Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 33

Chapter 333,941 wordsPublic domain

In het huis van Gorgias vond de late gast de grootouders alleen. Zij hadden reeds lang bericht ontvangen van het nieuwe geluk hunner kleindochter. Thans verblijdde zij zich met Dion, en wilden dadelijk den heer des huizes, hun toekomstigen zoon, laten roepen, die deelnam aan een vergadering van de epheben der stad, hoewel hij al lang niet meer tot hen behoorde. Maar Dion wilde hem liever begroeten te midden van de jongelingen die den bouwmeester hadden uitgenoodigd, opdat hij hen bij de bespreking der vraag, hoe zij zich gedurende den strijd te gedragen hadden, met raad zou kunnen dienen.

Toch verliet hij niet aanstonds het oude paar, want hij verwachtte hier nog twee bezoeken: van Barine's moeder en de Nubische kamervrouw van Charmion, die sedert de geboorte van den kleinen Pyrrhus, iederen avond bij den philosoof aankwamen, de eerste om te hooren of gedurende den dag nog nieuwe tijdingen van moeder en kind gekomen waren, de laatste om de brieven af te halen, die zij, als tusschenpersoon, dan den volgenden morgen op de vischmarkt aan haar vriend Pyrrhus of diens zoon overhandigde.

Anukis verscheen het eerst. Al aanstonds gaf zij haar deelnemend hart lucht in een korten gelukwensch; hoe gaarne zij echter nog iets naders gehoord zou hebben omtrent de jonge moeder, die ook haar dierbaar was, toch onderdrukte zij ook ditmaal weder haar eigen wensch, om in den geest harer meesteres te handelen. Daarom ging zij zoo spoedig mogelijk naar Charmion terug, en meldde haar de aankomst van den onverwachten gast.

Vrouw Berenice genoot met dankbare vreugde van de grootmoederlijke waardigheid, maar thans ging zij gebukt onder een groote vrees, die niet alleen in hare zwaarmoedige verbeelding bestond.

Haar broeder Arius had zich met zijne zoons in het huis van een vriend verborgen, want zij schenen door een ernstig gevaar bedreigd te worden. Tot nu toe had Antonius in zijn grootmoedigheid het den philosoof niet euvel geduid dat hij in zulk een nauwe betrekking tot Octavianus stond; doch nu deze laatste voor de stad lag, werd het huis van den man, die in vroeger jaren de studiën van den vijand had geleid, en altijd zijn hoogvereerde raadsman en vriend was gebleven, op bevel van Mardion, door Scythen bewaakt. Aan hem en zijn gezin was het verboden in de stad te komen, en daarom was zijn nachtelijke vlucht naar zijn vriend met groot gevaar gepaard gegaan.

De bezorgde vrouw vreesde het ergste voor haar broeder, indien Marcus Antonius de overhand behield, en toch wenschte zij van ganscher harte de overwinning toe aan de Koningin. Zij, die toch altijd het ergste verwachtte, zag nu reeds in den geest de krijgskans keeren--en daarvoor was reden genoeg; de stoutmoedige bevelhebber, die reeds zoo vele overwinningen had behaald, en die door den tegenspoed van Actium enkel diep ter neer gedrukt was geweest, moest de oude veerkracht teruggekregen hebben. Even heldhaftig als vroeger, ja, met vermetele onstuimigheid was hij aan het hoofd zijner ruiters den vijand tegemoet gereden. Men zeide dat hij, gezeten op zijn prachtig strijdros, zijn groot zwaard even krachtig had gezwaaid als vijf en twintig jaren geleden, toen hij, niet ver van deze zelfde plek, Archelaus het onderspit had doen delven. Dat hij in zijn gouden wapenrusting, met den helm op het hoofd en met zijn zwaren baard, op zijn voorvader Herakles geleek, werd ook bevestigd door Charmion, die op een wagen der Koningin met spoed hierheen gekomen was. Cleopatra zou haar misschien weldra noodig hebben, maar toch was zij even van de Lochias ontsnapt, om aan den jongen vader zelf allerlei dingen te vragen waarin zij belangstelde, omtrent de moeder en het kind dat haar zoo dierbaar was, als eerste kleinzoon van den man, wiens hand zij wel is waar geweigerd had, doch wien zij het heerlijke bewustzijn dankte, dat ook zij in den bloeitijd van haar leven bemind had, en zelve bemind was geweest.

Dion vond haar veranderd. De moeielijke maanden, die zij in haar brief aan Barine beschreven had, hadden hare licht grijzende haren geheel wit doen worden, hare wangen waren ingevallen en een diepe rimpel tusschen mond en neus gaf aan haar vriendelijk gelaat een uitdrukking van lijden. Ook scheen zij pas te hebben geweend, en inderdaad had zij zoo even diep aangrijpende voorvallen bijgewoond. Zij had zich heimelijk van de Lochias verwijderd, terwijl het daar vroolijk toeging.... De zegepraal van Antonius werd feestelijk gevierd. Hij zelf leidde den maaltijd. Weder had hij hoofd en borst met frissche bladen en prachtige bloemen getooid. Naast hem lag Cleopatra in een lichtblauw met lotosbloemen versierd gewaad dat, evenals de kleine kroon op haar hoofd, met paarlen en saffieren was bezet. Charmion verzekerde, dat zij haar nooit schooner had gezien. Doch wat zij verzweeg was, dat Cleopatra's doodsbleeke wangen door de kunst gekleurd hadden moeten worden. Het was een roerend schouwspel geweest, zooals Antonius haar, na zijn terugkeer uit den slag, nog in zijn wapenrusting, verheugd aan zijn hart had gedrukt, alsof hij door den strijd ook haar teruggekregen had, en tegelijk met de verdwenen heldenkracht, ook zijne liefde had wedergevonden. En ook haar had het geluk als een heldere zon uit de oogen gestraald. Aan den ruiter, die om zijne buitengewone dapperheid vóór haar was geleid, had zij in de vreugde van haar hart een helm en pantser van zuiver goud geschonken.

Doch nog vóór de feestmaaltijd begon, was zij gedwongen zichzelve te bekennen, dat dit alles toch het begin van het einde was, want enkele uren nadat zij dien ruiter zoo mild had beloond, was hij reeds tot den vijand overgeloopen. Ook had Antonius zijn vijand Octavianus tot een tweegevecht uitgedaagd, doch het koele antwoord ontvangen dat er genoeg wegen waren waarlangs men den dood kon zoeken.

Aan die taal herkende zij weder haar vijand met het koude hart, en die nu zeker was van de heerschappij. Daarbij zag zij zich droevig bedrogen in de hoop dat de oude strijders, die onder Antonius hadden gediend, bij zijne eerste oproeping den nieuwen veldheer zouden verlaten en bij troepen hem tegemoet snellen. Alles wat haar gemaal tot bereiking van dat doel had beproefd, had schipbreuk geleden, niettegenstaande de wegsleepende kracht zijner welsprekendheid, terwijl met ieder uur tijdingen kwamen van verraderlijke afvalligheid van enkele krijgslieden, of van geheele troepen tegelijk. De vijand scheen zóó zeker van zijn zaak, dat hij zich niet eens verzette tegen de pogingen van Marcus Antonius, om de soldaten door beloften voor zich te winnen.

Na dat alles zag Cleopatra nu met volle zekerheid in de zegepraal van haar geliefde nog slechts de laatste opflikkering van het uitdoovende vuur; doch zoolang het nog brandde, moest hij zien dat zij zijn licht nog volgde. Zoo was zij dan met den overwinnaar van heden de feestzaal binnengekomen, en was getuige geweest van een zonderling gastmaal. Het was met tranen begonnen, en had Cleopatra doen denken aan dit woord: dat zij zelve geleek op een overwinningsfeest vóór dat de slag gewonnen was.

Nauwelijks waren de schenkers met hunne gouden kannen bij de gasten rondgegaan, of Antonius had zich tot hen gewend met den uitroep: »Schenkt maar dapper in, gij mannen, morgen dient gij misschien reeds een anderen heer!"

Toen was hij, geheel tegen zijn gewoonte, nadenkend geworden, en had in zichzelven gemompeld: »En dan lig ik daar buiten als een lijk, een armzalig niets!"

Op deze woorden was een luid snikken der schenkers en dienaren gevolgd, doch hij had hen bedaard toegesproken, en beloofd hen niet mede te voeren in een strijd, waarvan hij voor zichzelven veeleer een roemvollen dood verwachtte, dan redding en zegepraal.

Daarbij begonnen ook de tranen der Koningin te vloeien. Indien deze teugellooze genotzoeker, de roekelooze verkwister en onruststichter, met zijne steeds begeerende, onverzadelijke zinnen, ook bittere vijandschap had gewekt, toch was ook zeker maar aan enkelen zulk een hartelijke liefde van velen ten deel gevallen. Eén blik op zijne heroëngestalte; één gedachte aan den tijd, toen ook zijne vijanden van hem zeiden: dat hij nooit grooter was dan tegenover het dreigendste gevaar, nooit beter in staat om blijde hoop op betere tijden ook bij anderen te wekken, dan te midden van de zwaarste ontberingen; één oogenblik luisteren naar die metaalrijke stem van den redenaar, die zoo dikwijls uit zijn hart was gekomen, en daarom zulk een onweerstaanbaren indruk op zijne toehoorders had gemaakt; een reeks van herinneringen aan zijn vroolijke openhartigheid en zijn grenzenlooze grootmoedigheid: dit alles verklaarde voldoende de klachten, die bij dien maaltijd oprezen en de tranen die daarbij werden gestort, en die allen zoo welgemeend waren. Zij hadden ook de schoone, koninklijke vrouw gegolden die, zonder zich aan de aanwezigen te storen, het edele hoofd met de paarlenkroon tegen den machtigen schouder van haar gemaal had gevlijd.

Maar die treurigheid had niet lang geduurd, en Marcus Antonius had uitgeroepen: »Nu weg met al die droefheid! Wij hebben de Larva niet noodig.[20] Ook zonder dat weten wij wel dat het spoedig gedaan zal zijn met de vreugd! Een vroolijk feestlied, Xuthus! en gij Metrodorus, ga vóór in den dans! Ik wijd den eersten beker aan de schoonste, de beste, de verstandigste, de beminnelijkste, de vurigst geliefde!"

[20] Bij de gastmalen der Aegyptenaars werd een kleine figuur, in de gedaante van een mummie rondgegeven, die de gasten er aan moest herinneren, dat zij weldra zouden zijn als deze, en geen tijd meer zouden hebben zich te verheugen in het leven en zijne genietingen. De Romeinen volgden dit na, door de Larva, een klein beeldje, gewoonlijk in den vorm van een geraamte, bij den maaltijd onder de feestvierenden te laten rond gaan. Het schoonheidsgevoel der Grieken maakte uit dit leelijke schrikbeeld een gevleugelden genius.

Hij had de bokaal hoog opgeheven, de fluitspeler Xuthus gaf het koor dat zijn lied begeleidde, een wenk, en de danser Metrodorus was als een vlinder een schaar van liefelijke meisjes vooruit gezweefd. En deze, in hare wijde gewaden van gekleurde doorschijnende zijdestof, die haar als een wolk omgaven, waren daarop aan het bevallige spel gegaan, en hadden, nu eens als in nevelen gehuld, dan weder als op vleugelen voortgedragen, aan de verrukte toeschouwers een allerbekoorlijkst schouwspel geboden.

De »metgezellen van den dood" waren weder makkers in de vreugd geworden, en juist toen Charmion, die hare gebiedster geen oogenblik uit het oog had verloren, en den pijnlijken trek op haar gelaat had opgemerkt, uit den kring der gasten weggeslopen was, had zij de trouwe Anukis ontmoet, die haar de aankomst van Dion kwam melden.

Toen was zij--maar dat had zij voor hare vrienden verzwegen--naar hare vertrekken gesneld om zich tot uitgaan gereed te maken, en daar Iras op hetzelfde oogenblik de deur van haar eigen kamer opende, was zij haar gevolgd, om met haar over den nachtdienst bij de Koningin te spreken. Haar nicht had dat echter niet bemerkt, want door een zenuwachtig snikken overvallen, had zij juist haar gelaat tegen de kussens van een rustbank gedrukt, en trachtte op deze wijze de wilde smart, die hare ziel schokte, met al de hevigheid harer hartstochtelijke natuur, te laten uitwoeden. Toen had Charmion haar naam geroepen, en zelve weenende, hare armen voor haar geopend, en voor het eerst sedert haar terugkomst van Actium, was de dochter harer zuster weder eens aan hare borst gezonken, en hadden zij elkander lang omstrengeld gehouden. Op Charmion's uitroep: »Met haar, voor haar tot in den dood!" had het antwoord van Iras geklonken: »Tot in het graf!"

Dat woord had reeds in menig stil nachtelijk uur geleefd in de ziel der oude vriendin dier vrouw, die daar beneden met bloedend hart deelnam aan het bedwelmende maal van overmoedige feestgenooten. En daaraan had zich de vraag vastgeknoopt: »Is uw lot niet geketend aan het hare? Wat kan u het leven nog bieden, zonder haar?"

Thans had dit woord haar duidelijk verstaanbaar tegengeklonken uit den mond van een ander, en Charmion's gelofte had als een echo op den uitroep van Iras geantwoord: »Tot in den dood, evenals gij, wanneer zij ons vóórgaat. Wat er daarna ook komen moge, nergens mag zij het hart en de handen van Charmion missen."

»En zeker evenmin de liefde en de diensten van Iras," had deze wederkeerig verzekerd.

Zoo waren zij gescheiden, en het waren de aandoeningen van dit gewichtig oogenblik, die nog zichtbaar waren in de trekken der verouderende vrouw, die eens de liefde van haar hart had opgeofferd voor de koninklijke speelnoot harer jeugd, en die nu ook haar leven voor haar wilde geven.

Toen zij in Gorgias' huis afscheid nam van haar vrienden, drukte zij Dion met warmte de hand, en terwijl hij haar naar den wagen bracht, deelde zij hem mede dat Archibius, voor dat de troepen het eerst op elkander stieten, de koninklijke kinderen van hier naar zijn landgoed Irenia had geleid. Daar waren zij nu bij hem.

»Ik heb nooit een moeilijker uur moeten doorleven," besloot zij, »dan toen ik de koningin met een verscheurd hart van hen zag afscheid nemen. Wat zal de toekomst zijn voor die dierbare wezens, die zoozeer het grootste geluk waardig zouden zijn. Mijn laatste wensch is nu nog: de tweelingen en den kleinen Alexander erkend, en bewaard te zien voor dood en schande, en dan uw eigen zoon op den arm van Barine."

Op de Lochias moest Charmion nog lang wachten, eer de Koningin zich ter ruste begaf. Zij vreesde voor haar stemming, nadat zij het gastmaal had verlaten, want reeds maanden lang kwam Cleopatra telkens gedrukt, tot tranen toe bewogen of in groote verontwaardiging van den feestdisch der »metgezellen van den dood" terug. Wat moest dan wel de uitwerking zijn van dit laatste, dat zoo treurig begonnen was, en toen zoo uitgelaten vroolijk was geworden?

Eindelijk, in het tweede uur na middernacht, verscheen Cleopatra. Charmion dacht dat zij aan zinsverbijstering leed, want de oogen der Koningin die, toen zij haar verliet, vol tranen stonden, straalden nu met een blijden, opgewekten gloed, en toen haar vriendin haar de kroon van het hoofd nam, riep zij uit: »Waarom zijt gij zoo vroeg van het feest verdwenen? Misschien was dit het laatste, maar ik herinner mij geen dat schooner was! Het was als in de lentedagen van onze liefde. Marcus Antonius zou een steenen beeld hebben geroerd met die vereeniging van mannelijke stoutheid en nederige toewijding, waaraan geen vrouw kan weerstand bieden. Evenals vroeger krompen de uren tot oogenblikken in. Wij waren weder jong, weder één. Hier op de Lochias in dezen nacht waren wij bij elkander, en toch tegelijk in lang vervlogen tijden, en op andere plaatsen. Wat de zangers zongen, de muzikanten speelden, de dansers ons te zien gaven, dat ging alles voor ons verloren. Wij zweefden hand in hand terug naar een zonnige tooverwereld, en het sprookje van het rijk der zaligen, dat wij daar voor ons zagen in verblindende pracht en verrukkelijk genot, was de droom, dien ik als kind het liefste droomde, en meteen het schoonste tijdperk van het leven der Koningin van Aegypte.

»Het begon voor de poort van den Epicuristen-tuin. Op de rivier Kydnos werd het voorgezet. Ik zag mij zelve weder op het gouden schip, met bloemenguirlanden omwonden, op het purperen rustbed, met rozen om mij heen, en onder het van edelgesteente flonkerende tentdak. Een zacht windje blies in het zijden zeil, mijne gezellinnen lieten om mij heen hare stemmen klinken door snarenspel begeleid, de zefier droeg de zoete geuren die ons omzweefden naar den oever, en ademde hem de boodschap toe, dat de hoogste zaligheid hem naderde, waarvan hij had gedacht dat het genot alleen den goden was beschoren. En evenals zijn hart het mijne tegenklopte, en zijne bedwelmde zinnen sidderend naar mij verlangden, hetzelfde--dat heeft hij mij bekend--was ook het geval met zijn geest, zoodra die den mijnen ontmoette. In ons geluk gevoelden wij ons beiden door banden omslingerd, die niets, ook het noodlot niet, zou kunnen losmaken. Hij, de beheerscher der aarde, was overwonnen, en hij vond er een wellust in, de wenken zijner vorstin te volgen, omdat hij gevoelde dat zij, voor wie hij zich boog, zijne gehoorzame slavin was. En dat alles had geen tooverbeker uitgewerkt! Alsof ik was verlost van een vreeselijk schrikbeeld, dat--al was het ook in het vuur gesmolten--tot vóór enkele uren het zwaarste drukte op mijne ziel, leefde ik weder op. Geen magische kunst, niets dan de gaven van lichaam en ziel, die de overwonnen overwinnende, die de vrouw Cleopatra aan de gunst der goden te danken had, hadden zijn verheven mannelijkheid gedwongen zich aan haar over te geven.

»Van den Kydnos voerde hij mij hierheen, en nu begonnen de genotvolle dagen, die het ons vergund was door te brengen op den grond van mijn Alexandrië. Duizend uren, helder als de zon, golven van klanken, die sinds lang met den stroom van den tijd voorbij waren geruischt, wekte hij tot nieuw leven op, en ik, ik deed hetzelfde, en onze herinneringen smolten inéén. De onvergetelijke uren, die wij samen hebben doorleefd, wanneer wij ons, in dollen overmoed, onbekend onder het vroolijke volk mengden; al de Olympische vreugd die onzen boezem zwellen deed, als duizenden ons toejuichten; alles wat ons in het stille vertrek geest en zinnen met de wellust der zaligen vervulde; al het genot dat de kinderen ons schonken, als zuivere nectar voor de ziel--dat alles hebben wij elkander nu weder getoond en geschonken, en geen van ons beiden wist wie de gever was of de ontvangende. Het donkere, het pijnlijke scheen opgelost te zijn--en de kinderdroom, het sprookje, gedicht door de phantasie, stond als werkelijkheid voor mijne ziel, als dezelfde werkelijkheid--ik herhaal het--die ik mijn vroeger leven noem.

»En Charmion, als nu morgen de dood komt, behoef ik dan wel te zeggen dat hij te vroeg kwam, dat hij mij afriep, vóór het leven mij zijn schoonste gaven had mogen schenken? Neen, neen en nogmaals neen! Wie in zijn laatste uur tot zichzelven mag zeggen, dat de schoonste droom uit zijn kinderjaren nog overtroffen is geworden door een lang tijdperk van zijn leven, die mag zich gelukkig prijzen, al is het in den diepsten nood en aan den rand van het graf!

»De wensch om de eerste en hoogste onder alle vrouwen van haar tijd te worden, die reeds gekoesterd werd in het hart der jonge leerling, werd vervuld. Het vurig verlangen naar liefde, dat reeds toen mijn geheele ziel doorgloeide, dat heeft de minnende vrouw, de moeder, de Koningin bevredigd gezien, en opdat ook de vriendschap mij alles bieden zou wat zij vermag te geven, daarvoor liet de gunst van het lot mijn Archibius, uw broeder, zorgen en ook mijne Charmion en Iras.

»Laat nu komen, wat wil. Deze avond heeft mij geleerd dat het leven de belofte die het mij deed, gehouden heeft. Doch ook anderen zal het vergund zijn de schitterendste van alle Koninginnen, de vurigst beminde van alle vrouwen, gaarne te gedenken. Daar zorg ik voor, want het grafmonument dat Gorgias voor mij opricht, plaatst zich als een onverbrekelijke muur tusschen de Cleopatra, die nog heden met trotsch gevoel van eigenwaarde deze kroon draagt, en de dreigende vernedering en schande.

»Nu wil ik gaan slapen. Al brengt het ontwaken nederlaag, ellende en dood--toch heb ik geen reden om over mijn lot te klagen. Slechts één ding heeft het mij geweigerd: de rust zonder smart, die het kind en de opgroeiende jonkvrouw zich als het hoogste goed dachten; maar nu zal ook die nog het deel worden van Cleopatra. Het rijk des doods, dat zooals de Aegyptenaars zeggen, het stilzwijgen liefheeft, opent voor mij zijne poorten. De grootste rust vangt aan op zijn drempel, en wie zal zeggen waar zij ophoudt? De blik van onzen geest reikt niet ver genoeg om de grens te zien, waar zij aan het eind der eeuwigheid, die immers zonder einde is, door iets anders wordt verdrongen."

Hierop wenkte de Koningin haar vriendin om haar naar het slaapvertrek te vergezellen. Een deur leidde vandaar naar de kamer der kinderen, en een onwederstaanbare behoefte drong haar die te openen, en in de leege, donkere ruimte naar binnen te zien.

Een koude huivering ging haar daarbij door de leden. Zij nam eene der kamervrouwen die haar volgden, den kandelaar uit de hand, en trad daarmee naar de legerstede van den kleinen Alexander. Deze was leeg en verlaten, evenals de andere. Toen zonk haar opgeheven hoofd op de borst; de moedige kalmte, die uit den terugblik op haar vervlogen leven was ontstaan, kon niet langer duren, en zooals de helderste lichttinten aan den hemel, bij den schitterenden gloed van den avond, eensklaps plaats moeten maken voor den nacht, zoo kwam er in de ziel van Cleopatra, na de hooge geestvervoering der laatste uren, een plotselinge omkeer. Door een diepe, pijnlijke neerslachtigheid aangegrepen, wierp zij zich voor het bed der tweelingen neder. Daar bleef zij lang, stil weenend liggen, totdat Charmion haar, bij het aanbreken van den dag, vermaande ter rust te gaan. Toen richtte Cleopatra zich langzaam op, wischte hare tranen af, en zeide: »Zooeven scheen het leven, dat achter mij ligt, mij een prachtige tuin toe. Maar ach, hoeveel slangen strekten hunne platte koppen met de glinsterende oogen en de gespleten tong naar mij uit! Wie heeft de bloemen ter zijde geschoven, waaronder zij verborgen lagen? Ik geloof Charmion, dat het de geheimzinnige macht was, die immers hier bij de kinderen zich tegenover de kleinste zoo goed als de grootste gemoedsbeweging zoo krachtig doet gevoelen,--het was--wanneer heb ik dat huiveringwekkende woord toch voor het laatst gehoord?--het was het geweten. Hier, in dit verblijf van onschuld en reinheid, valt alles wat op een vlek gelijkt, sterk in het oog.--Hier.... o Charmion, waren de kinderen maar hier!--Mocht ik maar...

»Doch neen, neen! Het is goed, het is zeer goed dat zij weg zijn! Ik moet sterk blijven, en hun lieftalligheid zou mijn kracht breken. Maar het wordt steeds lichter. Kleed mij voor den dag. Ik zou eerder kunnen slapen in een instortend huis, dan met zulk een oproerig hart."

Men deed haar de donkere kleederen aan, die zij had uitgekozen, en terwijl zij daarmede bezig waren, klonk in de koninklijke haven daar beneden luid en vele malen herhaald het geluid der trompet en der andere signalen, tot het bijeenroepen van de vloot en het leger, waarvan in den nacht reeds een deel naar de heuvels aan de zee was gebracht.

Dat klonk krijgshaftig en stout. De goed uitgeruste schepen in de haven boden een prachtig schouwspel aan. Hoe dikwijls had Cleopatra niet reeds gezien dat er iets onverwachts gebeurde, en het schijnbaar onmogelijke mogelijk werd. De overwinning van Octavianus bij Actium, was die ook niet een wonder geweest? Wanneer het lot nu eens, als een grillig heerscher, tegenspoed in voorspoed veranderde? Wanneer Antonius zich heden weder eens een held betoonde, zooals gisteren, en een veldheer zooals zoo menigmaal in vroeger dagen?

Zij had geweigerd hem nog eens te zien vóór het begin van den slag, om hem niet af te leiden van de groote taak, die hij te vervullen had. Doch toen zij hem op zijn vurigen Barbarijschen hengst in blinkende wapenrusting, den oorlogsgod zelf gelijk, langs zijn troepen zag rijden, en hen dien gullen, opgewekten groet zag toewuiven, waarvan de warme vriendelijkheid zoo regelrecht uit zijn hart kwam, en die de krijgslieden zoo dikwijls tot vurige geestdrift had ontvonkt, toen moest zij zich geweld aandoen om hem niet tot zich te roepen, en hem te zeggen dat hare gedachten met hem medegingen.

Zij deed dit echter niet, en zoodra zijn purperen mantel uit het gezicht verdwenen was, liet zij haar hoofd weder zinken.

Hoe geheel anders hadden vroeger de toejuichingen der soldaten geklonken, wanneer hij zich aan hen had vertoond! Die koele beantwoording van zijn blijmoedigen, welgemeenden groet, was geen voorteeken van overwinning.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.