Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 3
Terwijl zij sprak had het hem moeite gekost den zin harer rede te vatten, want het had in zijne ooren gesuisd alsof hij in plaats van in het stilste boschje dat den tempel omgaf, op een stormachtigen dag te midden der branding aan het uiteinde van de Lochias stond. Hij had de oogen niet durven opslaan om haar in het gelaat te zien. Doch toen zij hem rechtstreeks vroeg of zij op zijn bijstand mocht hopen, had zij hem met haar blik gedwongen tot haar op te zien, en wat had hij toen niet gelezen in die blauwe smeekende oogen, en hoe onbeschrijfelijk schoon was zij hem voorgekomen! Hij had bijna als een zinnelooze tegenover haar gestaan, en wist alleen nog dat hij haar, met de hand op het hart had beloofd alles te doen om haar dat verdriet te besparen. Daarop had zij hem de kleine hand met de schitterende ringen toegestoken, en hij had die willen kussen, maar op hetzelfde oogenblik had zij hare slaven gewenkt, en de draagstoel was opgenomen en weggedragen.
Toen had hij daar gestaan als de man die afgebeeld was op een oude vaas van zijn moeder, die verbijsterd de voorbijvliegende Fortuin naoogt, die hij zoo gemakkelijk bij het lange golvende haar had kunnen vasthouden. Hij ergerde zich aan die ongelukkige wankelmoedigheid, die hem reeds zooveel goeds had doen ontgaan. Maar er was toch nog niets verloren. Wanneer het hem gelukte haar wensch te vervullen, dan moest zij hem dankbaar zijn en dan... Hij dacht nu na, tot wien hij zich wenden kon. Tot Mardion, den Regent, of tot den zegelbewaarder? Neen, die hadden immers juist de oprichting van het beeld in den tuin van den philosoof bevolen. Tot Iras, de vertrouweling zijner moeder? Dat het allerlaatst! Die listige vrouw had hem doorzien en aan den Regent hare opmerkingen medegedeeld. Ja, als Charmion, de andere kamervrouw zijner moeder hier geweest was, maar deze was immers mede op de vloot, die misschien reeds heden tegen die van den vijand slag leverde.
De herinnering daaraan deed hem de oogen neerslaan, want hem was het niet vergund geweest de plaats in het leger die hem toekwam in te nemen, terwijl zijn moeder en Charmion... maar hij wilde deze pijnlijke gedachte van zich afzetten, want een ernstig verwijt drong zich daarbij aan hem op, en joeg hem het bloed naar de wangen. Hij wilde een man zijn, en in dezen gewichtigen tijd, in deze dagen die over het lot van zijn moeder, van zijne vaderstad, van Aegypte moesten beslissen, en tegelijk van dat Rome, dat men hem, den eenigen zoon van Caesar, als zijn erfdeel leerde beschouwen--sloop hij naar een schoone vrouw en dacht aan haar, en verder aan niets anders. Met allerlei dwaze plannen om haar tot de zijne te maken, bracht hij de dagen en halve nachten door, en vergat daarbij wat hem het naast aan het hart had moeten liggen.
Iras had hem nog gisteren in scherpe bewoordingen voorgehouden dat het in deze dagen plicht was voor iederen vriend van Cleopatra en iederen vijand van hare vijanden, om ten minste in gedachte bij het leger te zijn. Dat had hij zich nu herinnerd, maar in plaats van op de vermaning van het geestkrachtige meisje acht te slaan, was hij daardoor alleen op haren oom Archibius gebracht geworden, die niet alleen door zijn rijkdom, doch ook omdat iedereen wist, hoe hoog hij bij de koningin stond aangeschreven, grooten invloed bezat. Ook had de verstandige, welwillende man hem, van kind af, veel vriendelijkheid bewezen, en als een lichtstraal was het denkbeeld bij hem opgekomen, dat hij zich tot hem, en tegelijkertijd tot den architect moest wenden, die in deze zaak ook wat te zeggen had. Bovendien had Gorgias hem, toen hij den vleugel van het paleis op de Lochias voor hem verbouwde, zeer voor zich ingenomen.
Zoo had hij dan een dienaar uit zijn gevolg dadelijk met een wastafeltje uitgezonden, om Gorgias uit te noodigen tot een bijeenkomst bij den Isistempel. Na den middag had Cæsarion zich in het geheim met een boot naar Kanopus aan de zeekust begeven, waar het paleis van Archibius lag, en nu deze met zijn vriend aan zijn wagen stond, legde hij hen uit, dat hij met den architect naar den ouden Didymus wilde gaan, om hem van zijn hulp te verzekeren.
Dat was in geen enkel opzicht geraden, en al de welsprekendheid van Archibius was noodig, om er hem van af te brengen. De gevolgen die het hebben kon, wanneer hij partij koos tegen den Regent, en het volk zijne macht erkende, waren niet te voorzien. Maar ditmaal had de jonge »Koning der koningen" weinig lust zich te voegen en toe te geven. Hij zou zich tegenover Dion zoo gaarne als man getoond hebben, en nu dit niet ging, trachtte hij toch den schijn daarvan aan te nemen, en verzekerde daarom, dat hij zijn voornemen alleen opgaf om den ouden geleerde en zijne kleindochter niet in ongelegenheid te brengen. Daarop verzocht hij den bouwmeester nog eens om Didymus toch in het bezit van zijn eigendom te laten. Toen hij eindelijk met Archibius wegreed, was de avond reeds gevallen. Voor den tempel en het kleine mausoleum dat naast de cella gelegen was, werden de fakkels, en op het plein de pekpannen aangestoken.
DERDE HOOFDSTUK.
»Het gaat niet goed met dien knaap," zeide de architect, terwijl het voertuig over het plaveisel der straat ratelend wegreed; en hij schudde bedenkelijk het hoofd.
»En daar ginds," voegde Dion er bij, »ziet het er ook niet verblijdend uit. Philostratus brengt de menschen geheel van de wijs. Maar die omgekochte onruststoker zal spoedig genoeg wenschen, dat hij het goud van Iras minder gretig aangenomen had."
»En dan te moeten denken," riep de bouwmeester uit, »dat Barine de vrouw, de wettige echtgenoot van dezen ellendeling was! Hoe dat zoo ver kon komen...."
»Zij was nog een kind toen men haar uithuwelijkte," zeide Dion. »Wie vraagt hier naar het hart van een vijftienjarig meisje, als men een man voor haar kiest? En Philostratus, die op Rhodus mijn medestudent was, beloofde in dien tijd veel goeds. Het zou zijn broeder Alexas, den bevoorrechten gunsteling van Antonius gemakkelijk gevallen zijn hem vooruit te brengen. Barine's vader was dood, en haar moeder was gewend den grootvader om raad te vragen. Dien ouden Didymus had de slimme Syriër zand in de oogen gestrooid. Hoe lang en mager hij ook is, toch ziet hij er nog zoo slecht niet uit. In den tijd toen hij als redenaar optrad, viel hij wel in den smaak. Dat is hem naar het hoofd gestegen, en hij heeft daarbij aanleg om een verkwister te worden. Om zijn jonge schoone vrouw een voorname woning te kunnen bezorgen, heeft hij de slechte zaak van den roofzuchtigen ontvanger der belastingen Pyrrhus verdedigd en hem vrijgepleit."
»Hij had voor geld een dozijn valsche getuigen weten te krijgen."
»Er waren er zeker zestien. Later kwamen er nog evenveel bij, als op het oogenblik geopende monden hem toejuichen. Het wordt tijd die tot zwijgen te brengen. Ga gij in het huis, en stel den ouden man gerust, ook Barine, als zij bij hem is. Zoo gij er reeds een bode van den Regent vindt, spreek dan krachtig uw gevoelen uit over het schandelijk besluit. Gij kent de wet genoeg, om te weten welke artikelen daarvan ten gunste van Didymus kunnen aangehaald worden."
»Sedert den tweeden Euergetes is het wettig grondbezit onaantastbaar, en toch heeft men op het zijne beslag gelegd."
»Des te beter. Zeg ook in vertrouwen aan den beambte dat gij weet, hoe de Regent misschien door pas opgekomen bedenkingen tot andere gedachten te brengen zou zijn."
»En in de eerste plaats, sta ik zelf op mijn recht om voor het standbeeld een plaats uit te zoeken. De koningin heeft zelve bevolen dat de anderen naar mijn gevoelen moesten luisteren."
»Dat legt nog het meeste gewicht in de schaal. Nu dan, tot wederziens! Ga heden avond liever niet naar Barine. Mocht gij haar zien, zeg haar dan, dat Archibius zich heeft laten ontvallen dat hij haar wilde bezoeken; waartoe dat dient, verklaar ik u later. Misschien ga ik zelf later naar Iras, om ook haar tot rede te brengen. Intusschen moeten wij van Cæsarions wensch nog niet reppen."
»Neen, zeker niet. En geef vooral niets aan dien redenaar daar ginds!"
»Integendeel, ik ben juist tot mildheid gestemd. Als Peitho[4] mij wil bijstaan, dan krijgt die onverzadelijke man meer van mij te doen, dan hem misschien lief is."
[4] De godin der overreding.
Hiermede stak Dion den bouwmeester de hand toe en baande zich een weg door de menigte, die zich verzameld had om het hooge gevaarte waarop het zorgvuldig bedekte standbeeld stond.
De poort van het huis des geleerden stond open, want werkelijk was zooeven een beambte van den Regent naar binnen gegaan. Doch de Scythische wacht, die daarheen gezonden was door den magistraat der stad Demetrius, ook een der vrienden van Barine, hield de nieuwsgierigen terug.
De bouwmeester kende den aanvoerder goed, en spoedig was hij in het huis gegaan en bevond zich in het impluvium. Dit was een langwerpige ruimte met in het midden geopende zoldering, waaronder een rond bloembed voortdurend werd besproeid door het water uit een kleine fontein, dat zich naar alle zijden in fijne droppeltjes verspreidde. De oude slaaf van het huis had juist eenige drie-armige lampen op hooge voetstukken aangestoken.
De beambten, die de Regent gezonden had, waren zooeven gekomen om aan Didymus de mededeeling te doen, dat zijn tuin in een openbare wandelplaats veranderd moest worden. Toen de bouwmeester het huis binnenging, waren de beambten, de schrijvers en de getuigen, eene schaar van wel twintig mannen, hem reeds voorgegaan. Aan hun hoofd stond Apollonius, een aanzienlijk man, en opzichter van de koninklijke schatkist. De slaaf, die Gorgias naar binnen bracht, vertelde hem dit alles.
In het atrium werd hij tegengehouden door een jonkvrouw, die zeker behoorde tot de familie van den ouden geleerde. Hij vergiste zich niet, toen hij in haar Didymus' jongste kleindochter Helena meende te zien, van wie Barine hem reeds gesproken had. Zij geleek echter noch in gestalte, noch in gelaat op hare zuster. Terwijl het haar der jonge vrouw golvend en blond was, had het meisje een gladde zwarte vlecht om het hoofd gewonden. Doch vooral trof hem de diepe ernstige klank harer stem, waaruit een hevige gemoedsbeweging sprak, toen zij de korte vraag tot hem richtte, waarin een zacht verwijt lag opgesloten: »Verlangt gij nog iets?"
Eerst wenschte hij te weten of hij met Helena, de zuster zijner vriendin, sprak, en daarop legde hij haar spoedig uit wie hij was en hoe hij juist haar grootvader voor een groot onheil kwam behoeden. Bij de eerste kennismaking in de slecht verlichte ruimte, was zijn indruk van haar niet gunstig. Het reine, blanke voorhoofd scheen hem voor een vrouwengelaat te hoog toe, en hij had daarop ook een eenigszins onvriendelijke plooi ontdekt. En de mond, hoe fraai die ook gevormd was, vertoonde een onrustigen trek, waardoor de geheele uitdrukking iets scherps en bitters kreeg. Maar nauwelijks had zij gehoord wat hem daar gebracht had, of zij drukte de hand op haar hart, haalde diep adem, en zeide:
»O, doe wat gij kunt om dat vreeselijke plan te verhinderen! Niemand weet, hoe de oude man aan dit huis is gehecht. En mijn grootmoeder ook. Als het hen afgenomen wordt, zullen zij het beiden besterven!"
Zij zag hem met haar groote oogen vol ontroering smeekend aan, en uit die strenge stem van zooeven klonk hem nu teedere liefde voor de haren toe.
Hoe gaarne wilde hij haar helpen. Hiervan verzekerde hij haar, en zij zag in hem een redder uit den nood. Zij verzocht hem met aandoenlijke innigheid, dat hij haar grootvader toch verzekeren zou dat alles nog niet verloren was. De bouwmeester vroeg vol verbazing of Didymus dan nog niet wist, wat hem te wachten stond, en zij antwoordde snel:
»Hij is ginds in het tuinhuis bij de zee aan het werk. De intendant Apollonius is een welwillend man, en heeft mij beloofd te wachten, totdat ik mijn grootvader voorbereid heb. Daarom moet ik mij nu haasten. Hij heeft wel reeds een dozijn malen zijn leerling Philotas gezonden, die gewoonlijk zijn boeken voor hem uitzoekt en oprolt, om te vragen wat al die drukte beteekent, maar ik heb hem laten zeggen dat die menigte bijeengekomen was om de koningin de haven te zien binnenzeilen. Er is immers zoo dikwijls een oploop van het volk. Maar grootvader laat zich nooit door iets storen, als hij aan den arbeid is, en de leerling, een jong student uit Amphissa, houdt veel van hem en houdt zich stipt aan wat ik zeg. Grootmoeder weet ook nog niets. Zij is doof, en hare slavinnen mogen het haar niet zeggen. Sedert zij onlangs een duizeling heeft gehad, zou een plotselinge schrik haar kwaad kunnen doen, zegt de arts. Als ik nu de rechte woorden maar kon vinden, om grootvader niet al te veel leed te doen!"
»Mag ik met u medegaan?" vroeg Gorgias vriendelijk.
»Neen," antwoordde zij. »Het duurt bij hem altijd lang, eer hij vreemden vertrouwt. Maar als de opzichter hem alles heeft uiteengezet en de smart de overhand op hem krijgt, troost hem dan, en laat hem zien dat wij nog vrienden hebben die bereid zijn ons voor onrecht te behoeden." Hiermede groette zij hem dankbaar, en ging door een zijpoortje in den tuin.
De bouwmeester zag haar met stralende oogen na. Welk een goed meisje moest dit zijn, dat zoo vol zorg was voor hare grootouders! En hoe flink handelend trad zij op, zoo jong als zij was! Hij had haar slechts in halflicht gezien, maar schoon was zij toch zeker. De oogen, de mond en het haar waren dat bepaald. Zijn hart klopte sneller, terwijl hij daaraan dacht, en tegelijk vroeg hij zich af, of deze jonkvrouw die met alles was bedeeld wat de eigenlijke waarde eener vrouw uitmaakt, niet nog boven hare zuster Barine gesteld moest worden, ofschoon van deze misschien meer dadelijke bekoring uitging? Hij was op dat oogenblik dankbaar dat hij een vollen baard droeg om wang en kin, want hij voelde hoe hij kleurde, ofschoon hij toch zoo jong niet meer was. Hij wist ook wel waarom. Nog geen half uur geleden had hij aan Dion bekend, dat hij Barine voor de aantrekkelijkste van alle vrouwen hield, en nu reeds wierp het beeld van een andere een schaduw op het hare, en vervulde zijn hart met een nieuw, misschien nog sterker gevoel.
Zoo iets was hem al meer overkomen, en zijn vrienden, met Dion aan het hoofd, hadden zijne zwakheid ontdekt, en hem menigmaal daarmede geplaagd. Het aantal bruinen en blonden, grooten en kleinen, voor wie zijn hart was ontgloeid, was dan ook al vrij groot, en telkens als een nieuwe neiging in hem was gewekt, had hij gedacht dat het voorwerp daarvan de eenige was, die de zijne moest worden om hem tot een gelukkig man te maken. Doch eer het zoover kwam, was altijd de vraag opgekomen of hij een andere nog niet vuriger begeerde. Daarom had hij getracht zich zelven wijs te maken dat zijn hart zich niet aan ééne verbinden wilde, maar dat het klopte voor het geheele geslacht, voor zoover het jong en schoon was. Wel wist hij dat hij ook trouw zou kunnen zijn, want aan zijn vrienden was hij innig gehecht en voor hen tot ieder offer bereid, maar hij dacht dat het met vrouwen anders was. Zou nu ook weder Helena's beeld, dat hem nu zóó beminnelijk scheen, even snel verbleeken? Het tegendeel zou wel wonderlijk zijn, en toch geloofde hij vast en zeker dat Eros er ditmaal ernst mede maakte. De lachende Eroten[5], die om hem en al hare voorgangsters rozenguirlanden geslingerd hadden, waren met deze ernstige jonkvrouw niet medegekomen.
[5] Kleine liefdegoden, in het gevolg van Eros.
Dit alles ging met de snelheid des bliksems door zijn hoofd en hart, terwijl hij het impluvium binnentrad, waar de beambten ongeduldig op den eigenaar van het huis wachtten. Op zijne levendige, warme wijze verklaarde hij hun waarom hij hoopte, dat zij vergeefs zouden gekomen zijn, en de intendant verzekerde hem dat niemand zich meer zou verheugen dan hij, indien de Regent hem morgen machtigde, zijn opdracht in te trekken. Hij zou hier gaarne nog een tijdlang wachten, als het de kleindochter van den ouden geleerde mocht gelukken deze met bedachtzaamheid mede te deelen, wat hem boven het hoofd hing.
Intusschen werd het geduld van den welmeenenden man niet lang op de proef gesteld, want toen Helena in het tuinhuis was gekomen, vond zij haar grootvader reeds ingelicht omtrent het lot dat hem wachtte.
De philosoof Euphranor, een bejaard lid van het Museum, was door de tuindeur tot hem doorgedrongen en had hem alles medegedeeld, zonder te letten op de veelbeteekende wenken en gebaren van zijn leerling Philotas. Maar Didymus kende zijn bezoeker, die evenals hij van de wereld afgezonderd al zijn tijd en kracht aan de wetenschap wijdde. Daarom had hij enkel ongeloovig het hoofd geschud, de dunne haarvlok, die over zijn gelaat hing, naar achteren gestreken, en op een licht verwijtenden toon uitgeroepen: »Wat denkt gij nu weder gehoord te hebben! Nu, wij zullen zien!"
Toen was hij opgestaan, doch te zeer door het onverwachte bericht getroffen om aan zijn sandalen op de mat en aan den mantel te denken die op een boekenkist lag, en wilde hij zonder die de kamer verlaten, toen zijn vriend, die hem eerst sprakeloos liet begaan, hem tegenhield, en tegelijk Helena in het tuinhuis kwam. De grijze philosoof wendde zich nu tot haar, en verzocht dat zij haar grootvader mocht bewijzen, dat dingen die men niet gaarne gelooven wil, daarom toch wel waar kunnen zijn. Dat deed zij dan ook, maar zoo omzichtig mogelijk, daarbij denkende aan den bouwmeester en wat hij hoopte.
Doch Didymus zag naar den grond, en schudde langzaam het grijze hoofd. Eensklaps richtte hij zich op, liep, zonder te letten op den mantel dien Helena reeds gereed hield, op de deur toe, en opende die met den uitroep: »En toch moet en zal het anders gebeuren!"
Euphranor en Helena volgden hem, maar hij liep met vluggen, krachtigen tred, hoewel in gebogen houding, het tuintje door, en ging daarop rechtstreeks het impluvium binnen. Het schelle licht hinderde aan zijn zwakke oogen, en door zijn gewoonte om recht voor zich uit of naar den grond te zien, duurde het een tijdlang eer hij recht wist wie zich om hem heen bevonden. De intendant was hem echter tegemoet gegaan, had hem eerbiedig gegroet en verzekerde zeer te betreuren, dat hij hem moest storen in het werk, dat de geheele wereld met belangstelling te gemoet zag, maar het was voor een gewichtige zaak.
»Ik weet het al," antwoordde de geleerde, met een kalmen glimlach. »Wat moet dat alles toch beteekenen?"
Hij zag de aanwezigen beurtelings allen aan, doch hij kende niemand dan den intendant die aan de administratie van het Museum verbonden was, en den bouwmeester, voor wien hij het opschrift had gemaakt dat op het door hem gebouwde Odeon stond.
Toen nu zijn blik ook op het gelaat der anderen alleen verwondering las, begon zijn vertrouwen toch eenigszins te wankelen. Toch nog overtuigd dat men hem onmogelijk den eisch kon stellen, waarvan de philosoof gesproken had, zeide hij:
»Men beweert dus, dat het plan bestaat om mijn tuin in een openbare wandelplaats te herscheppen. En tot welk doel? Om er een standbeeld te plaatsen. Dat kan toch niet ernstig gemeend zijn, want mijn eigendomsrecht staat opgeteekend in de boeken, en de wet..."
»Vergeef mij," zeide de intendant, »indien ik u hier in de rede val. Wij kennen die verordening zeer goed, doch men wil hier een uitzondering maken. De Regent wil u niets ontnemen, hij biedt u veeleer uit naam der koningin een schadeloosstelling aan, die gij zelf bepalen moogt voor dat stuk grond, dat door het standbeeld der hoogstgeplaatsten in dit land--het stelt Cleopatra met Antonius hand in hand voor--een bijzondere eer te beurt zal vallen. Het is reeds hierheen gebracht. Als een werk van den voortreffelijken, te vroeg gestorven Lysander, zal het uw huis zeker tot sieraad strekken. Het kleine huis aan de zee moet trouwens morgen reeds gesloopt worden; want gij weet dat de genadige koningin iederen dag, als overwinnares, naar wij hopen, verwacht worden kan. Dit beeld, dat bestemd is om haar een verrassing te bereiden en te eeren, moet haar reeds bij haar aankomst begroeten, en daarom heeft de Regent mij nog heden gezonden, om u zijn wensch kenbaar te maken. Daar het ook die der koningin is..."
»Intusschen," zeide de bouwmeester, die nogmaals aan de kleindochter van den grijsaard zijn bijstand had beloofd, »zullen uwe vrienden toch beproeven den Regent tot een andere keus te overreden."
»Dat staat hen vrij," merkte de intendant op. »Wat later gebeuren zal moge de tijd leeren. Mijn taak is alleen den waardigen bezitter van dit huis en dezen tuin reeds heden te overtuigen, dat hij zich moet onderwerpen aan het bevel der koningin, ofschoon de Regent en mijn eigen hart mij daaraan den vorm van een wensch hebben doen geven."
Gedurende deze samenspraak had de oude man eerst zwijgend toegeluisterd en hem met gespannen blik daarbij aangestaard. Het was dus werkelijk zoo. Hij moest van zijn tuin en het huisje, dat een halve eeuw lang het tooneel van zijn werken en denken geweest was, afstand doen, ter wille van een standbeeld. Zoodra hij de zekerheid hiervan verkregen had, zag men hem den blik op den grond gevestigd houden, als iemand die met zijn gedachten afwezig is. De groote smart verlamde zijn tong, en Helena, die hem dit aanzag en met hem mede voelde, had zich aan zijne zijde geplaatst.
Het schreeuwen en joelen der menigte drong door de open zoldering van het impluvium tot hen door, maar de grijsaard scheen het niet te hooren, en bemerkte ook zijn kleindochter niet. Nauwelijks echter voelde hij hare aanraking, of hij trok zich haastig terug en zag den kring der indringers opnieuw in het rond.
Nu brandde in het anders zoo matte oog van den ouden commentator het vuur van jeugdige hartstocht. Als een worstelaar, die naar het rechte punt van aanval zoekt, haalde hij diep adem en mat den intendant met vertoornden blik, van het hoofd tot de voeten. De gebrekkige, eenzelvige grijsaard scheen een tot den kamp bereid strijder geworden te zijn. Zijne lippen en fijne neusvleugels trilden, en toen de intendant herhaalde dat hij den inhoud van het tuinhuis nog heden diende in veiligheid te brengen, daar die anders morgen vroeg uitgedragen moest worden, hief Didymus zijn arm op en riep uit: »Dat zal men _niet_ doen! Geen enkele rol mag uit het tuinhuis weggehaald worden. Morgen vroeg ben ik als altijd aan mijn werk te vinden, en als gij bij uw voornemen blijft om mij van mijn eigendom te berooven, dan zult gij geweld moeten gebruiken om dat doel te bereiken."
»Wees kalm, waardige man," zeide de intendant. »Ieder moet zich buigen voor een hooger wil: de goden voor dien van het noodlot, de stervelingen voor dien der koningen. Gij zijt een wijze, en ik volbreng slechts de plichten die aan mijn ambt verbonden zijn. Maar ik ken het leven, en wanneer ik u raden mag, dan laat gij toe wat niet te veranderen is. Ik zou tien tegen één durven wedden dat gij daarbij wel varen zult, en de koningin u de middelen in de hand geeft..."
»Die zullen wel toereikend zijn," viel Didymus met bitterheid in, »om een paleis te bouwen, in plaats van het huisje, dat mij ontnomen wordt." En toen barstte hij weder uit: »Maar wat vraag ik naar uw geld! Ik wil mijn recht, mijn goed eerlijk recht. Dáárop sta ik, en wie mij een duimbreed ontnemen durft van den grond, die het erfgoed van mijn vader en grootvader is...."
Hij hield stil want daarbuiten was het volk weer in luid gejubel losgebarsten, en toen het ophield en de grijsaard voortging met zijn goed recht te verdedigen, werd hij in de rede gevallen door een heldere vrouwenstem die hem den Griekschen groet: »wees blijde!" toeriep. Dat klonk zoo welluidend en vroolijk, dat de doffe stemming die als een grauwen nevel over de aanwezigen hing, er als het ware door weggevaagd werd.