Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 32
»Ik heb lang over dezen brief geschreven, om uwe afzondering uit de wereld te veraangenamen en mijn eigen hart te verlichten. Hebt nog een poos geduld. De tijd is nu niet ver meer, dat het lot zelf u uit uwe verbanning bevrijden zal. Al de uwen, ook Archibius en Gorgias, dien ik tegenwoordig veel bij de Koningin zie, verlangen er dikwijls naar u op te zoeken, doch zij vreezen dat zij u daarmede vooreerst nog in gevaar zouden brengen."
De slechte tijdingen die deze brief bevatte, werden nog bevestigd door een anderen van Archibius, en spoedig daarna hoorden zij dat Cæsarion werkelijk met zijn gouverneur Rhodon den Nijl opgevaren was naar Aethiopië, en dat Antyllus naar Azië tot Octavianus was gezonden. Deze had hem wel is waar ontvangen, doch ook weder weggezonden, zonder zich tot iets te verbinden.
Dit laatste vernamen zij niet uit een brief, maar van Gorgias zelf, die hen eens, laat op een avond in Maart, met een bezoek verraste. Zelden werd een gast met hartelijker blijdschap ontvangen dan hij. Toen hij het eenvoudige vertrek binnentrad was Barine juist bezig een net te breien, terwijl zij daarbij aan de visschersdochter Dione van de zwerftochten van Odysseus verhaalde. Dion luisterde ook opgeruimd en aandachtig toe, en bracht nu en dan eens eene verbetering of opheldering in het midden, onder het snijden van een Poseidonkop voor de voorsteven van een pas gebouwde boot.
Op het oogenblik dat Gorgias zoo onverwacht hun drempel overschreed, scheen het alsof het matte schijnsel van de kiki-olielamp, die het vertrek slechts spaarzaam verlichtte, plotseling in zonneschijn veranderde. Hoe blijde schitterden aller oogen, hoe helder klonken de uitroepen van verwelkoming en verrassing! Dat was een vragen, antwoorden en vertellen! Gorgias moest deelnemen aan den avondmaaltijd der familie, want men had daarvoor de thuiskomst van den vader afgewacht, en nu had deze ook den gast medegebracht. En de versche oesters en zeekreeften, en wat er verder opgedragen werd, smaakten den stedeling beter dan de overdadigste feestmalen der »gezellen van den dood", waartoe hij tegenwoordig dikwijls door de Koningin genoodigd werd.
Wat Pyrrhus sprak en aan zijn zoons vroeg, was daarbij zoo verstandig, en betrof dingen die Gorgias zoo veel belangstelling inboezemden, juist omdat zij hem onbekend waren, dat hij, toen de goede wijn van Dion zou gedronken worden, beweerde dat, indien Pyrrhus ook aan hem huisvesting wilde verleenen, hij ook wel vervolgers zou willen hebben, en zich hierheen laten verbannen.
Toen zij later met hun drieën alleen bij de eenvoudige leemen mengkruik zaten, was het voor het eenzame, jonge paar alsof het beste deel van het stadsleven, dat zij den rug toe gekeerd hadden, naar hen toe gekomen was. Wat hadden zij elkander niet al te vertellen, Dion en Barine van hun kluizenaarsleven, Gorgias van de Koningin en het gedenkteeken, dat tegelijk een schatkamer zou worden. De schuine muren waren zoo stevig opgemetseld, alsof het gebouw bestemd was duizenden jaren te blijven bestaan, en een krachtigen aanval te kunnen weerstand bieden. Het binnenste gedeelte van de benedenverdieping was een hooge zaal, van verbazende afmetingen. In het midden daarvan moesten de groote marmeren sarcophagen worden geplaatst. Thans werd er ijverig gewerkt aan de reliëf-figuren, die de zijden en deksels daarvan moesten versieren. Deze zaal, waarvan de lichtgewelfde zoldering gedragen werd door drie paar dikke zuilen, moest worden ingericht als woonvertrek. De rustbanken, luchters en offertafels waren ook reeds in bewerking gegeven. Charmion had aan de gevluchten alles nauwkeurig beschreven. In de ledige ruimte naast de zaal, en in de bovenverdieping, waaraan eerst na de voltooiing der zoldering kon worden begonnen, moesten inderdaad kamers gemaakt worden, en daaronder en er naast, kokers voor den doortocht der lucht en tot berging van brandstoffen.
Het speet Gorgias, dat hij zijn vrienden die zaal niet kon laten zien, want zij was misschien het prachtigste en fraaiste wat hij ooit tot stand had gebracht. De edelste bouwstoffen waren er voor gebruikt: bruin porfier, zwartgroene serpentijnsteen en donkere marmersoorten; en de mozaïeken en bronzen deuren, nu bijna voltooid, waren meesterstukken van Alexandrijnsche kunst. Het was een vreeselijke gedachte dat alles te zien vernietigen, doch nog ondragelijker was het te denken dat het bestemd was om weldra het lijk der Koningin te bergen.
Weder liet Gorgias zich door zijne verrukking over deze grootste en heerlijkste van alle vrouwen, tot de geestdriftigste ontboezemingen verleiden, totdat ook ditmaal weder Dion hem tot bezadigdheid vermaande, en Barine verlangde nog wat te hooren van hare moeder, grootouders en zuster. Van die allen viel niets dan goeds te berichten.--Wel had de bouwmeester alle dagen te strijden met den grijzen philosoof, want deze noemde het de gastvrijheid misbruiken, om zoo lang met zijne geheele gezin bij zijn jongen vriend in te wonen, maar Gorgias had toch nog altijd overwonnen, ook tegenover vrouw Berenice, die wilde dat hij en de zijnen in haar eigen huis hun intrek zouden nemen.
Cleopatra, verhaalde de bouwmeester verder, had het huis en den tuin van Didymus gekocht, en er driemaal de waarde voor betaald. Daardoor was hij een rijk man geworden, en had Gorgias opgedragen een nieuw huis voor hem te bouwen. Het stuk grond was daar al voor gevonden; het lag aan de zee, in de nabijheid der bibliotheek, doch daar het een groot gebouw zou worden, zou hij het pas in den zomer kunnen betrekken. Het zou in de droge, Aegyptische lucht wel spoediger onder dak zijn gekomen, indien hij niet aan de vele, meest zeer verstandige wenschen van Helena gevolg had willen geven.
Barine en Dion zagen elkander hierbij veelbeteekenend aan, doch de bouwmeester bemerkte dit, en riep uit: »Ik begrijp uwe oogentaal zeer goed, en ik wil u ook wel bekennen dat reeds vijf maanden lang Helena in mijne oogen de begeerenswaardigste van alle jonkvrouwen is. Ik zie ook wel, dat ik ook haar niet onverschillig ben. Doch zoodra ik _haar_, ik bedoel de Koningin, weder vóór mij zie, en hare stem hoor, dan is het alsof een stormwind iedere gedachte aan Helena doet vervliegen en het ligt niet in mijn aard om iemand, wien ook, te bedriegen. Hoe kan ik aanzoek doen om de hand eener vrouw die ik zoo hoog stel als haar, en wier zuster gij zijt, Barine, wanneer het beeld van eene andere mijn geheele ziel inneemt?!"
Hier herinnerde Dion hem aan zijn eigen gezegde, dat men de Koningin enkel liefhad als een godin, en bracht, zonder zijn antwoord af te wachten, het gesprek op andere zaken.
Het was te drie uur in den nacht, dat Pyrrhus hem vermaande tot vertrekken. Terwijl de bouwmeester op het snelste vaartuig van den visscher naar de stad terugvoer, vroeg hij zich zelven af, of meisjes, die voor haar huwelijk in zulk een ongestoorde rust leefden als Helena, wel betere huisvrouwen zouden kunnen worden, en zich beter in alles zouden voegen dan Barine, die toch altijd zoo was bewonderd en gevierd, en die door Dion midden uit het drukste gewoel van het leven in de wereldstad, naar de grootste afzondering was overgebracht.
Op dezen heerlijken avond volgde een dag van opwinding en groote spanning, want het jonge paar moest zich verschuilen voor de mannen die de belasting kwamen innen, en wien Pyrrhus een gedeelte van het geld moest afstaan, dat hij in dat jaar had opgespaard, en ook zijn nieuwe, groote schuit, waarmede hij de volle zee wilde bevaren. De nieuwe uitrustingen van het leger eischten namelijk aanzienlijke geldsommen, en voor de vloot werd beslag gelegd op alle vaartuigen die eenigszins daarvoor konden dienen. Hetzelfde lot als den visscher trof de geheele bevolking van stad en land. Zelfs de schatten van den tempel werden ten bate daarvan gebruikt, en toch wist ieder, dat de groote sommen, die door deze meedoogenlooze afpersingen in de staatskas vloeiden, even goed dienden ter voldoening aan de zucht tot vermaak van het hof, als tot de uitrusting van leger en vloot.
Met dat al kwam het volk niet in opstand. Zóó groot was de liefde voor hunne Koningin, zóóveel prijs stelde men op de onafhankelijkheid van Aegypte, zóó bitter was de haat tegen de Romeinen.
De bannelingen konden zelfs van hunne klip af zien, hoeveel ernst Cleopatra met hare toebereidselen maakte, midden onder al de buitensporige genoegens, waaraan zij zich niet altijd onttrekken kon. Op alle scheepstimmerwerven heerschte dag en nacht een koortsachtige bedrijvigheid, en de haven vulde zich steeds meer met schepen. Onophoudelijk gingen en kwamen oorlogsvaartuigen. Op het Slangeneiland kon men voortdurend, dikwijls nog bij het licht der sterren, de oefeningen zien van roeiers of geheele eskaders, in de open zee.
Van tijd tot tijd zagen zij ook een prachtig schip van den Staat, met Antonius aan boord, die de zoo snel gevormde vloot in oogenschouw kwam nemen. Hij richtte dan tot het nieuw aangeworven scheepsvolk een van die geestdriftwekkende toespraken, waarin hij nog altijd een onovertrefbaar meester was. Tot de bemanning der pas gebouwde oorlogsschepen behoorden nu ook twee zoons van Pyrrhus. In April had men hen opgeroepen tot den dienst, en hoewel Dion hun vader een groote som gegeven had om hen vrij te koopen, was hem dit niet gelukt.
Van nu af aan werden er in den kring van die tevreden menschen op de eenzame klip, veel tranen vergoten, en als Dionysos en Dionichos eens een vrijen dag hadden om de hunnen te bezoeken, dan gaven zij hun hart lucht in klachten over de wreede haast, waarmede de jonge manschappen werden gedrild, en onbarmhartig afgebeuld. Zij vertelden van de burger- en boerenzonen, die men met geweld uit hun dorp, van hunne ouders en hunne zaken had weggehaald, om hen tot zeelieden op te leiden. In hunne gelederen heerschte groote verontwaardiging, en men leende maar al te gaarne het oor aan opruiers, die verhaalden hoeveel beter de lieden op de schepen van Octavianus werden behandeld.
Pyrrhus bezwoer zijn zoons niet mede te doen aan pogingen tot muiterij; de vrouwen daarentegen zouden alles goedgekeurd hebben wat maar eenigszins beloofde de jongelingen te bevrijden uit hun harden dienst, en hare vroolijke levenslust ging in zwaarmoedige bezorgdheid over.
Barine was ook dezelfde niet meer. Zij had haar opgeruimdheid en bedrijvigheid verloren. Hare oogen zwommen menigmaal in tranen, en als men haar met gebogen hoofd zag rondloopen, zou men denken dat zware zorgen haar drukten.
Was het de April-hitte met hare woestijnwinden, die zulk een verandering had teweeg gebracht? Zou eindelijk het verlangen naar de afwisselende en opwekkende levenswijze van vroeger tijd haar te machtig worden? Begon de eenzaamheid haar te zeer te drukken? Was de liefde van haar echtgenoot niet meer genoeg om haar schadeloos te stellen voor zoovele goede dingen, die zij voor hem had opgegeven?--Neen! dat kon het niet zijn. Nooit had zij dien geliefden man met inniger teederheid in het gelaat gezien, wanneer zij soms op een beschaduwde plek geheel alleen met hem was. Zij, die in zulke uren het verpersoonlijkte geluk en welvaren geleek, was zeker niet ongelukkig of ziek.
Dion daarentegen droeg steeds het hoofd zoo hoog, en zag zoo fier en trotsch rond, alsof het leven hem een allervriendelijkst gelaat toonde. En toch had hij gehoord dat zijne goederen in beslag genomen waren, en dat hij het alleen aan Archibius en den invloed van zijn oom te danken had, dat zijn geheele vermogen nog niet, zooals dat van zoovele anderen, in de koninklijke schatkist terecht gekomen was--maar welken tegenspoed zou hij in dezen tijd niet gemakkelijk te boven gekomen zijn?
Een groot geluk, het allergrootste dat de hemelsche machten een mensch kunnen schenken, begon voor hem en zijne jonge vrouw te ontluiken, en toen de Meimaand gekomen was, deelden ook de vrouwen op het eiland in de hoop, die haar zalig maakte.
Pyrrhus bracht uit de stad een offeraltaar voor haar mede, en een marmeren beeld van Ilythyia, de godin der geboorte, die door de Romeinen Lucina werd genoemd, dat zijn vriendin Anukis hem uit naam van Charmion had overhandigd. Het gesprek was daarbij weder op de slangen gekomen, die op het naburige eiland zoo talrijk moesten zijn. Zij had gevraagd of het moeilijk zou zijn er eene levend te vangen? En de vrijgelatene had dit ontkennend beantwoord.
Het beeld der godin en het altaar kregen een plaats bij de andere heiligdommen, en hoe dikwijls goot Barine en ieder der andere vrouwen zalf op den steen!
Dion beloofde aan de godin, die de vrouwen in hare verwachting ter zijde stond, een fraaie kapel op de klip en een in de stad, indien zij zijn geliefde jonge vrouw genadig wilde bijstaan.
Eens, in Juni, als de middagzon op het heetst is, bracht de visscher des avonds twee welbekende vrouwen op de klip mede: Helena, de jongere kleindochter van Didymus, en Chloris, de voedster van Dion, die reeds zijne moeder trouw had gediend, en later het opzicht gekregen had over de slavinnen van zijn huis.
Recht dankbaar en blijde strekte Barine de armen naar hare zuster uit. Haar moeder had zich alleen laten terughouden door de verzekering, dat haar verdwijnen de aandacht der verspieders trekken zou. De gerechtsdienaars waren inderdaad waakzaam, want Marcus Antonius liet nog altijd de zangeres opsporen, de zaakwaarnemer Philostratus had zijn afkondiging, dat op de gevangenneming van Dion twee talenten belooning stonden, niet weder ingetrokken, en de dienaren hielden daarom het paleis van den ontvluchte, evenals Berenice's huis, voortdurend zorgvuldig in het oog.
Het scheen voor de stille Helena moeilijker te zijn zich in de eenzaamheid te schikken, dan voor haar meer levendige zuster. Hoe duidelijk zij ook hare liefde voor Barine deed blijken, toch verzonk zij dikwijls in mijmerij, en iederen avond ging zij, zoodra de schaduwen zich begonnen te verlengen, naar den zuidelijken rand van het eiland, en tuurde naar de stad, waar hare grootouders, hoe goed zij ook in het huis van Gorgias bezorgd waren, haar toch zeker wel zouden missen.
Acht dagen waren sedert hare aankomst verstreken, en het eenzame leven scheen haar nu nog meer te drukken dan op den eersten en tweeden dag. Het verlangen naar hare grootouders scheen ook nog toe te nemen, want dien dag was zij zelfs in de brandende middagzon naar het strand gegaan, om een enkelen blik op de stad te werpen.
Hoe lief had zij die oude lieden toch!--Maar Dion vermoedde dat de vochtige oogen, waarmede Helena heden in de schemering weder bij hen binnengekomen was, een jongeren bewoner der wereldstad golden, en in weerwil van de tegenspraak zijner vrouw, scheen hij toch goed geraden te hebben. Slechts korten tijd daarna lieten zich vóór het huis heldere stemmen hooren, en toen er een luide, hartelijke lach klonk, sprong Dion op en riep Barine toe: »Zóó kan alleen Gorgias lachen, wanneer hem iets zeer buitengewoons is overkomen."
Hij ijlde naar buiten, zag rond, doch er was in den helderen maneschijn niets meer te zien dan vader Pyrrhus, die naar de ankerplaats terug ging.
Maar Dions oor was scherp, en nu meende hij aan de andere zijde van het huis gedempte stemmen te hooren. Hij ging daar aanstonds op af, en toen hij den hoek van het gebouw omsloeg, bleef hij verrast staan, en riep, toen hij dicht bij zich een gesmoorden kreet hoorde: »Goeden avond, Gorgias. Tot weerziens! Ik wil u niet storen."
Met enkele vlugge stappen was hij bij Barine terug. Hij fluisterde haar in het oor: »Daarbuiten in den maneschijn heb ik Helena aan de borst van Gorgias haar verlangen naar haar grootouders zien stillen!" en zij klapte daarbij in de handen, en zeide glimlachend: »Zóó gaan in deze woestenij de goede oude zeden verloren. Een minnend paar te storen bij hunne eerste ontmoeting! Maar het is waar, dat heeft Gorgias ons, midden in Alexandrië, ook gedaan, en nu moet hij daarvoor boeten."
Spoedig daarna kwam de bouwmeester met zijn verloofde aan den arm de kamer binnen. Van uur tot uur had hij Helena meer gemist, en op den achtsten dag had hij het onmogelijk bevonden, nog langer den last des levens te dragen zonder haar. Hij verzekerde nu met een goed geweten, dat hij bij hare moeder en grootouders eerlijk aanzoek om haar had gedaan, want reeds op den derden dag na het vertrek van Helena was de verhouding tusschen de Koningin en hem veranderd. In de tegenwoordigheid van Cleopatra was hem, namelijk het beeld van Helena, nog duidelijker voor den geest gekomen dan vroeger tegenover haar dat der nog altijd onvergelijkelijke Vorstin. Een smachtend verlangen zooals dat, waardoor hij in de laatste dagen werd gekweld, was hem tot dusver alleen maar bekend geweest uit de wereld der verdichting.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Ditmaal was het den bouwmeester slechts enkele uren vergund op het Slangeneiland te blijven, want ook in de stad begon het er ernstig uit te zien, en aan den bouw van het grafmonument werd zelfs des nachts ijverig voortgewerkt. Het inwendige van de eerste verdieping naderde zijne voltooiing, en de opbouw der tweede vorderde goed. Maar ook het benedengedeelte eischte nog veel arbeid. Dit moest, evenals het geheel, een volmaakt kunstwerk worden. De mozaïekwerkers, die den vloer der groote zaal hadden ingelegd, hadden zichzelve overtroffen. Op het beeldhouwwerk voor de zijwanden kon nu niet langer worden gewacht. Dáár, waar eigenlijk reliëfs van brons behoorden te zijn, moesten voorloopig platen van gepolijst zwart marmer worden aangebracht, want er was de grootste haast bij.
Octavianus was reeds tot Pelusium genaderd, en al zou Seleukus, de bevelhebber der bezetting, de sterke vesting ook nog lang behouden, toch kon reeds in de volgende week een deel van het vijandelijk leger voor Alexandrië verschijnen.
Trouwens, er stond een eerbiedwaardige strijdmacht tot zijn ontvangst gereed. De vloot scheen tegen die van den vijand opgewassen; de ruiterij, die Antonius den vorigen dag voorbij de Koningin had doen trekken, moest welgevallen vinden ook in de oogen van een kenner, en de imperator had al zijn hoop gevestigd op de krijgslieden, die in vroeger dagen onder hem hadden gediend, die in tijd van voorspoed zijn grootmoedigheid en mildheid hadden leeren kennen, en nog niet de gedenkwaardige dagen zouden vergeten hebben, toen hij gewillig en vroolijk, gevaar en ontbering met hen had gedeeld.
Helena bleef op het eiland, en haar verlangen naar het oude echtpaar was aanmerkelijk verminderd. Flink en hulpvaardig roerde zij nu hare handen, en haar helderen blik bewees, dat het eenzame leven op het eiland ook voor haar veel aantrekkelijks begon te krijgen.
Daarentegen was over den jongen echtgenoot een groote onrust gekomen. Hij verborg die voor de vrouwen, doch het kostte den ouden Pyrrhus dikwijls moeite hem terug te houden van een tocht naar de stad, die, zoo kort vóór de eindbeslissing, de vrucht der volharding en ontbering weleens kon doen verloren gaan. Reeds menigmaal had Dion zich met zijn echtgenoot willen inschepen om naar een groote stad in Syrië of Griekenland te gaan, doch altijd was hij door nieuwe, gewichtige bezwaren daarvan teruggekomen. Vooral was het gevaarlijk, omdat ieder vaartuig nauwkeurig werd onderzocht vóór het de haven verliet,--en het was onmogelijk daaruit te komen, zonder de smalle straat ten Oosten van den pharus, of den doorgang in het Heptastadium voorbij te gaan, die beiden gemakkelijk konden worden bewaakt. De kalme bezadigdheid, die anders den jongen Raadsheer kenmerkte, was nu in koortsachtige onrust overgegaan, en ook zijn oude getrouwe beschermer had zijn gemoedsrust verloren, want spoedig zou de vloot, waarop zijn zonen dienden, met die van Octavianus in botsing komen.
Op zekeren dag kwam hij diep getroffen uit de stad terug. Hij had gehoord dat Pelusium gevallen was.
Toen hij aangeland was, vond hij op de klip alles stil. Niemand, zelfs niet Dione, was er om hem te ontvangen.
Wat was hier gebeurd? Waren de hier verborgen vluchtelingen ontdekt, en had men hen en de zijnen naar de stad, misschien wel naar de steengroeve gesleept?
Doodsbleek, maar kalm en ongebogen, ging hij naar zijn huis. Hij had aan Dion en diens vader zijn hoogste levensgenot, de vrijheid te danken, en bovendien den grondslag van alles wat hij verder bezat. Maar indien zijn vrees reden van bestaan had, en hij van alles was beroofd, dan mocht hij, zelfs als een eenzame bedelaar, toch nog altijd van zijn vrijheid blijven genieten. Wanneer hij voor den man, door wiens toedoen hij het beste bezat, al het overige moest prijsgeven, dan was het ook zijn plicht, dat geduldig te dragen.
Het was nog licht. Ook toen hij dicht bij het huis gekomen was, trof geen ander geluid zijn oor dan het blijde geblaf van zijn grooten wolfshond Argus, die tegen hem opsprong.
Hij stak de hand uit om de deur te openen, doch zij werd van de andere zijde reeds opengeduwd. Dion had hem zien aankomen, en in het gevoel van de nieuwe, groote zaligheid, die deze dag hem had gebracht, viel hij den trouwen man opgewonden in de armen, en riep hem toe:
»Een jongen, een heerlijke jongen!--Hij zal Pyrrhus heeten." Nu vloeiden de tranen van den vrijgelatene in zijn grijzen baard, en toen zijn oude levensgezellin hem met den vinger op den mond tegemoet kwam, fluisterde hij haar met bevende stem in het oor: »Toen ik hen hier bracht, waart gij bang dat die menschen uit de stad ons in het verderf zouden storten;--maar toch hebt gij hen gehuisvest zooals het hen toekwam, en nu--Pyrrhus zal hij heeten!--Wat heb ik, geringe man, gedaan, dat mij zoo iets groots en schoons ten deel valt?"
»En ik dan, ik!" snikte de visschersvrouw. »En het kind, dat lieve wurmpje!"
Op dezen dag van zonnige blijdschap volgden anderen van stille zielevreugd, het reinste genot, en tegelijk van de grootste bezorgdheid. Zij brachten ook menig uur door, waarin Helena gelegenheid vond hare zorgelijkheid te toonen, en de oude Chloris en de visschersvrouw stonden haar daarbij met hare ondervinding ter zijde. Een bevalliger jonge moeder dan Barine, een schooner kind dan den kleinen Pyrrhus, geloofden allen, tot den grijzen peetvader toe, nooit te hebben gezien. Doch Dion hield het nu op de klip niet langer uit.
Duizenderlei dingen, die hem tot dusver onbeduidend hadden toegeschenen, en waaromtrent hij onverschillig was geweest, waren nu in zijne oogen gewichtig, en moesten door hem persoonlijk behandeld worden. Hij was vader, en uit ieder verzuim kon voor zijn zoon een nadeel ontstaan. Zoo bruin verbrand door de zon als hij tegenwoordig was, en met dat lange haar en dien baard, was er maar weinig toe noodig om hem zelfs voor zijn vrienden onkenbaar te maken. In de kleederen die hij reeds lang gedragen had, en met die handen die op werf geheel vereelt geworden waren, moest ieder hem wel voor een echten visscher aanzien.
Misschien was het dwaas, doch de behoefte om zich aan Barine's moeder, hunne grootouders en Gorgias als vader te vertoonen, scheen hem wel waard een gering gevaar daarvoor te trotseeren, en zoo voer hij, zonder Barine, die zich reeds weder in hare vertrekken bewoog, van zijn plan te onderrichten, na zonsondergang op den laatsten Juli naar de stad.
Hij wist dat Octavianus oostelijk van Alexandrië bij het Hippodroom gelegerd was. Ook van het Slangeneiland af had men in de witte verhevenheden die daar gekomen waren, de tenten kunnen onderscheiden. 's Namiddags was Pyrrhus teruggekomen met de tijding dat de ruiterij van Octavianus door die van Marcus Antonius was verslagen. En ditmaal mocht men aan dit bericht der overwinning geloof slaan, want het paleis op de Lochias was feestelijk verlicht, en op het oogenblik dat Dion aan wal stapte, was het zeer druk op de kade. De een riep den ander toe, dat alle kansen goed stonden. Marcus Antonius was weder de oude geworden. Hij had gestreden als een held.
Velen, die hem gisteren nog hadden gevloekt, mengden heden hunne stemmen in het »Evoë" dat weerklonk ter eere van den nieuwen Dionysos, die opnieuw zijne goddelijkheid had bewezen.