland scheen zeer bevolkt en alle bewoners waren vriendelijk en begeerig, om tot elken prijs eenige Europeesche sieraden te krijgen.
Columbus vroeg maar altijd om goud; doch men vond niets, en hoorde er zelfs niet van. Om al die teleurstellingen keerde hij naar wat hij het vasteland van Cuba noemde terug. Maar of 't een eiland was of niet bleef nog onzeker, en daarvan wilde hij zekerheid hebben. Er kwam een Indiaansche jongeling aan boord, die Columbus smeekte, hem mee naar Spanje te nemen. Misschien werd hij door nieuwsgierigheid gedreven, om de oorden te zien, van waar de zonderlinge vreemden kwamen. De bloedverwanten van dezen jongeling smeekten hem op de aandoenlijkste wijze, of hij zijn plan wilde laten varen. Maar hij bleef er bij, ofschoon de jonge teergevoelige man tranen stortte, toen hij zijn familie verliet. Na bekomen verlof om mee te gaan, verborg hij zich in een hoek van 't schip, om geen getuige van de smart der zijnen te wezen. 't Is jammer, dat we naderhand niets meer van hem vernemen.
Den 18en Mei bereikte Columbus de kust van Cuba, en de eerste kaap, waar hij aankwam, noemde hij Cabo de la Cruz. Nog heet die zoo. Hier lag een dorp, waarvan de inwoners, die van Columbus' eerste reis gehoord hadden, hen met de meeste vriendelijkheid ontvingen. Columbus vroeg aan de bekwaamste opperhoofden of Cuba een eiland was. Zij gaven allen zonder uitzondering hetzelfde ongerijmde antwoord, dat Cuba een eiland was, maar grenzenloos. Niemand, zeiden zij, is er ooit in geslaagd het einde er van te bereiken. Hierdoor werd Columbus in zijn meening versterkt, dat hij bij het vasteland van Azië was. Toen hij de reis naar 't Westen voortzette, dacht hij spoedig bij het beroemde en schoone rijk van den grooten Khan te zullen komen. Hij voer langs de zuidelijke kust en kwam zoo in een eilanden-zee, waarin honderden eilanden lagen, die zeer in grootte en vorm verschilden en alle prachtig groen waren. De meeste waren onbewoond. De vaarwaters tusschen die eilanden waren even kalm, als het water van een geheel afgesloten bergmeer. De bloemen bloeiden heerlijk, en in de bosschen, op de velden en wateren was het vol van de schoonste vogels, zooals men die in de heete luchtstreek aantreft.
Op een van de grootste eilanden, dat Columbus Santa Marta noemde, ging hij aan land. Men schreef den 22en Mei. Dit eiland was niet onbewoond, maar alle bewoners hadden hun huizen verlaten, om, zooals later bleek, te gaan visschen. Langzaam zeilde Columbus in die nauwe vaarwaters voort, en kwam 50 mijlen verder op den 3en Juni in een groot Indiaansch dorp. Ook hier werden de vreemdelingen met die minzaamheid ontvangen, die men overal op het eiland Cuba aantrof.