Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 6
Ook de Koningin had haar gehoord, en na dat Adonisfeest was Antonius door haar oom Arius in haar huis binnengeleid. Met al de warmte van zijn vurige, openhartige natuur had hij zijne bewondering voor haar uitgesproken, en zich een volgend maal ook doen vergezellen door zijn zoon Antyllus. Zeker zou hij nog wel meer gekomen zijn, indien hij niet, daags na het tweede bezoek, zich gedwongen had gezien de stad te verlaten.
Barine's moeder had het Arius verweten dat hij den geliefde der koningin bij haar had gebracht, en door het herhaald bezoek van Antonius' zoon, nog meer door dat van Cæsarion, dien Antyllus medegebracht had, had hare vrees nieuw voedsel gekregen. Deze jongelieden behoorden niet tot de gasten die zij gaarne komen zag, en naar wier gesprek zij gaarne luisterde. Wel was het vleiend dat zij haar eenvoudig huis met hunne tegenwoordigheid vereerden, doch zij wist dat Cæsarion buiten voorkennis van zijn gouverneur kwam, en zag hem duidelijk aan wat hem tot haar dochter aantrok. De arme vrouw Berenice had bij de opvoeding van die beide kinderen van veel zorgen, het blijde vertrouwen van vroeger tijd verloren. Thans zag zij van al het nieuwe, dat het leven haar bracht, altijd de donkere zijde het eerst. Als een brandende kaars voor haar stond, zag zij eerst de schaduw van den kandelaar, en dan eerst de vlam. Haar geheele inwendig leven was een aaneenschakeling van angsten geworden, maar de goedhartige vrouw had hare kinderen te lief, om hen dat te laten merken. Het gaf haar alleen een kleine verlichting wanneer zij, als haar vrees bevestigd werd, verzekeren kon, dat zij dat van te voren wel geweten had.
Op haar nog altijd lief, vriendelijk gelaat was van dat alles niets te lezen. Zij sprak slechts weinig, maar wat zij zeide was verstandig, en bewees hoe oplettend zij gewoonlijk toeluisterde. Daarom waardeerden Barine's gasten hare tegenwoordigheid. Zelfs de meestbeteekenende ontving nog wat van haar, daar hij voelde dat de stille vrouw hem begreep.
Eer Barine dezen avond te huis was gekomen, was er iets gebeurd, dat haar moeder dubbel deed betreuren, dat haar broeder Arius eergisteren een ongeval overkomen was. Toen hij in het donker van Berenice kwam, was hij door een wild rijdenden wagen op den grond geworpen en zwaar gekwetst naar huis gedragen. Daar lag hij nu roerloos in een hevige koorts, en het maakte zijn lijden niet lichter, dat hij hoorde hoe zijne beide zoons den woesteling, die dit hun vader had aangedaan, met hunne wraak bedreigden. Om goede redenen hield hij zelf Antyllus voor den boosdoener, en uit een ongenoegen met Antonius' zoon kon voor hem en de zijnen een nieuw onheil ontstaan, want de jonge Romein scheen weinig van de menschlievende grootmoedigheid zijns vaders geërfd te hebben. Trouwens, Arius kon het zijn zoons niet kwalijk nemen, als zij de handelwijze van den onvoorzichtige in de scherpste bewoordingen laakten. Hij zelf had zijn zuster nog gewaarschuwd voor den niets ontzienden overmoed van den jongen man, wiens vader door zijn eigen toedoen in haar huis gekomen was. Hoeveel reden hij daarvoor had gehad, was nu reeds gebleken. Bij het ondergaan der zon waren namelijk heden eenige gasten, en later ook de negentienjarige Antyllus aan de poort gekomen en door den wachter afgewezen. Daarop had hij onstuimig verlangd Barine toch te zien, had den ouden portier, die hem wilde tegenhouden op zijde geduwd, en was zonder vergunning doorgedrongen tot de werkplaats van den overleden heer des huizes, waar de vrouwen gewoonlijk hare gasten opwachtten. Eerst toen hij deze ledig vond, was hij teruggekeerd, maar te voren had hij een bloemruiker, dien hij had meegebracht, vastgebonden aan een beeld van Eros, dat daar stond. De poortwachter en Barine's kamermeisje beweerden dat hij dronken was geweest. Dat hadden zij gezien, toen hij met zijne makkers, die op hem wachtten, strompelend weder weg was gegaan.
Dit ongepaste gedrag vervulde vrouw Berenice met hevige verontwaardiging. Het mocht ook niet ongestraft blijven. Terwijl zij hare dochter verwachtte, ging zij bij zich zelve na welke slechte gevolgen het hebben kon, wanneer men aan Antyllus het huis verbood en hem bij zijn gouverneur aanklaagde, maar ook hoe hij, als dit niet gebeurde, tot allerlei ondragelijke handelwijzen komen kon.
Zij was vol droeve voorgevoelens, en juist omdat zij met zooveel grond het ergste moest vreezen, hoopte zij in stilte dat haar dochter toch nog misschien iets verblijdends zou mede te deelen hebben. Reeds dikwijls had zij ondervonden dat de dingen, die zij zoo somber ingezien had, op het laatst zich toch nog ten goede keerden. Eindelijk verscheen Barine, en in lang had haar moeder haar niet zoo vroolijk en gelukkig gezien.
De weduwe voelde den angst uit haar hart verdwijnen. Haar dochter moest iets bijzonder verblijdens overkomen zijn, want zij straalde van vreugde. Toch moest zij zeker reeds gehoord hebben wat hier was geschied, althans, daar zij zonder mantel en zorgvuldig gekapt binnenkwam, moest zij in het slaapvertrek zijn geweest, waar de spraakzame Cyprische slavin, die niet licht een nieuwstijding vóór zich hield, haar zeker bij het kleeden geholpen had. Het meisje had hare handigheid heden weder duidelijk bewezen. »Niemand kan mijn kind voor ouder dan negentien houden," dacht de trotsche moeder. »Hoe goed staan haar het witte gewaad en het peplos[8] met den blauwen rand! Hoe fraai slingert zich het blauw zijden lint door dat zware golvende haar! Wie zou gelooven dat geen brandijzer die gouden lokjes krulde, die zoo bevallig op het voorhoofd liggen; dat aan het rood en wit op die wangen, en de albasten tint dier armen geen enkele penseelstreek mededeed? Het is waar, zooveel schoonheid wordt licht een geschenk der Danaërs, maar het is toch ook een heerlijke gave der goden! Doch waarom zou zij nu den armband dragen, dien Antonius haar na zijn laatste bezoek gezonden heeft? Zeker niet voor mij alleen. Dion kan zij toch ook zoo laat niet meer verwachten. Misschien pakt zich op dit oogenblik reeds weder een nieuwe wolk boven haar hoofd samen."
[8] Wijd opperkleed zonder mouwen.
Dit alles ging haar door het hoofd, terwijl hare dochter opgewekt vertelde wat zij bij haar grootvader en voor diens huis had beleefd. Zij had zich ondertusschen gemakkelijk in de kussens van een rustbank neergevlijd, en toen zij over het onbehoorlijke gedrag van Antyllus sprak, noemde zij dat met een luchthartigheid die Berenice deed schrikken, slechts een grove onbeleefdheid, die niet weder plaats hebben mocht.
»Maar wie zal zich daartegen verzetten?" vroeg haar moeder.
»Wie anders dan wij?" was het antwoord. »Wij ontvangen hem niet meer."
»En wanneer hij dan toch binnendringt?"
Barine's groote blauwe oogen schoten vonken, terwijl zij met vaste stem uitriep: »Dat moest hij eens beproeven!"
»Maar over welke macht hebben wij dan te beschikken," zeide Berenice, »dat wij Antonius' zoon terug zouden kunnen houden? Ik ken die niet."
»Maar ik wel," verzekerde hare dochter. »Luister, moeder; ik zal kort zijn, want wij verwachten een bezoek."
»Zoo laat nog?" was de bezorgde vraag.
»Archibius wenscht ons te spreken over een gewichtige zaak."
Eén oogenblik ontrimpelde zich bij deze woorden het voorhoofd van Berenice, maar spoedig fronste zij de wenkbrauwen weder, terwijl zij uitriep: »Een gewichtige zaak op zulk een ongewoon uur! Reeds lang vermoedde ik niets goeds. Op weg naar mijn broeder vloog een raaf voor mij op, en vloog linksom den tuin in."
»Maar ik," zeide Barine, »zag zeven witte duiven, niet meer en niet minder, want zeven is het allerbeste getal, die alle met snellen vleugelslag rechtsom vlogen. Vooraan de schoonste. Zij droeg in haar snavel een korfje, en daarin lag de macht om den zoon van Antonius van ons af te houden. Ja, zie mij maar niet zoo verbaasd aan, lieve moeder, gij toonbeeld van bezorgdheid, dat gij zijt."
»Maar kind, gij hebt toch gezegd dat Archibius zoo laat zou komen om iets gewichtigs te bespreken," zeide Berenice.
»Hij zal ook spoedig komen."
»Spreek daarom niet in raadsels, want ik ben niet vlug in het raden."
»Dat zijt gij wel," hield Barine vol. »Maar wij hebben inderdaad geen tijd te verliezen. De schoone duif was dus een goede gedachte, en wat er in dat korfje was, zult ge dadelijk hooren. Zie eens moeder, wie er ook anders over denke moge, en of ook iemand ons beklaagt: zoo kan het hier niet voortgaan! Met iederen dag dat ik ouder word, voel ik het duidelijker, en het zal nog jaren duren eer dit gevoel geheel verdwijnt. Ik ben te jong om ieder, die aan mij voorgesteld wordt als gast welkom te heeten. Het is waar, onze ontvangzaal was eenmaal de werkplaats van mijn eigen vader, en de meesteres van dit huis zijt gij, mijn waardige, vlekkelooze moeder, maar door uw nederigen aard, houdt gij, die in alles beter zijt dan ik, u zoo bescheiden op den achtergrond, dat zij u slechts opmerken als gij er niet zijt. Zoo is het gekomen dat de menschen die ons bezoeken, altijd zeggen: »ik ga naar Barine," en het getal van hen die zoo spreken wordt mij al te groot. Ik kan niet meer uitkiezen--en deze gedachte...."
»Kind, kind!" riep haar moeder hoogst verheugd. »Welken god hebt gij heden op uw weg ontmoet?"
»Dat weet gij wel," was het antwoord. »Er waren zeven duiven, en toen ik uit den snavel van de voorste het korfje nam, vertelde zij mij een geschiedenis. Wilt gij die hooren?"
»Zeker, zeker! Maar spoedig, anders komt men ons storen."
Barine lag achterover in de kussens, sloeg de oogleden neer en begon: »Daar was eens een vrouw, die een tuin bezat in het aanzienlijkste gedeelte der stad, hier in de buurt van het Padeum, zoo gij wilt. In den herfst, als de vruchten aan hare boomen rijp waren, liet zij de deur open, al deden alle buren ook het tegenovergestelde. Maar om nu toch de ongewenschte liefhebbers van hare goede vijgen en dadels af te houden, hechtte zij aan de deur een bordje met het opschrift: »Men mag ongestraft binnentreden en genieten van het gezicht van den tuin: doch wie een bloem plukt, het gras vertreedt of een vrucht neemt, wordt door de honden verscheurd." Nu bezat de vrouw slechts een schoothondje, dat haar echter niet altijd gehoorzaamde. Maar het opschrift deed goede diensten, want in het eerst kwamen enkel de buren uit de voorname wijk. Zij lazen de bedreiging, en zouden ook wel zonder die het eigendom der vrouw, die hen zoo vriendelijk liet binnengaan, ontzien hebben. Zoo ging het een tijdlang voort, totdat er eens een bedelaar kwam en toen een Phoenicische matroos en een diefachtige Aegyptenaar uit de Rhakotis, die geen van allen konden lezen. Daarom was voor hen het opschrift als niet geschreven, en daar zij buitendien niet zeer goed het mijn en dijn onderscheiden konden, vertrad de een het grasperk, de ander stal een bloem of vrucht van de takken. Steeds kwamen er meer van dat gepeupel, en gij kunt wel begrijpen hoe het verder ging. Niemand strafte hen voor hun euveldaad, want het keffen van het schoothondje verschrikte hen niet, en dat gaf ook aan de anderen, die wel lezen konden, moed, om zich niet meer aan de waarschuwing te storen. Nu verloor de fraaie tuin zeer spoedig zijn bekoorlijkheid en ook zijn vruchten. Toen eindelijk de regen het schrift van het tafeltje uitwischte en baldadige knapen het bekrasten, kwam het er verder niet op aan. Wie nu nog in den tuin kwam, vond er dan ook niets meer dat hem aantrok. Daarom sloot de eigenares voortaan de deur, evenals de buren hadden gedaan, en het volgend jaar verheugde zij zich opnieuw in het groene gras en de bonte bloemen. Nu genoot zij zelve van de vruchten, en het schoothondje hinderde haar niet meer met zijn gekef."
»Dat wil zeggen," zeide de moeder, »als alle menschen van goede zeden en zoo beschaafd waren als Gorgias, Lysias en eenige anderen, dan zouden wij kunnen voortgaan met ons huis open te stellen. Maar nu er ook ruwe lieden zijn, zooals Antyllus...."
»Goed begrepen!" riep de dochter uit. »Wij zijn immers vrij om de enkelen, die ons schrift lezen kunnen, uit te noodigen? Morgen reeds zullen wij aan onze bezoekers mededeelen, dat wij hen niet meer kunnen ontvangen zooals vroeger."
»En," voegde haar moeder er bij, »Antyllus' gedrag doet daartoe een voortreffelijk voorwendsel aan de hand. Ieder weldenkende moet dat begrijpen."
»Ja zeker," zeide Barine, »en als gij, die de verstandigste van alle vrouwen zijt, daarbij het uwe doet...."
»Dan zullen wij het in ons eigen tehuis eerst recht goed hebben. Geloof mij kind--als gij maar niet...."
»Geen »als!" Ditmaal niet!" riep de jonge vrouw uit, en hief smeekend hare handen op. »Ik denk zoo gaarne aan ons nieuwe leven, en als het, zooals ik hoop en wensch, eenmaal komt--gelooft gij ook niet, moeder, dat de goden mij dan een vergoeding schuldig zijn?"
»Waarvoor dat?" klonk plotseling de zware stem van Archibius, die onaangemeld binnengekomen was, en nu eerst door de beide vrouwen werd opgemerkt.
Barine stond snel op, reikte haar ouden vriend beide handen toe, en riep uit: »Nu zij mij u toezenden, begint de afrekening al!"
VIJFDE HOOFDSTUK.
Voor een kunstenaar, en vooral voor een schilder, is het gemakkelijk zijn huis fraai en aantrekkelijk te maken. Hij wil het gaarne behagelijk zien en alleen het schoone behaagt hem. Alles wat de harmonie zou verstoren beleedigt zijn oog, en om de edelste versieringen aan te brengen, behoeft hij geen vreemde over zijn drempel te laten komen. De Muze alleen komt hem ongeroepen hare onovertrefbare hulp aanbieden. Zij was het ook die Leonax, Barine's vader, geholpen had om zijn huis tot een bekoorlijk verblijf te maken. In zijn werkplaats had hij op de muren tooneelen geschilderd uit het leven van Alexander den Grooten, den stichter zijner vaderstad, en op de kroonlijst een krans van dansende liefdegoden.
In dit vertrek placht Barine hare gasten te ontvangen, en de roem van deze schilderijen had mede Antonius tot een bezoek uitgelokt, en hem ook zijn zoon doen meebrengen, in wien hij althans een vluchtig welgevallen in de kunst wilde opwekken. Barine's schoonheid en zangkunst wist hij natuurlijk ook naar waarde te schatten; doch de vurige hartstocht dien hij op rijpen leeftijd voor Cleopatra had opgevat, bleef voor deze alleen bewaard. De man, die door zijn licht ontvlambaar hart vroeger van de eene liefde op de andere overgegaan was, was nu door de Koningin met onverbreekbare ketenen geboeid, en bij haar vergeleken was Barine enkel een kunstwerk, dat leven en een liefelijke stem had gekregen. Toch had hij haar te danken voor eenige aangename uren, en in zulk een geval wilde hij altijd geschenken geven. Het streelde hem als men hem voor den grootmoedigsten verkwister van de wereld hield. Thans had hij daartoe een gladden armband uitgekozen van een kostbaren steen voorzien, waarin Apollo met de lier gesneden was, omgeven door de luisterende Muzen. Het geschenk scheen eenvoudig, maar het was in werkelijkheid een stuk van onberekenbare waarde, want de kunstenaar die het bewerkt had, was de grootste steensnijder van Alexandrië ten tijde van Philadelphus geweest, en ieder der kleine figuren in den slechts drie vingers breeden onyx was een zorgvuldig uitgewerkt meesterstuk van groote schoonheid. Antonius had dezen band gekozen, omdat hij dien geschikt vond voor eene vrouw, wier gezang hem had bekoord. Hij had er niet aan gedacht naar den prijs te vragen. Dien had ook slechts een kenner kunnen raden; en daar de band niet al te zeer in het oog viel en zeer goed stond aan haar welgevormden bovenarm, droeg Barine hem gaarne.
Zoo niet de oorlog Antonius tot vertrekken had genoopt, dan zou zijn tweede bezoek zeker niet het laatste zijn geweest, want behalve het gezang dat hem had verrukt, was het gesprek levendig en belangwekkend geweest, en bij de kunstwerken van Leonax had hij daar ook nog vele andere gevonden, die de schilder bij vaardige vakgenooten ingeruild had. Ook aan beeldhouwwerken ontbrak het in dat groote vertrek niet.
Men zag er onder anderen het beeld van een krachtig man die uit een zak van bokkenleder over zijn schouder hangende, water in een schelp goot, hetgeen een aangenaam geluid veroorzaakte. De meester, die dezen bukkenden Nubiër gebeeldhouwd had, was dezelfde aan wien men het veelbesproken standbeeld van het koninklijke paar te danken had. Ook de Eros uit kleiaarde, die zijn boog richtte op een slachtoffer dat hij alleen zien kon, was zijn werk. Bij zijn tweede bezoek had Antonius den meegebrachten krans schertsend voor dien »machtigsten der overwinnaars" nedergelegd, terwijl zijn zoon Antyllus eerst een ruiker gestoken had in de opening gevormd door den gebogen rechterarm die den boog spande. Hij had daarbij de klei een weinig beschadigd. Thans lagen de bloemen onopgemerkt op het kleine altaar op den achtergrond van het zwak verlichte vertrek, want de vrouwen hadden het met haar gast verlaten. Zij bevonden zich nu in de kleine lievelingskamer van Barine, die behangen was met eenige schilderijen van haar overleden vader. Over Antyllus' ruiker en het beschadigen van het Erosbeeld was reeds veel door hen gesproken, en daardoor was de taak van Archibius veel verlicht.
De late bezoeker was door vrouw Berenice ontvangen met een klacht over het ongepaste gedrag en de onvoorzichtigheid van den jongen Romein, en Barine had hierbij de verklaring gevoegd, dat zij nu aan Zeus Xenios, den beschermer van het gastrecht, naar haar inzien reeds genoeg geofferd hadden. Zij was van plan, zeide zij, in het vervolg haar leven te wijden aan de bescheiden huisgoden en aan Apollo, die haar de geringe, maar kostbare gave des lieds geschonken had. Dit had Archibius uitermate verrast, en zij moest hem eerst nog eens uitleggen hoe zij dat bedoelde, eer hij er op antwoordde. Spoedig werd het hem dan ook duidelijk, dat zij zich haar leven in de toekomst zonder al die gasten, met haar moeder alleen voorstelde.
De levendige phantasie der jonge vrouw verplaatste haar nu reeds in dat nieuwe, stille leven. Hoe aanschouwelijk zij dat echter maakte, toch scheen haar bezadigde toehoorder er nog niet geheel in te gelooven. Somtijds vloog er een fijne glimlach over het krachtig, een weinig zwaarmoedig gelaat. Zelf was hij een man die niet meer meedeed aan den wedstrijd des levens, en nu liever rustig toezag hoe anderen daarbij den prijs behaalden of bezweken. Wellicht deden de wonden, die hem vroeger waren toegebracht, nu nog pijn, maar al zijn doorworsteld leed verhinderde hem niet een oplettend toeschouwer te zijn. Men zag het aan den blik van zijn helder oog dat hij alles, wat zijne belangstelling wekte, ook mee doorleefde. Wie zóó de kunst van luisteren verstond en daarbij, zooals uit zijn edel voorhoofd bleek, zich zoo in het denken had geoefend, die moest wel een goede raadsman zijn, en als zoodanig deed de Koningin, meer dan op iemand anders, vaak een beroep op hem. Ook heden legde hij zijn kalme bedachtzaamheid aan den dag, want hoewel hij gekomen was om Barine tot een verblijf op het land te overreden, sprak hij daar niet eerder van dan toen zij haar eigen belangen als het ware had uitgeput, en hem zelven had gevraagd naar de gewichtige beweegredenen van zijn bezoek.
In hoofdzaak was zijn verzoek al aangenomen, nog voor dat hij dit had geuit. Daarom kon hij nu de vraag doen of moeder en dochter niet zouden denken dat de overgang tot het nieuwe leven beter zou gaan, indien zij voor een tijdlang de stad verlieten. Het zou zulk een opzien wekken als de gewone bezoekers morgen het huis gesloten vonden en, daar zij niet voor de ware reden uit wilden komen, kon licht de een of ander zich beleedigd gevoelen. Als zij daarentegen besloten om voor eenige weken uit de stad te gaan, dan zou wel is waar menigeen dat betreuren, maar wat allen tegelijk trof kon geen enkele zich persoonlijk aantrekken.
Vrouw Berenice gaf dit alles gereedelijk toe, maar Barine bewaarde eerst het stilzwijgen. Archibius verzocht haar daarom zich ook uit te spreken, en op hare vraag waarheen zij dan moesten gaan, sloeg hij haar voor op zijn eigen landgoed te komen. Zijn scherpe, grijze oogen hadden reeds lang gezien dat er iets was dat haar aan de stad boeide, en hij begreep dat bij een vrouw als Barine haar hart daarbij in het spel moest zijn. Dat had hij goed gezien, want zoodra hij het vermoeden uitsprak dat ook daarbuiten haar liefste vrienden haar zeker wel bezoeken zouden, hief zij het hoofd op, en zeide met een helderen gloed in haar blauwe oogen met opgewektheid tot haar moeder: »Ja, wij moeten gaan!"
De levendige verbeeldingskracht der kunstenaarsdochter tooverde haar ook nu weder de toekomst duidelijk voor oogen. Wel is waar wist zij alleen wien zij bedoelde, als zij van bezoekers sprak, die zij buiten op het landgoed Irenia verwachtte. Deze naam die »Oord des Vredes" beteekent, beviel haar goed.
Archibius hoorde haar glimlachend aan, maar toen zij in haar voorstelling ook hem er bijhaalde en hem liet meedoen aan het rijden met de kleine Sardinische paarden en de vogeljacht, was hij wel genoodzaakt haar te zeggen, dat hij er waarschijnlijk niet lang tegelijk met haar vertoeven zou. Hoe gaarne hij dat zou doen, het zou moeten afhangen van eene andere vrouw. Hij was met een verlicht hart hier gekomen omdat hij juist gehoord had van een groote overwinning der Koningin. Maar indien het hem vergund was nog wat te blijven, dan zou hij hier nog eerst de bevestiging van dat bericht afwachten.
Het was hem aan te zien hoe hem dat in spanning hield en dat zijn hart niet vrij van vrees was. Vrouw Berenice deelde die, en haar vriendelijk gezicht, dat eerst bij het verstandig besluit harer dochter, van blijdschap had gestraald, kreeg nu een uitdrukking van angst, toen Archibius zeide: »Wat het doel van mijn komst hier betreft, gij hebt mij dat gemakkelijk gemaakt. Als ik het niet oneerlijk vond, dan zou ik nu wel kunnen verzwijgen dat ik met een voorstel kwam om u de stad te doen verlaten. Van Antonius' zoon en zijn jeugdigen overmoed ducht ik geen gevaar. Maar voor Cæsarion moet gij voortaan niet te genaken zijn, mijn kind."
»Als gij mij om die reden naar de maan kondt brengen, dat zou mij nog het allerliefste zijn," antwoordde Barine vroolijk. »Daarom juist wilde ik zelve ook van levenswijs veranderen, want ik kan nu eenmaal niet mijn huis sluiten voor dien knaap. Eigenlijk behoort hij nog in de school thuis, maar hij gebruikt zijn rang als sleutel om alle deuren te openen. En dan dien zwaarmoedigen droomer met de smeekende oogen ook nog »Koning" te moeten noemen."
»Doch welke machtige neiging," zeide Archibius, »zou er niet kunnen sluimeren in de borst van den zoon eener Cleopatra en van een Julius Cæsar? Ik weet wel kind, dat gij geen schuld daaraan hebt, maar de hartstocht is nu eenmaal bij hem ontwaakt. Wat daar ook van komen moge--het hart uwer moeder maakt zich daarover bezorgd. Laat ons daarom uw vertrek verhaasten en streng geheim houden waarheen gij gaat. Tot nu toe heeft hij niets wezenlijks beproefd, maar men kan van het kind van zulke ouders ieder oogenblik alles verwachten."
»Gij maakt mij bang," riep Barine uit. »Van de kirrende duif die ons huis binnenvloog, maakt gij een vreeselijken grijpvogel."
»Daar moogt gij hem gerust voor houden," was het ernstig antwoord. »Gij zult mij een welkome gast zijn Barine, want reeds toen gij nog een kind waart, hield ik van u, en gij zijt de dochter van mijn besten vriend. Toch was het niet alleen om u een dienst te bewijzen, dat ik u uitnoodigde naar Irenia te komen; het is veeleer om smart, of ook maar verdriet, te besparen aan haar, aan wie ik alles verschuldigd ben."