Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 7

Chapter 73,949 wordsPublic domain

Nu begrepen de beide vrouwen eerst goed, dat, hoe lief zij Archibius ook waren, zij en misschien alle andere menschen, toch moesten achterstaan bij de Koningin. Barine had ook niets anders van hem verwacht. Zij wist dat hij, de zoon van een philosoof, door Cleopatra tot een rijk grondbezitter en aanzienlijk man gemaakt was, doch zij voelde ook, dat zijn vaderlijke zorg voor de Koningin, nog een andere oorzaak had. Cleopatra van hare zijde schatte hem hoog. Ware hij eerzuchtig geweest, dan had hij reeds aan het roer van den Staat gestaan, maar de gansche stad wist, dat hij deze eer reeds meer dan eens geweigerd had, omdat hij dacht als eenvoudig, geheim raadsman, zijne gebiedster des te beter van dienst te kunnen zijn.

Barine's moeder had haar verhaald hoe Archibius en Cleopatra van jongs af aan met elkander in betrekking hadden gestaan. Meer wist zij daar evenwel niet van. Wel gingen daarvan allerlei geruchten rond, die gaandeweg opgesierd en met verdichte vertellingen doorweven waren.

Barine had vooral altijd gaarne geloofd dat de philosoof reeds in zijn prille jeugd met innige liefde aan de vorstin verbonden was geweest, en nu werd zij daarin nog versterkt.

Toen Archibius ophield te spreken, verzekerde de jonge vrouw dat zij hem begreep. Zij wees op het portret der negentienjarige koningin, door haar vader geschilderd, waarop de albasten lamp aan de zoldering een helder licht deed vallen, en vroeg hem op den man af: »Was zij in dien tijd niet verwonderlijk schoon?"

»Zooals uw vaders kunst haar daar voorstelt," was het antwoord. »Leonax heeft in datzelfde jaar de beeltenis van Octavia geschilderd, en misschien was in zijne oogen de Romeinsche vrouw nog schooner."

Daarbij wees hij haar op het portret van Octavianus' zuster, dat haar vader geschilderd had, toen zij nog de vrouw van haar eersten echtgenoot, Marcellus, was.

»Daarin vergist gij u," zeide Berenice. »Ik herinner mij zeer goed hoe Leonax destijds terugkwam. Welke vrouw zou niet jaloersch geworden zijn bij zijn geestdrift voor de Romeinsche Hera. Ik had toen het portret nog niet gezien, en op mijn vraag of hij Octavia nog schooner vond dan de koningin, barstte hij los op de driftige manier die gij van hem gekend hebt, met een: »Octavia is de eerste onder degenen die schoon of minder schoon genoemd worden; maar de andere, Cleopatra, staat geheel alleen, en niemand is met haar te vergelijken.""

Archibius knikte toestemmend met het hoofd, en zeide beslist: »Als kind, zooals ik haar het eerst heb gezien, zou zij zelfs onder liefdegoden de schoonste zijn geweest."

»En hoe oud was zij toen?" vroeg Barine vol belangstelling. »Acht jaren," antwoordde hij. »Hoe ver ligt dat alles al achter ons, en toch heb ik geen uur daarvan vergeten."

Nu verzocht Barine hem dringend nog meer te vertellen van dien tijd. Archibius zag een oogenblik nadenkend naar den grond, richtte toen zijn hoofd op, en sprak: »Misschien is het goed voor u beiden, nog wat meer te weten van de vrouw, die thans een offer van u vraagt. Arius is uw broeder en oom. Hij is nauw verbonden aan Octavianus, daar deze eens zijn leerling was. Hij vereert Octavia, de zuster van den Romein, als een godin, dat weet ik. Op dit oogenblik kampt Marcus Antonius met Octavianus om de wereldheerschappij; Octavia is reeds bezweken in den strijd tegen de vrouw van wie gij wenscht te hooren. Het komt mij niet toe hier een beslissende uitspraak te doen, doch wel mag ik raden en waarschuwen. De matrone's te Rome branden wierook voor Octavia, en als Cleopatra's naam uitgesproken wordt, bedekken zij haar gelaat van verontwaardiging. Dat doen velen in Alexandrië haar na. Wie zich zelve aan de zijde van het vlekkeloos reine schaart, hoopt in stilte dat iets van de heiligheid die daarvan uitgaat, ook haar deel worde. Octavia wordt nu eenmaal de wettige gemalin genoemd, en Cleopatra de listige vrouw die haar zijn hart ontstal."

»Zoo noem _ik_ haar niet!" riep Barine met levendigheid uit. »Hoe dikwijls zeide ik het niet tot mijn oom: Antonius en Cleopatra gevoelden reeds lang voor elkaar de allervurigste liefde. Nooit hadden Eros' pijlen twee harten dieper getroffen. In dien tijd gold het den Staat te bewaren voor burgeroorlog en bloed vergieten. Antonius liet zich overreden met zijn mededinger een verbond te sluiten, en als het ware tot een onderpand voor den ernst der verzoening sloot hij een echt met de zuster van zijn voormaligen vijand, Octavia, die eerst sinds kort haar gemaal Marcellus verloren had. Doch zijn hart bleef het eigendom der Aegyptische Koningin. En ofschoon Antonius ontrouw werd aan de gade die dat om staatkundige redenen geworden was, zooveel te vaster bleef hij verbonden aan die andere, die oudere rechten op hem had. Zoo Cleopatra den man niet verlaten heeft, met wien zij geloften van eeuwige trouw had gewisseld, zoo is zij duizendmaal in haar recht. Wat mijn moeder ook beweren moge, in mijne oogen is en blijft Cleopatra, ook voor de goden, Antonius' ware gemalin, en de andere, al werd er bij de bruiloft geen enkel gebruik, geen woord, geen pennestreek, geen gebaar verzuimd, een indringster. De goden verheugen zich in dit verbond der liefde, hoezeer de menschen, en--vergeef mij, moeder--de deugdzame huisvrouwen zich daaraan mogen ergeren."

Vrouw Berenice had haar dochter met spanning aangehoord, doch nu viel zij levendig in: »Ja, ik weet wel, dat dit de denkbeelden zijn van den nieuwen tijd; dat Antonius in de oogen der Aegyptenaren, en misschien ook volgens hunne zeden, de eigenlijke gemaal der Koningin is, en daarbij weet ik ook dat ik u beiden tegen mij heb. Maar Cleopatra is nu eenmaal in haar hart een Grieksche vrouw en daarom.... beklaag ik haar van ganscher hart. De echt is niettemin heilig, en ik wil op Octavia geen enkele smet laten werpen. Hoe trouw verzorgt en hoedt zij de kinderen van haar trouweloozen echtgenoot, die zijn eerste vrouw hem schonk, en die zij even goed aan vreemden overlaten kon. En het is meer dan gewoon menschelijk zooals zij voor haar gemaal, die haar vijand werd, de struikelblokken uit den weg ruimt. Met dat al kan geen vrouw in Alexandrië vuriger dan ik bidden dat Cleopatra en haar vriend mogen zegepralen over Octavianus. Diens koelheid staat mij altijd tegen. Maar als ik Octavia dáár in het wonderschoone, zedige, edele gelaat zie, de spiegel van vrouwelijke reinheid...."

»Welnu, vermeid u dan daarin," viel Archibius haar in de rede, en legde daarbij zijn rechterhand op haar arm, »alleen zou het raadzaam zijn dat gij tegenwoordig aan deze beeltenis een andere plaats gaaft, en dat gij niet met andere menschen over Octavia en haar broeder spraakt. Als wij overwinnen dan zal het niet schaden, maar indien het anders mocht zijn..... de bode laat lang op zich wachten."

Barine verzocht hem daarom met zijn verhaal voort te gaan. Zij zelve had slechts ééns, en wel nadat zij gezongen had op het Adonisfeest, het geluk gehad, door de Koningin te worden opgemerkt. Bij die gelegenheid was Cleopatra naar haar toe gekomen om haar te bedanken. Met enkele vriendelijke woorden slechts, doch met een stem die regelrecht tot haar hart was doorgedrongen, had zij haar toen als met onzichtbare banden tot zich getrokken. Daarbij had echter haar blik dien der vorstin ontmoet, en dit had voor het eerst bij haar den wensch doen opkomen, om haar lippen te drukken, al was het maar op den zoom van haar kleed. Tegelijkertijd had in haar verbeelding een gevaarlijke slang uit een der liefelijkste bloemen de giftige tong naar haar uitgestoken....

Archibius maakte nu de opmerking dat hij zich wel herinnerde, hoe Antonius evenzeer haar bij die gelegenheid had aangesproken, en dat de koningin ook niet van vrouwelijke zwakheid vrij te pleiten was.

»Jaloerschheid?" vroeg Barine verwonderd. »Ik was niet verwaand genoeg om zoo iets te vermoeden. Wel vreesde ik in stilte dat Alexas, de broeder van Philostratus, haar tegen mij ingenomen had. Hij is mij even vijandig gezind als mijn vroegere gemaal omdat.... Maar alles wat dat broederpaar betreft is zoo laag, en verachtelijk, dat ik dit gezellig uur niet door zulke herinneringen wil laten bederven.--Toch was mijn vrees dat Alexas mij bij de Koningin verdacht gemaakt zou hebben, niet geheel zonder grond. Hij is immers even slim als zijn broeder, en door Antonius, wiens gunst hij wist te verwerven, komt hij steeds in de nabijheid der Koningin. Ook is hij mede ten strijde getrokken."

»Dat heb ik eerst gehoord toen het te laat was, en ik ben tegenover Antonius volkomen machteloos," verzekerde Archibius.

»Maar sprak het daardoor niet vanzelf," vroeg Barine, »dat ik vreesde dat men mij bij de Koningin had zwart gemaakt? In ieder geval meende ik iets vijandigs in haar blik te lezen, en daarom voelde ik mij evenzeer door haar afgestooten, als zij mij eerst aantrok."

»En als er niet zoo iets tusschen beide gekomen was," verzekerde haar vriend, »dan zoudt gij haar nooit hebben kunnen loslaten. Ik zeide u reeds, toen ik haar zelf voor de eerste maal zag, was ik nog een knaap, en zij een achtjarig kind."

Barine zag Archibius dankbaar aan, bracht toen aan haar moeder het spinnewiel, goot water bij den wijn in het mengvat, en dook daarna weder diep in de kussens weg. Doch weldra nam zij een andere houding aan: zij leunde met den arm op haar knie, legde haar kin op de hand, en zóó luisterde zij aandachtig toe. Haar moeder spon daarbij haar vlas, eerst langzaam, toen steeds sneller.

»Gij kent mijn landhuis te Kanopus," begon de verhaler. »Oorspronkelijk was het een klein zomerverblijf van het Koninklijk gezin. Sedert wij er onzen intrek namen, is er maar weinig veranderd. De tuin is ook nog geheel zoo als toen, vol zware, oude boomen. De lijfarts Olympius had dit verblijf uitgezocht opdat mijn vader daar de hem toevertrouwde taak der opvoeding naar eisch volbrengen zou. Daarvan zult gij spoedig meer hooren. Het was destijds onrustig in Alexandrië; want Rome had den Koning nog niet erkend, en scheen als een hoogere macht over het lot der stad te beschikken. Toch werd het testament, waarbij de nietswaardige Alexander Aegypte als een akker of een slaaf aan Rome als eigendom vermaakt had, door die stad niet als geldig beschouwd.

»De Koning van Aegypte, die zichzelven den nieuwen Dionysos noemde, was een zwakke man, die zelfs door zijne geboorte niet het volle recht op de regeering had. Gij weet dat hij bij het volk »de fluitspeler" heette. Hij kende dan ook werkelijk geen grooter genot dan muziek te hooren, en zelf bespeelde hij meer dan één instrument, en dat in het geheel niet slecht. Daarbij deed hij als wijndrinker ook zijn anderen naam eer aan. Wie op het feest van Dionysos, voor wiens mensch-geworden evenbeeld hij zich zelven hield, nuchter bleef, moest met het leven daarvoor boeten.

»Zijn gemalin, Koningin Tryphaena, en hare oudste dochter die heette zoo als gij, vrouw Berenice, maakten hem het leven zuur. Bij die twee vergeleken, was de Koning een achtenswaardig, deugdzaam man. Wat was er geworden van het roemrijk geslacht der Ptolemaeërs? Alle hartstochten, alle ondeugden waren hun paleis binnengekomen!

»De fluitspeler, Cleopatra's vader, was op verre na de slechtste niet. Hij gaf ijverig aan zijn liefhebberijen toe, doch niemand had hem geleerd dat men zijn hartstochten beteugelen moet. Als het noodig was, nam hij wel eens zijn toevlucht tot een gewelddadigen dood, maar dat was bij de vroegere koningen van zijn geslacht ook al niets ongewoons geweest. Hierin was hij beter dan zij, dat hij nog afschuw gevoelen kon voor de ergste misdaden, en geloofde aan de mogelijkheid om deugd en zielegrootheid in jonge zielen aan te kweeken. Als knaap had hij de leiding van een degelijk leermeester gehad. Daarvan was hem altijd nog iets bijgebleven en dit deed hem besluiten om ten minste zijne meest geliefde kinderen, twee meisjes, zooveel hij kon aan den invloed harer moeder te onttrekken.

»Zooals ik later hoorde, had hij gewenscht de meisjes geheel aan mijne ouders toe te vertrouwen. Maar er was één onoverkomelijk bezwaar. Hoewel de koningsdochters onderricht van Grieken mochten ontvangen in alle wetenschappen, hare godsdienstige opleiding moest altijd aan Aegyptenaren overgelaten worden. De waardige oude arts Olympius had er op aangedrongen, dat de teere Cleopatra de barre wintermaanden in Opper-Aegypte zou doorbrengen, waar de hemel nooit bewolkt is, maar den zomertijd in de nabijheid van de zee, in een lommerrijken tuin. Zulk een was juist bij het kleine paleis te Kanopus, en die werd dus tot dit doel bestemd.

»Toen wij met onze ouders daarheen trokken, was er eerst nog niemand, maar weldra zouden de koningskinderen komen. Voor den winter deed Olympus ons het eiland Philae aan de hand, dat op de grens van Nubië ligt; want daar was de beroemde tempel van Isis met de priesterschap die zich gaarne met de taak belasten zouden de prinsessen te onderwijzen.

»De koningin wilde van dat alles niets weten, want de gedachte Alexandrië te verlaten en den winter door te brengen op een eenzaam eiland zoo dicht bij den keerkring, was haar onverdragelijk. Zij liet dus den Koning zijn gang gaan, en het was haar zeer aangenaam dat zij van de zorg voor de kinderen ontheven werd. Nadat haar gemaal uit Alexandrië verdreven was, verzette zij geen voet meer voor de beide meisjes. Trouwens, de dood liet haar niet lang meer tijd daartoe.

»Haar oudste dochter Berenice, die haar opvolgde, drukte haar voetstappen, en bekommerde zich weinig om hare zusters. Ik heb later gehoord dat het haar genoegen deed te vernemen dat zij onder menschen waren, die andere dingen bij haar opwekten, dan het verlangen naar de heerschappij alleen.

»Haar broeders werden op de Lochias opgevoed, door onzen landgenoot Theodotus, onder de oogen van hun voogd Pothinus.

»Het leven in ons gezin werd natuurlijk door het bijzijn der koningskinderen geheel anders. Vooreerst verhuisden wij uit onze woning op het Museumplein, naar het kleine paleis te Kanopus, en het beviel ons goed in den grooten schaduwrijken tuin. Alsof het gisteren was, herinner ik mij den morgen,--ik was toen eerst vijftien jaar--waarop vader ons meedeelde dat de twee dochters des konings onze huisgenooten zouden worden. Wij waren toen nog met ons drieën in het ouderlijk huis: Charmion, die met de Koningin mede in den strijd is gegaan, omdat de andere kamervrouw, onze nicht Iras, ziek was, ik, en Straton, die nu reeds lang niet meer leeft.

»Men prentte ons in dat wij ons behoorlijk en met eerbied jegens de koningsdochters gedragen moesten, en wij bemerkten spoedig dat hare komst werkelijk allerlei plichtplegingen noodig maakte. Het paleis dat leeg en verwaarloosd was, werd ook weder opnieuw opgeknapt van den kelder tot het dak.

»Op den dag vóór de aankomst der meisjes, kwamen paarden, wagens en draagstoelen, en over de zee booten en een schip dat op staatskosten volledig was bemand en uitgerust. Verder een geheel gezelschap mannelijke en vrouwelijke slaven.

»Ik zie nog den misnoegden blik van mijn vader en hoe hij dat alles nauwkeurig opnam. Hij reed dadelijk naar de stad, en bij zijn terugkeer zagen de heldere oogen van den waardigen man zoo vroolijk als ooit. Een beambte van het hof was medegekomen, en nu bleef er van al dien ballast van menschen en dingen alleen over wat mijn vader wenschelijk vond.

»Den volgenden morgen,--het was aan het einde van Februari, en in gras en struiken bloeiden de bloemen, aan de boomen prijkte het jonge groen,--moesten zij komen. Ik zat tegenover het huis op den dikken tak van een sycomore, en zag naar hen uit. Zij lieten een geruimen tijd op zich wachten, en terwijl ik onzen tuin nog eens goed rondzag, dacht ik, dat het hen hier zeker wel bevallen zou. Men kon bij geen paleis in de stad een fraaieren vinden.

»Eindelijk kwamen de draagstoelen, zonder voorloopers noch gevolg, zooals mijn vader had verzocht, en toen de beide meisjes tegelijk uitstapten, wist ik niet waarheen ik mijn blik het eerst wenden zou. Wat daar uit dien eersten draagstoel niet uitstapte, maar zweefde als een elf, dat was geen meisje als andere van dien leeftijd, dat scheen mij toe een wensch, een verwachting te zijn. En toen het teedere, wonderschoone schepsel het hoofdje omwendde en met haar groote stralende oogen nu mijn vader en moeder, dan mijn zusters vragend aanzag, alsof zij hen om hulp smeekte, toen dacht ik: zoo moet Psyche er uitgezien hebben, op het oogenblik toen zij om genade smeekend den troon van Zeus naderde.

»Maar het was ook de moeite waard naar de andere te zien. Of dat Cleopatra was? Zij had zeer goed de oudste kunnen zijn, want zij was niets kleiner dan hare zuster, maar zoo geheel anders. Bij de eerste, die toch Cleopatra bleek te zijn, had alles van de golvende haren af, tot aan de bewegingen van lichaam en handen toe, mij toegeschenen alsof het vloeide. Aan de tweede was niets dat niet stevig bleek te zijn; het leek zelfs tegenwerkende kracht te bezitten. Met beide voeten te gelijk sprong zij uit den draagstoel, hield zich vast aan de deur, en wierp het hoofd met het zware, donkere krulhaar trotsch achterover. Het gelaat was wit en rood, en hare blauwe oogen waren vol uitdrukking. Maar in plaats van te vragen, zagen zij mijn ouders uitdagend aan, en terwijl zij rondkeek trok de lip van het roode kindermondje zich op, alsof alles wat zij zag verachtelijk en harer onwaardig was.

»Dat verdroot mij in het zevenjarige kind, maar ik moest toch ook bij mijzelven bekennen, dat hoe mooi alles bij ons was gemaakt door de zorg van mijn vader, het toch hoogst eenvoudig was, wanneer men het vergeleek met het marmer, het goud en het purper van het koninklijk paleis, dat zij immers zooeven eerst verlaten had.

»Zij had evenals haar zusje een fijn besneden gezicht, en zou iedereen zeker in het oog gevallen zijn. En toen ik haar weldra zoo gebiedend hoorde spreken en aan al hare wenschen zulk een krachtige uiting geven, toen dacht ik in mijn kinderlijke wijsheid dat Arsinoë de oudste had moeten zijn, omdat zij, beter dan haar zuster, geschikt was den scepter te voeren. Dat besprak ik ook met mijn broers en zusters, maar spoedig bleek het ons, wie de ware majesteit bezat. Als Arsinoë haar zin niet kreeg, kon zij schreien en snikken en tieren, of ook bedelen en plagen, terwijl Cleopatra als zij iets wenschte, dat langs een geheel anderen weg bereikte. Reeds toen wist zij wel welke wapenen haar de overwinning moesten verschaffen, en ook wanneer zij zich daarvan bediende, bleef zij toch altijd een koningskind.

»Wel kon geen arbeidersdochter verder verwijderd zijn van overdreven gevoelsuitingen, dan dit toonbeeld van echt liefelijke, kinderlijke bevalligheid; maar wat haar warm hart het vurigst begeerde en wat zij het moeilijkst krijgen kon, dat wist zij toch te veroveren door den klank harer stem, den betooverenden glans harer oogen, en somtijds ook door een enkelen stillen traan. Als zij daarbij de handen smeekend ophief en er een enkel woord bijvoegde, als: »het zou mij zoo gelukkig maken," of »ziet gij niet, hoe het mij leed doet?" dan werd alle tegenstand onmogelijk. Later hebben die tranen, en de onbeschrijfelijke welluidendheid van haar stem haar in beslissende oogenblikken nog menige overwinning doen behalen.

»Wij kinderen werden spoedig speelkameraden en goede vrienden, want onze ouders lieten de koningskinderen niet eerder met de lessen beginnen, dan nadat zij zich bij ons thuis gevoelden. Aan Arsinoë beviel dat goed, hoewel zij reeds lezen en schrijven kon; Cleopatra echter uitte menigmaal het verlangen om iets te hooren van de wijsheid mijns vaders, waarvan men haar veel verhaald had.

»De Koning en hare vroegere leermeesters hadden de verwachtingen der ouders omtrent dit buitengewone kind hoog gespannen, en de arts Olympus hield mij eens ernstig voor, dat dit koningskind mij, den zoon van een philosoof, wel eens boven het hoofd kon groeien. Doch daar ik altijd tot de beste leerlingen had behoord, antwoordde ik daarop lachend, dat daarvoor nog geen gevaar bestond. Intusschen merkte ik weldra dat zijn waarschuwing niet zonder grond was geweest. Gij denkt misschien dat het hart den ouden dwaas parten speelt, en dat in den toovertuin der herinneringen het begaafde meisje een jonge godin geworden is. Dat was zij echter niet, want de hemelsche machten deelen de fouten en zwakheden der menschen niet."

»En wat deed Cleopatra dien roem verliezen, den goden gelijk te zijn?" vroeg Barine nieuwsgierig.

Archibius antwoordde met een fijnen glimlach, die niet geheel vrij van verwijt was:

»Als ik van haar deugden had gesproken, dan zoudt gij er niet aan gedacht hebben mij om nog meer bijzonderheden te vragen! Doch waarom zou ik verbloemen wat zij duidelijk genoeg aan de geheele wereld te zien heeft gegeven? Leugen of huichelarij kwamen evenmin bij haar op, als een woestijnbewoner aan vischvangst zou denken. De grondtrekken van haar wezen, die dit bevoorrechte schepsel van haar kindsheid af, tot nu toe beheerscht hebben, zijn twee nooit rustende wenschen; de eene is: iedereen in alles ook het moeilijkste te overtreffen, en de andere: te beminnen, en te weten dat zij bemind wordt. Dat heeft haar zoo ver boven andere vrouwen doen uitblinken. En die eerzucht en behoefte aan liefde zullen haar ook steeds doen blijven op die trotsche hoogte, waartoe zij haar als twee machtige vleugels hebben opgeheven, ten minste zoolang zij hunne kracht eendrachtig blijven uitoefenen. Door de gunst van het lot was dit tot nu toe het geval, en de goden geven, dat het zoo blijven moge!"

Hier hield Archibius even op, veegde zijn voorhoofd af, en vroeg of de bode er nog niet was. Vervolgens ging hij kalm voort:

"De koningskinderen waren onze huisgenooten geworden, en mettertijd werd het als één gezin. In de eerste winters vergunde de Koning hen alleen in de wintermaanden te Philae te blijven, want hij wilde hen niet missen. Hij zag hen dan ook maar zeer zelden, want er gingen dikwijls vele weken voorbij, zonder dat hij bij ons kwam. Op andere tijden daarentegen kwam hij iederen dag eenvoudig gekleed in zijn draagstoel naar onzen tuin, en van deze bezoeken wist niemand behalve de arts Olympus. Dan zag ik den grooten forschen man met zijn rood gezicht met de kinderen stoeien als een arbeider, die van zijn werk komt. Gewoonlijk bleef hij echter maar kort. Het scheen hem genoeg te zijn, als hij ze maar even had gezien. Misschien wilde hij alleen maar weten, hoe het hen bij ons beviel. Wij moesten ten minste altijd op een afstand blijven, als hij met hen sprak. Ik verborg mij echter dikwijls in de kruinen der olmboomen, en ik weet dus niet alleen van hooren zeggen, dat hij hen uitvroeg. Cleopatra voelde zich al zeer spoedig tehuis bij ons, doch met Arsinoë duurde dit langer. De Koning hechtte evenwel alleen gewicht aan het gevoelen der oudste, die zijn lieveling was. Hij placht in de grootste verrukking naar haar te luisteren, en soms lachte hij om een harer treffende antwoorden of opmerkingen zoo hartelijk, dat men zijn luide stem tot in het huis hooren kon.

"Maar eens zag ik traan op traan langs zijn wangen rollen, en toch duurde toen het bezoek nog korter dan anders. Toen hij ons huis verliet, bracht zijn goed gesloten draagstoel hem naar het schip, waarmede hij naar Cyprus en Rome moest oversteken. De Alexandrijnen, met de Koningin aan het hoofd, hadden hem gedwongen de stad en het land te verlaten.

"Zeker had hij zich de kroon onwaardig gemaakt, maar toch beminde hij zijn dochtertjes als een echte vader. Alleen was het vreeselijk zooals hij tegen die jonge kinderen hare moeder en oudere zuster vervloekte, en haar in één adem beval die beiden te haten en te verwenschen, doch hemzelf nooit te vergeten en lief te hebben.