Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 9
»De Koning liet op den bepaalden tijd de beide meisjes afhalen. Dat geschiedde met vorstelijke praal. De Alexandrijnen juichten de koningsdochters luide toe, terwijl zij op vergulde troonzetels, met waaiers van struisvederen toegewuifd, omringd door veldheeren, hooggeplaatste ambtenaren, lijfwachten en den senaat, langs den koningsweg stadwaarts gedragen werden. Cleopatra dankte het voor zijne begroeting met een trotsche majesteit alsof zij nu reeds Koningin was. Wie haar gezien had, zooals zij met betraande oogen van ons allen afscheid nam en ieder van ons verzekerde dat zij met hartelijkheid aan hen zou blijven denken, zooals zij mij, die toen reeds gekozen was tot hoofd van den bond der epheben[11], zoo zusterlijk innig....."
[11] Jonge mannen.
Hier werd het verhaal van Archibius afgebroken door een slaaf, die de aankomst van zijn bode meldde, en hij stond onmiddellijk op, om hem in de werkplaats, waar men hem gebracht had alléén te spreken.
ZESDE HOOFDSTUK.
De lieden, die door Archibius op kondschap uitgezonden waren, hadden nog geen zekere berichten ingewonnen, doch een hardlooper van den Koning had kort geleden een tafeltje voor hem afgegeven, waarop Iras hem uitnoodigde haar den volgenden dag een bezoek te brengen. Er waren verontrustende, doch gelukkig nog onzekere tijdingen gekomen. De Regent wilde alles doen om zekerheid te verkrijgen, doch hij kende het wantrouwen der zeelieden en dergenen die aan de haven woonden ten opzichte van de Regeering. Een onafhankelijk man als hij, zou meer te weten kunnen komen dan de havenopzichter met al zijn schepen en volk.
Bij dit tafeltje was nog een tweede, waarop de overbrenger van den Regent de vergunning gekregen had te allen tijde de havenketen te doen ontsluiten, met zijn schip in de open zee te loopen en ongehinderd terug te keeren.
De bode, de opzichter der scheepsslaven van Archibius, was een man van ondervinding. Hij nam op zich, de »Epicurus" een snelzeiler, dien Cleopatra aan haar vriend ten geschenke gegeven had, binnen twee uren tot een tocht in de volle zee gereed te maken. Intusschen zou zijn meester afgehaald worden met een wagen, opdat geen tijd zou verloren gaan.
Nu keerde Archibius tot de vrouwen terug, en vroeg haar, of het geen misbruik maken van hare gastvrijheid zou zijn, indien hij zijn vertrek nu, kort voor middernacht, nog eenigen tijd uitstelde. Zij toonden zich integendeel oprecht verblijd en verzochten om het vervolg van zijn verhaal.
»Ik moet mij bekorten," zeide hij, nadat hij den maaltijd dien Berenice gedurende zijn afwezigheid voor hem had doen gereed maken, eer aangedaan had. »Ook is er in de daaropvolgende jaren niet veel gebeurd, wat de vermelding waardig is. Ik moest toen ook al mijn tijd aan mijne studies in het Museum wijden. Wat Cleopatra en Arsinoë betreft, zij werden aan het hof als koninginnen behandeld. Met den dag, toen zij ons huis verlieten, eindigde ook haar kinderjaren. Was het de herstelling van haar vader op den troon, of de ontmoeting met Antonius, die deze groote verandering bij Cleopatra veroorzaakt had? Wie zal het zeggen?
»Kort vóór Cleopatra's afscheid, had mijn moeder nog betreurd dat zij haar moest afstaan aan een vader, zooals de fluitspeler was, en niet aan een waardige moeder; want zelfs de allerbeste zou zich gelukkig rekenen in het bezit van zulk een schat. Doch later was haar aard en manier van doen meer geschikt om een mannenhart in verrukking te brengen, dan juist dat eener moeder. Het scheen alsof haar streven naar zielevrede geheel voorbij was. Toch werden haar de drukke feestmalen, het zingen en muziekmaken, waaraan het in het paleis van den koninklijken virtuoos nooit ontbrak, wel eens wat te veel. Dan kwam zij in onzen tuin, en bleef daar dikwijls verscheidene dagen. Arsinoë kwam nooit mede, want deze liet zich nu eens boeien door een blonden officier der Germaansche ruiterij, die Gabinius achtergelaten had ter bezetting van de stad, dan weder door een Macedonisch edelman onder de koninklijke jongelingen, die toenmaal nog de wacht hadden in het paleis.
»Cleopatra leefde geheel van haar gescheiden, en sedert zij hare zuster eens hare minnarijen verweten had, legde deze haar vijandige gezindheid openlijk aan den dag. Cleopatra's belangstelling was op andere zaken gevestigd. Hoewel zij zich somtijds bezighield met de magische kunsten der Aegyptenaars, was haar helder verstand toch het meest tehuis in de wijsbegeerte der Hellenen. Het was een genoegen haar in het Museum met de leiders der verschillende scholen te hooren spreken of redetwisten. Haar gevoel van eigenwaarde was zeer toegenomen. Hoewel zij bij ons altijd verklaarde, dat zij met smart terugverlangde naar den tijd van den vreedzamen Epicuristen tuin, zoo nam zij toch zeer levendig deel in wereldsche zaken en politiek. Zij wist evengoed wat te Rome voorviel, wat de partijen dáár wilden en najaagden, als wie hunne leiders waren en welke bijzondere bedoelingen zij hadden.
»Met hartelijke belangstelling volgde zij de loopbaan van Marcus Antonius. Voor hem was de eerste neiging van haar jonge hart geweest. Zij had de grootste verwachtingen van hem gekoesterd, maar zijn latere handelwijze scheen daaraan niet te beantwoorden. Van toen af was iedere uiting omtrent hem met een tintje van minachting gekleurd, en toch voelde men ook daarin haar hart.
»Pompejus, wien haar vader zijn terugkeer te danken had, zag zij voor meer gelukkig, dan groot en wijs aan. Daarentegen sprak zij van Julius Cæsar, lang vóór zij hem persoonlijk had ontmoet, met gloeiende geestdrift, al wist zij, dat hij Aegypte tot een Romeinsche provincie had willen maken. Het grootste wat zij van hem verwachtte was, dat hij een einde zou maken aan de republiek, die zij haatte, en zichzelven tot beheerscher der wereld verheffen zou. Alleen had zij gaarne Antonius in zijn plaats gezien. Dikwijls nam zij in dien tijd tooverkunst te baat om iets van zijn toekomst te weten te komen. Haar vader deed hieraan mede, te meer omdat hij daarvan genezing van zijn lichaamskwalen verwachtte.
»Cleopatra's broeders waren nog aankomende jongelingen, die hun voogd Pothinus moesten gehoorzamen. Aan dezen, en hun opvoeder Theodotus, een knap doch gewetenloos redenaar, liet de Koning het bewind over zijn land geheel over. Zij beiden, en ook de veldheer Achillas zouden gaarne Dionysus, den oudsten erfgenaam des konings aan de regeering gebracht hebben, om dien ook later te kunnen beheerschen, maar op dit punt haalde de Koning een streep door hunne rekening. Zooals gij weet, benoemde hij in zijn laatsten wil zijn lieveling Cleopatra tot zijn opvolgster, maar haar broeder Dionysus moest de heerschappij als haar gemaal met haar deelen. Dit wekte in Rome veel ergernis, hoewel het overeenkwam met een oud Aegyptisch gebruik.
»De fluitspeler stierf. Cleopatra werd koningin en ook de gemalin van een tienjarigen knaap, voor wien zij zelfs niet een gewone zusterlijke genegenheid had. En zoo verbond zij zich met het eigenzinnige kind dat zich door de inblazingen van zijn raadslieden als alleenheerscher beschouwde, en tegelijk met de voormalige regeeringspersonen van het land.
»Er brak nu een droeve tijd voor haar aan. Haar leven was een voortdurende strijd tegen de kuiperijen, waaraan vooral haar zuster Arsinoë meedeed. Zij hield er een eigen hofhouding op na, aan welker hoofd de eunuch Ganymedes stond, die een ervaren veldheer en tegelijk een wijs en welmeenend raadsman voor haar was. Hij wist haar in aanraking te brengen met Pothinus en de overige staatslieden, en zoo vereenigden zich ten slotte allen in het ééne streven: Cleopatra van den troon te dringen. Pothinus, Theodotus en Achillas haatten haar omdat zij hunne fouten doorzag en hun de meerderheid van haar geest gevoelen liet. Ook zou het aan hunne vereende pogingen reeds vroeger zijn gelukt haar te doen vallen, wanneer de Alexandrijnen, en vooral de bond der jongelingen, die nog altijd eenigszins onder mijn invloed stonden, haar niet zoo trouw hadden bijgestaan. Alles wat zich »jongeling" noemde, gloeide voor haar, en ook onder de Macedonische edelen bij de lijfwacht, zouden de meesten voor haar door het vuur zijn gegaan, hoewel zij zonder hoop tot haar op moesten zien, als tot een ongenaakbare godin.
»Toen haar vader stierf, was zij zeventien jaar oud, doch zij wist zich als een man te verdedigen tegen hare vijanden en belagers. Mijne zuster Charmion die zij bij zich in dienst had genomen, stond haar daarbij trouw ter zijde. Zij was een mooi en lief meisje, en menigeen dong naar haar hand, maar de tooverkracht der Koningin hield haar als met ketenen geboeid. Zij gaf vrijwillig de liefde van een edel man op,--gij weet hij werd later uw gade, vrouw Berenice--om niet de Koningin te verlaten, in een tijd dat zij haar bijzonder noodig had. Van dien tijd af was het hart mijner zuster voor de liefde gesloten. Het behoorde geheel aan Cleopatra. Zij leeft, denkt, zorgt alleen voor haar. Voor u Barine, gevoelt zij bijzondere genegenheid omdat uw vader Leonax haar dierbaar was. Iras, die zoo dikwijls tegelijk met haar wordt genoemd, is de dochter van mijn oudste zuster, die reeds gehuwd was, toen de Koning de prinsessen aan mijn vader toevertrouwde. Zij is twaalf jaren jonger dan Cleopatra, en ook bij haar is hare gebiedster de eerste. Haar vader, de rijke Krates, deed alles om haar van den dienst der koningin terug te houden, maar het was te vergeefs. Na één enkel onderhoud met die wonderbare vrouw was zij voor goed voor haar gewonnen.
»Maar ik moet kort zijn! Gij hebt zeker zelve gehoord hoe Cleopatra ook Pompejus' zoon, bij zijn bezoek te Alexandrië geheel voor zich innam. Sedert de ontmoeting met Antonius, had zij geen man zoo vriendelijk behandeld als hem, en dat was geen opwelling van haar hart geweest, maar ter wille van het vaderland, dat haar zoo lief was. De vader van dien Gnejus had destijds de grootste macht in handen, en uit staatkundig overleg trachtte zij hem te winnen door middel van zijn zoon. De jonge Romein was dan ook bij het afscheid »vol van haar" zooals de Aegyptenaars zeggen. Dat deed haar genoegen, maar dit bezoek gaf ook voedsel aan den laster van haar vijanden. De aanvoerders der lijfwacht, aan wien zij zich altijd slechts als de trotsche Koningin vertoonde, hadden haar, heette het, met den zoon van Pompejus zien omgaan als met haars gelijken; in het theater en bij vele andere gelegenheden waren de Alexandrijnen getuige geweest hoe zij zijn betuigingen van welgevallen evenzoo beantwoordde. Maar de haat tegen Rome was in dien tijd hoog geklommen. De regenten en Arsinoë strooiden uit dat Cleopatra Aegypte aan Pompejus wilde afstaan, indien de senaat haar verzekerde van de alleenheerschappij over het nieuwe wingewest, en haar vrijheid wilde geven zich te ontslaan van haar koninklijken broeder en gemaal.
»Nu moest zij vluchten, en begaf zich allereerst naar de grenzen van Syrië om onder de Aziatische vorsten vrienden te winnen voor hare zaak. Aan mij en mijn broeder Straton, die zooals gij weet, bij den worstelstrijd te Olympia een krans behaalde, werd bevolen haar hare schatten na te dragen. Dat was wel is waar een gevaarlijke tocht, doch wij ondernamen dien met blijdschap, en vertrokken uit Alexandrië met eenige kameelen, een ossenwagen en verscheidene vertrouwde slaven. De reis ging tot Gaza, waar zij reeds een leger bijeenverzameld had. Wij hadden ons beiden verkleed als Nabateesche kooplieden, en de talen die ik geleerd had, om niet bij Cleopatra achter te staan, kwamen mij nu goed te pas.
»Het was een veelbewogen tijd. De namen van Pompejus en Cæsar waren in ieders mond. Na de nederlaag bij Dyrrhachium scheen de zaak van Julius Cæsar verloren, maar de slag bij Pharsalus gaf hem de heerschappij terug, indien zich het Oosten niet voor Pompejus verklaarde. Het scheen alsof beiden gelukskinderen waren. De vraag was maar wie dat het langst zou blijven.
»Mijne zuster Charmion vergezelde de Koningin, doch door eene haar toegedane vrouw uit het gevolg van Arsinoë hadden wij reeds uit het paleis vernomen, dat het lot van Pompejus beslist was. Hij kwam na zijn nederlaag bij Pharsalus als vluchteling hierheen, en verzocht den Koning van Aegypte, of liever de mannen die voor hem het bewind voerden, om gastvrijheid. Toen bevonden zich Pothinus en de zijnen in groote verlegenheid, want de troepen en schepen van Cæsar waren in de nabijheid, en vele vrienden van Gabinius dienden in het Aegyptische leger. Wanneer men den verslagen Pompejus vriendelijk ontving, dan maakte men zich den overwinnaar Cæsar tot vijand. Ik moest getuige zijn van de verschrikkelijke oplossing van dit dilemma. Het afschuwelijke gezegde van Theodotus: »doode honden bijten niet meer", gaf den doorslag.
»Mijn broeder en ik waren met onze kostbare vracht reeds tot aan den berg Casius gekomen en hadden daar onze tent opgeslagen om een bode af te wachten, toen een groote schaar gewapende krijgslieden uit de stad naar ons toe kwam. Eerst vreesden wij dat wij vervolgd werden, maar een verspieder meldde, dat de Koning zelf zich onder de soldaten bevond, en op hetzelfde oogenblik zagen wij een groot Romeinsch admiraalsschip van de zijde der kust naderen. Dat kon niet anders dan van Pompejus zijn. De Koning was dus van gevoelen veranderd, en kwam zelf zijn gast verwelkomen. De troepen legerden zich langs de vlakke kust, waarboven de tempel van Ammon zich verhief.
»Het was een heldere Septemberdag en de wapens glinsterden in de zon. Van den hoogen rotswand der droge rivierbedding, waarin wij onze tent hadden opgeslagen, zagen wij iets roods zich op en neer bewegen. Het was de purperen mantel des konings. De blauwe golven, door een zacht windje bewogen, kabbelden over het gele duinzand. De koning bleef stilstaan. Hij tuurde met de hand boven de oogen naar het naderende admiraalsschip. Achillas, de bevelhebber, en de tribuun Septimius, die tot de Romeinsche bezetting in Alexandrië behoorde, en van wien ik wist dat hij onder Pompejus gediend, en hem veel te danken had, waren intusschen in een boot gegaan, en voeren hem tegemoet, daar het schip daar niet landen kon.
»Nu begonnen de onderhandelingen, en Achillas' voorslagen moeten zeer aannemelijk en vertrouwen-inboezemend geweest zijn, want een hooggeplaatste vrouw, Cornelia, de gemalin van den Imperator maakte een gebaar dat haar dank moest uitdrukken."
De verhaler hield een oogenblik op, haalde diep adem, en drukte de hand tegen zijn voorhoofd, terwijl hij voortging:
»Nu komt iets.... ach, dat ik dat verschrikkelijk tooneel mee moest aanzien! Hoe dikwijls heeft men het verkeerd weergegeven, en toch ging alles zoo akelig eenvoudig!
»De Fortuin geeft haar gunstelingen vertrouwen. Dat had Pompejus dan ook. In weerwil van zijne acht en vijftig jaren, stapte hij vlug in het bootje. Alleen een vrijgelaten slaaf bood hem zijn hulp. Een zwarte matroos stiet het scheepje met zulk een kracht van het groote schip af, dat het scheen alsof de ijzeren stang een speer en het vaartuig zijn vijand was. De man struikelde, doordat de riemslagen der roeiers de boot reeds vooruit dreven, en daarbij viel het bruine mutsje van zijn hoofd. Het is of ik dat zwarte, wollige haar nog zie. Eer het mij nog recht helder werd dat dit geen goed voorteeken was, lag de boot reeds stil.
»Het water stond laag. Ik zag hoe Achillas naar het land wees. Hij kon het met één sprong bereiken. Pompejus zag naar den Koning; de vrijgelatene legde de hand onder zijn arm om hem bij het opstaan te helpen, Septimius stond op naar het scheen om hem te steunen. Doch neen! Wat is dat? Op eens flikkert iets naast het grijze haar van den Imperator in het helle zonlicht, alsof er een vonk uit den hemel gevallen was. Wil Pompejus die afweren, of waarom beweegt hij zijn hand? Hij nam zijn toga op, en zonder geluid te geven bedekte hij daarmede zijn gelaat. Nog eens zwaait de tribuun met zijn arm, en toen.... welk een verwarring! Hier, ginds, overal opgestoken handen, en weder flikkert iets in de lucht. De veldheer Achillas stoot zijn dolk met zulk een vaste hand, alsof hij zich in het moorden geoefend had. Het zware lichaam van den Imperator zijgt neder. De vrijgelatene ondersteunt hem nog.
»Nu hoorde men een geschreeuw van woede, van weeklachten, en boven dat alles uit de pijnlijke smartkreet eener vrouw. Die komt van het schip, van Cornelia, de gemalin van het slachtoffer. Daarop weder toejuichingen uit het kamp van den Koning, trompetsignalen; de Aegyptenaars trekken weder af. Daar vertoonde de vuurroode mantel zich weder. Septimius gaat hem tegemoet, met een bloedend hoofd in de hand. De jonge Koning ziet in de gebroken oogen, die zoovele gevechten, die Rome, die twee werelddeelen hebben beheerscht. Dit gezicht is het kind toch te machtig: hij wendt zich af. Het schip zeilt weer weg; de Aegyptenaars scharen zich in rijen, en trekken af. Achillas wascht zijne bebloede handen in de zee, en naast hem de vrijgelatene eveneens het hoofdelooze lichaam van zijn heer. De trouwe dienaar roept den veldheer iets toe, maar deze haalt alleen de schouders op."
Archibius moest weder een oogenblik ophouden om adem te scheppen. Toen ging hij weder kalmer voort:
»Ik hoorde later dat Achillas het leger niet naar Alexandrië terugbracht, maar naar het Oosten, naar Pelusium.
»Mijn broeder en ik stonden op den steilen rotswand. Het duurde lang eer wij een van beiden spraken. Een stofwolk onttrok den Koning en zijn gevolg aan ons gezicht, en het zeil van het admiraalsschip verdween ook. Het werd donker, en Straton wees naar het Westen, waar Alexandrië lag. Daar ging de zon onder, zoo rood, alsof een stroom van bloed over de stad werd uitgegoten.
»Thans daalde de nacht. Er brandde aan de kust nog een zwak vuur. Vanwaar kwam op die dorre vlakte dat hout? Hoe had men dat daar ontstoken? Dicht bij het tooneel van den moord had een wrakke schuit gelegen. De vrijgelatene en zijn makker hadden die in stukken gehakt, en het vuur werd gevoed met dorre takken, de verscheurde kleeren van het slachtoffer en droog zeegras. De vlammen sloegen nu hooger op. Wij zagen hoe op dezen armzaligen brandstapel behoedzaam een menschenlichaam werd neergelegd. Het was dat van den grooten Pompejus. Een veteraan van den Imperator bood den trouwen dienaar de behulpzame hand."
Archibius zonk op den rustbank achterover, en voegde er ter verklaring bij:
»De man heette Cordus, Servius Cordus. Later is het hem goed gegaan, want daar heeft de Koningin voor gezorgd. Maar de anderen werden alle spoedig genoeg door het noodlot achterhaald. Theodotus werd later door Brutus tot een ellendigen dood veroordeeld. Terwijl hij zieltogend luid schreeuwde, riep een oud dienaar van Pompejus hem toe: »Doode honden bijten niet meer, maar zij huilen als zij sterven."
»Het was Julius Cæsar waardig, dat hij zich vol afschuw afwendde toen hem later het hoofd van zijn vijand gebracht werd. En Pothinus wachtte te vergeefs een belooning voor zijn schandelijke daad.
»Spoedig na de terugkomst des Konings in Alexandrië zeilde Cæsar uit. Eerst in Aegypte hoorde hij welke ontvangst men daar Pompejus had bereid. Gij weet dat hij hier negen maanden lang gebleven is. Menigmaal heb ik hooren zeggen dat het Cleopatra was, die hem hier geboeid hield. Dat is waar, en toch ook weder niet waar. Een half jaar was hij gedwongen te blijven; de overig drie maanden schonk hij aan zijne geliefde, want het hart van den vierenvijftigjarigen man had zich werkelijk nog eenmaal voor een grooten hartstocht geopend. Evenals alle wonden, zoo zijn ook die van Eros' pijlen moeilijker te heelen, wanneer iemands jeugd al achter hem ligt. Ook waren het niet slechts oogen en zinnen die dit, in leeftijd zoo verschillende paar tot elkander aantrokken, maar veeleer beider innerlijke hoedanigheden. Twee gevleugelde geesten hadden elkander hier ontmoet. Het genie van den een had dat van de ander erkend. De echte mannelijkheid was de volkomen vrouwelijkheid tegemoet gekomen. Het kon niet anders of zij moesten elkander aantrekken. Ik zag het aankomen, want reeds lang had Cleopatra met gespannen aandacht de vlucht van dezen adelaar gevolgd. Hij vloog hooger dan alle anderen, ook dan hij, dien zij reeds als kind vol verlangen had nagestaard. En zij voelde zich sterk genoeg hem ter zijde te blijven.
»Wij kwamen zonder ongeval bij Cleopatra aan, en hoorden hoe Cæsar in het paleis der Ptolemaeërs afgestapt was, in weerwil van den vijandige gezindheid der burgers, en hoe hij de taak op zich genomen had de orde in Aegypte te herstellen. Wij wisten op welke wijze Pothinus, Achillas en Arsinoë zouden trachten invloed op hem uit te oefenen. Wat Cleopatra betreft, zij maakte zich ongerust dat hare vijanden Aegypte onvoorwaardelijk aan Rome zouden afstaan, wanneer Cæsar hen de teugels der regeering overliet, en haar daarvan uitsloot. Zij had reden dit te vreezen, maar ook den moed om voor haar eigen zaak het leven te wagen.
»Zij moest nu naar de stad, en wel naar het paleis, in de tegenwoordigheid van den Dictator gebracht worden. Mijn broeder en ik hielpen haar. Aan kinderen heeft men het verhaaltje opgedischt, dat Cleopatra door een sterken man in een zak door de poort van het paleis werd gedragen. Het was nu wel geen zak, maar een Syrisch tapijt. De sterke man was mijn broeder Straton. Ik liep vooruit en maakte ruim baan.
»Julius Cæsar en zij zagen en vonden elkander. Het lot trok nu het besluit, dat uit de gegevens vanzelf voortvloeide. Nooit zag ik Cleopatra meer schitterend in al hare gaven van verstand en hart dan toen. Toch was zij door gevaren omringd, en had Cæsar al zijn veldheerstalent noodig om den tegenstand, dien hij hier vond, te bedwingen. Ik herhaal: dat was het, wat hem hier hield; Cleopatra niet. Waarom zou hij niet, zooals hij later deed, zijn geliefde meegenomen hebben naar Rome, wanneer hem dat mogelijk ware geweest? Dit was echter in geenen deele het geval. Daar zorgden de Alexandrijnen wel voor.
»Hij had het testament van den fluitspeler erkend, en zelfs aan het Aegyptische koningshuis nog meer rechten toegestaan, dan de Koning had kunnen doen. Cleopatra en haar broeder en gemaal Dionysus moesten de heerschappij deelen; aan Arsinoë en haar jongsten broeder werd daarbij nog Cyprus toebedeeld, dat de Republiek aan hun oom Ptolemæus had ontnomen. Natuurlijk moest Rome de voogdij over de kinderen behouden.
»Deze beschikkingen waren ondragelijk voor Pothinus en de voormalige bewindvoerders van den staat. Cleopatra als Koningin, en Rome, dat was Cæsar, de dictator die haar vriend was, als voogd, dat was zooveel als ontzetting uit alle macht, ja hunne geheele vernietiging, en daarom verzetten zij zich daartegen met alle kracht.
»De Aegyptenaars en ook de Alexandrijnen waren aan hare zijde, en de jonge Koning torste met tegenzin het juk der zooveel meer ontwikkelde zuster, die hij nooit had liefgehad. Cæsar was met een strijdmacht aangekomen die op verre na niet gelijkstond met de hunne, en misschien konden zij den algemeen gevreesden man hier ten val brengen. Zoo streden zij dan van weerszijden met zooveel inspanning en ijver, dat de dictator groot gevaar liep het onderspit te delven. Maar Cleopatra verlamde waarlijk niet zijn kracht, noch belemmerde hem in zijn bewegingen. Neen! nooit was hij grooter geweest, nooit bewees hij zóó duidelijk de macht van zijn genie! En welk een overmacht, welk een haat, had hij te bestrijden! Ik zag hoe de jonge Koning, toen hij hoorde dat het Cleopatra was gelukt in het paleis binnen te dringen en Cæsar te zien, als bezeten van woede de straat op liep, zich de kroon van het hoofd rukte, die op den grond wierp en de voorbijgangers toeriep, dat hij verraden was. Dit duurde zoolang totdat Cæsar's soldaten hem in het paleis terugbrachten en de menigte uiteendreven.