Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 31

Chapter 313,928 wordsPublic domain

Gedurende de eerste dagen hadden de koortsphantasieën hem telkens weder zijn overleden moeder doen zien, die hem angstig op zijn jonge vrouw wees, alsof zij hem voor haar waarschuwen moest. Nu herinnerde de herstellende zich deze zinsbegoochelingen, en deze waren het alleen die somtijds de vraag bij hem deden opkomen, of Barine het in de eenzaamheid op deze woeste klip op den duur zou kunnen uithouden, en of zij de opgeruimdheid harer ziel, die hem telkens opnieuw in verrukking bracht, er niet bij verliezen zou? Zou het wonder zijn als zij hier van heimwee verkwijnde, en ook lichamelijk zou moeten lijden onder zulke groote ontberingen? Het deed hem goed op te merken dat de liefde haar nu nog schadeloos stelde voor alles wat zij had achtergelaten, doch hij wilde niet toegeven aan de hoop dat dit langen tijd zoo kon blijven. Alleen een overdreven gevoel van eigenwaarde zou zich veroorlooven zoo iets te verwachten. Maar hij moest toch zijn eigen aantrekkingskracht of de liefde van Barine onderschat hebben, want met iedere nieuwe week werd de vroolijke tevredenheid van haar stemming bestendiger. Hem zelven ging het evenzoo, want in lang had hij zich niet zoo frisch, zoo onbevangen en zorgeloos gevoeld. Het eenige wat hij betreurde was de onmogelijkheid om in dezen moeilijken tijd deel te nemen aan het staatkundig leven der stad. Somtijds verontrustte hij zich ook over het lot en het beheer van zijn bezittingen, hoewel een aanzienlijk deel van zijn vermogen, dat hij aan een vertrouwden wisselaar in bewaring gegeven had, hem toch altijd zou overblijven, ook al werd er op zijn overige goederen beslag gelegd. Barine stelde in alles wat hem betrof belang, ook in dergelijke beslommeringen, en dit gaf hem aanleiding haar in te lichten omtrent de zaken van de stad en den Staat, waarnaar zij vroeger zoo weinig had gevraagd, en omtrent zijne bezittingen in Alexandrië en in de provincie. Als hij zoo sprak luisterde zij gaarne en met belangstelling toe, terwijl zij overdag van de reede aan de noordzijde met hem een eind de zee invoer, of in de lange winteravonden netten breide, een kunst die zij van Dione had geleerd. Men had haar uit de stad ook haar luit medegebracht, en hoeveel genot kon zij met haar gezang haar echtgenoot en haar zelve bereiden, en welke dankbare toehoorders had zij in haar groote en kleine gastvrije vrienden!

Ook waren er eenige boekrollen gekomen, en Dion vond er een genoegen in, met Barine over den inhoud te spreken. Hij zelf las slechts weinig, want overdag was hij zelden te huis. Reeds in de vierde week kon hij de mannen bij het visschen, en Dionikos bij de scheepsbouw, met zijne in de Palastra gestaalde armen behulpzaam zijn.

Bij dezen innigen, onafgebroken, en door niets gestoorden omgang van de jonggehuwden, ontdekte de een bij den ander telkens onverwachtte schatten, die bij het leven in de stad misschien voor altijd zouden verborgen gebleven zijn. Hier was de een alles voor den ander, en door dit ongehinderd in en met elkander leven, verkregen zij dat heerlijk gevoel van onafscheidelijk één zijn, dat anders eerst na jaren het deel wordt der gehuwden, als de schoonste vrucht van een op liefde gegrondvest echtverbond.

Wel waren er ook uren, waarin Barine haar moeder en de anderen die haar lief waren, o zoo gaarne weder zou zien, maar de brieven, die zij van tijd tot tijd ontving, maakten dat dit gevoel geen pijnlijk verlangen werd.

De voorzichtigheid gebood het verkeer met de stad zooveel mogelijk te beperken. Doch zoo menigmaal Pyrrhus naar de markt voer, kwamen er ook brieven mede terug, die Anukis, Charmion's getrouwe Nubische, den ouden vrijgelatene overhandigde bij den vischafslag aan de haven. Langzamerhand waren deze twee goede vrienden geworden.

Zoo was dan nu de tijd gekomen, dat Dion zonder zelfbedrog zich durfde bekennen, dat Barine in deze woestenij volkomen tevreden was, en dat zijn liefde en de omgang met hem haar geheel schadeloos stelde voor het opwindende leven vol afwisseling in de hoofdstad. Als er een brief kwam van haar moeder, haar zuster of Charmion, of van haar grootvader, Archibius of Gorgias, dan kon toch geen van die allen haar wensch om die stille schuilplaats te verlaten, in brandend heimwee veranderen; wel gaf elke brief nieuwe stof tot gesprekken, en daaronder was veel wat hen des te vaster verbond, omdat het hun beider belangstelling wekte.

In de tweede maand na hun vlucht kwam er een schrijven van Archibius, waarin hij mededeelde, dat zij nu spoedig aan terugkeeren mochten denken, want de Syriër Alexas was gebleken een laaghartig verrader te zijn. Hij had de taak, die hem opgedragen was, om Herodes voor de zaak van Antonius te winnen, niet volbracht, was zelf verradelijk zijn beschermer afgevallen, en bij den Koning der Joden gebleven. Toen hij met zeldzame onbeschaamdheid Octavianus zelf had opgezocht om hem de geheimen van zijne Aegyptische weldoeners te verkoopen, was hij gevangen genomen en in zijn vaderland Laodicea terechtgesteld.

Nu, vervolgde hun vriend, waren Cleopatra evenals haar gemaal de oogen open gegaan voor den grootsten beschuldiger van Barine. Natuurlijk was, ten gevolge van de snoode daad zijns broeders, ook het aanzien van Philostratus geheel te niet gegaan. Toch moesten zij nog een weinig geduld hebben, want Cæsarion had zich bij de epheben gevoegd, en Antyllus was met de »toga virilis" bekleed. Nu konden zij allerlei dingen ondernemen op hun eigen hand, en dat Cæsarion niet zou nalaten Barine te vervolgen, kon men gemakkelijk opmaken uit vele zijner gezegden.

Voor zijn eigen persoon vreesde Dion van den koninklijken jongeling niets, maar ter wille zijner gade durfde hij de waarschuwing van zijn vriend niet in den wind slaan. Dat was hard, want wel is waar voelde hij zich nog gelukkig op het eiland, maar hij smachtte er toch naar, zijn geliefde vrouw binnen te leiden in zijn eigen huis, en hij verlangde in dezen rampspoedigen tijd met zijn geheele ziel naar de zittingen van den Raad terug. Daarom vooral zou hij gaarne naar de stad zijn gegaan, doch Barine verzocht hem zoo dringend, het zekere geluk dat zij hier smaakten niet lichtvaardig prijs te geven voor een grooter, waarachter misschien het ergste onheil verborgen lag, dat hij eindelijk toegaf. Een nieuwe brief van Charmion bewees ook spoedig hoe noodzakelijk het nog altijd was, voorzichtigheid te oefenen.

Zelfs van hun eiland af hadden zij kunnen opmerken hoe in Alexandrië alles feestvreugde was, en hoe het hof en de burgerij zich liet meesleepen in de meest woeste uitgelatenheid. Zoo dikwijls de wind uit het Zuiden woei, droeg hij enkele tonen der vroolijke muziek of onverstaanbare klanken van het luidruchtigste volksgejubel tot hen over.

De visschersdochter Dione riep hen ook somtijds naar den oever, om de gondels te bewonderen, die met fabelachtige pracht gesierd, met bloemen omwonden waren, en waaruit de tonen van een luit of van gezang opstegen. Zeilen van geborduurde purperen zijde dreven de vaartuigen over den gladden zeespiegel. Eenmaal zelfs zagen de toeschouwers uit de verte op een scheepje, dat rijk met vergulde beelden was versierd, jonge slavinnen, met loshangend haar en doorschijnende zeegroene kleederen, als Nereïden de lichte sandelhouten roeiriemen hanteeren. Meermalen bracht de wind de welriekende geuren, die de gondels omzweefden, tot hen over, en in stille nachten gleden de feestelijke schepen in het tooverachtige licht van veelkleurige lampen over het water. In de opvarende ontdekten zij goden, godinnen en halfgoden, die in fraaie groepen, in staande of liggende houding, tooneelen uit mythe en geschiedenis voorstelden. Op het dek van het prachtige schip der Koningin zag men de bekranste gasten op purperen rustbanken onder bloemfestoenen, een feestmaal houden en gouden bekers ledigen.

Dan weder was des nachts de oever van het Bruchium daghelder verlicht. Dan prijkte in de Rhakotis de indrukwekkende koepel van het Serapeum, met lampen bedekt, als het op aarde neergedaalde, met sterren bezaaide hemelgewelf boven de platte daken der stad. Iedere tempel en ieder paleis was veranderd in een reuzenluchter, en de reeksen lampen aan de kade strekten zich uit als bonte lichtranken, van den verblindend stralenden marmeren tempel van Poseidon af tot aan het paleis op de Lochias, dat ook scheen te baden in een zee van licht.

Zoo vaak Pyrrhus en een van zijn zoons van de markt huiswaarts keerden, verhaalden zij van de feesten en tooneelvoorstellingen, drinkgelagen, wedrennen en pleziertochten zonder einde, die door het hof gegeven werden, en de burgerij voortdurend bezig hielden. Het was een voordeelige tijd voor de visschers, want alles wat zij vingen werd door de koks der Koningin opgekocht en ruim betaald.

Het was al Januari geworden, toen de laatste brief van Charmion kwam. Dion en Barine hadden op den geboortedag van Cleopatra te vergeefs verwacht dat er iets ongewoons gebeuren zou, maar op dien van Antonius, die enkele dagen later viel, was er buitengewoon veel muziek en gejuich geweest, en in den avond een bijzonder prachtige verlichting.

Twee dagen later had Pyrrhus dien brief van zijne bruine vrienden Anukis gekregen. Op hare vraag of hij het nu eindelijk voor mogelijk hield dat de een of ander zijne beschermelingen kwam bezoeken, had hij ontkennend geantwoord; want sedert Octavianus in Azië verblijf hield, wemelde het in de haven van bewakers, en ééne onvoorzichtigheid kon alles bederven.

Intusschen was de brief van Charmion, nog meer dan de waarschuwing van den visscher, geschikt om het toenemend verlangen van Dion naar zijn vaderstad te beteugelen. Wel bevatte de aanhef goede tijdingen omtrent de bloedverwanten van Barine, maar daarna kwam de mededeeling aan Dion dat zijn oom de zegelbewaarder, tegenwoordig in weelde zwom. Van zijn talent tot het bedenken van vermaken werd meer dan ooit partij getrokken. Iedere dag bracht een feest, iedere nacht overdadige gastmalen. De eene tooneelvoorstelling, pleiziertocht, of jachtvermaak volgde op de andere. Zelfs in den tijd voor Actium waren er in de theaters, het Odeum, het Hippodroom, geen schitterender voorstellingen, wedrennen, spiegelgevechten op zee, gladiatorengevechten en jachten op dieren geweest. Dion had zelf vroeger dergelijke vermaken bijgewoond als lid van het gezelschap der »onnavolgbare kunstenaars om het leven te genieten," dat zeer gezien was aan het hof. Dat was nu weder in het leven geroepen, doch Antonius had hen de »metgezellen van den dood" genoemd. Dat teekende. Ieder wist, dat hij zijn einde tegemoet ging, en het voorbeeld van dien Pharao navolgde, wien het orakel nog zes levensjaren had beloofd, en die dat logenstrafte en er twaalf van maakte, door ook de nachten door te zwieren.

De wederontmoeting van de Koningin en haar gemaal waarvan zij vroeger had gesproken, was hartverheffend geweest.

»Toen," schreef zij, »hoopten wij dat er weder een beteren tijd zou aanbreken, en dat Marcus Antonius, medegesleept en opgeheven door een nieuw ontwaakte liefde, de oude heldenkracht terug zou vinden; doch wij hadden ons vergist. Cleopatra gaf zich wel-is-waar niet aan de rust over, maar hij had met zijn verbazend grooten ruiker van rozen bewezen dat hij alles wat de verhitte phantasie van een mensch, die voor genot leeft, uitdenken kan, tot het uiterste dreef. De vertooningen der »onnavolgbare kunstenaars van het leven," werden door de »metgezellen van den dood" nog overtroffen.

»Antonius staat aan hunne spits, en de man, wiens reuzenlichaam de ongeloofelijkste inspanning weerstaat, slaagt er in zich te bedwelmen, en te vergeten dat hij zijn ondergang nadert. Wanneer wij hem na een losbandig doorgezwierden nacht terug zien, dan stralen zijne oogen even helder, en zijn stem heeft een even frisschen metaalklank als bij het begin van het gastmaal. De Koningin is zijn godin, en wie zou er niet van getroffen zijn, wanneer de reus zich gehoorzaam buigt voor den wenk der tengere gebiedster en al het mogelijke uitdenkt en haar aanbiedt, om daarmede een glimlach op hare lippen te tooveren. De tijd toen hij zoo onstuimig en onrustig dong naar haar gunst, ligt nu immers reeds ver achter hem; ik heb bij zijn huldeblijken, die de epheben van onze dagen wellicht verouderd zullen noemen, echter altijd het gevoel alsof zich een berg voor een ster buigt. De oningewijde, die haar in zijn gezelschap ziet, houdt haar voor gelukkig. In den sprookjesachtigen glans van den feesttooi, wanneer allen die om haar heen zijn haar aanbidden, hulde brengen en met bloemen bestrooien, zou men zelfs kunnen denken dat de zondige dagen van vroeger waren teruggekeerd, doch als wij alleen zijn, hoe zelden zie ik haar dan glimlachen! Nu eens houdt zij zich bezig met het grafmonument, dat onder de leiding van Gorgias snel vordert; dan weder overlegt zij met hem hoe dat het best tot een ontoegankelijke schuilplaats te maken. Alles, tot aan de beelden op den steenen sarcophaag toe, kiest zij zelve uit.

»In de kelders en boven den grond worden vertrekken en kamers gemetseld, waarin hare schatten bewaard moeten worden. Daaronder laat zij gangen graven tot bergplaats voor het pik en stroo, dat in het uiterste geval in brand moet worden gestoken. Dan wil zij haar goud en zilver, edelgesteente en gemmen, ebbenhout en elpenbeen, kostbare reukwerken, kortom alles wat zij aan kleinodieën bezit, aan de vlammen prijsgeven. De paarlen alleen zijn vele koninkrijken waard. Wie kan het haar euvel duiden wanneer zij die liever ten vure doemt dan ze den vijand na te laten?

»De tuin, waarin gij zijt opgegroeid Barine, is thans het tooneel der vroolijke werkzaamheid van de tweelingen en van Alexander. Daar stoeien zij, bouwen en graven, onder de leiding van mijn broeder. Het is een allerliefst, rijkbegaafd klaverblad. Tot hen neemt zij tegenwoordig haar toevlucht, wanneer zij, op haar jacht naar genietingen, die dat voor haar niet meer zijn, naar rust smacht.

»Toen Antonius eergisteren, als de nieuwe Dionysos, met klimop bekranst, op een met tamme leeuwen bespannen wagen langs den Koningsweg kwam aanrijden, om haar van de Lochias af te halen tot een rit op een lotusbloem van zilver en wit geslepen glas, door vier sneeuwwitte schimmels getrokken, toen wees zij op dien schitterenden stoet en zeide: »tusschen de stilte van den philosofen-tuin waar ik begonnen ben, en mij nog altijd het behagelijkst voel, en het graf, waar niets de verbeurde rust meer storen zal, loopt de Koningsweg met dit bedwelmend geraas en deze nietige praal. En dat is mijn weg."

»O kind, eens was dat anders! Zij beminde Marcus Antonius met hartstochtelijken gloed. Hij was voor haar de eerste man op aarde, en toch boog hij zich voor de overmacht van haar wil. Het smachtend verlangen van haar ontwakend hart, de brandende eerzucht, die reeds als kind in haar ziel was ontvlamd, zij hadden toen beide bevrediging gevonden, en de wereld zag het aan, hoe de sterfelijke vrouw Cleopatra dit arme leven hier op aarde, voor haar geliefde en zichzelve, verzadigde met het genot der Goden. Dankbaar gaf hij zich hier aan over, en de grootmoedigste aller grootmoedigen legde aan de voeten van »de groote koningin van het Oosten" zichzelven, de macht over Rome, en van de koningen over twee werelddeelen, neder.

»Die jaren vlogen hen beiden als in een droom voorbij. Zijn huwelijk met Octavia bracht het eerste ontwaken mede. Dat viel haar zwaar te dragen. Doch hij had Cleopatra niet verlaten, ter wille van een andere vrouw, maar tot behoud van zijn bedreigde macht en heerschappij. De niet-beminde Octavia dwong hem echter met achting en bewondering tot haar op te zien; ja eindelijk werd zij hem zelfs dierbaar.

»Nu ontspon zich een felle strijd tusschen haar beiden om hem en zijn hart. Die werd met zeer verschillende wapenen gevoerd, en Cleopatra overwon. Toen begon de bedwelming, de droom op nieuw. Daar kwam Actium, de ontgoocheling, het ontwaken, de val, de vlucht uit de wereld. Thans moest zij zorgen hem niet weder in verdooving te laten vervallen, den moed en de kracht van den held wakker te houden, en hem uit liefde tot medestrijder te maken voor de gemeenschappelijke zaak.

»Hij was er echter aan gewoon geraakt haar te beschouwen als de persoon die hem in dezen toestand van bedwelming bracht. Het eenige wat hij nog begeerde was in vereeniging met haar den beker van het genot te ledigen, totdat alles voorbij zou zijn. Dat ziet zij, dat smart haar. Zij laat niets onbeproefd om hem tot nieuwe werkzaamheid op te wekken, doch maar zeer zelden spant hij zich tot ernstigen arbeid in.

»Terwijl zij echter de monden van den Nijl en de grenzen van het land versterkt, tal van schepen voor de nieuwe vloot bouwt, uitrust en bemant, kan zij hem toch niet weerstaan als hij haar tot nieuwe genietingen oproept. Hoeveel er ook verloren ging van de begaafdheden, die hem groot en beminnenswaardig maakten, zij heeft de kracht niet haar oude liefde op te geven, en blijft hem getrouw, omdat--omdat.... Ik weet niet waarom. Een liefhebbend vrouwenhart handelt nu eenmaal niet volgens vaste regels en wetten. Hij is dan ook de vader van haar kinderen, en terwijl hij met hen speelt vindt hij zijn oude aantrekkelijke vroolijkheid weder.

»Sedert Archibius voor hen zorgt, kunnen zij hun gouverneur Euphronion missen. Die verstandige man kent Rome, Octavianus en diens omgeving goed; daarom hebben zij hem tot gezant gekozen. Hij moest den overwinnaar overreden om de heerschappij over Aegypte op te dragen aan de beide knapen, Antonius Helios en Alexander; doch de Cæsar verwaardigde den bemiddelaar in de zaak van Antonius niet met een antwoord; hij wilde hem zelfs niet aanhooren.

»Aan Cleopatra beloofde Octavianus een vriendelijke behandeling en de vervulling van den wensch omtrent de knapen, indien zij--en hier herhaalde hij zijn vroegeren eisch--haar vriend uit den weg wilde ruimen, of aan hem uitleveren.

»Dit voorstel, dat een snood verraad behelsde, was voor hare edele ziel onaannemelijk. Sedert zij besloten heeft het grafmonument op te richten, behoort het voldoen aan dien wensch tot de onmogelijkheden. Toch stelde Octavianus alles in het werk om haar tot die schandelijke daad te verleiden. De dood van dien eenen man zou trouwens veel bloedvergieten hebben voorkomen. De Cæsar weet zijne lieden te kiezen. Hierheen zond hij als onderhandelaar een knappen jongen man, rijk begaafd naar lichaam en geest. Wat zou hij wel onbeproefd gelaten hebben om de Koningin in te nemen tegen haar gemaal, en haar over te halen tot verraad. Hij ging zelfs zóó ver, van aan Cleopatra te verzekeren dat zij reeds in vroeger jaren het hart van Cæsars neef veroverd had, en dat hij haar nog altijd liefhad. Zij nam deze betuigingen voor hetgeen zij waren, en bleef onwrikbaar.

»Antonius liet den intrigant aanvankelijk zijn gang gaan. Doch toen hij hoorde welke middelen hij gebruikte en hoe hij zelfs de uitlevering van een der moordenaars van Cæsar, waarvan hij zelf al lang spijt had, er bij haalde om hem als een ondankbaren verrader te brandmerken, toen had hij zichzelf niet moeten zijn, wanneer hij dit kalm had opgenomen. Hij was weder geheel en al de oude Antonius, toen hij dezen listigen knaap, hoewel hij als gezant van den machtigen overwinnaar was gekomen, eenvoudig liet geeselen, hem terug zond naar Rome, en een brief schreef aan Octavianus, waarin hij zich over de vermetelheid en aanmatiging van dezen jongeling beklaagde, en er bijvoegde--hoe gedrukt ik ook ben, ik moet toch glimlachen als ik er aan denk--dat het ongeluk hem buitengewoon prikkelbaar had gemaakt; wanneer echter zijne handelwijze den Cæsar mishagen mocht, dan kon hij met zijn eigen vrijgelatene Hipparchus, dien Octavianus in zijn macht had, even zoo doen als hij met Thyrsus had gedaan.

»Gij ziet dat de jeugdige overmoed hem nog niet geheel heeft verlaten. Het leed glijdt weder langs hem neer als de regen van den groven soldatenmantel, dien hij in den oorlog met de Parthen droeg, en daarom kan het hem ook nooit zijn louterende kracht bewijzen.

»Als men bedenkt, dat deze man, nog maar enkele jaren geleden zichzelven als het ware verdubbelde, zoo vaak het gevaar op het hoogste was geklommen, dan is zijn gedrag nu, vóór de eindbeslissing, alleen te begrijpen door hen, die hem zoo goed kennen als wij. Wanneer hij strijdt, doet hij dat niet meer om zich te redden, of wel om te overwinnen, maar met eere te sterven. Als hij nog geniet van wat er te genieten valt, dan denkt hij daarmede de grootte van zijn nederlaag voor zich zelven te verkleinen, en voor den overwinnaar den omvang van zijn zegepraal te verminderen. In het oog der wereld ten minste, is iemand die nog kan feestvieren als Antonius, slechts half overwonnen. Ondertusschen werden zijne edele bedoelingen toch nog in twijfel getrokken. De uitlevering van dien moordenaar van Cæsar--Turullius heet hij--bewijst dat.

»En dat, Barine--zeg het ook aan uw echtgenoot--dat is het, wat mij met vrees vervult en mij dringt u te smeeken nog niet aan terugkeeren te denken.

»Antonius is op het oogenblik de makker van zijn zoon geworden. Wat hij zelf geniet, daarin laat hij Antyllus deelen. Natuurlijk heeft hij ook van den hartstocht van Cæsarion gehoord, en is geneigd om den armen knaap te helpen. Meermalen heeft hij beweerd dat niets beter geschikt was om den droomer op te wekken uit zijn slaap, dan uwe lieftallige vroolijkheid. Daar men toch moeielijk denken kon dat de aarde u had verzwolgen, zou men u wel weten te vinden; hij verlangde er zelfs naar u nog eens te hooren zingen.

»Ik weet dat hij u reeds laat zoeken. Hoe gebiedend u dit vermaant voorzichtigheid te oefenen, begrijpt gij van zelf. Daarentegen zal het bericht dat Cleopatra van plan is Cæsarion met zijn gouverneur Rhodon over het eiland Philae naar Aethiopië te zenden, tot uwe geruststelling dienen.

»Archibius heeft namelijk door Timagenes gehoord dat Octavianus den zoon van Cæsar, wiens gelaat zoo verwonderlijk op dat van zijn vader gelijkt, voor gevaarlijk houdt, en in deze gedachte ligt het doodvonnis van den jongeling opgesloten. Ook Antyllus gaat op reis. Hij moet naar Azië, om Octavianus genadiger te stemmen en hem nieuwe aanbiedingen te doen. Hij was immers, zooals gij weet, met zijne dochter Julia verloofd.

»De Koningin houdt al sinds lang niet meer de overwinning voor mogelijk, en toch arbeid zij, ondanks al het tijdroovende van de vermaken der »metgezellen van den dood", met onvermoeiden ijver aan de verdediging des lands. Zij is dan ook zeker het eenige lid dier vereeniging die het met zijn naderend einde ernstig opneemt.

»Nu het grafmonument vordert, denkt zij dikwijls aan den dood. Zij, die reeds van Epicurus heeft geleerd te streven naar volkomen afwezigheid van smart, en die zoo gevoelig is voor de minste lichamelijke pijn, zoekt nu naar een weg om zonder pijn te komen tot de eeuwige rust, waarnaar zij smacht. Iras en de jongere leerlingen van Olympus helpen haar daarbij. De oude man levert de meest verschillende soorten van vergift. Zij nemen proeven op allerlei dieren, ja onlangs ook op ter dood veroordeelde misdadigers. Daarnaar te oordeelen, schijnt het alsof de dood het snelst en op de minst pijnlijke wijze wordt teweeggebracht door den beet van de uraeusslang, die aan de Aegyptische kroon het zinnebeeld is van de geduchte macht des Konings over leven en dood.

»Hoe verschrikkelijk is dat alles! Hoe smart het te zien hoe een zoo geliefd wezen, de moeder der liefste kinderen, zich het afscheid zoo wreed verzwaart, en midden onder de bedwelmendste vermaken den dood als het ware tot reisgenoot kiest. Zij ziet al de verschrikkingen daarvan dagelijks in het aangezicht; en toch versmaadt zij trotsch de brug, die het haar mogelijk zou maken, dat spook misschien nog voor geruimen tijd te ontvluchten. Dat is groot en harer waardig, en nooit heb ik inniger liefde voor haar gevoeld.

»Gij ook moet met vriendschap aan haar blijven denken. Zij verdient het. Een edel hart dat zich gedrongen ziet zijn vijand te beklagen, schenkt hem gemakkelijk vergiffenis; en was zij eigenlijk ooit uwe vijandin?