Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 35

Chapter 353,963 wordsPublic domain

Zij had dus met haar beide kamervrouwen rondgezien naar een hulpmiddel, en daarbij was het Iras ingevallen dat er op den steiger een windas stond, om de zware metalen plaat met het reliëf-beeld van de liefde, die den dood overwint, naar de eerste verdieping te hijschen. De Koningin was daarop dadelijk met hare vriendinnen de trap opgesneld; de dragers hadden beneden den gewonde aan de touwen bevestigd, en Cleopatra was zelve aan het werktuig gaan staan om hem, met behulp harer gezellinnen, tot zich op te trekken.

Diomedes had beweerd dat hij nooit een deerniswaardiger gezicht had gezien, dan dat van den reusachtigen man, terwijl hij tusschen hemel en aarde zweefde, en worstelend met den dood, onder wreede pijnen de handen in smachtend verlangen uitstrekte naar zijne geliefde. Zijn stem had hem daarbij bijna begeven, en toch riep hij nog met teederheid haar naam, doch zij bleef hem het antwoord schuldig, daar zij met dezelfde hartstochtelijke inspanning als Iras en Charmion, op dat oogenblik al hare zwakke krachten wijdde aan het ophijschen door middel van het windas. Het over een katrol loopend touw had haar daarbij in de fijne handen gesneden, haar schoon gelaat was akelig vertrokken geweest, maar zij had het niet opgegeven, eer zij en haar helpsters werkelijk den zwaren last van den stervenden man al hooger en hooger hadden gebracht, eindelijk zelfs tot aan de planken van den steiger. Maar die bovenmenschelijke krachtinspanning, waardoor het aan de drie vrouwen was gelukt een werk te volbrengen, dat veel te zwaar was voor haar kracht, al was die ook verdubbeld door de macht van haar ernstigen wil en vurig verlangen, zou toch niet tot het doel hebben geleid, indien niet Diomedes op het laatste oogenblik nog te hulp ware gekomen. Hij was sterk, en met zijn bijstand konden zij den stervende grijpen, hem op den steiger trekken, en langs de reeds voltooide trap naar het graf in de benedenruimte dragen. Toen zij den gewonde daar hadden neergelegd op een der rustbanken, waarvan de groote zaal reeds was voorzien, was de geheimschrijver weder weggegaan. Doch op de trap was hij blijven staan om de rol van onopgemerkt toeschouwer te spelen, en spoedig bij de hand te zijn, voor het geval dat de Koningin nog eens zijn hulp zou behoeven.

Nog gloeiend van de ontzettende inspanning van zooeven, met verwarde loshangende haren, kermend en steunend, had Cleopatra als buiten zich zelve haar kleed gescheurd, zich op de borst geslagen en die met hare nagels opengereten.

Toen had zij haar eigen schoon gelaat op de wond van haar geliefde gedrukt, om het stroomende bloed te stelpen, en daarbij waren weder al die zoete, liefkoozende namen over hare lippen gekomen, die zij den nu stervenden man in den lentetijd hunner liefde toegeroepen had.

Zijn verschrikkelijk lijden maakte dat zij haar eigen droevig lot vergat. Tranen van medelijden vielen als een verkwikkende zomerregen op de nog onverwelkte bloem hunner liefde, en deden die, terwijl zij in dien nacht toch reeds weder heerlijk opgeloken was, tot een laatsten vollen bloei komen. Even onmatig en onbegrensd als eens de hartstocht voor dezen man was geweest, was nu de droefheid, waarmede zijn smartelijk scheiden haar vervulde. Gedurende het feestmaal, dat pas enkele uren geleden was afgeloopen, was haar weder duidelijk en helder voor den geest gekomen wat Marcus Antonius in den glanstijd van haar leven voor haar was geweest, wat zij elkander hadden geschonken en wat de een van den ander had ontvangen. Thans ging dat alles in enkele beelden samengevat nog eens aan haar geestesoog voorbij, doch het was alleen om haar nog duidelijker de diepte van ellende van dit uur te doen zien. Eindelijk drong de smart ook de schitterendste herinnering naar de duisternis terug; zij zag niets meer dan de marteling van den geliefde aan hare zijde; haar altijd levendige geest toonde haar enkel nog den afgrond aan hare voeten, en het graf, dat niet voor Antonius alleen, maar ook voor haar zelve openstond.

Niet in staat om voorbijgegaan geluk te herdenken of nog op toekomstig te hopen, verloor zij al hare kalmte, en werd geheel een prooi der wanhoop. Geen vrouw uit het volk had zich hartstochtelijker overgegeven aan de brandende pijn die haar hart verscheurt, en daaraan een woester, onbeteugelder uiting kunnen geven, dan deze groote Koningin, deze vrouw, die reeds als kind zoo gevoelig was geweest voor de geringste smart, en die in haar later leven waarlijk niet had geleerd het leed te dragen en geduld te oefenen.

Nadat Charmion den lijder op zijn wensch een teug wijn had gegeven, vond hij de kracht om, in plaats van enkel te jammeren en te klagen, geregeld te spreken.

Vol liefde vermaande hij Cleopatra om aan haar eigen redding te denken, wanneer die mogelijk was zonder dat hare eer er onder leed, en wees haar Proculejus aan als de man, die onder de vrienden van Octavianus het meest haar vertrouwen waardig was. Daarop smeekte hij haar hem niet te beklagen, maar gelukkig te prijzen, omdat hij de allergrootste gunst van het lot had genoten. Het schoonste wat het leven heeft, was hij aan hare liefde verschuldigd, doch ook was hij de eerste en machtigste man der wereld geweest. Nu stierf hij in de armen der liefde een eervollen dood, als een Romein, die voor een Romein bezweek.

In dit bewustzijn had hij, na een korten strijd, den laatsten snik gegeven. Cleopatra had naar zijn laatsten ademtocht geluisterd, hem de oogen gesloten, en zich daarna zonder tranen over den geliefden man heengebogen. Eindelijk was zij in onmacht gevallen, en met het hoofd op zijn koude borst blijven liggen.

De geheimschrijver had bij dat alles toegezien en was daarna met vochtige oogen naar de eerste verdieping teruggegaan. Daar had hij Gorgias ontmoet, die juist op den steiger was geklommen, en had hem medegedeeld wat hij van de trap af, had gehoord en gezien. Doch nauwelijks had hij zijn verhaal geëindigd, of bij den Muzenhoek had een wagen stil gehouden, waaruit een voornaam Romein was gestapt.

Het was dezelfde Proculejus, dien de stervende Antonius aan zijn geliefde, als haar vertrouwen waardig, aanbevolen had.

»Inderdaad," vervolgde Gorgias, »scheen hij door gestalte en gelaat tot de edelsten van zijn trotsche natie te behooren. Hij kwam met een zending van Octavianus. Men zegt dat hij innig aan den Cæsar is gehecht, en daarbij een welmeenend man is. Wij hebben hem ook hooren roemen als dichter, en zwager van Mæcenas. Die rijke, voorname heer is een grootmoedig beschermer der dichters, en ook kunst en wetenschap stelt hij op hoogen prijs. Timagenes heeft hem geroemd om zijne beschaving en edele gezindheid. Misschien had de geschiedschrijver gelijk, doch voor zoover het den Staat en zijn welzijn betreft, schijnt het in de omgeving van Octavianus slecht gesteld te zijn met datgene wat wij hier een vrij man waardig achten. De heer, aan wien hij zijne diensten wijdt, heeft hem een moeielijke taak opgelegd, en zeker houdt Proculejus het voor zijn plicht niets onbeproefd te laten die tot een goed einde te brengen;--en toch.... Als ik goed zie, dan zal de tijd voor hem komen, waarop hij den dag van heden verwenscht, en de gehoorzaamheid vloekt, waarmede hij, de vrije man, den Cæsar bijstond.... Maar hoor nu verder!

»Trotsch, met opgericht hoofd en in fraaie wapenrusting, klopte hij aan de deur van het grafmonument. Cleopatra was tot bewustzijn wedergekeerd en vroeg--daar zij hem zeker uit Rome nog wel moest kennen--wat hij begeerde.

»»Hij kwam," antwoordde hij beleefd, »uit naam van Octavianus, om met haar te onderhandelen." De Koningin toonde zich bereid, hem aan te hooren, doch weigerde hem in het gebouw binnen te laten.

»Zoo spraken zij dan met elkander door de deur. Zij sprak met edele kalmte haar wensch uit, dat de zonen, die zij Antonius geschonken had,--niet Cæsarion--als Koningen van Aegypte zouden worden erkend.

»Proculejus beloofde dadelijk volijverig dat hij dit aan den Cæsar zon overbrengen, en gaf haar bovendien hoop op de vervulling van dien wensch.

»Terwijl zij van de kinderen en hunne rechten sprak--op hare eigen toekomst zinspeelde zij met geen enkel woord--wenschte haar toehoorder iets naders te vernemen omtrent het einde van Antonius, en verhaalde haar daarop zelf, hoe het gegaan was met de vernietiging van het leger van den afgestorvene, en ook andere dingen van minder beteekenis. De man zag er niet uit als een prater, en ik koesterde reeds toen argwaan dat hij de Koningin met opzet bezighield. Dat was ook zijn bedoeling, want hij had alleen gewacht op Cornelius Gallus, den bevelhebber der vloot, van wien gij immers reeds hebt gehoord. Hij is een der aanzienlijkste Romeinen, en toch maakte hij zich tot een bondgenoot van Proculejus!

»Deze laatste verwijderde zich, zoodra hij de ongelukkige vrouw met zijn vriend bekend had gemaakt. Ik bleef op mijn post en luisterde toe, terwijl hij Cleopatra verzekerde van de deelneming van zijn gebieder. Hij bracht haar in gezwollen taal over hoe bitter Octavianus Marcus Antonius betreurde, als zijn vriend, zwager, mederegent en deelhebber aan zoovele gewichtige ondernemingen. Bij de tijding van zijn dood had hij heete tranen gestort, en zeker had nooit iemand oprechtere vergoten.

»Het scheen mij toe, dat ook Gallus met opzet het gesprek rekte.

»Op eens, terwijl ik nog al mijn oplettendheid inspande om ook te hooren wat Cleopatra, zoo kort mogelijk, antwoordde, kwam mijn opzichter der bouwwerken naar mij toe, die, toen de arbeiders door de Romeinen waren verdreven, zich tusschen twee blokken graniet verborgen had gehouden. Hij deelde mij mede dat Proculejus aan de achterzijde van het monument den steiger had beklommen door middel van een ladder. Twee dienaren waren hem gevolgd, en zij waren alle drie naar beneden in de zaal geslopen.

»Ik vloog op, want ik had op den grond gelegen om met uitgerekten hals des te beter te kunnen luisteren.

»Nu moest ik, het kostte wat het wilde, de Koningin waarschuwen, want stellig was hier verraad in het spel.

»Maar ik kwam te laat. O, Dion! Indien ik het enkele oogenblikken vroeger had gehoord, misschien was er dan iets nog vreeselijkers gebeurd;--doch zij, de Koningin, ware gespaard gebleven voor wat haar nu bedreigt.--Want wat mag zij verwachten van den overwinnaar, die zich verlaagt tot snood bedriegen van een edele, weerlooze vrouw, die voor de overmacht moet bukken, met het doel om zich levend, alleen maar levend, van haar meester te maken.

»De dood zou de ongelukkige hebben bevrijd van zwaar leed en vreeselijke schande! En zij had reeds tegen zichzelve den dolk opgeheven. Deze oogen hebben het gezien hoe zij den schoonen arm zwaaide met het flikkerende staal, dat bij het schijnsel der kaarsen op de veelarmige luchters naast de sarcophaag helder schitterde.... Doch ik wil beproeven kalm te blijven! Ik zal het u alles achter elkaar verhalen, zooals het zich heeft toegedragen. Bovendien raken mijne gedachten verward nu ik mij die schrikkelijke gebeurtenis weder voor den geest roep.

»Om het te beschrijven zooals ik het heb gezien, zou ik een dichter moeten zijn, een schilder met woorden; want wat daar vóór mijne oogen geschiedde in die omgeving.... Gij weet immers, dat het een graftombe was. De muren van donkeren steen; donker waren ook zuilen en zoldering, alles glimmend, maar donker.... Bijna overal glad gepolijste steen, die daardoor blonk als een spiegel. Bij de sarcophagen en in den omtrek van de kandelaber, tot dichtbij de deur, waar het schelmstuk werd uitgevoerd, helder licht--als in een feestzaal. Iedere bloedvlek op de hand, iedere schram, iedere wond duidelijk zichtbaar, door de wanhopige vrouw met hare nagels gereten in den boezem, die sneeuwwit door het verscheurde zwarte gewaad te voorschijn kwam. Verderop rechts en links zwak schemerlicht, en in den achtergrond en bij de zijmuren diepe duisternis, als in een echt, werkelijk graf. Maar aan de gladde ronding der porfieren zuilen, aan het zwarte marmer en den serpentijnsteen, hier, ginds en overal de trillende weerkaatsing van het licht der kaarsen. De tocht hield dit steeds in beweging, en zoo dreef het in de zaal zijn spel, evenals de rustelooze zielen der verdoemden. Waarheen de blik zich wendde, overal was duisternis op den achtergrond. Het verst verwijderde gedeelte van de zaal was zwart, zwart als de voorhof van den Hades, doch ook hier brak een heldere, bewegelijke streep door: zonnestralen, die van de zijde der trap in de graftombe vielen, en waarin stofjes dansten. Welk een indruk maakte dat! De woonplaats der duistere Hekate! En de Koningin, en alles wat er met haar gebeurde! Een schilderij door licht overgoten, die stralend uitkwam tegen het donker in den wijden kring der massieve, majestueuse vormen er omheen. Dit grafteeken, in dit licht, zou een geschikter paleis zijn geweest voor den koning der demonen, wiens heirscharen de Magiër bezweert, wanneer zij zijn opgeroepen om hem te gehoorzamen bij zijne werken der duisternis.--Doch waar dwaal ik heen? »De kunstenaar!" hoor ik u weder roepen, de kunstenaar! In plaats van ter hulp te ijlen geeft hij zich over aan den indruk dien het licht op hem maakt, dat in de koninklijke grafgewelven valt.--Ja, het is waar: ik was te laat, veel te laat gekomen! Ik ontdekte dat reeds op de trap, die naar de benedenruimte voert; doch ik heb geen schuld aan dit tijdverlies, neen, zeker niet!

»In het begin had ik van de mannen niets kunnen bespeuren,--geen schaduw zelfs; doch wel zag ik in het helderste licht het lijk van Antonius, op de rustbank uitgestrekt, en verder in de schemering ter rechterzijde Iras en Charmion, die zich vergeefs inspanden om een valluik op te lichten. Het was hetzelfde, dat de gang afsloot, waardoor men de brandstof in de kelders bereiken kon. Zij hadden die op een teeken der Koningin in brand moeten steken.

»Nauwelijks was ik de eerste treden van de trap af--daar komt eensklaps uit de diepe duisternis Proculejus met twee mannen van de andere zijde te voorschijn. Mijzelven bijna niet meer meester ijl ik verder de trappen af, en terwijl de schrille stem van Iras mij in de ooren krijscht: »Arme Cleopatra, zij nemen u gevangen!" zie ik, hoe de Vorstin zich afwendt van de deur, waardoor zij, vastbesloten te sterven, nog iets, ik weet niet wat, aan Gallus had willen zeggen. Daarop zie ik hoe zij Proculejus vlak achter zich ontdekt, in haar gordel grijpt, en met bliksemsnelheid--zooals ik u reeds verhaalde--haar arm met den kleinen dolk omhoog heft, om zich de scherpe punt in haar eigen borst te stooten. Welk een gezicht! Door het heldere licht beschenen, geleek zij de triomfeerende overwinning, de edele trots, die groote daden volbrengt; en toen, slechts enkele oogenblikken later.... Maar welk een lot zou haar nog treffen!

»Als een roover, een sluipmoordenaar, viel Proculejus op haar aan, hield haar arm tegen, en ontwrong haar het wapen. Door zijne hooge gestalte werd zij aan mijn blik onttrokken. Doch toen zij, terwijl zij zich aan het geweld van den snoodaard ontrukte, het gelaat weder naar de zaal keerde, hoe was zij toen veranderd! Hare oogen--gij kent ze--waren nog eens zoo groot geworden en zij vlamden van verachting, vijandschap en haat tegen den verrader. Het verwarmende licht was verwoestend vuur geworden. Zoo stel ik mij de wraak, den vloek voor, die verderf afsmeekt over het hoofd van zijn vijand. En Proculejus, de groote heer, de dichter, wiens edele zin daarginds aan den Tiber wordt geprezen, hij stond nog altijd achter de weerlooze vrouw, de waardige dochter uit een schitterend koningsgeslacht, en hield haar omklemd, alsof hij al zijne mannenkracht gebruiken moest om dit teedere toonbeeld van bekoorlijke vrouwelijkheid te bedwingen. Het is waar, het trotsche bloed der vertoornde leeuwin drong haar om zich tegen deze vernederende behandeling te verweren en Proculejus--een benijdenswaardige eer!--liet haar de meerdere kracht van zijn armen voelen. Ik ben geen profeet, maar ik herhaal het, Dion: Hij zal tot in zijn laatste uur dien smadelijken kamp en de blikken niet vergeten, die hem daarbij troffen. Indien zij mij gegolden hadden, ik zou mijn leven moeten vloeken!

»Ook den Romein dreef die blik het bloed uit de wangen. Doodsbleek volvoerde hij verder, wat hij voor zijn plicht hield. Hij bezoedelde zijn eigen voorname handen met het werk van den tolbeambte, en doorzocht de kleederen eener vrouw, der Koningin, of er ook verboden zaken in te vinden waren; vergif of wapenen. Een vrijgelatene van den Caesar, Epaphroditus, die zeer in de gunst van Octavianus moet staan, hielp hem daarbij.

»Ook Iras en Charmion werden door den ellendeling onderzocht, en onder dat alles hielden beide Romeinen niet op, met schoonklinkende woorden te spreken van de genade van den Caesar, en zijn wensch om aan Cleopatra alles toe te staan, wat een Koningin toekomt.

»Eindelijk leidde men haar naar de Lochias terug; ik zelf was als een zinnelooze, want het beeld der ongelukkige vrouw vervolgde mij als mijn schaduw. Het was nu niet meer dat van een betooverende vrouw; maar van de verpersoonlijkte wanhoop, van den weedom die geen tranen heeft, van den toorn, die naar wraak hijgt. Ik wil niet trachten het te beschrijven, maar die oogen, die dreigend vlammende oogen en dat verwarde haar, waaraan het bloed van Antonius kleefde..... vreeselijk, ontzettend! Mijn hart versteende, alsof ik de Medusa met het slangenhaar in het schild van Athene in het aangezicht had gezien.

»Ik zeide het reeds, het was mij onmogelijk geweest haar bijtijds te waarschuwen of zelfs den verrader bij den arm te grijpen, en nochthans zag haar vlammend gelaat mij om dit verzuim verwijtend aan. Nog altijd vervolgt mij haar blik, en rooft mij kalmte en vrede. Eerst als ik in Helena's reine, rustige oogen zie, zal het vreeselijke, door 't licht omstraalde gezicht uit het graf van mij wijken, en misschien gelukt het mij dan de rust weder te vinden."

Nu legde zijn vriend de hand op zijn arm, trachtte hem tot bedaren te brengen, en herinnerde hem daarbij aan het goede, dat deze noodlottige dag--zooals hij zelf had gezegd--toch ook had meegebracht.

Hiermede had Dion de rechte snaar aangeroerd, want op eens veranderden Gorgias' houding en toon, en hij verzekerde met warmte, dat op al die gruwelen hoogst verblijdende dingen gevolgd waren, voor de stad, zijn vriend en Barine.

Vervolgens zette hij op kalmen toon zijn verhaal voort: »Als een beschonkene ging ik op weg naar huis. De poging om de Koningin of hare vertrouwelingen te naderen, had helaas schipbreuk geleden, doch ik hoorde van de slimme Nubische dienares van Charmion, dat het aan Cleopatra, uit naam van den Caesar, vergund geworden was zelve te bepalen in welk paleis zij wilde wonen. En zij moet dat op de Lochias gekozen hebben.

»Op mijn weg naar huis, kwam ik niet snel vooruit, daar ik reeds vóór het groote gymnasium werd tegengehouden door de menigte. Octavianus had zijn intocht in de stad gedaan, en ik hoorde hoe het volk hem had toegejuicht en voor hem op de knieën was gevallen. Onze onbuigzame Alexandrijnen in het stof voor den overwinnaar! Dat maakte mijn diepste verontwaardiging gaande--doch mijn toorn zou spoedig bedaren.

»Allen die tot het gymnasium behooren, kennen mij. Men maakte voor mij plaats, en eer ik nog was besloten binnen te gaan, was ik de hoofdpoort reeds door. De lange Phryxus had mijn arm door den zijne getrokken. De rijke man, die overal en nergens is, hoort immers alles, en de beste plaatsen zijn altijd reeds vooruit voor hem bewaard. Ook ditmaal gelukte hem dat, want toen hij mij losliet, stonden wij tegenover een pas opgerichte redenaarstribune.

»Men verwachtte Octavianus, die reeds in den zuilengang van Euergetes de hulde ontvangen had van den epitroop[22], de leden van den Raad, den gymnasiarch, en ik weet niet van wien al meer.

[22] Landvoogd.

»Phryxus verhaalde mij dat de Caesar reeds bij den intocht zijn voormaligen gouverneur de hand had gereikt, zich door hem had doen vergezellen, en zijn zoons voor hem laten brengen. De philosoof was meer dan iemand anders door hem met onderscheiding behandeld, en dat zal nu u en de uwen ten goede komen, want hij is immers de broeder van vrouw Berenice, en dus de oom van uw echtgenoot. Wat hij wenscht, wordt hem bij voorbaat toegestaan. Gij zult spoedig hooren hoe in het oog vallend de Caesar hem tracht tot zich te trekken en te onderscheiden. Ik gun het den man gaarne, want hij is indertijd kloek opgetreden voor Barine; zij roemen hem als een degelijk geleerde, en aan moed ontbreekt het hem evenmin. Ondanks Actium, en de eenige schandelijke daad die men, zoover ik weet, aan Marcus Antonius verwijten kan--de uitlevering van Turullius bedoel ik--heeft Arius hier altijd verblijf kunnen houden. Even goed als hij den moordenaar van Julius Caesar prijs gaf, had de imperator den vriend van diens neef als gijzelaar kunnen gevangen nemen.

»Sedert Octavianus voor de stad ligt, is uw oom ernstig bedreigd geweest, en evenals hij waren dat ook zijn zoons--gij zult die schoone, sterke jonge epheben wel kennen.

»In het Gymnasium behoefden wij niet lang te wachten eer de Caesar de tribune beklom, en toen--als zich nu uw vuist gaat ballen, dan doet zij niets anders dan ik verwacht--toen vielen allen die er omheen stonden, op de knieën. Ons woest, oproerig gepeupel hief als smeekende bedelaars de handen omhoog, en ernstige, waardige mannen deden hen dat na. Wie mij en mijn langen metgezel heeft gezien, zal ons beiden ook onder die knielende lage vleiers rekenen, want indien wij staande gebleven waren, zouden zij ons zeker naar den grond getrokken hebben. Wij huilden dus met de wolven mee en deden als de anderen."

»En Octavianus?" vroeg Dion in spanning.

»Een koninklijke verschijning, met een jeugdig uiterlijk. Een baardeloos, fijn besneden gelaat, een fraai profiel, als geschapen voor een stempelsnijder. Scherpe, en toch innemende trekken. Voornaam van top tot teen; maar de spiegel van een koude ziel, niet in staat tot geestverheffing, noch vatbaar voor een warm gevoel of een opwelling van barmhartigheid. Alles bij elkaar: een schoon, trotsch, verstandig, berekenend man, dien men voor zijn hart niet tot vriend zou wenschen, doch voor wiens vijandschap de goden allen die wij liefhebben mogen bewaren.

»Weder leidde hij Arius bij de hand. De zoons van den philosoof volgden hen. Toen hij op de tribune stond en neerzag op de duizenden, die voor hem op de knieën lagen, toonde geen spier van zijn edel gezicht--want edel is het--ook maar de minste aandoening. Als een landheer, die zijn kudde overziet, zag hij op ons neer, en na lang stilzwijgen verklaarde hij in voortreffelijk Grieksch kortaf, dat hij het Alexandrijnsche volk vrijsprak van alle schuld jegens hem, ten eerste--hij rekende hen dat voor, alsof hij veteranen opriep om hen te beloonen--uit eerbied voor den grooten stichter van onze stad, den wereldveroveraar Alexander; ten tweede, omdat de grootte en schoonheid van Alexandrië hem met bewondering vervulde, en ten derde--hier wendde hij zich tot Arius--om welgevallig te zijn aan dezen, zijn voortreffelijken en veelgeliefden vriend.

»Daarop barstte een luid gejubel los.

»Aan ieder, van den kleinste tot den grootste, was hierdoor een zware last van de ziel genomen, en nauwelijks had het volk het Gymnasium verlaten, of het lachte weder zoo overmoedig als ooit, en er was geen gebrek aan scherpe of onschuldige grappen. Dicht bij mij riep de dikke timmerman Memnon, dezelfde die voor uw paleis het houtwerk maakte: vroeger heeft een dolfijn Arius uit de handen der zeeroovers gered, en nu redt Arius het zeedier Alexandrië uit die van andere roovers. En zoo ging het voort. Niemand was zeker een beter mikpunt voor geestigheden dan Philostratus, de eerste man van Barine. Die opruier had goede redenen om het ergste te vreezen, en nu liep hij in zwarte rouwkleederen achter Arius aan, dien hij nog maar enkele maanden geleden met grimmigen haat had vervolgd, en riep hem voortdurend den zinledigen versregel toe:

"Zijt gij wijselijk man, dan helpe de wijze den wijze."