Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 4

Chapter 43,845 wordsPublic domain

Terwijl de een luisterde naar het opgewonden volk, en de ander den ouden man aanzag, wiens tegenstand moeilijk door goedheid overwonnen zou kunnen worden, zagen de jongeren uit het gezelschap de schoone vrouw aan, die zich bij hen had gevoegd. Door de haast waren hare wangen hooger gekleurd; uit den donkerblauwen doek die haar blond hoofd bedekte, zag een lieftallig gelaat blijde en vertrouwelijk haar zuster, haar grootvader en den bouwmeester aan.

De intendant en ook velen onder de overigen hadden een gevoel alsof het geluk in eigen persoon dit bedreigde huis was binnengetreden, en menige blik verhelderde zich toen de oude man zijn kleindochter, op een geheel anderen toon dan zooeven, toeriep: »Gij hier, Barine?" en zij hem daarop, zonder op de anderen acht te geven, met warmte omhelsde.

Helena, de bouwmeester en de oude philosoof Euphranor, kwamen nu ook naderbij, en deze vroeg haar verwijtend maar toch hartelijk: »Maar onvoorzichtig kind, hoe zijt gij door die volksmenigte heengekomen?" Vroolijk klonk haar antwoord: »Het ééne geleerde lid van het Museum ontvangt mij met de vraag, of ik er werkelijk ben, hoewel ik van kind af door een vriendelijk of vijandelijk noodlot--hoe verkiest gij het, grootvader?--gespaard ben voor het overzien-worden. En de ander wil zoo grimmig verwijtend weten, hoe ik door het volk heen kwam, alsof het een onrecht ware door het water te waden en een hand uit te steken naar mijn liefste betrekkingen, als zij er bijna onder raken.--Maar dit geschreeuw is werkelijk te erg."

Zij legde haar kleine handen op den hoofddoek tegen haar ooren, en ging eerst met spreken voort toen het geraas verminderde, ofschoon zij verzekerde dat zij haast had, en alleen maar eens was komen zien, hoe het hier ging. Het scheen alsof het haar, frisch en bevallig als zij was, onmogelijk viel om ook maar één oogenblik ongebruikt te laten, al was het maar om een blik van welgevallen op te vangen of te beantwoorden.

De bouwmeester en hare zuster moesten vlug op hare vragen antwoorden, en zoodra zij vernomen had wat die vreemde mannen hier deden, dankte zij den intendant, en drukte de overtuiging uit dat de oude vrienden hun best zouden doen om haar grootvader dat leed te besparen.

Toen de beide grijsaards hunne vraag, hoe zij hier gekomen was, herhaalden, antwoordde zij: »misschien zal niemand mij gelooven, omdat op 't oogenblik mijn mond geen oogenblik stil staat, maar toch deed ik als een stomme visch, en kwam over het water."

Daarop nam zij haar grootvader ter zijde en vertelde hem hoe zij aan de haven naar de boot was gegaan, en Archibius haar uit zijn wagen had gezien en stil had laten houden, om haar voor dezen avond zijn bezoek aan te kondigen. Hij zou over een gewichtige zaak komen spreken. Zij had dus te zorgen, dat zij alleen met hem bleef, en daarom kon zij dan ook niet langer blijven. Nu keerde zij zich weder tot de overigen, en vroeg, nog vóór zij wegging, waarom het volk toch zoo schreeuwde. De bouwmeester antwoordde dat Philostratus zich moeite gaf om aan de menigte te beduiden, dat het bewuste standbeeld nergens dan in den tuin van haar grootvader geplaatst kon worden, en hij dacht ook wel te weten, wie hem dat opgedragen had.

»Niet de Regent," zeide de intendant op een toon van overtuiging. Doch toen Gorgias den volksredenaar genoemd had, was er over Barine's zonnig gelaat een lichte schaduw gegleden en zij dankte den beambte met een hoofdbuiging. Vervolgens fluisterde zij hem haastig, doch met nadruk toe, dat zij op zich nam den grijsaard tot rede te brengen, zoo men haar slechts tijd tot nadenken liet. Morgen zoodra het op de markt vol werd zou de beambte de onderhandelingen opnieuw kunnen beginnen, indien de Regent bij zijn plan bleef. Zij zou intusschen het hare doen om haar grootvader toegevender te maken, al behoorde hij ook niet tot de menschen die zich lieten leiden. Dan moest de intendant den Regent ook herinneren dat het geraden was in dezen tijd openbare ergernis te vermijden, en den leeftijd en het goed recht van Didymus in het oog te houden.

Terwijl Apollonius nu verder met de andere afgevaardigden sprak, wenkte zij den bouwmeester, en nam spoedig van de haren afscheid. Zij beweerde dat er volstrekt geen gevaar voor haar was, daar zij weder op visschenmanier terugging, maar dat zij daarbij nu toch behoorlijk haar spraakvermogen gebruiken zou. Zij hoopte daarmede den man te winnen die dit alles wel zou voorkomen hebben, indien de Koningin er maar was geweest.

Tot op dit oogenblik had zij aller oogen en ooren geboeid, want ieder vond het een genot haar te hooren en te zien. Eerst toen zij met den bouwmeester was verdwenen, kwamen de beambten tot een besluit, en spoedig daarop verwijderde zich de intendant met zijne geleiders, om nog eens met den Regent over deze ongelukkige zaak te spreken.

Ditmaal bewees Gorgias zijne diensten aan de jonge vrouw met gemengde gewaarwordingen. Nog geen uur geleden zou het hem gelukkig hebben gemaakt Barine te mogen vergezellen en beschermen, maar nu zou hij gaarne bij hare zuster zijn gebleven, die zijn afscheidsgroet zoo dankbaar, en toch zoo echt jonkvrouwelijk bedeesd beantwoord had. Maar ook bij den wankelmoedigste kan de eene neiging niet in de plaats der andere geschoven worden als een witte damschijf voor een zwarte, en hij vond het nog altijd heerlijk zoo dicht in Barine's nabijheid te zijn. Alleen de gedachte dat Helena nu misschien zou denken dat hij in vertrouwelijke betrekking tot hare zuster stond, had hem onaangenaam aangedaan, toen zij hem opriep om met haar mede te gaan.

In den tuin verzocht Barine hem of hij haar helpen wilde om, vóór zij naar de landingsplaats van de boot gingen, de smalle trap te beklimmen, die naar het platte dak van het poortwachtershuisje voerde. Van daaruit konden zij al de drukte op het plein volgen zonder zelf gezien te worden, want het was geheel door dichte laurierstruiken omgeven. Van de beide tempels ter zijde van den «Muzenhoek" sloegen heldere vlammen uit de pekpannen omhoog, en dat licht werd nog zeer versterkt door de fakkels in de hand der Scythen. Toch kon men midden op het plein geen mensch onderscheiden. Wel blonken bij dat vuur de marmeren wanden der tempels, de standbeelden aan de poort van Didymus en de Hermen[6] aan den koningsweg die langs het bedreigde huis liep, en de noordzijde van het plein met de zeekust verbond; maar de walm der fakkels verduisterde den hemel en doofde het licht der sterren.

[6] Vierkante steenen zuilen met den kop van Hermes er op.

Alleen Dion was duidelijk zichtbaar, die zich op het hooge zijstuk der slede geplaatst had, waarop het omhulde standbeeld hierheen gebracht was, en verder Philostratus, de pleitbezorger, die op het voetstuk van een der dolfijnen geklommen was, die om de fontein tusschen den Isistempel en de straat stonden. De ruimte van een twaalf schreden ongeveer, die hen scheidde, liet den strijders toe elkander te verstaan, en de algemeene aandacht was op hen gevestigd.

Het behoorde tot de grootste genoegens der Alexandrijnen zulk soort van gevecht met woorden aan te hooren, en iedere gelukkige zinwending werd met teekenen van goedkeuring, ieder woord dat hun mishaagde met geschreeuw, sissen en fluiten begroet.

Barine kon zien en hooren wat daarbeneden gebeurde. Zij had de lauriertakken, die haar verborgen, op zijde gebogen, en luisterde aandachtig naar het gesprek der strijdende mannen. Toen de ellendeling, die eens haar echtgenoot was, en dien zij nu te diep verachtte om hem te haten, hare familie beleedigde met de aantijging dat zij zich van geslacht tot geslacht gevoed hadden uit de ruif van het Museum, beet zij zich op de lippen. Maar spoedig verscheen om haar mond een trek, die bewees dat het gehoorde al te grooten weerzin bij haar opwekte, want de pleitbezorger had zich nu tegen Dion gekeerd. Hij beschuldigde er hem van dat hij den welmeenenden Regent wilde verhinderen den roem der groote Koningin te verhoogen, en haar edel hart een vreugde te bereiden.

»Mijn tong," riep hij, »is het instrument, dat den kost voor mij verdient. Waarom praat ik haar hier moede? Ter eere van Cleopatra, onze verheven Koningin, en haar grootmoedigen vriend, aan wien ieder van u een weldaad te danken heeft. Al wie haar, en den goddelijken Antonius, den nieuwen Herakles en Dionysos, liefheeft--en beiden zullen spoedig in triomf met den krans der overwinnaars tot ons terugkeeren--die legge met den Regent en ieder welgezinde de hand op dat ellendige stukje gronds daar ginds, dat snoode gierigheid ons zoo kleingeestig onthoud. Daaruit spreekt een gezindheid--een gezindheid--hoort gij?... die ik nu niet nader aanduid, omdat al wat leelijk is mij tegenstaat, en omdat ik hier niet als aanklager sta. Wie partij trekt voor dien woordenvitter, die boeken te voorschijn brengt, even gemakkelijk als die dolfijn dáár water, die mag zijn gang gaan, ik zal het hem niet benijden. Maar laat hem eerst acht geven op den bondgenoot en lofredenaar van Didymus. Daar staat hij tegenover mij. Het zou beter voor hem zijn, als hij van steen, en de dolfijn aan zijn voeten een levend wezen was. Dan had men hem in de duisternis kunnen laten, waar hij behoort. Maar zooals het nu is, moet ik hem u wel, tegen wil en dank vertoonen, en dat zal ik doen, medeburgers, al gaf ik u liever dingen te zien, die minder mijn gal doen overloopen. Het flauwe licht verhindert u de kleur van zijn gewaad te onderscheiden, maar ik ken die, want ik zag het bij dag. Het is hyacinthen-purper! Gij weet wat zoo iets kost. Een flink man uit uw midden onderhoudt daarvan tien jaren lang zijn vrouw en kinderen. »Hoe zwaar moet de buidel wel wegen van een man, die zulk een schat aan zon en regen blootstelt!" denkt gij zeker allen, die hem daarin zoo trotsch als een pauw ziet rondwandelen. En zijn buidel weegt dan ook vele talenten. Jammer maar, dat de meesten van u iederen dag uw kinderen een brood minder geven en u zelven menigen teug wijn onthouden moeten om hem zoo deftig uit te dossen. Zijn vader Eumenes was ontvanger der belastingen, en wat die bloedzuiger u en uw kinderen afperste, dat gebruikt nu zijn zoon om daarmee in het purper te pronken op zijn wagen met vier paarden, die velen van u het slijk in het gezicht deed spatten, als hij voorbijreed. Bij den Hond! Het heerschap weegt niet zwaar, en toch gebruikt hij het vierspan om vooruit te komen. En, waarom doet hij dat, medeburgers? Dat zal ik u zeggen. Hij is bang om te blijven steken, te blijven steken, overal, ook in zijn redevoering."

Hier liet Philostratus zijn stem dalen, want die wending van het »blijven steken" had eenige toehoorders aan het lachen gemaakt. Maar Dion, wiens vader in zijne betrekking van ontvanger der belastingen inderdaad het familiegoed aanzienlijk vermeerderd had, bleef hem het antwoord niet schuldig.

»Ja, ja," zeide hij verachtelijk, »die Syrische prater dáár heeft het ditmaal bij het rechte einde. Daar staat hij tegenover mij, en wie zou niet licht blijven steken zóó in de buurt van een slibberig moeras? Wat mijn purperen mantel betreft, dien draag ik, omdat mij dat behaagt. Ik vind den zijnen van crocus-geel veel minder mooi. Trouwens, in den zonneschijn ziet hij daar heel deftig mee uit. Hij schittert als een paardenbloem in het gras. Gij kent die plant wel. Als zij uitgebloeid is,--en zou iemand zeggen dat Philostratus nog veel op een knopje gelijkt?--dan wordt zij een licht, met lucht gevuld bolletje, dat een kind wegblazen kan. Hoe zoudt gij het vinden om voortaan die ronde zaadhuisjes »Philostratushoofdjes" te noemen? Bevalt u dat denkbeeld? Dat doet mij genoegen, medeburgers, en ik dank u daarvoor. Het bewijst uw goeden smaak. Laat ons dus bij dit beeld blijven. Bij ieder hoofd behoort een tong, en Philostratus zegt dat de zijne het werktuig is, waarmee hij den kost verdient."

»Hoort dien trotschaard eens!" viel de ander woedend daarop in. »In zijn oogen strekt eerlijke arbeid, waarmee iemand zich in het leven houdt, een mensch tot schande."

»Van eerlijken arbeid, vriend," sprak Dion, »is hier niet zoozeer sprake. Ik sprak immers alleen van _uwe_ tong. Gij begrijpt mij, medeburgers. Mocht een van u dezen waardigen man nog nooit ontmoet hebben, dan zal ik hem toonen wie hij is, want ik ken hem goed. Het is waar, hij is mijn tegenstander, maar ik kan hem toch aan velen onder u met volle overtuiging aanbevelen. Wie een dóór en dóór slechte zaak voor de rechtbank te brengen heeft, dien raad ik sterk aan zich tot dien paardenbloemenman daar bij de fontein te wenden. Hij zal er mij dankbaar voor zijn. Gelooft mij, alleen reeds omdat deze advokaat zich zoo uitslooft, staat de zaak van Didymus uitstekend. Ik heb u vroeger al gezegd wat de quaestie is. Wie van u, die een tuin bezit, kan dien in het vervolg nog zijn eigendom noemen, wanneer het geoorloofd is dien in de afwezigheid der Koningin eenvoudig iemand af te nemen en tot een ander doel te bestemmen? Zoo wil men doen met dien van Didymus. Wordt dat hier zoo de gewoonte, dan moet men maar liever geen radijs meer zaaien, noch een struik of boom planten; want vóórdat de eene rijp is en de andere schaduw geeft, is hij hem misschien al afgenomen, als de vrouw van een voornamen heer bijgeval verkiest haar waschgoed daarin te drogen te hangen."

Luide toejuichingen volgden op deze woorden, doch de pleitbezorger riep met een harde stem: »Hoort naar mij burgers, en laat u niet misleiden! Niemand zal hier beroofd worden. Tegen ruime schadevergoeding wil men de plek, die men noodig heeft om de stad te verfraaien en de Koningin te eeren, van hem overnemen. Zouden de Regent en de bevolking zich deze schoone gelegenheid laten ontgaan om hunne dankbaarheid en vreugde over de grootste der overwinningen aan den dag te leggen, alleen omdat het een slechtgezind man en--het woord moet er uit--een vijand van zijn land, anders behaagt?"

»Nu komt het moeras te dicht bij _mij_," riep Dion driftig uit, »en dat, »blijven steken," waarvoor gij mij waarschuwdet, kon nu wel eens ernst worden. Want een schaamtelooze die den vuigsten laster durft uitspreken, benijd ik niet om zijn vlugheid van geest. Gij weet immers, gij allen die mij hoort, door hoevele geslachten heen de familie van Didymus tot eer van de stad hier heeft gewoond en roemvollen arbeid heeft verricht. Gij weet dat de oude man tot de leermeesters der koningskinderen behoorde."

»En toch," hield Philostratus vol, »zag men hem nog eergisteren met Arius, den vriend en gouverneur van Octavianus, den doodvijand van onze koningin, arm in arm in den tuin van het Paneum wandelen. Aan ieder die het hooren wilde, verzekerde Didymus dat juist deze Arius tot zijn liefste leerlingen behoorde."

»Inderdaad," hernam Dion, »de geringste schoolmeester zou zich wel schamen u ooit zoo te noemen, zelfs al waart ge hem in verstand en kennis boven het hoofd gegroeid. Ja, al had men u, in plaats van bij de rhetoren, bij vischhandelaars in de leer gedaan, dan zouden deze het ook niet gaarne bekennen, want zij verkoopen alleen goede waar voor goed geld, maar bij u is ook het allerslechtste nog voor goud te krijgen. Ditmaal treedt gij daarvoor den goeden naam van een achtenswaardig man met voeten. Maar ik zal dat niet gedoogen: gij hoort het, medeburgers: ik daag den Syriër daar ginds uit te bewijzen dat Didymus het vaderland verraden heeft, of zich te laten welgevallen dat ik hem, ten aanhoore van u allen een snood lasteraar en omkoopbaar opruier noem."

»Smaad uit zulk een mond is gemakkelijk te verdragen," antwoordde de pleitbezorger op een toon van minachting, maar toch duurde het eenigen tijd, eer hij zich weder tot zijn toehoorders richtte, en met al de warmte, waarover hij beschikken kon, voortging: »Wat ik dan wil, medeburgers? Waarom het te doen is? Ik treed hier op voor de koningin, alleen omdat mijn hart mij daartoe dringt. Om een waardige plaats te verzekeren aan datgene wat Cleopatra tot eer en roem strekken zal, treed ik in het strijdperk met haar vijand, stel ik mij bloot aan den hoon waarmede gij den trotschen overmoed vergunt zijne woede aan mij te koelen. Toch heb ik er geen berouw van, al doe ik mijn natuur geweld aan; want de man, tegen wien ik mijn stem verhef, is ook mijn leermeester geweest, en vóór hij van den weg van waarheid en recht werd afgebracht, heeft hij ook menigmaal mij, voor vele getuigen, tot zijn beste leerlingen gerekend. Ik was ook stellig een der dankbaarste. En zijn kleindochter werd mijn echtgenoot. Door haar bezit..."

»Bezit?" riep Dion luid en heftig. »Zóó kon een door de zee aangespoeld lijk zich evengoed beroemen die zee te bezitten!"

Het zwakke licht der fakkels was sterk genoeg om de omstanders te doen zien hoe de pleitbezorger verbleekte. Eén oogenblik scheen het, of hij, die nooit verlegen werd, nu toch in verwarring was geraakt, maar spoedig riep hij weder: »Medeburgers, lieve vrienden! Ik wilde u spreken van de ellende waarin eene schoone doch lichtzinnige vrouw iemand storten kan....."

Maar hij kon niet verder gaan, want velen der aanwezigen, die den gevierden, milden Dion en Barine, de schoone zangeres van het laatste Adonisfeest, kenden, gaven duidelijk hun ongenoegen te kennen. Een volksmenigte verheugt er zich altijd in, als zij een man van het vak door een ander die dat niet is, overwonnen ziet.

Toch zou de strijd nog zoo spoedig niet geëindigd zijn, als niet op dit oogenblik onrust en schrik zich van het volk hadden meester gemaakt. Er ontstond een geroep van: »Terug! gaat uiteen!" en tegelijk hoorde men hoefgetrappel en het commando van den aanvoerder eener afdeeling Libysche ruiters. De aanleiding was niet gewichtig genoeg, dat het volk zich daarvoor aan een ernstig gevaar mocht blootstellen. Ook was de heftige woordenstrijd vroolijk geëindigd, en onder de angst- en waarschuwingskreten mengde zich een luid gelach, want de golvende menigte had zich in de richting van de fontein bewogen, en den pleitbezorger in het volle waterbekken doen vallen. Men wist niet of dit met opzet of door een toeval was gebeurd, doch de vergeefsche pogingen van het slachtoffer om zich langs het gladde marmer er uit te werken, waren zoo komiek, en zijn gebaren, toen hij met den bijstand van hulpvaardige handen weder op het plaveisel van het plein terecht was gekomen, wekten zoo onweerstaanbaar de vroolijkheid op, dat veel meer gelach dan gemor onder het gepeupel werd gehoord. De een riep: »Toen hij Didymus zoo zwart maakte, heeft hij zijn eigen handen zwart gemaakt, en nu wil hij ze wasschen!" Een ander: »Een wijze arts heeft hem in de fontein geworpen. Hij had voor al de houwen die hij van Dion heeft gekregen, koude omslagen noodig." Den Regent, die de ruiters hierheen gezonden had om de menigte voor het huis van Didymus uit elkander te jagen, was het zeer welkom dat deze maatregel nu zoo weinig tegenstand ontmoette. Het volk ging spoedig uiteen, en reeds bij het Dionysostheater werd de aandacht door iets nieuws getrokken. Op de trappen daarvan had de citerspeler Anaxenor eerst afgekondigd dat Cleopatra en Antonius de schoonste aller overwinningen hadden behaald, en daarna een loflied gezongen dat aller harten diep had geroerd. Hij had het al lang geleden vervaardigd, en deze eerste gelegenheid, zoodra het gerucht zich verbreid had, aangegrepen, om de uitwerking er van te beproeven.

Zoodra het plein weer ledig was, verliet Barine haar toeschouwersplaats. Sinds lang had haar hart niet zoo snel geklopt. Van al degenen die haar gunst zochten te verwerven, stond niemand hooger bij haar aangeschreven dan Dion; doch nu gevoelde zij voor het eerst dat zij hem liefhad. Wat hij daar op het plein voor haar en haar grootvader had gedaan, verdiende haar grootste dankbaarheid; het bewees dat hij niet maar, zooals de meesten, alleen bij haar kwam om de lange avonduren door te komen.

Het was geen kleinigheid voor den aanzienlijken jongen man geweest om zich, voor het geheele volk, in een strijd in te laten met dien schaamteloozen man, wien Barine eenmaal had toebehoord, en hoe goed was het hem gelukt den gevreesden improvisator tot zwijgen te brengen. Bovendien had hij hare partij gekozen tegen zijn eigen, machtigen oom, en misschien den broeder van zijn tegenstander, Alexas, die een der voornaamste gunstelingen van Antonius was, tot zijn vijand gemaakt. Dat verhief Barine in eigen oogen, want dat, dacht zij, zou hij die voor geen der Macedonische edelen der stad behoefte achter te staan, voor geene andere gedaan hebben. Zij had door dit alles een gevoel alsof zij verlost was.

Sedert zij de liefelijke opgeruimdheid van geest, die in haar ongelukkig huwelijksleven gedreigd had verloren te gaan, voor zich zelve teruggevonden had, en haar huis een middelpunt van geestelijk leven had zien worden, had zij altijd getracht al hare gasten met dezelfde vriendelijkheid te gemoet te komen. Zij had begrepen dat zij zich niet meer veroorlooven mocht aan een enkelen die macht over haar te geven, die een vrouw aan den man dien zij liefheeft vanzelve schenkt. Aan Dion had zij niets meer toegestaan dan aan de anderen, maar nu gevoelde zij duidelijk dat zij al het genot van een gevierde vrouw te zijn, en de grootste vernuften der stad tot zich te trekken, gaarne zou prijsgeven voor het zooveel grootere geluk door hem bemind te worden en de zijne te zijn. Met hem, door zijne liefde gesteund, geloofde zij iets beters te zullen vinden in de eenzaamheid, dan in de drukte en de opwinding van haar tegenwoordig leven.

Zij wist nu wat haar te doen stond indien hij hare hand vroeg, en voor het eerst had de bouwmeester een stilzwijgend gezelschap aan haar. Hij zou haar gaarne teruggebracht hebben naar het huis van haar grootvader; daar had hij toch andermaal hare zuster Helena ontmoet, terwijl zij het teleurgesteld verlaten had, omdat haar moedige verdediger daar niet teruggekeerd was.

Na het onverwachte slot van den woordenstrijd, had Dion zich recht behagelijk gevoeld. De voldoening van voor een goede zaak opgetreden te zijn, en de verheffende zekerheid van den uitslag waren voor hem wel is waar niets nieuws, maar toch had hij het zelden zóó ondervonden als nu. Hij had vurig verlangd naar de eerstvolgende ontmoeting met haar, en zich voorgesteld hoe hij haar alles verhalen en haar dank voor zijn goede diensten aanhooren zou. Hij had dat alles in zijn verbeelding al doorleefd, maar nauwelijks was dat lachende beeld verdwenen, of de vroolijke uitdrukking van zijn mannelijk gelaat werd ernstig en vol bezorgdheid. Ofschoon het nachtelijk donker slechts spaarzaam door het vuur in de pekpannen werd verlicht, was het hem een oogenblik geweest alsof hij in het heldere daglicht in den bloeienden tuin van zijn paleis stond, en als had Barine, toen hij het loon voor zijn dapper optreden van haar verlangde, hem innig bewogen aan haar borst gedrukt en hij haar hartstochtelijk de betraande oogen gekust. Het visioen was spoedig verdwenen, maar zoo duidelijk geweest als de levendigste droom.