Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 8
"Ik was in dien tijd zestien, Cleopatra tien jaar oud, en ik werd eerst ijskoud en toen weder warm, toen ik, na het vertrek haars vaders de kleine Arsinoë haar zusje hoorde toefluisteren: "Ja, wij zullen haar haten! De goden mogen haar verderven!" en hoe Cleopatra met betraande oogen daarop antwoordde: "Laten wij liever beter worden dan zij, Arsinoë, zoo héél goed, dat de goden ons liefhebben, en vader weer tot ons terugbrengen."
""Omdat gij dan Koningin wordt," zeide Arsinoë verachtelijk, en nog trillend van opgewondenheid.
"Hier zag Cleopatra haar verwonderd aan. Het was duidelijk, dat zij de beteekenis dier woorden overwoog, en ik zie nog de kleine gestalte zich oprichten, en vol zelfbewustzijn zeggen: "Ja, ik wil ook Koningin worden!"
"Doch plotseling veranderde zij van toon, en met de lieflijkste klanken van haar zoete stem verzocht zij haar zuster: "Niet waar, gij zult niet weder zulke leelijke dingen zeggen?"
"Dat was in den tijd toen mijns vaders lessen reeds eenigen indruk begonnen te maken op haar jonge ziel. Wat Olympus had voorspeld, kwam toen reeds tot vervulling. Ik zelf ging toen naar de school der rhetoren[9], maar als vader aan de meisjes een taak opgaf dan mocht ik hetzelfde onderwerp behandelen als zij, en ik moest dikwijls erkennen dat Cleopatra het beter had gedaan dan ik. Spoedig kon zij tot moeielijker oefeningen overgaan, want de geest van dit kind had krachtiger voedsel noodig, en nu begonnen de lessen in de Philosophie. Mijn vader behoorde zelf tot de school van Epicurus, en boven verwachting gelukte het hem Cleopatra voor de leer van dezen meester te winnen. Zij leerde ook de leerstellingen van andere philosofen kennen, doch kwam altijd weer terug op Epicurus. Zij wilde dat wij allen als echte leerlingen van dien grooten Samiër leven zouden.
[9] Leeraars in de welsprekendheid.
"Gij zijt zeker door uw vader en broeder meer met de leer der Stoa vertrouwd geraakt, maar gij zult toch ook wel weten, dat Epicurus het laatste gedeelte van zijn leven met zijn vrienden en leerlingen, in stille overdenkingen en wijsgeerige gesprekken, doorgebracht heeft in zijn tuin te Athene. Op die wijze wenschte Cleopatra, dat ook wij leven zouden, en wij moesten ons daarbij "leerlingen van Epicurus" noemen. Behalve Arsinoë en mijn sterke broeder Straton, die meer van levendiger spelen hielden, vonden wij dat allen goed. Ik werd tot meester gekozen, maar daar ik haar aanzag, dat zij dat graag was, stond ik het haar af.
"Den eerstvolgenden vrijen middag gingen wij in den tuin op en neder wandelen, en onderhielden ons in allen ernst over het hoogste goed. Zij leidde daarbij onze gesprekken met zooveel vaardigheid, en wist in twijfelachtige gevallen zoo goed uitspraak te doen, dat het ons speet toen de klok ons naar huis riep en wij ons 's avonds al verheugden op den volgenden middag.
"Dien morgen zag mijn vader eenige landlieden voor den afgelegen tuin bijeen staan, maar hij had geen tijd te vragen wat zij daar kwamen doen, want Timagenes, die de geschiedenis onderwees, dezelfde, die later als krijgsgevangen slaaf te Rome kwam, liep op hem toe, en liet hem een bordje zien. Daarop stond het opschrift te lezen, dat Epicurus eenmaal geplaatst had boven de poort van zijn tuin: Vreemdeling, hier zult ge u gelukkig gevoelen; hier is het hoogste goed, het levensgenot te vinden.
"Cleopatra had dit vóór zonsopgang met groote letters op het bordje geschreven, en dat door een slaaf aan de poort doen bevestigen. Deze inval had intusschen bijna een eind gemaakt aan ons heerlijk samenzijn, doch zij had het slechts gedaan om bij ons spel het voorbeeld getrouw na te volgen. Mijn vader liet ons ook toe daarmee voort te gaan, alleen verbood hij ons streng dat wij elkander, buiten den tuin, "Epicuristen" zouden noemen, want aan dezen schoonen naam hadden de menschen reeds lang een verkeerde beteekenis gegeven. Epicurus zegt immers dat de ware levensvreugde slechts in zielsrust en afwezigheid van smart te vinden is."
"Maar toch houdt iedereen," bracht Barine in het midden, "iets anders dan dat voor de ware leer van Epicurus. Isidorus, bijvoorbeeld, een godloochenaar, wiens levensdoel daarin bestaat dat hij den beker van het genot tot op den bodem ledigen wil, wordt voor een echt Epicurist gehouden. Mijn moeder zou mij zeker niet toevertrouwd hebben aan een opvoeder, voor wien het levensgenot het hoogste goed is."
"Gij, dochter van een philosoof," hernam Archibius hoofdschuddend, "moest beter weten wat bij Epicurus "de vreugd" beteekent, en dat begrijpt gij ook wel. Wie er niet meer van gehoord heeft, kan trouwens niet weten dat de meester verbiedt naar genoegen te trachten in de enkele dingen van het leven. Hebt gij wel een klare voorstelling van zijn leer? Niet? Laat mij dan beproeven u die in weinige woorden te verklaren. Epicurus wordt maar al te dikwijls verward met Aristippus, die de genoegens der zinnen boven die van den geest stelt, evenals hij gelooft dat lichaamssmarten moeilijker te dragen zijn dan zielesmart. Maar Epicurus stelt juist het genot van den geest het hoogst, want het zinnelijke, al veroordeelt hij dat niet, blijft toch altijd maar tot het tegenwoordige bepaald, terwijl het geestelijke zich tot in het verleden en de toekomst verlengt. Het doel van het leven is, zooals ik zeide, bij den Epicurist: zielsrust te erlangen en van smarten bevrijd te zijn, wat hij als het hoogste goed beschouwt. Oók de deugd wil hij alleen beoefend hebben ter wille van het genot dat zij schenkt; want wie zou deugdzaam kunnen blijven, zonder ook wijs, edel en rechtvaardig te zijn, en wie dit is, die heeft de grootste rust der ziel, en zal waarachtig gelukkig zijn, naar de bedoeling van den meester. Ik heb nu reeds lang het gevaar van deze leer ingezien, dat daarin ligt, dat zij niet van zedelijke waarde spreekt; maar in dien tijd scheen zij mij werkelijk het allerhoogste toe. En hoe gretig werd dit alles opgenomen in de nog geheel hartstochtlooze ziel van dat nadenkende kind! Men kon haar wondersterken geest bijna nooit genoeg voedsel geven, en het was haar grootste genot dien te verrijken. Voor haar was ook de afwezigheid van smart, die de eerste voorwaarde tot het genot werd genoemd, werkelijk een eerste vereischte om gelukkig te zijn. Zij kon het even moeilijk verdragen dat een harde hand haar aangreep, als dat een kleine teleurstelling haar trof.
"En toch droeg dit kind, dat mijn vader eens "een bloem, die nadacht" noemde, haar droevig lot, de verwijdering van haar vader, den dood harer moeder en de wreedheid harer zuster Berenice, als een ware heldin, zonder een enkele klacht. Zelfs met mij sprak zij over deze dingen slechts in bedekte termen, hoewel zij mij, als aan een broeder haar vertrouwen schonk. Ik weet dat zij volkomen begreep wat er voorviel, en het diep voelde. De smart plaatste zich tusschen haar en het hoogste goed, maar zij overwon haar. En als zij aan het werk was, dan worstelde het teere kind met taaie volharding, totdat zij het Charmion en mij ook in het moeilijkste had afgewonnen.
"In dien tijd begreep ik waarom men onder de goden aan een jonkvrouw de wetenschap heeft toevertrouwd, en waarom zij met wapenen toegerust is.--Gij hebt immers al gehoord, hoe vele talen Cleopatra spreekt? Een woord van Timagenes was eens als een zaadkorrel in haar ziel gevallen. Het was dit: "met iedere taal die gij leert, wint gij een volk." Nu behoorden er vele volken tot het rijk van haar vader, en als zij eenmaal koningin was, dan moesten zij haar alle liefhebben. Het is waar, zij begon met die der heerschers, niet met die der beheerschten. Het eerst wilde zij Lucretius verstaan, die de leer van Epicurus in verzen overgebracht heeft. Mijn vader onderwees ons, en reeds in het tweede jaar las zij dit dichtstuk even gemakkelijk als een Grieksch boek. Het Aegyptisch kende zij ook nog maar half. Nu leerde zij het vlug. Gedurende ons verblijf op het Isiseiland Philae vond zij een Troglodiet die haar in zijne taal onderrichten moest. Hier in Alexandrië waren genoeg Joden, die haar in de hunne inwijdden, en daarbij leerde zij ook het daaraan verwante Arabisch.
"Toen zij vele jaren later Antonius opzocht te Tarsus, dachten de krijgslieden dat zij met Aegyptische tooverkunst te doen hadden, want zij sprak iederen bevelhebber aan in de taal van zijn volk, en stond hem te woord alsof zij een landgenoot van hem was. En zoo ging het met alles wat zij leerde. Op ieder gebied streefde zij ons ver vooruit. Haar brandende eerzucht kon niet gedoogen dat zij in één enkel ding achterblijven zou.
"De Romein Lucretius werd haar lievelingsdichter, hoewel zij van zijn volk even weinig hield als ik. Maar de zelfbewuste kracht van haar vijand maakte indruk op haar, en eens hoorde ik haar uitroepen: "Ja, als de Aegyptenaars Romeinen waren, dan zou ik onzen tuin geven voor den troon van Berenice."
"Lucretius bracht haar telkens weer terug op Epicurus en deed in haar nooit rustenden geest een tweestrijd ontstaan. Hij leert, zooals gij weet, dat het leven op zichzelf niet zulk een heerlijk bezit is, dat men _niet-leven_ voor een ongeluk zou moeten houden. Men bederft het juist daardoor, dat de dood ons als het grootste ongeluk voorkomt. Alleen die ziel verkrijgt rust, die niet meer aan den dood als aan een ongeluk denkt. Wie overtuigd is dat tegelijk met het leven ook het voelen en denken voorbij is, die kan het einde niet vreezen. Hoeveel liefs en kostbaars een afgestorvene ook achtergelaten heeft, met zijn leven verliest hij toch ook voor altijd het verlangen daarnaar. Hij noemt het daarom de grootste dwaasheid dat men zich bekommert om een lijk, en dat alles is juist het tegenovergestelde van het geloof der Aegyptenaars, dat Anubis Cleopatra trachtte in te prenten. Tot op zekere hoogte gelukte hem dit ook, want zijn persoon maakte een machtigen indruk op haar, en daarbij was haar een groote neiging tot het mystieke en bovenzinnelijke aangeboren, evenals mijn broeder Straton zijn lichaamskracht, en u Barine, de gave des lieds.
"Gij kent Anubis zeker wel van aanzien. Welk Alexandrijn zou dien merkwaardigen man nooit gezien hebben, en wie dat eenmaal deed, zal hem niet licht vergeten. Hij beschikt inderdaad over geheimzinnige krachten, en deze heeft hij ook toegepast op het opgroeiende vorstenkind. Als zij nu nog vasthoudt aan het geloof van haar volk en, ofschoon een Helleensche tot in merg en been, haar Aegypte liefheeft, zóó dat zij daarvoor tot alle offers is bereid, dan is dat zijn werk. Zij laat zich "de nieuwe Isis" noemen, en Isis is het middenpunt der Aegyptische tooverkunst. Anubis heeft Cleopatra ingewijd in de geheime wetenschap, en heeft haar zelfs overreed om op de Sterrenwacht en in het laboratorium....
"Doch dat alles begon eerst in den tijd toen wij onzen Epicurustuin hadden, en mijn vader kon er niets aan doen, daar de Koning uit Rome had laten zeggen hoe het hem verheugde dat Cleopatra behagen schepte in haar volk en zijn geheime wetenschap. En de fluitspeler had aan de Tiber het Aegyptische goud goed besteed en velen, door hen tot zijn schuldenaren te maken, aan zijn belangen verbonden. Nadat Pompejus, Cæsar en Crassus het verbond der driemanschap gesloten hadden, kwamen zij te Lucca overeen dat de Ptolemaeër op zijn troon zou worden hersteld. Millioenen waren hem daarvoor niet te veel. Het liefst zou Pompejus hem zelf naar Aegypte teruggebracht hebben, doch dat liet de naijver der anderen niet toe. Deze taak werd aan Gabinius, stadhouder van Syrië, opgedragen. Maar zij, die nu den Aegyptischen troon bezet hielden, waren niet gezind dien zoo dadelijk weer op te geven. Gij weet, Koningin Berenice, Cleopatra's oudste zuster, was in dien tijd tot tweemaal toe in het huwelijk getreden. Haar eersten, nietswaardigen gemaal had zij om het leven doen brengen, doch in den tweeden had zij een moedigen verdediger geworden. Hij hield zich dapper, maar sneuvelde op het slagveld.
"Weldra vernam de Senaat, dat Gabinius den Ptolemaeër in zijn land teruggebracht had, maar tot ons kwam dat bericht eerst later. Wij luisterden destijds met evenveel spanning naar elk geluid, als wij het nu doen.
"Cleopatra was nu veertien jaar geworden, en allerbevalligst opgegroeid. Dat portret aan den wand toont u de geheel geopende bloem, doch het knopje was nog bekoorlijker. Hoe helder en ernstig waren hare oogen! Maar als zij vroolijk was, konden zij schitteren als sterren, en dan kreeg ook haar mond een onbeschrijfelijk ondeugende betoovering, terwijl in hare wangen de kuiltjes te voorschijn kwamen, die nu nog ieder in verrukking brengen. Haar neus was fijner dan hij nu is, en men zag nog nauwelijks de lichte kromming die het portret te zien geeft, en die op de munten te sterk uitkomt. Het haar is eerst later donker geworden. Mijn zuster Charmion vond er haar grootste genoegen in die zware golvende lokken in orde te brengen. Zij verzekerde dikwijls dat het precies zijde was, en dat was het ook. Dat weet ik omdat Cleopatra het bij het Isisfeest, als zij het beeld moest volgen met het sistrum, loshangend droeg. Onder het naar huis gaan schudde zij dikwijls schertsend het hoofd, en dan stroomde dat haar als een waterval om haar heen, en verborg haar gelaat en gestalte. Zij was van gewone grootte, maar alles was in volkomen juiste verhouding, alleen iets fijner en teerder dan tegenwoordig.
"Zij verstond sinds lang de kunst om alle harten te veroveren. Het scheen alsof zij mijn vader het meest vereerde, mij het meest vertrouwde, voor Anubis een eerbiediger schroom had, en met den scherpzinnigen Timagenes liever redeneerde dan met anderen; doch zij liet het altijd voorkomen alsof allen haar even lief waren. Arsinoë daarentegen vergat mij als Straton er bij was, en wierp vurige blikken op Menodor, een leerling van mijn vader, zoo menigmaal die bij ons was.
"Zoodra het heette dat de Koning door de Romeinen zou worden teruggebracht, kwam Koningin Berenice de meisjes afhalen om naar de stad te gaan. Cleopatra verzocht haar echter bij mijn ouders te mogen blijven en hare lessen voort, te zetten. Berenice antwoordde hierop met een verachtelijken glimlach, en terwijl zij zich tot haar gemaal Archelaus wendde, zeide zij kort af: "Ik zou denken dat voor haar uit de boeken het minste gevaar dreigt."
"Pothinus, de voogd, had vroeger wel eens aan de broeders der prinsessen toegestaan haar te bezoeken, doch nu mochten zij de Lochias niet meer verlaten. Dat trokken Cleopatra en Arsinoë zich echter weinig aan. De kleine knapen hadden altijd hare liefkozingen verlegen afgeweerd, en met hun Aegyptischen haartooi en kleederdracht, die Pothinus voorgeschreven had, waren zij aan de zusters ook vreemd gebleven.
"Toen zij hoorden dat de Romeinen uit Gaza optrokken, werden de beide meisjes hartstochtelijk opgewonden. Dat zag men Arsinoë dadelijk aan, maar Cleopatra wist het te verbergen, ofschoon haar jong gezichtje menigmaal van kleur verschoot. En toch was haar gelaat niet wit en rood, zooals dat van haar zuster, maar van een, hoe zal ik het zeggen.....?"
»Ik weet wat gij bedoelt," zeide Barine. »Toen ik haar zag, vond ik niets bekoorlijker dan die zachte tint, waar het rood slechts even doorschijnt, als het licht door die albasten lamp of de kleur der perzik door het dons. Ik heb dat dikwijls opgemerkt bij pas herstellende zieken. Dat spreidt Aphrodite slechts over hare lievelingen uit, evenals de god van den tijd het fraaie groen over het brons. Niets schooners, dan wanneer zulke vrouwen blozen!"
»Gij ziet scherp," zeide Archibius glimlachend. »Het was inderdaad alsof niet Eos[10] zelve, maar haar zachte weerschijn aan den westelijken horizon den hemel kleurde, zoo vaak vreugde of schaamte haar het bloed naar de wangen joeg. Doch als zij door toorn werd beheerscht, en dat gebeurde dikwijls, dan kon zij er uitzien als een marmeren beeld, ja alsof alle leven uit haar geweken was. Doch laat ik verder gaan. Misschien komt de bode nu spoedig.
[10] De godin van den dageraad.
»Gabinius bracht den Koning dus terug. Doch sedert hij aanrukte met het Romeinsche leger en de hulptroepen van den Ethnarch van Judea, sprak niemand meer van hem of van Antipater, die het leger van Hyrkanus aanvoerde, maar men hoorde enkel van den Romeinschen veldheer Antonius. Hij had de troepen gelukkig door de woestijn tusschen Syrië en de Aegyptische Delta heen geleid en op dien tocht geen enkelen man verloren, hoewel in die streken vroeger reeds velen het leven hadden moeten laten. De Joodsche bezetting van Pelusium had die stad niet aan hun stamgenoot Antipater, maar aan hem, zonder slag of stoot overgeven. Hij had in twee veldslagen overwonnen, en in den tweeden, waarin, zooals gij weet Berenice's gemaal sneuvelde, werd het lot van het land beslist.
»Sinds zijn naam aan de beide meisjes voor het eerst was genoemd, konden zij niet genoeg van hem hooren. Men zeide, dat hij de voornaamste der voorname Romeinen, de stoutste der dapperen, de uitgelatenste en dolste der verkwisters en de schoonste van alle mannen was. De kamervrouw uit Mantua, met wie Cleopatra zich in de Romeinsche taal oefende, had hem dikwijls gezien en nog meer van hem gehoord, en zijn leven gaf aan de Romeinen veel te spreken. Het heette dat hij in rechte lijn van Hercules afstamde, en dat zijn gestalte en fraaie zwarte baard aan dezen voorvader herinnerden. Gij kent hem en weet, dat er van hem veel te verhalen valt wat aan een meisjesoor niet onverschillig is, en hij was toenmaals bijna vijf lustra jonger dan nu.
»Hoe luisterde Arsinoë, hoe bloosde en verbleekte Cleopatra, toen Timagenes waagde hem een zedeloozen woesteling te noemen. Deze Marcus Antonius had dan ook haar vader den weg naar zijn vaderland weder geopend.
»De fluitspeler had zijn dochtertjes niet vergeten. Hij was zelf buiten het gevecht gebleven en kwam dadelijk na de beslissing in de stad. Zijn weg voerde langs onzen tuin. De Koning had maar één kwartiers uurs tijd gehad om door een snellooper zijn aankomst te doen melden, en zijn verlangen om haar te begroeten. In allerijl werden zij feestelijk uitgedost, en beiden boden nu een aanblik, die het vaderhart goed moest doen.
»Cleopatra was nog altijd niet zoo groot als Arsinoë, maar ofschoon pas veertien jaar, geleek zij toch geheel en al op een volwassen jonkvrouw, terwijl gelaat en houding der jongste verrieden dat zij nog een kind was. In haar hart was zij dit echter niet meer.
»Zoo goed het ging waren in der haast ruikers saamgebonden, en de meisjes hadden beiden een in de hand, toen de reizigers naderden. Mijne ouders gingen tot aan de tuinpoort mede. Ik kon zien wat er gebeurde, maar alleen verstaan wat de mannen zeiden.
»De Koning stapte uit zijn reiswagen, die met acht Medische schimmels bespannen was. De aanzienlijke kamerheer die hem vergezelde, moest hem daarbij ondersteunen. Zijn rood gezicht glansde toen hij zijne meisjes begroette. Men zag hoe blijde hij verrast was, vooral door Cleopatra. Wel kuste hij ook Arsinoë, maar hij had toch alleen oogen en ooren voor de andere. Toch had ook de jongste zich schoon ontwikkeld, en zonder haar zuster ware ook zij zeker de aandacht waardig geweest. Doch Cleopatra was als de zon, die ieder ander hemellicht naast haar verbleeken doet. En toch mocht men haar niet zonnig noemen. Dat was juist voor een deel het bekoorlijke in haar, dat ieder zich gedrongen voelde zijn blik op haar te laten rusten, alleen om uit te vorschen waarin toch de betoovering bestond die van haar uitging.
»Ook Antonius werd door die aantrekkingskracht geboeid, zoodra de eerste woorden over hare lippen gekomen waren. Hij was te paard tot naast den wagen van den koning komen aanrijden. Zoodra hij de dochters aan de zijde van haar vader had gezien, begroette hij haar met vluchtige beleefdheid. Toen vraagde hij Cleopatra of hij op haar dank mocht hopen, omdat hij zoo spoedig haar vader had teruggebracht, en zij zeide dat zij, als dochter, gaarne erkentelijk wilde zijn, maar dat het haar als Aegyptische koningsdochter moeite kostte. Bij dit antwoord zag hij haar scherper aan dan te voren. Ik zelf hoorde daarvan pas later, maar ik zag hoe de Romein, zoodra zij ophield met spreken, van het paard sprong, en den voornamen kamerheer Ammonius, die den Koning uit den wagen had geholpen, de teugels toewierp, alsof hij een stalknecht was. De man, die zulk een oog had voor vrouwenschoonheid, had hier een zeldzame vondst gedaan, en terwijl hij het gesprek met Cleopatra voortzette, mengde zich ook haar vader daarin, en telkens hoorden wij zijn luiden lach. Men zou de ernstige leerlinge van Epicurus niet herkend hebben. Reeds menigmaal hadden wij treffende gezegden en verrassende denkbeelden van haar gehoord, doch zij had nog maar een enkele maal de scherts van Timagenes op dezelfde manier beantwoord. Maar nu gaf zij op ieder woord van Antonius een geestige repliek. Het was alsof zij nu eerst iemand gevonden had tegenover wien zij het de moeite waard vond om alle gaven van haar vluggen en diepen geest aan den dag te leggen. En toch verloor zij daarbij geen oogenblik haar vrouwelijke waardigheid. Hare oogen schitterden niet meer dan zij in een levendig gesprek met mij of met mijn vader deden.
»Met Arsinoë was het anders. Toen Antonius van het paard was gestegen, was zij hare zuster genaderd, doch daar de Romein haar voortdurend over het hoofd zag, zag ik hoe zij kleurde. Zij beet zich op de lippen en kreeg iets onrustigs over zich. Ik zag aan haar oogen en de trillende neusvleugels dat zij slechts met moeite hare tranen weerhield. Ofschoon Cleopatra mij veel liever was, ging mij dit toch aan het hart, en ik had dien trotschen Romein, die er werkelijk uitzag als de oorlogsgod zelf, aan zijn arm willen schudden en hem toefluisteren dat hij die andere koningsdochter toch niet zoo mocht veronachtzamen.
»En nog wat ergers wachtte de arme Arsinoë. Op het oogenblik dat de koning tot afscheidnemen vermaande, nam Antonius hem een der bloemruikers, die hij nog in zijn hand hield, af en zeide met zijn diepe, schoone stem: »Wie zulk een bloem zijn dochter noemt, heeft geen andere noodig." Daarbij reikte hij den ruiker aan Cleopatra, en met de hand op het hart sprak hij den wensch uit dat hij haar te Alexandrië zou mogen wederzien. Toen sprong hij op het paard, dat de verontwaardigde kamerheer nog altijd bij den teugel hield.
»De fluitspeler was over zijn oudste dochter werkelijk verrukt, en deelde mijn vader mede, dat hij de meisjes overmorgen in de stad zou laten brengen. Morgen had hij daar allerlei dingen te doen, die zij liever niet moesten bijwonen. Mijn vader mocht het zomerpaleis met den tuin ten teeken van dankbaarheid voor zich en zijn nageslacht in eigendom behouden. Hij zou zorgen dat dit in de boeken ingeschreven werd. Inderdaad had dit op denzelfden dag nog plaats. Zelfs zou het zijn allereerste werk zijn geweest, indien niet een andere zaak vóór moest gaan: de terechtstelling van zijn dochter Berenice.
»Dezelfde koning die in de oogen van allen, die zijn ontmoeting met zijn dochters hadden gezien, een gevoelig man en teeder vader scheen, zou in die dagen half Alexandrië hebben laten ter dood brengen, zoo niet Antonius tusschenbeide gekomen ware. Deze verbood al dat bloedvergieten, en eerde de nagedachtenis van Berenice's gemaal nog met een prachtige begrafenis.
»Terwijl hij te paard wegreed, zag hij nog meermalen naar Cleopatra om, doch aan Arsinoë kon hij geen groet meer geven, want zij was haastig naar den tuin teruggegaan. Haar gezwollen gelaat toonde duidelijk de sporen van pas vergoten heete tranen. Van dien dag haatte zij Cleopatra met bitteren wrok.