Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 37

Chapter 373,975 wordsPublic domain

Die aanblik sneed de gelukkige vrouw en moeder door de ziel. Het was in haar gevoel alsof veel van het geluk, waarop die andere recht had, op haar was overgegaan, en alles wat zij zelve ooit aan leed en zorg had ondervonden, op Iras. Het liefst zou zij nederig naar haar toe zijn gegaan, en haar iets recht liefs en hartelijks hebben gezegd, doch toen zij die magere, afgestreden vrouw den blik op haar kind zag vestigen, en daarbij dien afgunstigen trek om haar mond bemerkte, die haar eens aanleiding had gegeven haar bij een stekenden doorn te vergelijken, toen voelde haar moederhart een grooten angst voor het »booze oog" dezer vrouw, dat verderfelijk kon worden voor haar kind. Door een sterken, innerlijken drang gedreven, bedekte zij het gelaat van haar zoon met haar eigen sluier. Dat zag Iras, en toen Barine haar vraag: »Is dat Dion's kind?" met een om genade smeekenden blik had bevestigd, richtte het slanke meisje zich hooger op, en zeide met trotsche koelheid: »Wat gaat mij dit kind aan? Wij hebben op dit oogenblik gewichtiger dingen op het hart."

Daarop wendde zij zich tot Charmion, en zeide op den toon van een opdracht in dienst der Koningin, dat Cleopatra wenschte bij de aanstaande bijeenkomst ook haar aan hare zijde te hebben.

Octavianus had zijn bezoek tegen zonsondergang aangekondigd, en er moesten nog verscheidene uren verloopen vóór dien tijd. Op het oogenblik voelde de lijdende Koningin zich nog vermoeid van het bezoek aan het graf; zij had daarbij den Genius van Antonius gesmeekt om, wanneer hij eenige macht bezat over het hart van den overwinnaar, hem dan te bewegen de martelende onzekerheid van haar af te nemen en aan hare kinderen een gelukkig lot te beloven.

Ook had zij Dolabella, die haar uit het mausoleum naar het paleis geleidde, bekend, dat zij van dit gesprek slechts één ding verwachtte. Daarbij had zij hem een toezegging afgebeden, die haar nieuwen moed gaf, en haar het kostbaarste geschenk toescheen, dat men haar in dezen tijd kon aanbieden. Toen zij namelijk uiting had gegeven aan haar vrees, dat Octavianus haar ook nu weder in de onzekerheid zou laten, was de jongeling daarbij opgestaan om den Cæsar te verdedigen, en had ten slotte uitgeroepen: »Als hij u nu nog in spanning hield, dan zou hij niet alleen koel en bedachtzaam zijn."....

»Welnu," had Cleopatra gezegd, »wees gij dan grooter, wees minder hard dan hij, en bevrijd de vriendin van uw vader uit dezen pijnigenden toestand. Wanneer hij mij niet verklaart wat mij te wachten staat, en gij verneemt dat, dan--zeg niet neen, gij kunt het mij niet weigeren!--dan laat gij, ja gij, het mij weten."

De jonge man had snel en vastberaden geantwoord: »Wat heb ik tot dusver voor u kunnen doen? Doch uit _deze_ marteling zal ik u verlossen, als ik kan." Daarop had hij zich spoedig uit de voeten gemaakt, om niet genoodzaakt te zijn het aan te zien hoe de daartoe aangestelde eunuchen bij de poort van het paleis de kleederen der edele vrouw doorzochten.

Zijn belofte hield den zinkenden moed der vermoeide bekommerde Koningin staande, terwijl zij zich uitstrekte op de kussens van een rustbank, om te bekomen van haar aangrijpenden tocht. Doch nauwelijks had zij de oogen gesloten, of daar klonk op het plaveisel het hoefgetrappel van het vierspan dat den Cæsar naar de Lochias bracht. Zóó vroeg had Cleopatra dit bezoek niet verwacht.

Tevoren had zij met hare vertrouwelingen overlegd hoe zij hem zou ontvangen. Eerst was zij geneigd geweest om daarvoor op den troon plaats te nemen, en hem te begroeten in feestkleeding als Koningin, maar spoedig had zij ingezien, dat zij te zwak en ziek was om dien zwaren, koninklijken tooi te dragen. Bovendien zou een man en gelukkig overwinnaar zich eerder toegevend en genadig betoonen jegens een lijdende vrouw, dan tegenover een vorstin.

Er was veel dat haar gedrag in vroeger tijd verontschuldigen kon, en zij had zorgvuldig bij zichzelve overlegd hoe zij met haar verdediging het best zijn koude, maar niet onrechtvaardige gezindheid voor zich kon winnen. Veel wat te haren gunste sprak, was vervat in de brieven van Cæsar en Antonius, die zij in de nachtelijke uren, na den dood van haar gemaal, herhaaldelijk overgelezen had, en die men haar nu juist had gebracht.

Archibius en ook de Romein Proculejus hadden haar afgeraden hem geheel alleen te ontvangen. De laatste sprak het niet uit, doch wist dat Octavianus zich eerder tot iets edelmoedigs en goedertierens zou laten overhalen, indien er getuigen bij waren die het wereldkundig konden maken. Het was zaak om tegenover den bekwaamsten tooneelspeler van zijn tijd, voor toeschouwers te zorgen.

Daarom had dan ook de Koningin Iras, Charmion en behalve die nog eenige der meest vertrouwde beambten bij zich gehouden, onder anderen den zaakwaarnemer Seleukus die inlichtingen zou kunnen geven, wanneer er sprake was van de overgave der schatten.

Zij was ook voornemens geweest zich, nadat zij uitgerust zou zijn van haar bezoek aan het graf, opnieuw te laten kleeden. In dit plan werd zij verhinderd door de vervroegde komst van den Cæsar. En al had zij den tijd er toe gehad, dan zou zij nu niet in staat zijn geweest, zich zelfs maar het haar in orde te laten brengen, zoo zwak en daarbij koortsachtig opgewonden voelde zij zich. Het bloed joeg met snelheid door hare aderen en hare wangen gloeiden. Toen men haar zeide dat de Cæsar naderde, had zij te nauwernood tijd zich uit de kussens op te richten, het haar uit haar gelaat te strijken, en Iras te vergunnen met enkele vlugge handbewegingen de plooien van haar rouwgewaad te schikken.

Indien zij de poging had gewaagd om hem tegemoet te loopen, dan zouden hare knieën hebben geknikt. Toen de Cæsar binnentrad, vond zij dan ook enkel de kracht hem te begroeten met een zwijgend handgebaar; doch Octavianus, die haar reeds op den drempel den gebruikelijken groet had toegebracht, verbrak spoedig de pijnlijke stilte, en zeide met een hoffelijke buiging: »Gij riept, en ik kwam. Aan de schoonheid onderwerpt zich ieder--ook de overwinnaar."

Zij wendde als beschaamd het hoofd ter zijde en antwoordde dankbaar, en toch op afwijzenden toon:

»Ik heb u alleen om de gunst verzocht mij te willen aanhooren, doch ik _riep_ u niet. Ik zeg u dank, dat gij dit verzoek hebt ingewilligd. Als er voor den man een gevaar in ligt, om zich te buigen voor de bevalligheid der vrouw--dan bedreigt u dat hier zeker niet. Tegen een lijden zooals mij werd opgelegd, is de schoonheid, bijna zou ik zeggen het leven niet bestand. Gij hebt mij evenwel verhinderd dat van mij te werpen. Als gij rechtvaardig zijt, dan zult gij de vrouw, die gij verboodt te sterven, een leven toestaan welks last niet hare kracht tot dragen te boven gaat."

De Caesar boog ten tweeden male, en gaf vriendelijk ten antwoord: »Ik ben van plan het uwer waard te maken."

»Als dat waar is," riep Cleopatra uit, »ontneem mij dan eerst die folterende onzekerheid! Gij behoort allerminst tot de mannen die niet verder zien dan het heden en den volgenden dag."

»Gij denkt aan hem," merkte Octavianus schamper op, »die misschien nog onder ons zou rondwandelen, indien hij met wijzer overleg...."

Cleopatra's oogen, die tot nu toe den koelen blik des overwinnaars bescheiden en smeekend hadden ontmoet, vlamden eensklaps toornig op, en zij viel hem in de rede met een fier: »Laat het verleden rusten!"

Het gelukte haar echter spoedig de drift die haar hartstochtelijk bloed in beweging bracht, meester te worden, en op een geheel anderen toon, die niet vrij was van vleiende weekheid, ging zij voort: »De voorzienende geest van den man, aan wiens wenken de gansche aarde gehoorzaamt, overziet de toekomstige dingen zoowel als de tegenwoordige. Zou hij dan ook niet beslist hebben over het lot der kinderen, eer hij er in toestemde de moeder te zien? De eenige, die u in den weg had kunnen staan, de zoon van uw grooten oom...."

»Het vonnis moest over hem worden uitgesproken," sprak de heerscher op een toon van oprecht leedwezen. »Evenals ik Antonius heb beweend, zoo betreur ik ook den ongelukkigen jongeling."

»Als dat zoo is," zeide Cleopatra met warmte, »dan doet het de goedheid van uw hart eer aan. Toen Proculejus mij den dolk ontnam, berispte hij mij, omdat ik den zachtmoedigste van alle veldheeren den naam gaf van hard te zijn en onverzoenlijk."

»Twee eigenschappen," verzekerde de Cæsar, »die mijn natuur volkomen vreemd zijn."

»En die gij, als zij u eigen waren, niet zoudt kunnen, noch mogen gebruiken," riep Cleopatra, »indien het u ten minste ernst is met het schoone plan, dat gij zoo dikwijls hebt uitgesproken, om als neef en erfgenaam van den grooten Julius Cæsar, diens voetstappen te drukken. Cæsarion--zie maar dat borstbeeld! geleek in iederen gelaatstrek op zijn vader, uw verheven voorbeeld. Aan mij, ongelukkige, die nu mijn vonnis verwacht uit den mond van zijn neef, hebben de goden als de kostbaarste van alle gaven, de liefde van uwen goddelijken oom geschonken. En welk eene liefde! Het is voor de wereld verborgen gebleven, wat ik voor zijn groot hart ben geweest; doch de wensch om mijzelve voor miskenning te behoeden, gebiedt mij het u te openbaren. Uit uwen mond wacht ik de uitspraak. Gij zijt de rechter. Deze brieven zijn mijn voornaamste verdedigingsmiddel. Aan die laat ik over u te toonen wie ik was en ben, niet wat de laster van mij heeft gemaakt. Het elpenbeenen kistje, Iras! Het bevat de treffende bewijzen der liefde van Cæsar, de brieven die hij mij geschreven heeft."

Met bevende handen lichtte zij het deksel op, en alsof deze herinneringen haar in vervlogen tijden terugvoerden, ging zij met gedempten stem voort: »Onder al mijne schatten is deze eenvoudige kleine kist een half leven lang mijn dierbaarste kleinood geweest. Hij heeft mij die geschonken, hier op het Bruchium, te midden van een heeten strijd."

Zij opende de eerste rol, en terwijl zij Octavianus daarop wees en tegelijk op den verderen inhoud van het kistje, riep zij uit: »Hoe welsprekend zijn die stomme bladen! Ieder daarvan is een schilderij zonder wedergade: de machtige denker, de man van de daad, die den rusteloos bezigen geest tot rust brengt, en aan het hart veroorlooft over te vloeien van de liefde eens jongelings. Ware ik ijdel, Octavianus, dan kon ik ieder dezer brieven een zegeteeken noemen, een Olympische krans. De vrouw, aan wie Julius Cæsar bekende dat zij hem had onderworpen, had eenmaal het recht het hoofd hooger te dragen dan de ongelukkige hier vóór u, die voor zichzelve, behalve de vergunning om te sterven...."

»Laat deze brieven rusten," viel Octavianus haar vriendelijk in de rede. »Wie zou betwijfelen, dat zij voor u een groote schat zijn...."

»De grootste van allen zijn zij, en daarbij de pleitbezorgers van de beschuldigde," verzekerde zij met levendigheid. »Op die brieven--gij hebt het reeds gehoord--berust de verdediging, waartoe ik bereid ben. Ik nam mij voor die van dááruit te beginnen. Hoe vreeselijk is het om hetgeen ons heilig was, en bestemd om alleen ons eigen hart te verheffen, dienstbaar te maken aan een doel--ze te gebruiken tot iets, waarvan wij ons leven lang wars waren! Maar ik heb nu eenmaal een voorspraak noodig, en, Octavianus, deze brieven geven aan de rampzalige, kranke bedelares de waardigheid en het wezen der Koningin terug. De wereld kent slechts twee machten, waarvoor Julius Cæsar zich gebogen heeft: de wenschen der treurende vrouw hier op dit rustbed, en de alles bedwingende dood. Een droevig broederpaar!--Doch ik vrees die niet, want de dood heeft hem het leven ontnomen en uit mijne hand.... Ik smeek u nog slechts om een enkel oogenblik.... Hoe gaarne zou ik mij zelve dezen lof besparen en u, zijn voorbeeld te volgen! Doch hier staat het: »Door u, gij onweerstaanbare," schrijft hij, »ondervond ik voor de eerste maal, toen mijn jeugd reeds achter mij lag, hoe schoon het leven kan zijn.""

Met deze woorden overhandigde Cleopatra den brief aan den Cæsar. Terwijl zij echter nog haastig naar een anderen zocht, gaf hij haar den eersten reeds terug en zeide: »Ik begrijp maar al te goed hoe het u stuit om zulke vertrouwelijke ontboezemingen tot uwe verdedigers te maken. Ik kan mij den inhoud der overige voorstellen, en het zal dezelfde uitwerking hebben alsof ik ze alle gelezen had. Hoe welsprekend ook, zij zijn toch noodelooze getuigenissen. Is er dan een schriftelijke bewijsgrond noodig voor een toovermacht, die zich nog altijd even krachtig betoont?"

Als om die vleiende woorden uit den mond van den trotschen jongen beheerscher der wereld te bezegelen, vloog op dit oogenblik een beminnelijke glimlach over Cleopatra's gelaat. Octavianus merkte dat op. Zij bezat inderdaad een onweerstaanbare bekoorlijkheid, en hij voelde hoe zijn eigen wangen zich hooger kleurden. De ongelukkige vrouw, deze lijdende smeekelinge, kon dus ook nu nog een man in hare netten verstrikken, indien hij slechts niet die koel-berekenende voorzichtigheid bezat, die zijne ziel ompantserde. Was het de wonderbare welluidendheid der stem of de afwisselende glans in de vochtig glinsterende oogen; was het de voorname buigzaamheid der edele gestalte, gevoegd bij de volmaakt schoone vormen der handen en voeten, of de zwakheid der onderworpen lijderes, die zich zoo eigenaardig vermengde met koninklijke majesteit; of misschien de gedachte dat de liefde van deze vrouw de grootsten en hoogstgeplaatsten aan zich had geboeid met onverbrekelijke banden, wat aan deze kwijnende vrouw, die hare jeugd reeds lang achter zich had, nu nog zulk een machtige aantrekkingskracht gaf?

In ieder geval moest ook hij, hoe zeker hij ook van zich zelf mocht zijn, op zijn hoede voor haar wezen. Hij verstond de kunst om zijn hartstocht te beteugelen, beter dan zijn veel grootere oom dat vermocht.

Maar vóór alles wilde hij, om Cleopatra in het leven te behouden, haar versterken in haar geloof aan zijne bewondering. Hij moest aan de »groote Koningin van het Oosten" die zich nog zoo even had beroemd, even onverbiddelijk als de dood, de machtigsten der aarde te overwinnen, en tegelijk aan de geheele wereld, zijn overmacht bewijzen, als mensch en als heerscher. Doch hij moest ook zachtmoedig zijn, om niet zelf onvoorzichtig datgene in de waagschaal te stellen waartoe hij haar noodig had. Zij moest hem volgen naar Rome. Zij met hare kinderen beloofde zijn triomftocht tot de schitterendste en merkwaardigste te maken, dien ooit een overwinnaar den senaat en het volk had doen zien. Daarom antwoordde hij op luchtigen toon, doch waarin duidelijk genoeg de aandoening zijner ziel te hooren was: »Mijn verheven oom was immers bekend als een vriend van schoone vrouwen. Door vele liet hij zijn ernstig leven met bloemen versieren en verzekerde haar dat mondeling, of misschien ook wel--zooals u in deze brieven--met de schrijfstift. Zijn genius was grooter, in ieder geval veelzijdiger en levendiger dan de mijne. Hij kon verschillende dingen en met dezelfde zorgvuldigheid tegelijkertijd doen. Wat mij betreft, de Staat, de regeering, de oorlog nemen mij geheel in beslag. Ik ben al dankbaar, wanneer ik eens een oogenblik aan onze dichters veroorloven kan, mijn rusttijd te veraangenamen. Een zoo zwaar beladen man als ik heeft geen vrijen tijd over om zich te laten boeien door de bevalligste der vrouwen, zooals mijn oom dat kon. Indien ik kon wat ik wilde, dan zoudt gij de eerste zijn, van wie ik Eros' gaven.... Maar het mag niet zijn! Wij Romeinen leeren ook den vurigsten wensch bedwingen, wanneer de plicht, de zedenwet dat gebiedt. Er is in de wereld geen stad waar zoovele goden vereerd worden als hier, en welke behooren daar niet al toe; Om hunnen aard ook maar oppervlakkig te begrijpen, daar is een bijzondere inspanning van den geest toe noodig.... Maar de eenvoudige goden van den huiselijken haard! Zij zijn te eenvoudig voor u Alexandrijnen, die men, tegelijk met de moedermelk, reeds voedt met philosophie.... Geen wonder, dat ik daar te vergeefs naar uitzag. Het is waar, zij--onze huisgoden, bedoel ik--zouden ook maar weinig voldoening vinden, hier waar de strenge eischen van Hymen zwijgen voor de hartstochtelijke wenschen van Eros. Men kan niet zeggen dat het huwelijk hier tot de heilige zaken behoort.--Het schijnt dat dit gevoelen u verdriet."

»Omdat het onwaar is," stootte Cleopatra heftig uit, terwijl zij met moeite een nieuwe uitbarsting van toorn onderdrukte. »Doch, als ik goed zie, dan bedoelt gij met uw verwijt alleen te wijzen op den band, die mij vereenigde met den man, dien men de gemaal uwer zuster noemde. Gij Romeinen noemt het huwelijk van een uwer grooten met een vreemde vernederend.... Maar ik wil mij.... Ik zou het gaarne voor mij zelve houden, maar gij dwingt mij te spreken, en ik wil het doen, hoewel uw eigen vriend Proculejus mij aanmaant voorzichtig te zijn... Ik, ik, Cleopatra, was de ware gemalin van Marcus Antonius, volgens de zeden van dit land, toen gij hem hebt uitgehuwelijkt aan de weduwe van Marcellus, nadat die nauwelijks zijne oogen had gesloten. Niet uwe zuster Octavia, ik was de verstootene aan wie zijn hart behoorde tot het einde toe; ik, die een reeks van groote koningen mijne voorvaderen noem, en die in geboorte toch zeker niet achtersta bij de voornaamste dochter van uw edel geslacht; niet de onbeminde, hem opgedrongen gemalin..."

Zij liet haar stem dalen. Zij had aan den hartstochtelijken drang die haar gebood zich op dit punt uit te spreken, voldaan, en nu ging zij op verklarenden toon zachter voort: »Ik weet wel, dat gij deze verbintenis slechts hadt voorgeslagen ter wille van den vrede en het welzijn van den Staat...."

»Het geschiedde om beide te verzekeren, en het bloed van tienduizenden te sparen," sprak Octavianus met trots en overtuiging. »Dat heeft uw heldere geest goed ingezien. En wanneer gij, in weerwil van het gewicht dezer beweegredenen.... Maar welke stemmen worden door u, vrouwen, niet door die van het hart tot zwijgen gebracht? Den man, den Romein, gelukt het zijn oor te sluiten voor het sirenengezang. Indien het anders ware, dan zou ik nooit of nimmer voor mijn zuster een gemaal gekozen hebben, bij wien ik haar geluk zoo slecht gewaarborgd wist, zou ik--zooals ik reeds zeide--geen weerstand kunnen bieden aan mijn eigen begeerte om de beminnelijkste van alle vrouwen te bezitten.... Doch ik mag mij daarop eigenlijk niet beroemen. Ik vrees dat een vrouwenhart als het uwe zich minder snel voor den nederigen Octavianus openen zou, dan voor een Julius Cæsar of den schitterenden Marcus Antonius. Maar ik mag hier bekennen, dat ik misschien vermeden zou hebben aan dezen onzaligen oorlog tegen een vriend in eigen persoon een einde te maken en zelf in Aegypte te verschijnen, terwijl elke degelijke legaat datzelfde had kunnen doen, indien ik niet hierheen gedreven ware door den wensch, de vrouw weder te zien, wier merkwaardige schoonheid reeds als knaap mijne oogen had verblind. Thans gevoelt de man van rijper leeftijd zich beheerscht door den wensch om die wonderbare geestesgaven te leeren kennen, dat onvergelijkelijk verstand...."

»Verstand!" viel de Koningin hem in de rede, en haalde droevig de schouders op. »Wat men gewoonlijk zoo noemt, werd u in tienmaal rijker mate toebedeeld. Dat bewijst u mijn lot. De lenigheid van geest, die de goden mij wellicht geschonken hebben, zou in dezen tijd van smart de proef slecht doorstaan. Doch als het u werkelijk te doen is om te weten te komen hoe het eenmaal gesteld was met Cleopatra's geest, neem dan deze vreeselijke onzekerheid van mij af, en sta mij een leven toe, dat mijn verlamde ziel weder veroorlooft zich vrij te bewegen."

»Het ligt alleen aan u," zeide Octavianus met levendigheid, »de dagen die komen zullen voor u en de uwen niet alleen vrij van zorgen, maar ook zelfs schoon te doen zijn."

»Aan mij?" vroeg Cleopatra verbaasd. »In uwe hand, geheel alleen in de uwe, ligt ons wel en wee. Ik ben bescheiden, en verlang alleen te weten, wat gij over onze toekomst hebt beschikt, en wat gij verstaat onder een lot, dat gij schoon noemt."

»Niets minder," antwoordde de Caesar kalm, »dan wat u bijzonder veel waard schijnt te zijn: een leven met die vrije beweging der ziel, waarnaar gij streeft."

Nu begon de boezem der diep ontroerde vrouw zich sneller te bewegen, en niet meer in staat het ongeduld dat haar beving geheel te bedwingen, riep zij uit: »Met de verzekering van uw hulde op de lippen, ontzegt gij mij het nader aandringen van een vraag, die meer dan alle anderen mijn gemoed vervult, waarop gij, toen gij hier binnentraadt voorbereid moest zijn, indien gij het op ééne waart...."

»Verwijten?" vroeg Octavianus met goed gespeelde verbazing. »Maar heb ik niet eerder reden mij te beklagen? Juist omdat het mij ernst is met de welwillende gezindheid, die gij terecht in mijne woorden hebt opgemerkt, moesten enkelen uwer maatregelen mij bedroeven. Het vuur moest uwe schatten vernietigen. Het zou onbillijk zijn vriendschapsbewijzen te verwachten van een overwonnene, doch kunt gij loochenen dat de bitterste haat nauwelijks iets vijandigers had kunnen uitdenken?"

»Laat het verleden rusten! Wie zou in den oorlog niet trachten den buit voor zijn tegenstander te verkleinen?" zeide de Koningin op een toon van verontschuldiging.

Doch toen Octavianus met zijn antwoord talmde, ging zij levendiger voort: »Men zegt dat de steenbok in de bergen van het Oosten zich in zijn doodsstrijd op den jager werpt, en hem mede in den afgrond trekt. Diezelfde neiging is ook den mensch ingeschapen, en mij dunkt, zij strekt beiden tot eer.--Vergeet het verleden, zooals ik tracht het te doen; ik herhaal het met opgeheven handen. Zeg dat gij den knaap, dien ik aan Antonius geschonken heb, den troon van Aegypte wilt doen bestijgen, niet onder voogdij van zijn moeder, maar onder die van Rome. En sta mij zelve toe om, waar het dan ook moge zijn, in vrijheid te leven. Dan laat ik u gewillig alles wat ik bezit aan goederen en schatten, tot op het laatste toe, over."

Daarbij had zich hare kleine hand onder de plooien van haar kleed van ongeduld tot een vuist gebald, maar Octavianus sloeg de oogen neder, en zeide luchtig: »In den oorlog beschikt de overwinnaar over het bezit van den overwonnene, doch mijn hart verbiedt mij tegenover u, die zoo ver boven het alledaagsche verheven zijt, algemeen geldige wetten in toepassing te brengen. Uw rijkdom moet groot zijn, hoewel de onzinnige oorlog, dien Antonius met uw bijstand zoo lang voortzette, verbazende sommen verslonden heeft. Het schijnt alsof in dit land het verspilde goud even snel weder opwast als het gras dat gemaaid is."

»Gij spreekt," antwoordde Cleopatra, steeds dieper geraakt en met groote fierheid, »van de schatten die mijne voorvaderen, de groote Koningen van dit land, drie eeuwen lang verzameld en verworven hebben voor hun edel geslacht en de sieraden hunner vrouwen. Voor de grootmoedigheid en de hooghartigheid van een Antonius was het niet weggelegd te sparen, en toch zal hetgeen nog overig is, zelfs aan de hebzucht niet gering toeschijnen. Tot op het laatste stuk staat alles opgeschreven."

Daarmede nam zij haar zaakwaarnemer Seleukus een rol uit de hand, en reikte die aan Octavianus over; hij nam die met een lichte buiging zwijgend in ontvangst. Nauwelijks echter was hij begonnen te lezen, of de zaakwaarnemer, een klein, zwaarlijvig man met glinsterende oogen, die half verdwenen in de opgezette wangen, hief zijn korten wijsvinger op, wees onbeschaamd op de Koningin, en hield in haar aangezicht vol, dat zij eenige dingen had trachten achter te houden, en hem daarom verboden had op de lijst te zetten.

De diep geschokte, hartstochtelijke, door koortsachtig ongeduld gemartelde vrouw werd bij deze woorden doodsbleek. Zij verloor alle zelfbeheersching, hief zich op, en sloeg den verrader, dien zij eenmaal uit armoede en lagen stand tot zijn hoogen post had verheven, herhaalde malen met hare zachte hand in het gezicht, totdat Octavianus haar eindelijk met een fijnen glimlach uit de hoogte toeriep, dat het, hoezeer de man het ook verdiend had, nu genoeg moest zijn.