Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 36

Chapter 363,793 wordsPublic domain

»Of die armzalige bedelarij geholpen heeft, zullen wij later wel hooren.

»Het was niet gemakkelijk naar huis te komen. De straten wemelden van Romeinsche soldaten. Zij hadden het zoo goed als zij maar konden verlangen, want vele gegoede burgers der stad, die het hunne gespaard zagen, namen in de vreugde van hun hart enkele krijgslieden, of zelfs wel een geheele troep, mede naar de gaarkeuken of de herberg, en in dezen nacht zal de voorraad wijn der Alexandrijnen zeker aanmerkelijk verminderen.

»Zooals ik zeide, waren vele soldaten in de huizen ingekwartierd, met bevel het eigendom der burgers te eerbiedigen. Juist toen trof Barine's grootmoeder de slag, waarmede ik begon. Vóór mijn vertrek had men haar de oogen reeds gesloten.

»Thans staan alle poorten der stad voor u open, en men zal Arius' nicht en haar echtgenoot met kransen ontvangen. Ik gun het uwe Barine gaarne, want zooals uwe bewonderenswaardige gade, die ook mijn hart heeft veroverd, alles heeft opgegeven waarop een gevierde stadbewoonster prijs stelt, om op het eenzaamste van alle eilanden een nieuwe wereld te vinden voor hare liefde, dat is allen lof en iedere belooning waard. Voor u zelven ben ik eigenlijk voor nog meer geluk en eer beducht, want als die zich nog bij al het andere voegen, dat het lot u geschonken heeft in zulk een gemalin en in uw zoon Pyrrhus, dan zouden de goden niet meer zichzelven zijn, wanneer zij u niet met hunnen naijver vervolgden. Ik voor mij heb minder reden hen te vreezen."

»Ondankbare!" zeide zijn vriend. »Ook onder de stervelingen is er menigeen die u uwe Helena benijden zou. Wat mij betreft, werkelijk heeft reeds menigmaal een stille angst mij bekropen, doch wij hebben immers aan de goden geen geringe schatting betaald? In ons woonvertrek brandt de lamp nog. Bereid de vrouwen voor op den dood der oude vrouw, en verhaal ook de verblijdende dingen, die gij hebt gehoord. Wacht liever tot morgen om te spreken over de verschrikkelijke gebeurtenis waarvan gij getuige waart. Wij moeten niet hare nachtrust bederven. Let eens op! Helena's stille droefheid en hare blijdschap over onze verlossing zullen nog heden uw hart goed doen."

En zoo was het ook. Wel doorleefde Gorgias nog eens in den droom het vreeselijke schouwspel van den vorigen dag, doch toen de zon van den tweeden Augustus met helderen glans over Alexandrië opging, namen nieuwe, vriendelijke indrukken een goed deel van de verschrikkingen dier gruweltooneelen weg. In den vroegen morgen landde op het Slangeneiland de eene boot na de andere. Uit de eerste stapte vrouw Berenice met hare neven, de beide zonen van den gevierden philosoof Arius; daarna uit de andere, cliënten, beambten en vrienden van Dion, en bevoorrechte voormalige bezoekers van Barine. Zij allen kwamen het jonge paar begroeten, en hen uit den schuilhoek, die hen zoolang verborgen had, naar de stad en in hun midden terugvoeren. Want het nieuws, waar Dion en Barine verblijf gehouden hadden en dat zij sinds lang een gelukkig paar waren, had zich door »den langen Phryxus" met groote snelheid verbreid.

Velen hadden er een zeetochtje voor over, om de helden van zulk een zeldzaam avontuur te zien en het eerst te begroeten. Al wie Barine en haar gemaal kende, was daarenboven nieuwsgierig te weten hoe deze beide menschen, die gewend waren aan het leven in een groote stad, zulk een volkomen afzondering zoovele maanden lang zouden hebben uitgehouden. Menigeen vreesde of vermoedde haar bij het wederzien uitgeteerd en kwijnend, verwilderd of zelfs tot zwaarmoedigheid vervallen te vinden, en zoo waren er vele verbaasde gezichten onder degenen, wier boot de vrijgelatene Pyrrhus in zijn hoedanigheid van loods door de ondiepten had gebracht, die zijn eiland zoo beschermend omringden.

Het feestelijk inhalen van het merkwaardige paar zou een goede aanleiding geweest zijn tot vroolijke feesten. Men verheugde zich dat de stad zoo genadig behandeld werd, ofschoon de meesten het droevig lot der Koningin oprecht betreurden, en de ernstigsten zich verontrustten over de toekomst van Alexandrië's vrijheid onder Romeinsche heerschappij. Het leven en de bezittingen der bewoners waren immers gespaard, en feestvieren was voor groot en klein een levensbehoefte geworden. Maar het bericht van den dood van Didymus' gemalin en van de ziekte des grijsaards, die niet wennen kon aan het gemis van zijne trouwe gezellin gaf Dion het recht, om iedere vroolijke verwelkoming in zijn eigen huis af te slaan. Het leed van Barine was het zijne, en Didymus stierf reeds eenige dagen na zijn vrouw, met wie hij langer dan een halven eeuw verbonden was geweest; de menschen zeiden: "aan een gebroken hart."

Zoo deden dus Dion en zijne jonge vrouw zonder luidruchtige feestelijkheden hunne intrede in zijn fraai paleis. In plaats van jubelende Hymenaeën, klonk hem op den drempel de stem van zijn eigen kind tegen.

De rouwkleederen, waarin Barine hem in de vrouwenvertrekken ontving, deden hem weder denken aan den naijver der goden, waarvoor zijn vriend om zijnentwil had gevreesd. Veeleer was het hem dikwijls, alsof het beeld zijner moeder in het tablinum er bijzonder tevreden uitzag, wanneer zijne jonge huisvrouw daar binnen trad. Barine voelde ook dat haar geluk als echtgenoote en moeder, in dit heerlijk tehuis overstelpend groot zou zijn geweest, wanneer een wijze lotsbeschikking haar niet juist nu de smart over het verlies van geliefde betrekkingen te dragen had gegeven.

Dion wijdde zich dadelijk weder aan de belangen van zijn stad en zijn eigendom. Hij en de geliefde vrouw, met wie hij door den moeilijken tijd van ontbering nog veel inniger verbonden was, waren nu in een veilige haven binnen geloopen, en zagen met kalmte de stormen van het leven tegemoet. Het anker der liefde, dat zijn scheepje aan den vasten grond hechtte, had in de eenzaamheid op het Slangeneiland de proef doorstaan.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De visschersfamilie had hare lieve gasten met een bedroefd hart zien vertrekken, en de vrouwen hadden menigen traan daarbij vergoten, ofschoon Pyrrhus' zonen uit den dienst op de vloot ontslagen, en nu weder als vroeger hun vader behulpzaam waren.

Dion had bovendien den trouwen vrijgelatene tot een gegoed man gemaakt, en aan zijn dochter Dione een huwelijksgift beloofd. Zij werd dan ook spoedig de vrouw van den scheepskapitein, die op den Epicurus, den snelzeiler van Archibius, bevel voerde. Zij had dien leeren kennen in den tijd toen de bruine dienares van Charmion zoo vaak op dit schip naar het Slangeneiland was gekomen. Het doel van deze bezoeken van Anukis was niet alleen geweest haar vriend te begroeten, maar ook om hem te overreden een der vergiftige slangen van de naburige eilanden te vangen, en voor de Koningin in gereedheid te houden.

Sedert Cleopatra tot de overtuiging gekomen was, dat geen vergift een minder pijnlijken dood ten gevolge had dan dat van den tand der aspis, had zij het besluit genomen, zich door den beet van een dezer dieren van den last des levens te bevrijden. De slimme Aethiopische was op de gedachte gekomen haar vriend Pyrrhus met het bezorgen van de adder te belasten, doch al Aisopion's overredingskunst, en de roerende wijze waarop zij den ontzettenden toestand der Koningin beschreef, waren noodig geweest om het verzet van den rechtschapen man te overwinnen. Eindelijk had zij hem toch aan het verstand gebracht, dat men een Koningin naar een anderen maatstaf beoordeelen moest dan een vrouw uit het volk, en hem overgehaald met haar, Anukis, af te spreken hoe en wanneer de slang in het wel bewaakte paleis het best zou zijn binnen te brengen. Als het beslissend uur gekomen was, zou hem een teeken worden gegeven. Voortaan moest hij iederen dag met de adder op de vischmarkt gereed staan. Waarschijnlijk zou het niet lang duren eer men hem dien dienst zou vragen, want men kon het lange aarzelen van Octavianus moeilijk als een gunstige beschikking omtrent het lot van Cleopatra uitleggen.

Wel liet men haar op de Lochias op koninklijke wijze voortleven, en had haar zelfs toegestaan de kinderen weder bij zich te zien, met belofte het leven en de vrijheid van de tweelingen en den kleinen Alexander te zullen sparen. Cæsarion was echter gevangen genomen in het heiligdom van zijn vader, waar hij bescherming had gezocht, nadat zijn verraderlijke gouverneur Rhodon hem met allerlei verlokkende voorspiegelingen, waaronder ook de terugkeer van Barine, naar Alexandrië had doen terug komen, terwijl hij juist op reis was naar het zuiden. Dit bleef de ongelukkige moeder niet verborgen, evenmin dat Octavianus den jongeling, die zoozeer op Cæsar geleek, ter dood had veroordeeld. Ook werd haar een gezegde van den philosoof Arius overgebracht, waarmede deze zijn goedkeuring had gehecht aan den wensch van den Cæsar, om zich te ontdoen van den zoon zijns grooten ooms. Het was een zinspeling op een versregel van Homerus, waarin deze de veelhoofdige regeering veroordeelde.

Over het geheel kwam Cleopatra alles ter oore, wat zij omtrent de gebeurtenissen in de stad wenschte te weten, want men liet haar veel vrijheid. Alleen werd zij dag en nacht zeer zorgvuldig bewaakt, en evenals de dienaren en beambten, werd ieder dien zij bij zich wenschte te zien, eer hij met haar in aanraking kwam, nauwkeurig onderzocht om alle middelen, waardoor zij zich het leven zou kunnen benemen, van haar verwijderd te houden.

Niemand twijfelde er trouwens aan, of zij met het leven had afgedaan. Haar poging om alle spijs te weigeren en van honger te sterven, moest worden ontdekt. Toen had men ernstige bedreigingen uitgesproken tegen hare kinderen, want men zag in, dat door hen de meeste invloed op haar kon worden uitgeoefend, en werkelijk was zij er daar door weder toe gekomen, zich voldoende te voeden. Dat alles wist Octavianus, en zijn gedrag bewees dat hij er bijzonder op gesteld was, haar van een zelfmoord terug te houden.

Verscheidene Aziatische vorsten wedijverden in den wensch om de nagedachtenis van Marcus Antonius te eeren door een prachtige uitvaart, doch Octavianus had aan Cleopatra toegestaan zelve daarvoor te mogen zorgen. In dezen tijd van het grootste zieleleed vond zij er troost en bevrediging in, dat alles zelve te beschikken, en zelfs enkele dingen die er toe behoorden met eigen hand in orde te maken. De teraardebestelling zou dan ook met al de praal geschieden, die met den aard van den overledene overeenkwam.

Iras en Charmion begrepen dikwijls niet hoe zij al die inspanning en aandoeningen, die haar die bezorging op den hals haalde, kon verduren, terwijl zij, sedert Antonius' dood, niet alleen leed aan de wonden, die zij zich in haar wanhoop had toegebracht, maar ook, na haar mislukte poging om zich te laten doodhongeren, door sluipkoortsen was aangetast.

Intusschen had de terugkomst van Archibius met de kinderen haar wegkwijnenden moed zichtbaar doen herleven. Zij ging dikwijls in den tuin van Didymus, die thans met het paleis op de Lochias verbonden was, om hun werk in oogenschouw te nemen en te deelen in alles wat in hun jong hart omging.

Doch de opgeruimdste van alle moeders die zij vroeger was, en die zich zoo vriendelijk had kunnen verplaatsen in het kinderhart, was nu een bezorgde leidsvrouw geworden, die hen ernstig waarschuwde en onderrichtte. Hoe schoon en wel doordacht alles wat zij hen op het hart drukte ook was, toch was het voor den leeftijd van Archibius' leerlingen niet geschikt, want gewoonlijk had het betrekking op den dood en wijsgeerige vraagstukken, waarvan de kleinen niets begrepen.

Zij voelde zelve dat zij den rechten toon niet meer trof, doch zoo vaak zij beproefde een anderen aan te slaan en met de tweelingen of den kleinen Alexander te schertsen zooals vroeger, dan kon zij die gedwongen vroolijkheid maar een oogenblik verdragen. Weldra volgde daarop een uitbarsting van smart, dikwijls met tranen gepaard, en zij was genoodzaakt hare lievelingen te verlaten.

Het leven dat haar vijand haar liet, was in haar oogen een opgedrongen geschenk, een drukkende schuld, die men den lastigen schuldeischer hoe eer hoe beter wil afbetalen.

Zij was alleen kalmer en schijnbaar tevreden, wanneer het haar vergund werd met de vrienden harer jeugd over lang verleden tijden, of met hen en Iras over den dood te spreken, en middelen te beramen om een eind te maken aan haar droevig bestaan.

Na zulke gesprekken verlieten Iras en Charmion haar met een bloedend hart. Zij hadden sinds lang het plan opgevat om het lot harer meesteres, wat dat ook zijn mocht, te deelen. Het gemeenschappelijk leed was de band, die haar nu weder in vriendschap vereenigde. Iras had gezorgd voor vergiftigde naalden, die aan de dieren, waarop men ze had beproefd, een plotselingen dood hadden berokkend. Cleopatra had daarvan vernomen, doch voor zichzelve hield zij vast aan den pijnloozen dood door den beet van een slang, en haar vriendinnen hadden de geliefde oogen der rampzalige vrouw sinds lang niet zoo helder zien glanzen, als op het bericht van Charmion, dat er mogelijkheid was de uraeus-slang te verkrijgen, zoodra men die noodig zou hebben. Maar het was nog altijd niet het oogenblik om naar dit laatste redmiddel te grijpen. Octavianus wenschte voor goedertieren te worden gehouden, en misschien liet hij zich nog overreden om de toekomst der Koningin en die van haar kinderen dragelijk te maken.

Een ongeloovige glimlach van Cleopatra was hierop het antwoord, en toch was er ook in hare ziel een kiem van hoop gelegd, die haar voor vertwijfeling behoedde.

Een zekere Dolabella, een voorname jonge Romein uit het edele geslacht der Corneliussen, en die tot het gevolg van den Cæsar behoorde, had zich aan haar laten voorstellen. Zijn vader was in vroeger jaren een vriend van Cleopatra geweest, en zij had hem aan zich verplicht door hem, na den moord op Julius Cæsar, een leger toe te zenden waarover zij te beschikken had, om dat tegen Cassius te gebruiken. Nu waren wel is waar hare legioenen door den afgezant van Dolabella zelf tot een ander doel gebruikt, maar niettemin had Cleopatra een vriendelijkheid bewezen aan den vader van den jongeling. Deze had haar reeds vóór Cæsars dood te Rome ontmoet, en had zijn zoon met geestdrift de betooverende lieftalligheid der Aegyptische Vorstin beschreven. Zoo hadden, ofschoon de jonge man haar nu als een treurende weduwe vond, ziek naar lichaam en ziel, haar heldere geest, de innemendheid van haar geheele persoon, haar ongeluk en lijden hem zoozeer geboeid en getroffen, dat hij menig uur aan haar wijdde, en het als een geluk zou hebben beschouwd, indien hij haar grootere diensten had kunnen bewijzen, dan de omstandigheden toelieten. Dikwijls vergezelde hij haar ook naar de kinderen, wier hart hij gewonnen had door zijn open, opgeruimde manier van zijn, en zoo was het gekomen dat hij op de Lochias weldra tot de meest welkome bezoekers behoorde. Hij vertrouwde aan de veel oudere, warm voelende vrouw zonder voorbehoud alles toe, wat in zijn ziel omging, en zij kwam door hem veel te weten betreffende Octavianus en zijne omgeving. Zoo werd hij, zonder zich als werktuig te laten gebruiken, bij den Cæsar een voorspraak voor de ongelukkige vrouw, die hij zoo hoogachtte.

Haar zelve trachtte hij zooveel mogelijk vertrouwen te doen stellen in Octavianus. Deze ging veel met hem om, hield van hem, en de jongeling zelf vertrouwde op zijn edelmoedigheid.

Vooral had hij zijn hoop gevestigd op een gesprek van de Koningin met den Cæsar. Hij hield het voor onmogelijk dat de gelukkige overwinnaar niet te vermurwen zou zijn en zonder den wensch om haar treurig lot te verlichten, zou kunnen afscheid nemen van de vrouw, die in vroeger jaren zijn vader zoo betooverd had, en die, al had zij bijna zijn moeder kunnen zijn, in zijne oogen, in bekoorlijke en aantrekkelijke beminnelijkheid door geen andere werd geëvenaard.

Cleopatra daarentegen vreesde voor de ontmoeting met den man, die zooveel onheil over haar en haar geliefden had gebracht, en dingen had gezegd, die haar maar al te veel recht gaven om te twijfelen aan zijne goedheid en eerlijkheid. Van den anderen kant moest zij Dolabella gelijk geven, wanneer deze beweerde dat Octavianus de wenschen, die zij vooral voor de toekomst harer kinderen koesterde, aan haar persoonlijk veel moeilijker zou kunnen weigeren dan aan bemiddelaars. Proculejus had gehoord dat Antonius juist hem bij Cleopatra had genoemd als de man, die haar vertrouwen het meest waardig was, en nu voelde hij zich daarom bezwaard over hetgeen hij als werktuig en gehoorzame vriend van Octavianus, de beklagenswaardige vrouw had aangedaan. De gedachte aan zijn eigen onwaardig gedrag, dat in de geschiedboeken zou worden vereeuwigd, had den fijngevoeligen man, die als dichter de pas ontwakende Romeinsche poëzie tot bloei bracht, menigen nacht den slaap ontroofd. En nu deed hij al wat hij kon om de Koningin aangenaam te zijn en haar droevig lot te verlichten.

Hij en de vrijgelatene Epaphroditus, die op last van den Cæsar zorgvuldig waakte over haar leven, schenen veel te verwachten van zulk een gesprek, en zij trachtten haar dus over te halen om den Cæsar om een bijeenkomt te verzoeken.

Archibius meende dat het in het ergste geval den stand der zaken niet nog slechter zou maken. De ondervinding leerde, zeide hij tot Charmion, dat geen man van eenig gevoel zich geheel kon losmaken van de betoovering die van haar uitgaat, en hem zelf was zij nooit innemender voorgekomen dan nu. Wie zou haar zonder aandoening in dat stil, lijdende, schoone gelaat kunnen zien? Wien zou de smartelijke toon, die in haar zachte stem trilde, niet diep in de ziel dringen? Daarbij paste dat zwarte rouwgewaad zoo goed bij de sfeer van lijden, die haar geheele persoon omgaf. Wanneer de koorts den blos harer wangen verhoogde, dan dacht Archibius dat hij haar nooit schooner had gezien, in weerwil van den verwoestenden invloed dien smart, angst en bekommering op enkele harer bekoorlijkheden uitgeoefend hadden. Hij kende haar en wist hoezeer het haar ernst was met den wensch om te sterven evenals haar geliefde, ja dat die haar geheel en al beheerschte.--Zij hechtte alleen nog waarde aan het leven om, zoodra zij er kans toe zag, te sterven. Wat zij na haar besluit om het grafteeken op te richten, in het heiligdom van Berenice als de goede keuze had leeren beschouwen, was de richtsnoer van haar leven geworden. Iedere gedachte, ieder gesprek bracht haar naar het verleden terug. Een toekomst scheen voor haar niet meer te bestaan. Indien het Archibius al een enkele maal gelukte haar geest te richten op de dagen die komen zouden, dan hield zij zich alleen met het lot van hare kinderen bezig. Voor zich zelve hoopte zij niets meer; zij voelde zich ontslagen van iederen plicht, behalve van dien éénen, om zich zelve en haar naam te bewaren voor schande en vernedering.

Dat Octavianus, nadat hij besloten had Cæsarion ter dood te veroordeelen, aan de andere kinderen veroorloofd had naar haar terug te keeren, met de verzekering dat hen geen leed geschieden zou, bewees dat hij tusschen hen en den zoon van zijn oom onderscheid maakte, en van de eersten voor zijn eigen veiligheid niets duchtte. Van een bijeenkomst met Octavianus zou inderdaad voor haar zelve iets gewichtigs te verwachten zijn; en zoo droeg zij dan eindelijk aan Proculejus op, om hem een onderhoud te verzoeken.

Het antwoord kwam nog dienzelfden dag. De Cæsar liet haar weten dat het aan hem was, haar te komen bezoeken.

Deze ontmoeting moest over haar lot beslissen. Zij was zich daarvan bewust, en verzocht Charmion de adder gereed te houden.

Men had aan de kamervrouwen der Koningin verboden de Lochias te verlaten, doch Epaphroditus stond haar wel toe bezoeken te ontvangen. De Nubische had door hare levendige manieren de Romeinsche bewakers reeds voor zich gewonnen. Zij mocht ongestoord in- en uitgaan. Evenwel werd zij, telkens als zij weer op de Lochias terugkwam, met de grootste nauwkeurigheid onderzocht.

Het beslissend uur naderde. Charmion wist wat haar te doen stond, hoe de afloop ook mocht zijn. Zij had echter nog één wensch, welks vervulling haar zeer ter harte ging. Zij wilde Barine nog eens spreken, en haar zoontje zien.

Ter wille van Iras had zij tot nu toe met opzet Dion's gemalin niet bij zich laten komen. Het gezicht van moeder en kind zou de nog niet geheelde wonden opengereten hebben, en zij wilde hare nicht, die sedert lang weder trouw en vast aan haar verbonden was, deze smart besparen.

De Cæsar haastte zich niet met de vervulling van zijn belofte: doch ongeveer een week nadat Proculejus de toezegging had gebracht, kon hij des morgens het bezoek van den Cæsar tegen den namiddag aankondigen. Een groote ontroering maakte zich bij deze tijding van de Koningin meester. Zij wenschte, vóór het onderhoud, het grafteeken nog te bezoeken. Iras nam op zich haar te vergezellen, en daar Cleopatra daar urenlang placht te vertoeven, scheen Charmion deze tijd geschikt toe om Barine en haar zoon bij zich te zien.

Dion's echtgenoot had door haar vrienden reeds lang van dezen wensch gehoord, en Anukis, die haar naar de Lochias zou brengen, behoefde niet lang op moeder en kind te wachten.

De voormalige tuin van Didymus,--nu het eigendom der koninklijke kinderen--werd het tooneel van deze ontmoeting. In de schaduw der welbekende boomen zonk de jonge moeder aan de borst van haar trouwe vriendin, en deze kon zich niet verzadigen aan den aanblik van den knaap, in wien zij het evenbeeld van zijn grootvader Leonax zag.

Hoeveel hadden die beide vrouwen, wier levensloop zoo verschillend was, elkander te vertellen en toe te vertrouwen! De oudste voelde zich verplaatst in lang verloopen tijden, voor de jongste scheen er enkel een bloeiend heden en een hoopvolle toekomst te zijn. Zij had ook goede dingen te verhalen van haar zuster. Deze was sinds lang de gelukkige gade van den bouwmeester Gorgias, die intusschen, met al zijn liefde voor zijn jonge echtgenoot, de uren die hij bij het voortgezette bouwen van het grafteeken met Cleopatra doorbracht, tot de heerlijkste van zijn leven rekende.

De tijd vloog de beide vrouwen veel te snel om, en zij schrikten, toen een der wachthebbende eunuchen meldde, dat de Koningin uit het monument terug was gekeerd.

Voor de laatste maal omarmde Charmion den kleinzoon van haar geliefde, gaf hem en zijn jonge moeder haar zegen, droeg haar de groeten aan haar gemaal op, en verzocht haar, wanneer zij er niet meer zou zijn, met vriendschap aan haar te blijven denken; ja, wanneer haar hart haar dat ingaf, dan moest zij haar grafsteen zalven, en met een krans of bloem versieren. Zij had immers geen kind of vriend, die haar zulk een dienst zouden kunnen bewijzen.

Diep getroffen door de vastheid waarmede Charmion den naderenden dood tegemoet zag, hoorde Barine haar sprakeloos aan, doch plotseling sprong zij verschrikt op, want een welbekende scherpe stem had den naam harer vriendin geroepen, en toen zij zich omkeerde, zag zij Iras voor zich staan. Bleek en uitgeteerd als zij was, geleek zij in het lang, slepende zwarte rouwkleed een belichaming van zielesmart en kommer.