Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 5
Zou Barine hem toch dierbaarder zijn dan hij dacht? Was het geen welbehagen in haar buigzamen geest en schitterende schoonheid alleen geweest, dat hem in de laatste maanden zoo menigmaal tot haar aangetrokken had? Was een werkelijke, sterke hartstocht in hem ontwaakt? Bestond er gevaar dat de wilskracht, die zijn vrijheid bewaken moest, bezwijken zou? Moest hij vreezen eenmaal, door een geheimzinnige, onwederstaanbare macht gedwongen, in weerwil van de tegenkanting der bedachtzame wijsheid, een verbond voor het leven te sluiten met haar, Barine, die eens een Philostratus toebehoord had? De vrouw die iets geven wilde aan ieder die haar huis bezocht, en wien het daar alleen te doen was om streeling van oog en oor, of een aangenaam onderhoud. Al was haar eer ook zoo rein als het dons van een zwaan--er was toch geen reden om daaraan te twijfelen--toch werd haar naam te gelijk genoemd met dien van Aspasia en vele anderen, bij wie de gasten nog meer vonden dan gezang en geestvolle gesprekken. De gaven, waarmede de goden haar zoo rijk hadden bedeeld, waren reeds door te velen genoten dan dat hij, de laatste spruit uit een edel Macedonisch geslacht, er aan had mogen denken haar als gebiedster binnen te leiden in een huis, dat met Gorgias' hulp zoo rijk en fraai was gebouwd en versierd.
Zeker, er ontbrak niets aan, dan het vriendelijke bestier eener vrouw. En als zij er eens in toestemde zonder den zegen van Hymen de zijne te worden? Neen, dat nooit. De kleindochter van Didymus, die reeds zijns vaders leermeester was geweest, de vrouw die hij steeds zoo van harte had hooggeacht, ondanks de vroolijke vrijheid waarmede zij met zoovelen omging, wilde hij blijven eeren. Dat zou hij doen, zelfs al zouden zijne vrienden hem er om uitlachen. Wat gaf men ook om de heiligheid van den echt, in een stad waar de Koningin in vrije liefde met den gade van een ander leefde? Hij zelf had reeds zoo menige korte verbintenis gesloten, en juist daarom hinderde het hem Barine gelijk te stellen met hen, wier liefde hij waarschijnlijk alleen aan zijn goud te danken had.
Aan moed en vastberadenheid had het hem nooit ontbroken, maar hij voelde dat hij ditmaal rekening te houden had met een macht, waarmede hij zich nog nooit gemeten had. Dat verwenschte visioen! Hij zag het weder, en het lachte zoo lieflijk, dat de dag wel komen moest, dat alle weerstand vruchteloos zou zijn. Indien hij in hare nabijheid bleef, dan zou hij zeker doen wat hem later berouwen zou. Hij had graag een offer gebracht aan Peitho, opdat zij de overredingskunst van Archibius bevleugelen mocht, en Barine tot het besluit brengen om Alexandrië te verlaten.
Het zou hem wel moeilijk vallen haar te missen, maar veel zou reeds gewonnen zijn wanneer zij de stad verliet. Tusschen het tegenwoordige en den verwijderden tijd van het wederzien lag het uitstel van het gevaar, en misschien de kans op de overwinning. Hij herkende zich zelven niet. Hij was in eigen oogen zoo wankelmoedig als een riet, omdat hij den wensch bij Didymus binnen te gaan en hem toe te spreken, onderdrukt had, en het huis voorbijgeloopen was. Hij zou dan Barine bij haar grootvader gevonden hebben, en hij wilde haar nu niet zien, hoewel alles in hem verlangde naar haar aangezicht, hare stem en een woord van dank uit haar lieven mond. In de plaats van blijdschap was een gevoel van misnoegdheid gekomen, zooals van iemand die aan een kruisweg staat, en weet dat hij langs geen der drie wegen tot zijn eigenlijk doel komen zal. De koningsweg, waarover hij zich door de menigte liet voortstuwen, leidde langs de zee, tot aan het theater van Dionysos. Zoodra hij dat zag herinnerde hij zich eensklaps dat zijn vriend Gorgias het beeld van het koninklijke paar vóór dit grootsch gebouw wilde doen oprichten, en als hij nu een onderzoek instelde naar de geschiktheid van deze plaats, zou hij vanzelf op andere gedachten komen.
Toen hij het theater naderde, had de citerspeler juist zijn lied geëindigd, en de menigte ging uiteen. Ieder was vol van de blijde tijding der overwinning, en de een riep de ander toe wat Anaxenor de gunsteling van den grooten Antonius, die het dus weten moest, hun in verzen had meegedeeld. Daarop weerklonk menig "Io" en "Evoë"[7] op Cleopatra, de nieuwe Isis, en Antonius, den nieuwen Dionysos. Gebaarde en gladde, fijne Grieksche en dikke Aegyptische lippen vereenigden zich in het geroep: "Naar het Sebasteum!" Dat was namelijk het koninklijk paleis, waar tegenover het gebouw der Regeering stond en het huis van den Regent. Men wilde het kostelijk bericht bevestigd zien en door een uiting van dankbare vreugde lucht geven aan het volle hart.
[7] Een juichkreet bij de Dionysosfeesten.
Ook Dion wilde zekerheid erlangen, en hoewel de luidruchtige ontboezemingen van het volk hem altijd te veel tegenstonden om er aan deel te nemen, maakte hij zich nu toch gereed om de joelende schaar te volgen naar het Sebasteum. Doch plotseling hoorde hij het geroep van mannen, die een dichtgesloten draagstoel vooruitliepen. Het was die van Iras, de vertrouwde kamervrouw der Koningin. Als iemand mededeelingen kon doen, dan was zij het, maar het was in dit gedrang onmogelijk een gesprek met haar aan te knoopen. Zij scheen echter van een ander gevoelen te zijn, want zij had hem opgemerkt en riep hem tot zich. Haar anders zoo heldere stem klonk ditmaal schor. Men hoorde daaraan dat zij heftig bewogen was, terwijl zij Dion met allerlei vragen overstelpte. Zonder zich tijd te gunnen voor de gewone begroeting, wilde zij dadelijk weten wat de menigte zoo opgewonden maakte, wie hun de tijding der overwinning gebracht had, en waarheen het volk zich begaf.
Terwijl Dion haar te woord stond, had hij moeite genoeg niet voortgedrongen te worden. Dat merkte zij, en daar zij juist den Meander voorbij kwamen, den dwaaltuin die na zonsondergang gesloten werd, liet zij zich naar den ingang daarvan dragen, maakte zich aan de wachters bekend, liet den draagstoel daar nederzetten, en beval de dragers en voorloopers te blijven wachten, totdat zij hen roepen zou.
De ongewone gejaagdheid van het meisje vervulde Dion met gegronden angst. Toen hij haar verzocht uit te stappen en met hem op en neder te wandelen, wees zij dit af met de betuiging, dat er in het leven te veel dwaalwegen waren, dan dat men die met opzet zoeken moest. Hij scheen ook wel op wegen te gaan, die niet juist tot de rechte behoorden. "Waarom," besloot zij, en stak het hoofd daarbij door de opening van den draagstoel "maakt gij het den Regent en uw eigen oom zoo moeielijk om hunne bevelen door te zetten, en trekt partij voor het volk als een omgekochte oproermaker?"
"Als Philostratus, bedoelt gij, dien ik als toevoegsel tot de gouden belooning uit uwe hand, nog eenige ribbenstooten toegediend heb?"
"Zooals gij wilt. Waarschijnlijk waart gij het ook, die hem in het water deedt werpen, nadat gij uw gemoed aan hem gekoeld hadt? Gij moet uwe zaak goed verstaan hebben. Wat men met liefde op zich neemt, gaat gewoonlijk goed. Het zij zoo, wanneer nu maar zijn broeder Alexas, Antonius niet tegen u in het harnas jaagt. Wat mij betreft, ik wil alleen maar weten, waarom en voor wien dat alles is geschied."
»Voor wien anders dan voor den braven ouden man, die reeds de leermeester mijns vaders is geweest, en voor zijn goed recht," antwoordde Dion rustig. »En behalve dat ook ter wille van den goeden smaak, want er is geen ongunstiger plek voor het standbeeld denkbaar dan juist die tuin."
Iras lachte, een korten, scherpen lach, en haar smal, zeer regelmatig gezicht, dat men schoon had kunnen noemen als de rug van den fijnen rechten neus niet wat lang en de kin iets te klein waren geweest, vertrok zich, terwijl zij uitriep: »Dat is ten minste openhartig."
»Daaraan moest gij bij mij gewoon zijn," hernam hij bedaard. »In dit geval is trouwens de deskundige bouwmeester Gorgias geheel van hetzelfde gevoelen."
»Ook dat kwam mij ter oore. Gij beiden zijt ijverige bezoekers van--hoe heet zij ook weer?--de betooverende Barine."
»Barine!" herhaalde Dion, alsof die naam hem verraste. »Gij zorgt er voor, vriendin, dat ons gesprek onze omgeving, den dwaaltuin, eer aan doet. Ik spreek van werken der beeldende kunst, en gij doet alsof gij dat toepast op een overigens zeer wel gelukt levend werk der scheppende goden. Ik was er mijlen ver van af bij dat alles aan de kleindochter van den ouden geleerde te denken, toen ik voor hem in 't strijdperk trad."
»Zooals," voegde zij er bitter bij, »alle jonge heeren van uwe soort altijd eerder denken aan de waardige leermeesters van hun vader, dan aan die vrouwen die, sedert Pandora haar doos opende, alle kwalen in de wereld brachten. Maar,"--en zij streek de zwarte lokken van haar voorhoofd, »ik begrijp mij zelve niet, hoe ik er nu, bij den zwaren last, die op mijn ziel ligt, toe kom, om ook maar één woord aan zulke beuzelingen te verspillen... En toch! De oude geleerde raakt mij even weinig als het geheele aantal van zijn commentaren en andere geschriften, al zijn zij mij niet geheel onbekend.... Hij mocht, wat mij betreft, even veel kleinkinderen hebben als hier in Alexandrië booze tongen zijn, als het er mij niet om te doen was alles wat een schaduw op den weg der Koningin werpt te verwijderen. Ik kom zooeven van de Lochias, uit het paleis der koninklijke kinderen, en wat ik daar hoorde.... Maar ik wil en kan het nog niet gelooven.... Ik ben er geheel van vervuld."
»Zijn er slechte tijdingen van de vloot?" vroeg Dion vol belangstelling. Zij antwoordde niet, maar knikte bevestigend met het hoofd, en legde den waaier van struisvederen als teeken van stilzwijgen tegen haar mond. Tegelijk beefde zij zoo hevig, dat hij het, niettegenstaande de duisternis, zag. Hij begreep hoe moeilijk het spreken haar viel, toen zij met doffe stem vervolgde: »Het moet nog geheim blijven.... Schippers van Rhodus.... het is, de Goden zij dank, nog geheel onzeker.... het kan, het mag niet waar zijn! En toch.... het is een schande dat die citerspeler bij het volk zulke blijde verwachtingen durft opwekken. Wie het meest aan de grooten der aarde te danken heeft, doet hun gewoonlijk het meeste kwaad. Gij kunt zwijgen Dion, dat weet ik. Dat toondet gij reeds als knaap, als gij iets te verbergen hadt voor uw ouders. Of gij nu nog, evenals toen, voor mij in het water zoudt springen? Ik geloof het niet! Maar vertrouwen mag ik u, en dat doe ik zelfs hier in dezen dwaaltuin. Mijn hart dreigt te bersten, maar geen woord daarvan aan wien ook! Ik heb geen vertrouweling noodig, en zou ook u alles kunnen verzwijgen, maar ik wensch dat gij mij begrijpt, juist gij, die de rol gespeeld hebt, die gij speeldet. Vóór ik op de Lochias in mijn draagstoel stapte, kwam ook die knaap tehuis, en ik sprak hem nog even."
»De jonge Cæsarion," viel Dion haar ernstig in de rede »bemint Barine."
»Dus bleef deze ontzettende dwaasheid ook al niet geheim?" vroeg zij opgewonden. »De droomer toont een hartstocht, dieper dan ik ooit van hem zou hebben gedacht. Stel u voor dat de Koningin terugkomt, minder gelukkig dan wij wenschen, dat zij allen terugziet van wie zij nog iets verblijdends, goeds of groots verwacht, en dan hoort wat er met den knaap is gebeurd,--want wat zou haar verlichte geest niet opmerken en doorzien? Hij is haar dierbaar, meer dan gij allen vermoedt--hoe zal dat dan haar onrust, haar ellende vermeerderen! Hoe rechtmatig zal haar toorn zijn over hen, wien plicht en liefde geboden over den knaap te waken!"
»Daarom," zeide Dion, »is het noodig dat de steen des aanstoots weggenomen wordt. Met dien aanval op Didymus hebt gij tot dat doel reeds het uwe gedaan."
Hij had terecht ingezien, dat zij met het geheele complot tegen den geleerde eigenlijk alleen beoogde aan de machthebbers het recht te geven om tegen den ouden philosoof en de zijnen, dus ook tegen Barine, krachtig op te treden. De Aegyptische wet eischte, dat ook de bloedverwanten dergenen die tegen de regeering iets hadden misdaan, verbannen werden. Deze aanval op een onschuldige was schandelijk, en toch begreep Dion uit ieder woord dat Iras sprak, uit iederen trek van haar gelaat, dat het niet alleen lage jaloerschheid, maar iets edelers was, wat haar daartoe bracht: de liefde voor hare gebiedster, de groote begeerte om haar voor kommer en leed te behoeden. Hij kende Iras, haar ijzeren wil, en de meedoogenloosheid waarmede zij aan het hof altijd haar doel had trachten te bereiken. Zijn eerste werk moest nu zijn Barine te bewaren voor het gevaar dat haar dreigde; vervolgens moest hij Iras, de dochter van Krates, die langen tijd naast zijn vader had gewoond, met wie hij als knaap had gespeeld en die tot nu toe in al zijn lotgevallen had gedeeld, bevrijden van den angst die haar drukte.
Zijn uitspraak verraste haar. Zij zag hoe de man, die haar meer waard was dan ieder ander, haar doorzag, en een vrouw die bemint, verheugt zich altijd als zij de meerderheid van den geliefde gevoelt. Daarbij was zij van kind af--en zij was maar twee jaar jonger dan Dion--opgegroeid in kringen waar men niets hooger stelde dan de oefening van den geest, ten einde dien helder en scherp te maken. Haar zwarte oogen, die eerst uitvorschend en wantrouwend gefonkeld en daarna van hartstochtelijke droefheid gegloeid hadden, namen nu een nieuwe uitdrukking aan. Smeekend zochten zij den blik van haar vriend, terwijl zij op zijn vermoeden hernam: »Ja Dion, de kleindochter van den philosoof mag hier niet blijven. Of ziet gij een ander middel om den knaap voor onberekenbaar onheil te bewaren? Gij kent mij lang genoeg om te weten dat het mij, evenzeer als u, tegen de borst stuit om het goed recht van een ander te krenken, en dat ik, als het niet noodig is, zoo hardvochtig niet ben. Ik acht u zeer hoog. Niemand is zoo waarheidlievend als gij, en gisteren hebt gij mij nog stellig verzekerd, dat Eros met uwe bezoeken bij de jonge vrouw niets te maken had, dat gij enkel zoo dikwijls tot hare gasten behoort omdat zij uw geest zoo aangenaam opwekt. Wat ik ook leerde wantrouwen in de wereld, op uw woord vertrouw ik nog. En toch, toen ik vernam hoe gij voor Didymus in de bres gesprongen waart, en u zag trachten naar den dank en de gunst van zijn kleindochter.... gij mannen zegt immers, dat Zeus de betuigingen der minnenden niet hoort,--toen hief de argwaan het hoofd weder op. Nu schijnt gij mijn gevoelen te deelen...."
»Ja," viel hij in, »evenals gij, geloof ik dat Barine onttrokken moet worden aan de wenschen van den knaap, die u niet onaangenamer kunnen zijn dan haar zelve. Daar Cæsarion op het oogenblik Alexandrië te minder verlaten kan, omdat de zaken zoo slecht staan, blijft er niets anders over dan de jonge vrouw van hier te verwijderen;--maar natuurlijk met alle mogelijke omzichtigheid."
»O, in een gouden wagen, en met rozen bekranst, als gij dat verkiest!" riep Iras levendig uit.
»Dat zou maar opzien wekken," antwoordde hij glimlachend, en met een afwerend handgebaar. »Nu ik de drijfveeren uwer handelwijze ken, behaagt die mij wel is waar altijd nog niet, doch ik wil u gaarne helpen om uw doel te bereiken. Ook langs kronkelpaden komt men waar men wezen wil, en daarop loopt men minder gevaar den voet te stooten; de rechte weg is mij echter liever, en ik geloof dat ik dien ook reeds gevonden heb. Een harer vrienden noodigt de jonge vrouw uit naar zijn landgoed te komen dat ver van hier gelegen is."
»Zijt gij dat?" vroeg Iras, terwijl haar fijne wenkbrauwen zich pijnlijk samentrokken.
»Gelooft gij dan dat zij mij volgen zou?" hernam hij op licht verwijtenden toon. »Neen. Gelukkig hebben wij nog vrienden die ouder zijn, en de voornaamste van die is toevallig uw oom, die als was is in de handen der koningin."
»Archibius?" riep Iras uit. »Ja, als hij haar daartoe overreden kon."
»Dat zal hij beproeven. Hij maakt zich ook ongerust over den knaap. Terwijl wij hier samen spreken, noodigt hij Barine uit van zijn landgoed gebruik te maken. De buitenlucht daar zal haar zeker goed doen."
»Ik wensch haar toe dat zij zoo gezond moge worden als een herderinnetje!"
»Dat is een goede wensch, want komt de Koningin niet zegevierend terug, dan worden wij Alexandrijnen nog veel prikkelbaarder. Toen gij den tuin van Didymus in beslag wildet nemen, waart gij al zoo ijverig aan de oprichting van een eerepoort bezig, dat gij daarbij vergeten hebt...."
»Wie twijfelde dan ook aan den gelukkigen afloop van dezen oorlog?" riep Iras. »En zij zullen zeker, zeker overwinnen! De man uit Rhodus zeide, dat de vloot uiteengedreven was. Dat zou dan gebeurd zijn aan de kust van Akarnië. Dat klonk zeer stellig, maar intusschen had hij het zelf ook slechts van een tweede of derde gehoord. En wat beteekent een gerucht! Hoe dikwijls blijkt later dat het verkeerd was. Bovendien, al werd de zeeslag ook verloren, dan zouden wij altijd nog onze geduchte landmacht hebben. Zij beteekent veel meer dan die van Octavianus. En welke veldheer is opgewassen tegen Antonius? Hoe dapper zal hij strijden, als het de allergewichtigste dingen geldt: roem, eer, heerschappij, haat en liefde. Waarom zouden wij zoo beangst zijn? Na Dyrrhachium hield ieder de zaak van Cæsar voor verloren, en hoe spoedig daarop werd hij te Pharsalus de beheerscher der wereld! Is het niet beneden een verstandig mensch om door schipperspraatjes den moed te verliezen?--En toch--toch! Reeds toen ik ziek werd, begon het. En dan die zwaluwen aan het admiraalsschip! Daar sprak ik u vroeger al van. Mardion en uw oom Zeno hebben het met eigen oogen gezien, hoe vreemde zwaluwen de andere uit haar nest bij het roer verjoegen en de jongen met hare snavels dood pikten. Dat was een slecht voorteeken! Ik kan het maar niet vergeten. En dan mijn droom, toen ik de koorts had!--Maar ik heb hier al veel te lang vertoefd. Toch ben ik dankbaar voor dit onderhoud met u, Dion, want nu kan ik gerust zijn wat den knaap Cæsarion betreft. Zet het standbeeld neer waar gij wilt. Het volk moet weten dat wij acht geven op hun tegenstand, en, als hunne vrienden, rechtvaardig zijn. Help gij mij nu ook om alles ten beste te keeren voor de Koningin.... en als het Archibius gelukt Barine voor eenigen tijd buiten de stad te houden, dan.... Ja, zoo ik maar iets wist wat u aangenaam kon zijn, dan zou ik u dat zeker verschaffen. Maar wat geeft de gevierde Dion om zijn verwelkende vroegere speelkameraad?"
»Verwelkende?" herhaalde hij op een toon van verwijt. »Zeg liever de volschoone, die van haar koninklijke vriendin het geheim geleerd heeft van jong te blijven."
Met een rassche beweging stak zij hem dankbaar de witte slanke hand toe, die, na die van Cleopatra, de fraaiste aan het hof werd genoemd; doch toen hij de fijne vingertoppen eerbiedig en zacht aan zijn lippen bracht, trok zij snel de hand terug en riep, alsof zij plotseling berouw voelde: »In dezen tijd, met zulk een angst in het hart, dit onbeduidende gebeuzel! Het is onwaardig en beleedigend. Als Barine met Archibius medegaat, zal de tijd haar zeker niet lang vallen op zijne landgoederen. Ik geloof dat ik wel weet wie haar spoedig na zal reizen om haar gezelschap te houden.--Hier, Pasis! De dragers! En nu naar de Zonnepoort!"
Dion staarde den verdwijnenden draagstoel nog een oogenblik na; toen liet hij de hand door zijn bruine lokken gaan, liep daarop naar het strand, en sprong, zonder zich te bedenken, in een der booten die daar verhuurd werden. Hij gebood de schippers, die met hem mede wilden gaan, op het land te blijven, spande zelf de zeilen met een geoefende hand, en voer zoo de haven uit. Die krachtsinspanning kwam hem juist te stade, en hij ging nu meteen zelf op verkenning uit.
VIERDE HOOFDSTUK.
Het huis dat Barine bewoonde, dicht bij de tuinen van het Paneum, was het eigendom harer moeder, die het van hare ouders geërfd had. Haar vader, de schilder Leonax, de zoon van den philosoof Didymus, was lang geleden gestorven. Zoodra Barine's ongelukkig huwelijk met Philostratus ontbonden was, had zij weder haar intrek genomen bij haar moeder, die de huishouding bestierde. Ook deze stamde van een geleerde familie af, en was opgegroeid met een broeder, die naam gemaakt had als philosoof, en de studiën van den jongen Octavianus had geleid. Dit was echter lang vóór het begin der twisten, die den erfgenaam van Cæsar en Marcus Antonius vaneen scheidden. Doch zelfs nadat deze laatste zijne gemalin Octavia, Octavianus' zuster, verstooten had, om tot Cleopatra, de geliefde van zijn hart, terug te keeren, en nadat het tusschen de mededingers om de heerschappij der wereld tot een openlijke breuk gekomen was, had Antonius zich vriendelijk getoond jegens Arius, en in geen enkel opzicht zijn innige betrekking tot Octavianus gewraakt. De milde Romein had den vroegeren Mentor van zijn vijand ten overvloede een fraai huis ten geschenke gegeven, om hem te toonen hoe gaarne hij hem in Alexandrië en in zijne nabijheid behield.
De weduwe Berenice, Barine's moeder, was zeer gehecht aan haar eenigen broeder, die dikwijls tot de gasten harer dochter behoorde. Zij was een bedaarde, stille vrouw, die den tijd toen zij zich wijden kon aan de opvoeding harer kinderen, den vurigen Hippias, Barine en Helena, den gelukkigste haars levens noemde. De laatste woonde nu al sinds jaren bij haar grootouders, en verzorgde hen met de meeste toewijding. Zij was altijd gemakkelijker te leiden geweest dan haar oudere zuster en broeder. De hoog strevende geest van den knaap had hem dikwijls aan de moederlijke leiding onttrokken, en het schoone, levendige meisje had van jongsaf iets bijzonder betooverends gehad, zoodat een nauwlettend toezicht dubbel noodig was geweest.
Eerst te Alexandrië, later te Athene en op Rhodus had Hippias zich tot redenaar ontwikkeld, en drie jaren geleden had zijn oom Arius hem met goede aanbevelingen naar Rome gezonden, om het leven daar te leeren kennen, en te beproeven met zijne zeldzame gave van welsprekendheid daar zijn weg te maken.
Twee ongeluksjaren aan de zijde van een gewetenloos man, dien zij niet liefhad, hadden den kinderlijken overmoed van Barine langzaam doen overgaan in haar tegenwoordige kalmere opgeruimdheid. Haar moeder was zich bewust dat zij met de beste bedoelingen haar zestienjarige dochter een huwelijk had laten sluiten met Philostratus, in wien Didymus toenmaals een veelbelovenden jongen man dacht te zien, terwijl diens broeder Alexas, Antonius' gunsteling, die dezen in den oorlog had vergezeld, beloofd had hem voort te helpen op zijn verdere loopbaan. De goede vrouw had gedacht dat het bevallige schepseltje op deze wijze het best voor de gevaren der wufte stad beschermd zou zijn; doch de onwaardige echtgenoot had moeder en dochter veel leed berokkend, en niet veel minder deed dit zijn invloedrijke broeder, die niet moede geworden was zijn jonge schoonzuster met onwaardige voorstellen te vervolgen.
Thans zag vrouw Berenice vaak haar kind met stomme verbazing aan, omdat zij, uit al die smart en vernedering nog die onschuldige vroolijkheid had weten te redden, die den schijn gaf, alsof haar leven slechts rozen zonder doornen opgeleverd had.
Haar vader Leonax had tot de beroemdste der Alexandrijnsche schilders behoord, en van hem had zij die veerkrachtige kunstenaarsziel, die ook na den zwaarsten druk weder krachtig opsprong. Hem had zij ook die bijzondere gave van den zang te danken, die zorgvuldig aangekweekt was, en die haar in de koren der jonkvrouwen op de hooge feesten der godinnen, eene eerste plaats hadden doen verwerven. De lof van haar kunst was in aller mond, sedert zij op het Adonisfeest bij het wassen beeld van den lieveling der goden, die door het everzwijn was gedood, in het koninklijk paleis den »Jalemos" gezongen had. Men rekende het als een voorrecht haar te hebben gehoord, te meer daar zij zich enkel in haar eigen huis of bij bijzondere gelegenheden »ter eere der goden" liet hooren.