Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 34
Ook Dion was getuige van het uittrekken der troepen. Gorgias, dien hij onder de epheben had gevonden, vergezelde hem, en evenals de Koningin, zagen ook zij een slecht voorteeken voor den afloop van den slag in de gedwongen wijze, waarop het leger den bevelhebber begroette.
De bouwmeester had Dion aan de jongelingen voorgesteld als de genius van een gestorvene, die zoodra men hem vroeg van waar hij kwam of waarheen hij ging, genoodzaakt zou zijn in de gedaante van een vlieg op de vlucht te gaan. Hij had dit gerust durven wagen, daar hij de epheben kende en wist dat onder hen geen verrader school.
Zij hadden Dion welkom geheeten als een geliefden, uit den dood verrezen broeder, het voormalig hoofd der vereeniging, en hijzelf had er groot genot in gevonden na zooveel tijd weder eens als redenaar op te treden, en in een zaak waarover beraadslaagd werd, uitspraak te doen. Het is waar, hij had slechts weinig tegenspraak uitgelokt, want het besluit om zich te onthouden van den strijd tegen de Romeinen, had de Koningin zelve, bij monde van Antyllus, de epheben op het hart gedrukt. Deze laatste had intusschen de vergadering reeds verlaten, vóór Dion daar was verschenen.
Het had Cleopatra een misdaad toegeschenen het bloed der edelste zonen van de stad te doen vloeien voor een zaak, die zij zelve reeds verloren waande. Zij kende de moeders en vaders van velen onder hen en zij vreesde dat Octavianus hen, die niet tot het leger behoorden, zwaar zou straffen wanneer zij, met de wapenen in de hand, in zijne macht vielen.
De sterren begonnen reeds weder te verdwijnen, toen de epheben hun vriend op zijn weg huiswaarts hun geleide gaven. Onderweg hieven zij samen in beurtgezang de koren der Hymenaeën aan, die zij op zijn bruiloftsdag verhinderd waren geweest te zingen. Zij begeleidden die liederen met de luit, en deze nachtelijke muziek in de straten der stad deed de mythe ontstaan dat de god Dionysos, aan wien Marcus Antonius zich altijd bijzonder verwant had gevoeld, en in wiens gedaante hij zich zoo dikwijls aan het volk had vertoond, hem op dat uur onder gezang en muziek had verlaten.
Vóór den Isistempel namen de jongelingen afscheid van hem. Alleen Gorgias hield hem nog gezelschap. Hij bracht hem naar het naburige grafteeken der Koningin, waaraan bij fakkellicht ijverig werd gearbeid. Er stond nog altijd een lichte stellaadje omheen, doch de hooge benedenbouw met de eigenlijke groeve was reeds voltooid, en Dion bewonderde de kunst, waarmede het uitwendige van dit gebouw aan de bestemming van het inwendige beantwoordde. De muren bestonden uit groote vierkante steenen van donkergrijs graniet. Ernstig, bijna schrikwekkend, verhief zich de breede, licht hellende voorzijde met de verbazend hooge poort, waarboven zich een kroonlijst bevond met de gevleugelde zonneschijf. Daarnaast stonden in overwelfde nissen de donkere bronzen beelden van Antonius en Cleopatra, en boven de kroonlijst verhieven zich de metalen zinnebeelden van de liefde en van den dood, den roem en het stilzwijgen, en veredelden de Aegyptische vormen door schoone werken van Helleensche kunst.
De massieve poort van gegoten brons, die versierd was met reliëf-figuren, zou een stormram hebben kunnen weerstaan. Naast de trappen, die daarheen voerden, lagen sphynxen van donkergroen dioriet. Alles aan dit gebouw, dat geheel aan den dood was gewijd, was grootsch en ernstig, en sprak door zijne onverwoestbaarheid van de eeuwigheid.
Van de bovenverdieping was nog geen enkel gedeelte gereed. Metselaars en steenhouwers arbeidden aan de bedekking der dikke muren met donkeren serpentijnsteen en zwart marmer. Het groote windas stond gereed om een meesterstuk van Alexandrijnsche plastiek naar boven te hijschen. Het was voor den gevel bestemd en stelde de overwinnende Venus voor, met helm, schild en lans, zooals zij, als aanvoerster van een schaar gevleugelde liefdegoden, aan wier hoofd Eros zelf pijlen afschoot, zegevierend streed met den dood, den driekoppigen Cerberus, die reeds uit vele wonden bloedde.
Het ontbrak aan tijd om ook het inwendige van het monument te bezichtigen, want Pyrrhus verwachtte zijn beschermeling tegen zonsopgang aan de haven, en in het Oosten begon het reeds te dagen.
Toen de vrienden de landingsplaats naderden, fonkelde de boven alles uitstekende metalen koepel van het Serapeum in verblindenden glans. De vlaggen en masten der tot vertrek gereed liggende vloot schenen zich in een zee van gouden licht te baden. In de blinkende, licht gerimpelde oppervlakte der zee weerspiegelden trillend de bronzen en vergulde figuren aan den voorsteven der schepen, en de lange schaduwen der roeiriemen, die zich in rijen uitstrekten van schip tot schip, vormden als het ware een netwerk van donker gestreepte mazen.
Hier zeiden de vrienden elkander vaarwel, en Dion ging alleen verder langs de kade, om den vrijgelatene op te zoeken, die ditmaal zwaar werk zou hebben om met zijn bark tusschen dit gewemel van vaartuigen door, een uitweg te vinden. De bezichtiging van het mausoleum had den jongen vader te lang opgehouden, en ofschoon hij wist dat hij onherkenbaar was, verweet hij zich toch zich onvoorzichtig te hebben blootgesteld aan een gevaar, waarvan de gevolgen--dat voelde hij heden voor het eerst--niet alleen hemzelven noodlottig konden worden.
De verzamelde oorlogsvloot wachtte nu op het sein tot vertrek. Alle vaartuigen, die er niet toe behoorden, hadden zich bij den Poseidontempel moeten vereenigen, en het was aan ieder afzonderlijk ten strengste verboden, de reede te verlaten.
De schuit van Pyrrhus lag daar midden tusschen, en dus viel er vooreerst niet te denken aan terugkeer naar het Slangeneiland. Hoezeer deed hem dat leed! Barine wist immers niets van zijn tocht naar de stad, en dat hij haar nu alleen moest laten, terwijl zoo dicht onder haar oogen een zeeslag zou worden geleverd, verontrustte hem zelven evenzeer als het dit haar moest doen.
Werkelijk wachtte de jonge moeder van den vroegen morgen af, met toenemenden angst op haar echtgenoot. De zon steeg hooger, en aan alle zijden van het eiland hoorde zij de riemslagen, die tweehonderd schepen voortbewogen, den schrillen toon der fluiten die hen de maat aangaf, de met luider stem gegeven kommando's der kapiteins, en de schetterende trompetsignalen, die van verre en nabij door de lucht weerklonken. Onder dit alles werd zij door zulk een onrust bevangen, dat zij met alle geweld naar den oever wilde gaan, terwijl men haar tot dusver nog enkel had veroorloofd wat frissche lucht te scheppen onder een zeil, dat tot dit doel aan den schaduwkant van het huis was uitgespannen. Te vergeefs vermaanden haar de vrouwen toch niet toe te geven aan haar angst, en geduld te hebben. Doch zij zou nog krachtiger tegenstand getrotseerd hebben, om uit te zien naar haar geliefden gade, die nu, met haar kind, haar geheele wereld uitmaakte.
Toen zij aan Helena's arm aan den oever kwam, was er geen boot te zien. Het zeevlak dat vóór haar lag, was enkel bedekt met oorlogsschepen, drijvende vestingen, die zich als duizendpootige draken voortbewogen. De pooten waren de tallooze roeiriemen, in drie of vijf rijen geschikt. Elk der grootere schepen was door kleinere omringd, en uit de meeste schoten verblindende bliksemstralen omhoog, want zij waren overvol met gewapenden, en aan de voorstevens der sterke entervaartuigen werden de zonnestralen weerkaatst in de groote, glimmende metalen punten, waarmede in het houten lichaam van den tegenstander moest worden geboord. De gouden beelden aan de voorplecht der groote schepen, glinsterden en blonken in het heldere licht der zon, en ook op de lage heuvels op het land was het alsof men vlammen zag. Dáár stond het leger van Marcus Antonius, en de helmen, pantsers en lanspunten van het voetvolk, en de wapenrustingen der ruiterij flikkerden in de zon, en wierpen met verblindenden gloed bliksemschichten door de heete lucht van den eersten Augustusdag in Aegypte.
Onder al dit lichten en vlammen en stralen in de van glans en helderheid verzadigde ochtendlucht, mengde zich uit leger en vloot een voortdurend en toenemend oorlogsrumoer.--Juist had de uitgeputte vrouw zich laten neervallen op een zetel, dien de visschersdochter Dione voor haar had neergezet, in de schaduw van de hoogste rotspunt aan den noordwestelijken oever van het vlakke eiland, toen plotseling van alle schepen der Aegyptische vloot te samen een luid en ver-doordringend trompetsignaal weerklonk, en de geheele menigte vaartuigen door de haven opening aan den pharus koers zette naar de open zee.
Op eens gingen de smalle leden van het houten reuzenlegioen uiteen en roeiden in minder breede rijen verder. Dat geschiedde zeer kalm, en in dezelfde onberispelijke orde, als eenige dagen geleden, toen zij onder de oogen van Marcus Antonius een dergelijke beweging hadden uitgevoerd.
Het scheen dat de lust tot strijden hen onophoudelijk voorwaarts dreef. Onbewegelijk bleef de vijandelijke vloot hen afwachten. Maar nauwelijks hadden de Aegyptische aanvallers zich eenige scheepslengten in de richting van den Romeinschen tegenstander bewogen, of een nieuw signaal daverde door de lucht. De vrouwen die het hoorden, verzekerden in later dagen dat het geklonken had als een jammerkreet, en het had dan ook het teeken gegeven tot een verraad zonder wederga. De slaven, boosdoeners en ellendigste huurlingen op de roeibanken in het ruim van het schip, hadden er reeds lang met gespannen verwachting naar geluisterd, en toen het eindelijk kwam, hieven de mannen op de bovenste banken hunne lange roeiriemen op, en hielden die in de hoogte; die van de onderste rijen staakten hun werk, en alle schepen lagen stil. Het was alsof het ééne vaartuig met zijn houten, ver voor zich uitgestrekte riemenvingers, vol afschuw op het andere wees. Een eerlijk scheepsbevelhebber zou met de snelheid en onberispelijke orde, waarmede het opheffen der riemen was geschied, en vaartuig naast vaartuig tot stilstand was gebracht, eer hebben ingelegd; doch nu leidde het tot een der nietswaardigste, schandelijke daden waarvan de geschiedenis verhaalt. De vrouwen die reeds menig spiegelgevecht op zee hadden bijgewoond en de beteekenis er van begrepen, riepen allen als uit éénen mond: »Verraad! Zij geven zich aan den vijand over!"
De vloot van Marcus Antonius, door Cleopatra voor hem in het leven geroepen, was tot op de laatste bark overgegaan tot den erfgenaam van Cæsar, den overwinnaar van Actium. Hij, wien zij trouw gezworen had, die hare oefeningen had geleid, en hen nog den vorigen dag tot moedig standhouden had aangespoord, zag het van een duinheuvel aan den oever aan, hoe het sterke wapen, waarop hij al zijn hoop gevestigd had, niet brak, maar zichzelf in de handen der vijanden gaf.
Hij wist dat de overgave van de vloot aan den vijand het zegel zette op zijn ondergang, en de vrouwen op de kust van het Slangeneiland, die op zulk een afstand stonden van den grooten man, wien dit ongeluk het zwaarste trof, vermoedden hetzelfde. Beiden waren er tot in de ziel van geroerd, en hare oogen werden vochtig van verontwaardiging en smart. Zij waren Alexandrijnsche vrouwen, en wilden geen Romeinsche worden.
Aan Cleopatra alleen, de dochter uit het hun verwante Macedonische huis der Ptolemaeërs, kwam de heerschappij toe over hare vaderstad, die gesticht was door den grooten Macedoniër. Al het leed dat de Koningin haar had aangedaan, werd thans in hare schatting geheel onbeduidend bij den ontzettenden slag van het noodlot, die in dit uur haarzelve trof.
De vereenigde Romeinsche en Aegyptische vloot keerde als een groot, denzelfden bevelhebber gehoorzamend eskader terug in de haven en op de reede der stad, die nu als een kostbare buit haar toebehoorde.
Barine had genoeg gezien, en ging met gebogen hoofd naar huis terug. Haar hart was vol, en de angst voor haar geliefden man wies van uur tot uur.
Het was alsof het gesternte des daags schroomde zulk een snoode daad met zijn vriendelijk licht te beschijnen, want de verblindende en stekende zon van den eersten Augustus omsluierde haar stralend aangezicht met een witgrijzen nevel, en de ontwijde zee fronste het voorhoofd, verwisselde haar zuiver blauw met geelachtig grijs en zwartgroen, en een wit schuim kookte op de koppen der verbolgen golven.
Toen het begon te schemeren werd de ongerustheid der verlaten vrouw haar bijna te veel. Niet alleen de kalmeerende woorden van Helena, maar zelfs het gezicht van haar kind miste thans zijne uitwerking, en reeds had Barine den tehuis gebleven zoon van Pyrrhus geroepen, om hem te overreden haar met zijn boot naar de stad te varen, toen Dione een schuit ontdekte, die van de zeezijde het Slangeneiland naderde.
Een oogenblik later sprong Dion aan land, en kuste zijn jonge vrouw het verwijt, waarmede zij hem ontving, spoedig van de lippen. Hij had reeds gehoord van het verraad der vloot, terwijl hij met den vrijgelatene in de haven van Eunostus in een huurboot was gestapt, daar die van Pyrrhus, evenals de andere vaartuigen, bij den tempel van Poseidon vastgehouden werd.
De ervaren loods had zijn bark met een wijden boog tegen den wind in, door de open zee moeten sturen, en was onderweg lang opgehouden, daar hij midden tusschen een deel der oorlogsvloot was geraakt.
Nu het gevaar en de scheiding voorbij waren, gevoelden zij zich wel innig gelukkig in het besef dat zij elkander terug hadden gekregen, maar toch kon het niet tot de rechte blijdschap komen. Het lot der Koningin en van hunne vaderstad, drukte al te zwaar op hunne ziel. Bij het invallen van den nacht sloegen de honden luid aan, en men hoorde leven aan het strand. Met het vaste voorgevoel dat hem en de zijnen een onheil dreigde, volgde Dion die roepstem en ging er heen.
De nacht werd door geen enkele ster verlicht. Alleen het zwervend licht van een lantaarn, en een ander op het naastbijgelegen eiland, verhelderden een weinig de duisternis rondom, doch in het Zuiden brandden de lichten in de stad zoo helder als ooit.
Pyrrhus was juist bezig met zijn jongsten zoon een boot in zee te sleepen. Zij moesten een andere die in het zand van een ondiepte bij het naburige eiland was vastgeraakt, daaruit gaan losmaken.
Dion sprong met hen mede in de schuit, en nu herkende hij spoedig in de stem die hem geroepen had, die van den bouwmeester Gorgias.
De blijde begroeting van den jongen vader klonk den vriend te gemoet, doch deze beantwoordde die niet.
Kort daarna bracht Pyrrhus zijn laten gast aan wal. Hij was, zooals de visscher hem deed inzien, voor de tweede maal aan een groot gevaar ontkomen; want indien hij aan het andere eiland had aangelegd, waar het wemelde van vergiftige slangen, dan ware hij licht het slachtoffer geworden van den beet van een dezer dieren.
Gorgias greep met de oude hartelijkheid de hand van zijn vriend, doch toen Dion hem drong aanstonds met hem in huis te gaan, weigerde hij dit en verzocht hem eerst aan te hooren, eer hij zich naar de vrouwen begaf.
Dion schrikte, want hij kende zijn vriend. Als zijn diepe stem zoo bedroefd klonk, en daarbij zijn hoofd zoo gebogen was onder het leed, dan was er zeker iets vreeselijks voorgevallen. En hij had goed gezien; de eerste mededeeling daarvan schokte ook hem zelven hevig.
Dat de Romeinen te Alexandrië als heerschers te werk gingen, verbaasde hem niet, doch een kleine schaar der overwinnaars, die overigens in last hadden zich te gedragen als in een land van vrienden, was binnengedrongen in het groote huis van Gorgias om zich daar in te kwartieren. De doove grootmoeder van Helena en Barine, die alles wat er gebeurd was, maar half had begrepen, was door den schrik bij het woeste binnendringen der krijgslieden, door een beroerte getroffen, en had, nog vóór hij naar het eiland vertrok, de oogen gesloten.
Maar deze droeve tijding, die de beide zusters op het eiland diep trof, was het niet alleen, wat den bouwmeester zoo laat en in een vreemde boot naar het Slangeneiland had gevoerd. Zijn ziel, die door de ontzettende gebeurtenissen van dezen dag al te zeer overspannen was, gevoelde behoefte aan rust te zoeken in den kring van hen, door wie hij zeker was te worden begrepen.
Meer dan door al het vreeselijke dat hij had moeten mede doorleven, was hij echter tot dezen onvoorzichtigen tocht over zee gedreven geworden door den wensch om de bannelingen de verblijdende boodschap te brengen, dat zij zonder gevaar in hunne vaderstad konden terugkeeren.
Met hevige ontroering, ja zelfs verbijsterd en overstelpt door alles wat hij had beleefd en gezien, begon de anders zoo heldere, en bij al zijn levendigheid bezadigde man zijn verhaal. Een waarschuwend woord van Dion noopte hem echter eerst nog te wachten totdat hij kalmer zou zijn, om daarna al hetgeen er gebeurd was naar tijdsorde te beschrijven.
DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Nadat de bouwmeester Dion naar de haven had geleid, had hij zich naar het Forum begeven om daar met verschillende mannen te spreken en te hooren wat men voor de toekomst der stad vreesde en verwachtte.
Dáár kwamen ook altijd het eerst de tijdingen aan: hij vond er een groot aantal Macedonische burgers, die evenals hij, in dit beslissend uur naar zekerheid verlangden.
Het was er druk en woelig, want de meest verschillende berichten van het leger en de schepen volgden elkander op. Eerst waren zij gunstig, maar spoedig daarop hoorde men van het verraad der vloot, en het overloopen van voetvolk en ruiterij.
Een aanzienlijk inwoner der stad had Marcus Antonius, van eenige vrienden vergezeld, te paard langs de kade zien draven. Het was gebleken dat zij op weg waren naar het kleine paleis op den Choma. Ernstige mannen, wier meening slechts weinig tegenspraak vond, waren van gevoelen dat de imperator verplicht was zich daar, even als Brutus en zoovele andere edele Romeinen, met eigen hand te dooden, nu het noodlot zich tegen hem had verklaard, en hem niets meer te wachten stond dan een leven door schande bevlekt. Spoedig kwam dan ook de tijding dat hij getracht had te volbrengen, wat de edelste burgers van hem hadden verwacht.
Toen had Gorgias het op het Forum niet langer uitgehouden. Hij was naar den Choma gesneld, hoeveel moeite het ook kostte tot aan den muur te komen, waarin reeds een bres was gemaakt. Hij had dat gedeelte van den oever waar de landtong begon, door een dichte menigte bezet gevonden. Ook had er een aantal booten omheen gelegen, en zoodoende had hij vernomen dat Antonius zich niet meer in het paleis bevond.
Juist op dat oogenblik werd een zorgvuldig bedekt lijk uit het kleine slot over den Koningsweg gedragen, en onder de menigte die daarachter ging, herkende Gorgias een slaaf van Antonius, dien hij vroeger wel had gezien. De oogen van dezen man zagen rood van het weenen. Hij kwam gewillig naar den bouwmeester toe, toen deze hem wenkte, en vertelde hem al snikkend, dat de beklagenswaardige veldheer, nadat al zijne troepen afvallig geworden waren, hierheen was gevlucht. Toen hij daarop in het paleis had gehoord dat Cleopatra hem was voorgegaan in den dood, had hij zijn lijfslaaf Eros bevolen ook aan zijn leven een einde te maken. Daarop was die wakkere man achteruitgetreden en had met afgewend gelaat zichzelf met het staal doorboord. Voor de voeten van zijn meester was hij stervend ineengezonken; waarop Antonius had uitgeroepen, dat hij door zijn voorbeeld geleerd had wat nu ook hem te doen stond, en op hetzelfde oogenblik had hij zijn kort zwaard in eigen borst gestoken. De verbazende levenskracht van dezen reus was echter door die ééne wond, hoe diep en zwaar zij ook was, nog niet vernietigd. Toen had hij op de aandoenlijkste wijze de omstanders gebeden en gesmeekt aan zijn leven een eind te maken, doch niemand had zulk een daad van zich kunnen verkrijgen. Onderwijl had onophoudelijk van des imperators lippen de naam Cleopatra geklonken, en daarbij de wensch om haar te mogen volgen.
Eindelijk was Diomedes, de geheimschrijver der Koningin verschenen, om hem op haar bevel naar het grafmonument te laten brengen, waarheen zij zelve de wijk genomen had.
Antonius had daarin met nieuw opgewekte levenslust toegestemd, en terwijl men hem wegdroeg, had hij nog last gegeven om voor een waardige begrafenis van Eros te zorgen. Zelfs stervende was het dezen grootmoedigste van alle gebieders nog onmogelijk geweest, het goede dat men hem bewezen had onbeloond te laten.
Toen hij zoover met zijn verhaal gekomen was, barstte de slaaf opnieuw in tranen uit, doch Gorgias was onmiddellijk naar het grafteeken gesneld.
De naaste weg daarheen, de Koningsweg, was in dien tusschentijd zoo vol geworden door de menigte, die tusschen het Dionysostheater en den Muzenhoek door Romeinsche soldaten terug gedrongen was, dat hij zich genoodzaakt had gezien door zijstraten het gebouw te bereiken.
De kade was reeds niet meer te herkennen, en ook in de andere straten had de bevolking een vreemdsoortig aanzien gehad, want in plaats van vreedzame burgers, kwam men overal Romeinsche soldaten in volle wapenrusting tegen. Voor de Grieksche, Aegyptische en Syrische aangezichten waren blanke en bruine van vreemd uiterlijk in de plaats gekomen.
De stad zelve scheen in een legerkamp veranderd te zijn. Hier had Gorgias een cohorte van blondgelokte Germanen, daar een met roode haren ontmoet, wier vaderland hij niet kende, en nog verder een detachement Numidische of Pannonische ruiters. Bij het heiligdom der Dioscuren,[21] had men hem aangehouden. Dáár had zooeven een klein aantal Hispaniërs Antonius' zoon Antyllus gegrepen, en na een kortstondig krijgsgericht terechtgesteld. Zijn gouverneur Theodotus had hem aan de krijgslieden verraden, doch deze nietswaardige booswicht werd geboeid achter het lijk van den jongeling medegevoerd, daar men hem op de daad had betrapt, terwijl hij een kostbaren edelsteen, dien hij hem van den hals had genomen, in zijn eigen gordel verborg. Vóór hij naar het eiland ging, was den verhaler ter oore gekomen dat men den ellendeling tot den dood aan het kruis had veroordeeld.
[21] De tweelingzonen van Zeus, Castor en Pollux.
Eindelijk was het Gorgias gelukt het grafmonument te bereiken. Hij had het aan alle zijden afgezet gevonden door Romeinsche lictoren en Scythen uit de stad, maar hij, de bouwmeester, werd natuurlijk doorgelaten.
Het was hem door al de hindernissen, die hij op zijn weg had ontmoet, bespaard, om de vreeselijkste tooneelen van het treurspel, dat hier zooeven afgespeeld was, met eigen oogen te aanschouwen, doch zij werden hem in alle bijzonderheden beschreven door den geheimschrijver der Koningin, die den gewonden Antonius had begeleid. Hij was een welmeenend Macedoniër, die onder het bouwen met Gorgias in vriendschappelijke betrekking was geraakt.
Cleopatra was naar het grafteeken gevlucht, zoodra de oorlogskans zich voor Octavianus had verklaard. Alleen Charmion en Iras hadden haar daarheen mogen vergezellen, en deze twee hadden haar geholpen de zware metalen deur van het kolossale gebouw te sluiten. Het valsche gerucht van haar dood, dat Antonius er toe gebracht had om ook aan zijn leven een eind te maken, was misschien daaraan toe te schrijven, dat de Koningin zich feitelijk in haar graf bevond. Toen hij in de armen van zijn trouwe dienaren doodelijk gewond bij het mausoleum was aangekomen, hadden de vrouwen te vergeefs beproefd, de zware deur weder te openen. Maar Cleopatra reikhalsde er naar, haar stervenden vriend nog eenmaal te zien. Zij moest hem in hare nabijheid hebben, om hem de laatste diensten te bewijzen, hem nog eens van hare liefde te verzekeren, hem de oogen toe te drukken, en als het mocht, met hem te sterven.