Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 30
»En toch zijn de vruchten aan iederen boom, dien ik heb geplant, ontaard en bedorven. Cæsarion kwijnt weg, reeds in den bloei zijns levens,--door wiens schuld, weet ik maar al te goed. De opvoeding der andere kinderen wilt gij nu op u nemen. Daarom is het nu aan u te bedenken wat mij tot hiertoe heeft gebracht, en hoe hun scheepje behoed kan worden voor afdwalen en schipbreuk lijden."
»Laat mij hen opvoeden tot menschen," hernam Archibius ernstig, »en hen bewaren voor den wensch de goden op zijde te streven. Uit de eenvoudige Cleopatra in den Epicuristentuin, die de wellust der goeden en wijzen was, zijt gij de »nieuwe Isis" geworden, tot wie de menigte, bedwelmd en verblind, oogen en handen ophief. Wij moeten de tweelingen Helios en Selene, de zon en de maan, weder van den hemel op de aarde terugbrengen; zij moeten menschen, Grieken worden. Ik wil hen overplanten, niet in den tuin van Epicurus, maar in een anderen, waar een strengere lucht waait. Aan de poort daarvan mag niet te lezen staan: »Hier is het hoogste goed het genot," maar: »dit is een worstelschool voor het karakter." Wie dien tuin verlaat, mag daaruit niet het streven naar geluk en welzijn medenemen, maar een onwrikbare zedelijke gezindheid. Uwe kinderen zijn, evenals gij, geboren in het morgenland, waar men het ontzettende, het bovenmenschelijke, het overdrevene liefheeft. Als gij hen aan mij toevertrouwt, dan moeten zij leeren zich binnen de perken te houden. Aan het roer behoort de zedelijke ernst te staan, die de vroolijke levenslust van ons volk niet buitensluit; de gematigdheid, het edelste voorrecht der Grieken-natuur, de zeilen te hijschen."
»Ik begrijp u," zeide Cleopatra, en boog het hoofd. »Met datgene, wat gij tot heil mijner kinderen wilt doen dienen, houdt gij hunne moeder voor oogen wat haar heeft ontbroken. Juist omdat het haar ontbrak, gelooft gij dat haar vaartuig schipbreuk heeft geleden, en misschien hebt gij gelijk. Ik weet dat gij reeds lang hebt gebroken met de leerstellingen van Epicurus en met die der Stoa tegelijkertijd, en dat gij, met een ernstig doel voor oogen, uw eigen weg zoekt. Mij hebben de stormen des levens mijlen ver weggevoerd van de rust in den tuin, waar wij streefden naar het reinste genot. Nu heb ik de gevaren leeren kennen die dengenen bedreigen, die in de gelukzaligheid het hoogste goed ziet. Zij staat voor sterfelijke menschen te hoog, want te midden van het bonte gewoel des levens blijft zij onbereikbaar voor hem, en toch staat zij te laag om het doelwit van zijn worstelstrijd te zijn; daarvoor bestaat wel een waardiger prijs. Maar één woord van Epicurus namen wij beiden toch ter harte, en het is ons tot nu toe te pas gekomen; het is dit: »de wijsheid kan geen kostelijker bijdrage verkrijgen voor het geluk van het geheele leven, dan het bezit van vriendschap.""
Hierop stak zij hem de hand toe, en terwijl hij die ontroerd aan zijn lippen bracht, ging zij voort: »Gij weet, ik ga den laatsten wanhopigen strijd te gemoet--indien de goden het zoo beschikken, schouder aan schouder met Antonius. Daarom is het mij niet gegeven uw opvoedingswerk met aandacht te volgen, maar toch wil ik medewerken tot het welslagen er van. Wanneer de kinderen naar hunne moeder vragen, zult gij u geweld moeten aandoen om niet te zeggen: »in plaats van te streven naar smartelooze zielsrust, het edele genot, van Epicurus, dat haar eenmaal als hoogste goed voorkwam, jaagde zij met een onverzadelijken begeerte naar snel voorbij gaande genietingen; de vrouw uit het Oosten verspilde roekeloos de schoone gaven van haar geest en de goederen haars volks, omdat zij slaafsch gehoorzaamde aan de driften van haar hartstochtelijke ziel." Maar gij zult hen ook mogen antwoorden: »Het hart uwer moeder was vol vurige liefde; zij verachtte al wat laag was, zij worstelde om het hoogste te verkrijgen, en toen zij viel, verkoos zij den dood boven schande en verraad.""
Hier hield zij op, want zij meende naderende voetstappen te hooren, en riep angstig uit: »Ik wacht steeds vergeefs. Misschien kan Antonius zich toch niet losmaken uit de armen der verlammende wanhoop. Mijn laatsten strijd te strijden zonder hem, en terwijl toch zijn sombere, toornige, eens zoo zonnige blik op mij rust--dat, Archibius, zou de grootste smart van mijn leven zijn. Aan u, mijn vriend, die in mijn kinderhart de liefde voor dezen man zaagt ontkiemen, mag ik het wel bekennen.... Doch wat is dat?.... Een oproer?.... Is het volk opgestaan? Gisteren nog hebben alle priesters, de geleerden van het Museum, de aanvoerders van het leger mij van hun onveranderlijke trouw en liefde verzekerd. Dion was een van de Macedonische leden van den Raad.... doch ik heb immers al naar waarheid betuigd dat ik er nooit ernstig aan heb gedacht hem te vervolgen, om dat geval met Cæsarion. Ik weet zelfs niet waar hij zich tegenwoordig met zijn jonge vrouw bevindt en wil het ook niet weten. Of zou de nieuwe belasting, het gebod de schatten van den tempel te gebruiken, hen tot het uiterste drijven? Wat moet ik doen? Wij hebben goud noodig om het hoofd te bieden aan den vijand, om voor troon, land en volk de onafhankelijkheid te bewaren. Of zou men misschien uit Rome?.... Het wordt ernst--het gedruisch komt nader."
»Laat mij gaan zien wat zij willen," viel Archibius haar bezorgd in de rede, en hij haastte zich naar de deur, maar juist werd zij geopend door den hofmaarschalk, die haar toeriep: »Marcus Antonius nadert de Lochias, en half Alexandrië volgt hem!"
»De groote imperator komt terug," klonk het, eer de hofmaarschalk nog had uitgesproken, van de gebaarde lippen van den oppersten trawant, en op hetzelfde oogenblik drong Iras hem voorbij en schreeuwde, buiten zich zelve, haar gebiedster toe: »Hij komt! hij is er al! Ik wist wel, dat hij komen zou. Hoe juichen en jubelen zij! Verwijdert u, gij mannen! Als het u goeddunkt, gebiedster, dan gaan wij van het terras van Berenice af hem tegemoet. Hadden wij nu slechts...."
»De tweelingen, de kleine Alexander!" viel Cleopatra in, doodsbleek en met heesche stem. »Hunne feestkleederen aantrekken!"
»Ga dadelijk naar de kinderen, Zoë," voegde Iras aan dit bevel toe, en klapte daarbij in de handen. Daarop richtte zij zich weder tot de Koningin met het verzoek: »Houd u kalm, gebiedster, ik bezweer u, houd u kalm! Er blijft ons altijd nog tijd genoeg over. Hier hebt gij reeds de gierenkroon van Isis, en hier het andere. Zooeven is zijn lijfslaaf Eros ademloos komen binnen loopen. Hij zeide dat de imperator als de nieuwe Dionysos zou verschijnen. Het zou zijn heer zeker genoegen doen--maar dat had hij hem niet opgedragen--als gij hem begroette als de nieuwe Isis. Help mij, Hathor. Gij Nephoris, moet den hofmaarschalk zeggen te zorgen dat de waaierdragers en de overige hofbedienden, vrouwen en mannen, op hunne post zijn. Hier zijn de paarlen en diamanten snoeren voor uw hals en borst. Voorzichtig met het gewaad! De doorzichtige zijde is teer als een spinnerag, en als gij die scheurt... Neen, gij moogt niet weigeren! Wij weten immers allen hoe het hem verblijdt als hij zijne godin in goddelijke pracht en schoonheid terugziet!"
Zonder verder te wederstreven, met gloeiende wangen en een kloppend hart, liet Cleopatra zich het feestgewaad aandoen, dat met schitterende paarlen en fonkelend edelgesteente was bezaaid. Het zou beter gepast hebben bij haar gevoel en haar daarom liever zijn geweest, den terugkeerende tegemoet te gaan in het eenvoudige donkere kleed, dat zij, sedert haar tehuiskomst, alleen bij plechtige gelegenheden voor een rijker had verwisseld; doch Antonius kwam als de nieuwe Dionysos, en Eros wist wat zijn heer zou behagen.
Acht vaardige vrouwenhanden, waarbij zich nog dikwijls de vlugge vingers van Iras voegden, repten zich, en weldra kon het meisje haar den spiegel voorhouden en haar uit den grond van haar hart toeroepen: »Als de uit schuim geboren Aphrodite, en de gouden Hathor!"
Terwijl Iras bezig was met het tooien van haar geliefde meesteres, had zij haar eigen liefdesmart, haat en nijd vergeten, en midden onder de drukke bedrijvigheid vond zij nog tijd tot een kort, innig gebed om een gelukkigen afloop van deze ontmoeting. Daarop opende zij de breede vleugeldeuren zoo wijd, alsof zij aan de vrome menigte in den tempel het godenbeeld toonen moest, dat uit het Allerheiligste te voorschijn trad.
Een langgerekte kreet van verrassing en verrukking klonk haar tegen; want buiten werd zij reeds opgewacht door het snel bijeengeroepen gevolg, van den grijzen epistolograaf af, tot den jongsten page toe. Feestelijk versierde vrouwen in den dienst van het paleis hieven den langen, slependen mantel op, anderen in priestergewaad beproefden de beweegbaarheid der ringen aan de staven van het sistrum, de mannen en knapen schaarden zich naar rangorde in rijen, en de opperste waaierdrager gaf het sein tot vertrek. Na eenige zalen en gangen te zijn doorgegaan, kwam de stoet aan het eerste binnenplein, en besteeg daar langs enkele trappen het breede terras bij den ingang, vanwaar men het geheele Bruchium en den Koningsweg kon overzien, waarlangs de verwachte komen moest.
Uit de verte had het geschreeuw der menigte dreigend geklonken, doch nu kon men in het oorverdoovend geraas duidelijk alle welkomstgroeten en kreten van vreugde, verrassing, goedkeuring, bewondering of hulde onderscheiden, waaraan de taal der Hellenen en Aegyptenaren zoo rijk is. Men kon alleen het midden en het eind van den optocht zien. Het begin werd aan het gezicht onttrokken bij den Muzenhoek, waar hij zich voortbewoog tusschen den Isistempel en het stuk grond van Didymus. Het einde reikte altijd nog tot aan den Choma, vanwaar hij was vertrokken.
Geheel Alexandrië scheen zich daarbij te hebben aangesloten. Groot en klein, hoog en laag, oud en jong, kreupel en lam, mengden zich onder de menigte, en lieten zich met wagens en paarden, lastdieren en karren als door een woesten, naar het dal spoedenden bergstroom voortsleuren. Hier hoorde men een luiden gil uit een omgevallen draagstoel, waarvan de dragers waren ineengezakt, dáár schreeuwde een op den grond gevallen kind, ginds hief een onder den voet geraakt hondje een erbarmelijk gehuil aan. Zoo luid en sterk was het gejuich, dat het de fluiten en tamboerijnen, de cymbalen en luiten der muziekkorpsen overstemde, waardoor de naderende man, die een god moest voorstellen, gevolgd werd.
Thans waren de eerste rijen van den stoet den Muzenhoek voorbij, en werden van het terras af zichtbaar. Er was geen twijfel aan ter eere van wien de optocht zich gevormd had, want de terugkeerende veldheer stak hoog boven al de anderen uit. Van zijn gouden troonzetel af, die door twaalf zwarte slaven op de schouders werd gedragen, groette hij met zijn langen thyrsusstaf de jubelende menigte. Voor den bacchanten-stoet die hem vergezelde, en achter de koren die hem volgden, liepen twee olifanten, waartusschen als een lichte last iets zweefde dat met een purperrooden doek bedekt, en daardoor niet herkenbaar was. De optocht was nu door de hooge poort gegaan, die gevormd werd door de pylonen, die het paleis scheidden van den Koningsweg; en nu hield hij stil tegenover het terras.
Terwijl trawanten, Scythen en lijfwachten van alle kleuren, te voet en te paard, de opdringende volksmassa, als vriendelijke vermaningen niet hielpen, met geweld terugdreven, zag Cleopatra haar vriend van zijn troon afdalen en een teeken geven aan den Indischen slaaf, die de olifanten leidde. Het doek vloog op zijde, en de verbaasde omstanders zagen een bloemruiker, zooals nog geen Alexandryn er ooit een had gezien. Zij bestond uit geheele rozenstruiken, die één en al bloem waren. De roode bloemen vormden een kring in het midden, de witte omgaven dien als een breede, lichtere krans. Het geheele reuzenvoorwerp rustte, als een ei in een dop, in een bloemdrager van palmwaaiers, die het met bevallige golvingen als het ware omlijstten. Meer dan duizend bloemen waren in dezen weergaloozen ruiker bijeen, en dit zeldzame reuzengeschenk was geheel in overeenstemming met den gever.
Hij ging te voet naar het terras, en zijn gestalte stak boven de bruine, blanke en zwarte vrijen en slaven, die hem volgden, uit, evenals op de gedenkteekenen der Pharao's het beeld van den heerscher dat der onderdanen en vijanden in grootte overtreft.
Zelfs op de allergrootsten zag hij neder, en de breedte van zijn machtige schouders was in evenredigheid met zijne lengte. Een lang, saffraankleurig, met goud doorwerkt purperen gewaad, dat tot op de enkels afhing, verhoogde nog den indruk van zijn grootte, en hij strekte zijn forsche armen met de gewelfde athletenspieren, die uit den mantel zonder mouwen te voorschijn kwamen, naar de geliefde Koningin uit.
Bij deze indrukwekkende gestalte behoorde een welgevormd hoofd met zwaar donker haar en een prachtigen, vollen baard.
Eens had het hoofd van den jongeling geprijkt met een haardos zoo blauwzwart als ravengevederte; nu kon het overvloedige grijs dat er zich in mengde, alleen door verf aan den blik worden onttrokken. Een volle wingertkrans lag om zijn hoofd, en rijkbebladerde wijnranken, waarvan enkele donkere druiven droegen, hingen af op zijn breede schouders en rug, die als door een mantel werd gedekt door de huid, niet van een luipaard, maar van een Indischen koningstijger, van zeldzame grootte, door hem zelven in de arena gedood. De kop en de klauwen van het vel waren van goud, de oogen twee sterk fonkelende, prachtige saffieren. Het slot van de ketting, waaraan het vel hing, was evenals de groote gesp aan den gouden gordel, dien de imperator om de heupen droeg, met robijnen en smaragden bezet. Aan de breede banden aan zijn bovenarm, de sieraden op de gewelfde borst, ja zelfs van de roode marokijnen laarzen, blonk en glinsterde schitterend edelgesteente.
Even verblindend als eenmaal zijn geluk, was nu het prachtige gewaad van dezen machtigen, gevallen held, die zich nog den vorigen dag beschroomd en gedrukt aan de oogen zijner medemenschen had onttrokken. Groot, edel en fraai gevormd was ook zijn gelaat; doch hoewel de bleeke wangen nu prijkten met den geleenden blos der jeugd, toch had een halve eeuw van de wildste jacht op genietingen, en de pijnlijke opgewondenheid der laatste weken, er maar al te duidelijke sporen op nagelaten, want onder de oogen waren groote blazen gekomen. Bochtige lijnen doorploegden zijn voorhoofd en verspreidden zich uit de ooghoeken stersgewijze over de slapen.
En toch kwam het in niemand op om in dezen rijk uitgedosten vijftiger, een ouden, opgesierden gek te zien; het was hem nu eenmaal ingeschapen zich met praal en glans te omringen, en daarbij had zijne geheele verschijning iets zoo overweldigends, dat spot en hoon schuw voor hem terugdeinsden.
Hoe open, goed en beminnelijk was het gezicht van dezen man, hoe oprecht de aandoening van zijn hart, die uit zijne nog altijd jeugdig-heldere oogen de lang ontbeerde geliefde tegemoet blonk. Uit iederen trek sprak voor de hooge vrouw die hij naderde, zulk een overstroomend warme teederheid, en om den mond van dezen forsch gebouwden man wisselde zoo snel de uitdrukking van een ootmoedige, droeve gemoedsgesteldheid met die van dank en vreugde, dat door dien aanblik zelfs zijn vijanden getroffen werden. Toen hij eindelijk zijne hand drukte op de breede borst, en de Koningin naderde in zulk een diep gebogen houding, als wilde hij hare voeten kussen; toen hij zelfs zijn reuzengestalte voor haar op de knieën wierp, en zijn sterke armen naar haar uitstrekte met zulk een innige overgave als een om hulp smeekend kind--toen overkwam de vrouw die hem haar leven lang met al den gloed eener hartstochtelijke vrouwenziel had bemind, het gevoel alsof alles wat zich tusschen hen beiden had geplaatst, en wat zij tegen elkander hadden misdreven, in het niet verzonk. Daar ontwaarde hij den zonnigen glimlach die zich over haar dierbaar, nog altijd schoon gelaat verbreidde, en toen, toen klonk hem ook zijn eigen naam tegen, van de lippen waaraan hij de grootste wellust te danken had, die de liefde hem had verschaft. En toen hij nu, als verbijsterd door den klank van haar stem, die voor hem in welluidendheid het gezang der Muzen overtrof, half glimlachend over de scherts, waarvan hij ook bij den diepsten ernst geen afstand kon doen, half geroerd door de overmaat der weder nieuw ontwakende zaligheid na zulk een zwaren kommer, op den reuzenruiker wees, die door drie slaven van de olifanten afgenomen en naar de Koningin was gebracht, toen werd ook Cleopatra door een groote, diepe aandoening overweldigd.
Dit bloemengeschenk bootste, vele malen vergroot, den kleinen ruiker na, dien de gevierde jonge aan voerder der ruiterij eenmaal voor de poort van den Epicuristentuin, haar vader uit de hand genomen had, om dien aan haar, als zijn eerste geschenk te overhandigen. Daarin waren ook roode rozen geweest, omgeven door witte. Wel was die andere, in plaats van door waaierpalmen, slechts door varenbladen omlijst geweest. Het was een van die schoone geschenken, die hij, met zijn vriendelijk gemoed, altijd zoo goed had weten te kiezen. Deze ruiker was een zinnebeeld van de ongeëvenaarde grootmoedigheid, die hem, den buitengewonen man, eigen was. Geen wonderdoende beker had hem nu met tooverkracht gedwongen haar met zulk een huldeblijk te naderen; het was alleen zijn overvol hart, de altijd groene, onverwelkelijke liefde, die dit had gedaan.
Als verjongd, als door betoovering terug verplaatst in de gelukkige dagen der ontluikende jeugd, vergat zij hare koninklijke waardigheid en de honderden oogenparen die zich als geboeid op haar bleven richten, en gehoorzamende aan een onwederstaanbaren drang van het hart, zonk zij aan de breede, diep ademende borst van den geknielden man. Hij lachte haar zalig toe met dien zilverhelderen lach, die gewoonlijk alleen aan de jeugd behoort, omvatte haar met zijn reuzen-armen, lichtte hare tengere gestalte op tegelijk met den golvenden purperen vorstenmantel, kuste haar op oogen en lippen, hield haar lang omhoog in de zwevende houding der godin van de overwinning, als om de aanwezigen zijn geluk recht duidelijk te maken, en liet haar eindelijk behoedzaam neder, alsof zij een zorgvuldig te bewaren kleinood was.
Daarop wendde hij zich tot zijn kinderen, die hem naast hunne moeder hadden opgewacht, en hief eerst den kleinen Alexander, daarna de tweelingen op, om hen te kussen. Terwijl hij de beide tienjarigen, die door de blijdschap van het wederzien voor hem geen gewicht meer schenen te hebben, op zijn sterke armen hield, duurde het gejubel nog voort, dat reeds was aangevangen toen de Koningin aan zijne borst was gezonken.
De oude muren van het Lochiaspaleis hadden nog nooit iets dergelijks gehoord. Het plantte zich voort van hoofd tot hoofd, van honderden tot honderden, en al wisten de verstverwijderden niet wat het beteekende, toch stemden zij er mede in. Op de geheele uitgestrektheid tusschen de Lochias en den Choma verhief het zich als één enkel, hartverheffend, ondeelbaar geheel, en klonk over de haven, de voor anker liggende schepen en hooge masten heen, tot op de klip aan de zee, waar Barine haar jongen echtgenoot verpleegde.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Een rotsachtig plateau ten Noorden van de haven, niet veel grooter dan de tuin van Didymus in den Muzenhoek, een verlaten stuk grond waarop boom noch struik groeide, dat was het eigendom van den vrijgelatene Pyrrhus. Het heette het Slangeneiland, hoewel de bewoners het sinds lang hadden bevrijd van die gevaarlijke gasten, die daarentegen nog in grooten getale huisden op de naburige klippen. De steenachtige bodem van dit eiland bracht niet den geringsten zaadkorrel tot ontkiemen, en de menschen die zich hier metterwoon gevestigd hadden, waren genoodzaakt het drinkwater te halen van het vasteland.
Deze woestenij, waar meeuwen, zeezwaluwen en zeearenden om heen vlogen, was nu reeds weken lang de verblijfplaats van het ontvluchte jonge paar.
De beide kamers die hen bij hunne aankomst waren afgestaan, waren nog altijd hun woon- en slaapvertrek gebleven. Overdag brandde daarbuiten de zon op den gelen kalksteen. Nergens was schaduw te vinden dan bij het huis of aan den voet van een hoogen rotspilaar in het Zuiden van het eiland, die de visschers tot wachttoren diende. Er was geen ander gewrocht van menschenhanden dan een klein heiligdom van Poseidon, een altaar van Isis, het groote, door Alexandrijnsche metselaars stevig en doelmatig gebouwde huis van Pyrrhus, en een kleiner voor de getrouwde zoons van den vrijgelatene en hunne gezinnen. Aan het strand stond een lang houten raam, waarop netten te drogen hingen. Daar dichtbij en in het noorden, aan de open zee, was de reede met het grootere zeeschip, en verscheidene booten en schuitjes der visschers. Op een werf bouwde Dionikos, de jongste ongehuwde zoon van Pyrrhus, nieuwe vaartuigen, en herstelde de schade aan de oude.
Zijn beide stille broeders, met hunne vrouwen en kinderen, vader Pyrrhus, diens echtgenoote en hunne jongste, zestienjarige dochter Dione, eenige honden, katten en hoenders, maakten de bevolking van het Slangeneiland uit.
Dat was de omgeving van het jonggetrouwde paar, van hen, die beiden waren opgegroeid in de groote stad Alexandrië. In het begin hadden zij nog aan vele dingen moeten wennen, doch met wat goeden wil was hen dit gelukt, en zij hadden elkander sinds lang bekend, dat het leven hen nog nooit zoo ongestoord vreedzaam was voorgekomen.
In de eerste week hadden de wond en de koorts van Dion nog reden tot bezorgdheid gegeven, doch de voorspelling van Pyrrhus, dat de zuivere, verkwikkende zeelucht den lijder goed zou doen, was vervuld, en voor de jonge vrouw waren, onder het verplegen van haar geliefde, de eentonige dagen omgevlogen.
De vrouw van Pyrrhus, »moeder," zooals allen haar noemden, had zich daarbij een bekwame heelmeesteres getoond, en de schoondochters en de jonge Dione waren trouwe en vaardige helpsters geweest. In den tijd van zorg en verpleging had Barine vriendschap met haar gesloten. Zoo traag in het spreken als de mannen waren, die ieder overtollig woord achterwege lieten, zoo veel te liever waren de vrouwen tot praten bereid en het was een waar genoegen met de aardige, op het eiland opgegroeide, weetgierige Dione te spreken.
Dion had sinds lang zijn legerstede verlaten en ging weder uit. Hij zag er nog altijd uit als een gelukkig mensch, die met zich zelf en zijn woonplaats tevreden is.